Verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de Lid-Staten onderling en tussen de Lid-Staten en derde landen

1.

Tekst

Avis juridique important

|

2.

31986R4055

Verordening (EEG) nr. 4055/86 van de Raad van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de Lid-Staten onderling en tussen de Lid-Staten en derde landen

Publicatieblad Nr. L 378 van 31/12/1986 blz. 0001 - 0003

Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 7 Deel 3 blz. 0145

Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 7 Deel 3 blz. 0145

VERORDENING (EEG) Nr. 4055/86 VAN DE RAAD

van 22 december 1986

houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de Lid-Staten onderling en tussen de Lid-Staten en derde landen

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 84,

lid 2,

Gezien de ontwerp-verordening ingediend door de Commissie,

Gezien het advies van het Europese Parlement (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),

Overwegende dat volgens artikel 3 van het Verdrag de verwijdering tussen de Lid-Staten van hinderpalen voor het vrije verkeer van diensten deel uitmaakt van de activiteit van de Gemeenschap;

Overwegende dat het vrije verkeer van diensten op het gebied van het vervoer overeenkomstig artikel 61 van het Verdrag door de bepalingen in de titel betreffende het vervoer wordt beheerst;

Overwegende dat de toepassing van dit beginsel in de Gemeenschap ook een noodzakelijke voorwaarde is voor het voeren van een effectief beleid ten aanzien van derde landen, dat erop gericht is een waarborg te bieden voor een blijvende toepassing van commerciële beginselen in het zeevervoer;

Overwegende dat Verordening (EEG) nr. 954/79 (3) onder andere voorziet in toegang op basis van concurrentie binnen de "conferences'' tot dat gedeelte van het lijnvervoer van goederen dat niet door de verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake een gedragscode voor lijnvaartconferences, zodra dat Verdrag door de Lid-Staten is bekrachtigd, voor de nationale lijnvaartondernemingen van derde landen wordt gereserveerd;

Overwegende dat rekening houdend met het feit dat de Gedragscode nog niet door alle Lid-Staten is geratificeerd en dat bepaalde derde landen deze waarschijnlijk niet zullen

ratificeren, de Code nog niet wordt toegepast in alle verkeer van de Gemeenschap noch in de toekomst van toepassing zal zijn op sommige onderdelen van dit verkeer;

Overwegende dat de Gedragscode slechts geldt voor lijnvaartconferences en de door de leden ervan vervoerde lading, doch niet voor onafhankelijke lijnvaartmaatschappijen, noch voor scheepvaartondernemingen die zich op het gebied van bulk-vervoer of op dat van de wilde vaart bewegen, op welk gebied de Gemeenschap een stelsel van vrije en eerlijke concurrentie beoogt te handhaven;

Overwegende dat de Gemeenschap Resolutie nr. 2 van de Conferentie van gevolmachtigden van de Verenigde Naties inzake een gedragscode voor conferences volledig ondersteunt waarin wordt bepaald dat in het belang van een gezonde ontwikkeling van diensten van lijndiensten, niet bij een conferentie aangesloten lijndiensten niet dienen te worden belet te functioneren zolang zij het beginsel van eerlijke mededinging op commerciële basis aanvaarden;

Overwegende dat de Lid-Staten bevestigen gehecht te zijn aan een situatie van vrije mededinging, die één van de wezenlijke kenmerken vormt van het bulk-vervoer van vaste en vloeibare stoffen, en ervan overtuigd zijn dat de toepassing van een vrachtverdeling in dit vervoer de kosten hiervan sterk zal verhogen en ernstige gevolgen zal hebben voor de handelsbelangen van alle landen;

Overwegende dat de rederijen van de Gemeenschap in toenemende mate worden geconfronteerd met door derde landen aangebrachte nieuwe beperkingen op de vrijheid om diensten inzake zeevervoer aan in hun eigen land, in andere Lid-Staten of in de betrokken derde landen gevestigde verladers te verlenen, hetgeen voor het communautaire handelsverkeer als geheel nadelige gevolgen kan hebben;

Overwegende dat sommige van bovengenoemde beperkingen in bilaterale overeenkomsten tussen derde landen en sommige Lid-Staten zijn opgenomen, terwijl andere in soortgelijke bepalingen in de wetgeving of in administratieve praktijken van sommige Lid-Staten zijn belichaamd;

Overwegende dat derhalve het beginsel van het vrij verrichten van diensten thans op het zeevervoer tussen Lid-Staten

onderling en tussen Lid-Staten en derde landen moet worden toegepast ten einde de bestaande beperkingen geleidelijk op te heffen en nieuwe beperkingen te voorkomen;

Overwegende dat de scheepvaartindustrie van de Gemeenschap zodanig is gestructureerd dat het dienstig is de bepalingen van deze verordening ook van toepassing te doen zijn op onderdanen van de Lid-Staten die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd en op rederijen die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd en die worden gecontroleerd door onderdanen van een Lid-Staat, indien hun schepen in deze Lid-Staat zijn geregistreerd overeenkomstig de wetgeving van die Lid-Staat;

Overwegende dat in overeenstemming met de gevoeligheid van de betrokken soort van vervoer in een redelijke overgangsperiode moet worden voorzien,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

  • 1. 
    Het vrij verrichten van diensten inzake zeevervoer tussen de Lid-Staten onderling en tussen de Lid-Staten en derde landen is van toepassing op de onderdanen van de Lid-Staten die in een andere Lid-Staat zijn gevestigd dan in die van degene voor wie de diensten worden verricht.
  • 2. 
    Deze verordening geldt eveneens voor de onderdanen van de Lid-Staten die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd en voor scheepvaartondernemingen die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd en worden gecontroleerd door onderdanen van een Lid-Staat, indien hun schepen in deze Lid-Staat zijn geregistreerd overeenkomstig de wetgeving van die Lid-Staat.
  • 3. 
    De artikelen 55 tot en met 58 en 62 van het Verdrag zijn van toepassing op de onder deze verordening vallende aangelegenheden.
  • 4. 
    In de zin van deze verordening wordt, indien deze normaal tegen vergoeding worden verricht, onder diensten inzake zeevervoer tussen de Lid-Staten onderling en tussen de Lid-Staten en derde landen verstaan:
  • a) 
    intracommunautaire vervoerdiensten:

vervoer over zee van reizigers of goederen tussen een haven van een Lid-Staat en een haven of een off-shore-installatie van een andere Lid-Staat;

  • b) 
    verkeer met derde landen:

vervoer over zee van reizigers of goederen tussen de havens van een Lid-Staat en havens of off-shore-installaties van een derde land.

Artikel 2

In afwijking van artikel 1, worden de vóór 1 juli 1986 bestaande unilaterale nationale beperkingen op het vervoer van bepaalde goederen dat geheel of gedeeltelijk gereserveerd

is voor onder nationale vlag varende schepen, overeenkom-

stig het volgende tijdschema geleidelijk afgeschaft:

  • vervoer tussen de Lid-Staten met schepen die de vlag van een Lid-Staat voeren:

31 december 1989

  • vervoer tussen de Lid-Staten en derde landen met schepen die de

vlag van een Lid-Staat voeren:

31 december 1991

  • vervoer tussen de Lid-Staten en tussen de Lid-Staten en derde landen met andere schepen:

1 januari 1993.

Artikel 3

Vrachtverdelingsregelingen in bestaande bilaterale overeenkomsten tussen Lid-Staten en derde landen worden geleidelijk afgeschaft of aangepast in overeenstemming met arti-

kel 4.

Artikel 4

  • 1. 
    Bestaande vrachtverdelingsregelingen die niet geleidelijk zijn afgeschaft in overeenstemming met artikel 3, worden als volgt aan de communautaire wetgeving aangepast:
  • a) 
    voor wat het aan de Gedragscode voor Lijnvaartconferences van de Verenigde Naties gebonden verkeer betreft, dienen de regelingen in overeenstemming te zijn met deze Code en te voldoen aan de eisen die aan de Lid-Staten worden gesteld krachtens Verordening (EEG) nr. 954/79;
  • b) 
    voor wat het niet aan de Gedragscode voor Lijnvaartconferences van de Verenigde Naties gebonden verkeer betreft, moeten de overeenkomsten zo spoedig mogelijk en in elk geval vóór 1 januari 1993 zo worden aangepast dat alle onderdanen van de Gemeenschap in de zin van artikel 1 een billijke, vrije en niet-discriminerende toegang krijgen tot de vracht die aan de betrokken Lid-Staten toekomt.
  • 2. 
    Nationale maatregelen ter uitvoering van lid 1 dienen onmiddellijk aan de Lid-Staten en de Commissie te worden meegedeeld. De bij Beschikking 77/587/EEG van de Raad ingestelde overlegprocedure is van toepassing.
  • 3. 
    De Lid-Staten brengen de Commissie verslag uit over de vooruitgang die is geboekt bij de in lid 1, onder b), bedoelde aanpassingen, aanvankelijk elke zes maanden en later elk jaar.
  • 4. 
    Mochten zich problemen voordoen bij het aanpassen van de overeenkomsten om deze in overeenstemming te brengen met het bepaalde in lid 1, onder b), dan stelt de betrokken Lid-Staat de Raad en de Commissie daarvan in kennis. Indien overeenkomsten onverenigbaar zijn met lid 1, onder b), en indien de betrokken Lid-Staat daarom verzoekt, treft de Raad, op voorstel van de Commissie, passende maatregelen.

Artikel 5

  • 1. 
    Vrachtverdelingsregelingen in toekomstige overeenkomsten met derde landen zijn verboden, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, wanneer lijnvaartondernemingen

van de Gemeenschap anders geen daadwerkelijke gelegenheid zouden hebben lijndiensten van en naar het betrokken derde land te onderhouden. In die omstandigheden kunnen overeenkomsten worden toegestaan overeenkomstig arti-

kel 6.

  • 2. 
    Indien een derde land tracht aan Lid-Staten vrachtverdelingsregelingen aangaande vloeibaar of droog bulkvervoer op te leggen, neemt de Raad passende maatregelen overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 4058/86 van 22 december 1986 betreffende een gecooerdineerd optreden ter vrijwaring van de vrije toegang tot lading in het vervoer over zee (1).

Artikel 6

  • 1. 
    Indien onderdanen of scheepvaartondernemingen van een Lid-Staat, als bedoeld in artikel 1, leden 1 en 2, zich in een situatie bevinden of dreigen te bevinden waarin zij geen daadwerkelijke gelegenheid hebben lijndiensten van en naar een bepaald derde land te onderhouden, stelt de betrokken Lid-Staat de andere Lid-Staten en de Commissie daarvan zo spoedig mogelijk in kennis.
  • 2. 
    De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie over de stappen die moeten worden genomen. Deze stappen kunnen in de in artikel 5, lid 1, bedoelde omstandigheden het onderhandelen over en sluiten van vrachtverdelingsregelingen omvatten.
  • 3. 
    Indien de Raad binnen zes maanden nadat een Lid-Staat de informatie overeenkomstig lid 1 heeft verstrekt, geen besluit heeft genomen over de nodige stappen, mag de betrokken Lid-Staat de stappen nemen die voorshands noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat hij daadwerkelijk lijndiensten kan blijven onderhouden overeenkomstig arti-

kel 5, lid 1.

  • 4. 
    Stappen die worden genomen krachtens lid 3, moeten in overeenstemming zijn met de communautaire wetgeving en voorzien in een billijke, vrije en niet-discriminerende toegang tot de betrokken vrachtaandelen voor onderdanen of scheepvaartondernemingen van de Gemeenschap, als omschreven in artikel 1, leden 1 en 2.
  • 5. 
    Nationale stappen uit hoofde van lid 3 dienen onmiddellijk aan de Lid-Staten en de Commissie te worden medegedeeld. De bij Beschikking 77/587/EEG van de Raad ingestelde overlegprocedure is van toepassing.

Artikel 7

De Raad kan in overeenstemming met de voorwaarden van het Verdrag besluiten de bepalingen van deze verordening uit te breiden tot onderdanen van een derde land die diensten inzake zeevervoer verrichten en in de Gemeenschap zijn gevestigd.

Artikel 8

Onverminderd de bepalingen van het Verdrag betreffende het recht van vestiging, kan degene die een dienst inzake zeevervoer verricht, zijn activiteit in de Lid-Staat waar de dienst wordt verricht daartoe tijdelijk voortzetten onder dezelfde voorwaarden als die welke door de betrokken Staat worden opgelegd aan zijn eigen onderdanen.

Artikel 9

Zolang de beperkingen op het vrij verrichten van diensten niet zijn opgeheven, passen de Lid-Staten deze zonder onderscheid naar nationaliteit of naar verblijfplaats toe op al degenen die diensten verrichten als bedoeld in artikel 1, leden 1 en 2.

Artikel 10

Voordat de Lid-Staten wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vaststellen ter uitvoering van deze verordening, raadplegen zij de Commissie; zij stellen haar in kennis van de maatregelen die zij aldus hebben getroffen.

Artikel 11

In overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag zal de Raad deze verordening vóór 1 januari 1995 opnieuw bezien.

Artikel 12

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 22 december 1986.

Voor de Raad

De Voorzitter

  • G. 
    SHAW
  • (1) 
    PB nr. C 255 van 13. 10. 1986, blz. 169.
  • (2) 
    PB nr. C 172 van 2. 7. 1984, blz. 178.
  • (3) 
    PB nr. L 121 van 17. 5. 1979, blz. 1.
  • (1) 
    Zie blz. 21 van dit Publikatieblad.

3.

Verwante dossiers

 
 

4.

Uitgebreide versie

Van deze pagina bestaat een uitgebreide versie met de juridische context.

De uitgebreide versie is beschikbaar voor betalende gebruikers van de EU Monitor van PDC Informatie Architectuur.

5.

EU Monitor

Met de EU Monitor volgt u alle Europese dossiers die voor u van belang zijn en bent u op de hoogte van alles wat er speelt in die dossiers. Helaas kunnen wij geen nieuwe gebruikers aansluiten, deze dienst zal over enige tijd de werkzaamheden staken.

De EU Monitor is ook beschikbaar in het Engels.