Verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1783/1999

1.

Tekst

31.7.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 210/1

 

VERORDENING (EG) Nr. 1080/2006 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 5 juli 2006

betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1783/1999

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 162, eerste alinea, en artikel 299, lid 2, tweede alinea,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

 

(1)

Op grond van artikel 160 van het Verdrag is het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) bedoeld om een bijdrage te leveren aan het ongedaan maken van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Gemeenschap. Het EFRO draagt er dan ook toe bij de kloof tussen de ontwikkelingsniveaus van de verschillende regio's en de achterstand van de zwakste regio's, met inbegrip van stedelijke en plattelandsgebieden, industriegebieden met afnemende economische activiteit, gebieden met een geografische of natuurlijke handicap zoals eilanden, berggebieden, dunbevolkte gebieden en grensregio's, te verkleinen.

 

(2)

De gemeenschappelijke bepalingen voor de structuurfondsen en het Cohesiefonds zijn opgenomen in Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 (4). Er dienen specifieke bepalingen te worden vastgesteld met betrekking tot het soort activiteiten dat door het EFRO kan worden gefinancierd op grond van de in die verordening gespecificeerde doelstellingen.

 

(3)

Het EFRO dient bijstand te verlenen in het kader van een algemene strategie voor het cohesiebeleid waarbij een sterkere concentratie van de bijstand op de prioriteiten van de Gemeenschap wordt gegarandeerd.

 

(4)

In Verordening (EG) nr. 1083/2006 is bepaald dat de regels betreffende subsidiabiliteit van de uitgaven op nationaal niveau moeten worden vastgesteld, met bepaalde uitzonderingen, waarvoor in specifieke bepalingen moet worden voorzien. Voor de uitzonderingen met betrekking tot het EFRO dienen derhalve speciale bepalingen te worden vastgesteld.

 

(5)

In het kader van een geïntegreerd optreden voor stedelijke ontwikkeling wordt het noodzakelijk geacht om steun te verlenen aan beperkte acties voor de renovatie van woningen in gebieden die te maken hebben met of bedreigd worden door materiële achteruitgang en sociale uitsluiting in de lidstaten die op of na 1 mei 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden.

 

(6)

Er moet vastgelegd worden dat de bijdragen uit het EFRO aan uitgaven voor huisvesting betrekking moeten hebben op het verstrekken van woonruimte van goede kwaliteit voor lagere-inkomengroepen, met inbegrip van recentelijk geprivatiseerde woningen, en woonruimte voor kwetsbare sociale groepen.

 

(7)

Een efficiënte en doeltreffende uitvoering van door het EFRO gesteunde acties berust op goed bestuur en partnerschap tussen alle betrokken territoriale en sociaal-economische partners, en in het bijzonder de regionale en lokale autoriteiten, alsmede elke andere bevoegde instantie, tijdens de verschillende stadia van de uitvoering van de door het EFRO gecofinancierde operationele programma's.

 

(8)

De lidstaten en de Commissie moeten ervoor zorgen dat er niet wordt gediscrimineerd op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid in de verschillende stadia van de uitvoering van de door het EFRO gecofinancierde operationele programma's.

 

(9)

Voortbouwend op de ervaringen met, en de sterke punten van, het communautaire initiatief Urban zoals bedoeld in artikel 20, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen (5), moet de duurzame stedelijke ontwikkeling worden versterkt door maatregelen op dat gebied volledig te integreren in de door het EFRO meegefinancierde operationele programma's, met bijzondere aandacht voor plaatselijke ontwikkelings- en werkgelegenheidsinitiatieven en het daarmee verband houdende innovatiepotentieel.

 

(10)

In het bijzonder dient te worden toegezien op de complementariteit en de consistentie met andere communautaire beleidsvormen, en in het bijzonder met het zevende kaderprogramma voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie en het kaderprogramma inzake concurrentievermogen en innovatie. Voorts moet er synergie zijn tussen de steun uit het EFRO en de steun uit het Europees Sociaal Fonds ingevolge Verordening (EG) nr. 1081/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende het Europees Sociaal Fonds (6), uit het Cohesiefonds ingevolge Verordening (EG) nr. 1084/2006 van de Raad van 11 juli 2006 tot oprichting van het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1164/94 (7), uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling ingevolge Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (8) en uit een Europees Visserijfonds (EVF).

 

(11)

Het is noodzakelijk ervoor te zorgen dat de door het EFRO gesteunde acties ten behoeve van het midden- en kleinbedrijf (MKB) rekening houden met de uitvoering van het door de Europese Raad op 19 en 20 juni 2000 te Santa Maria da Feira aangenomen Europese Handvest voor het midden- en kleinbedrijf, en dit ondersteunen.

 

(12)

Specifieke aandacht dient te gaan naar de ultraperifere regio's, namelijk door, bij wijze van uitzondering, de werkingssfeer van het EFRO te verruimen tot de financiering van steun voor de bedrijfsvoering ter vergoeding van de extra kosten die voortvloeien uit hun specifieke economische en sociale situatie, die mede het gevolg is van hun verafgelegen en/of insulaire ligging, gering oppervlak, problematische topografie, ongunstig klimaat en hun economische afhankelijkheid van een beperkt aantal producten, kenmerken die in combinatie met elkaar en door hun blijvende karakter de ontwikkeling van deze regio's bemoeilijken. Voor dergelijke specifieke maatregelen moet artikel 299, lid 2, van het Verdrag als rechtsgrond worden gebruikt.

 

(13)

Het EFRO moet de toegankelijkheidsproblemen, alsmede de problemen wegens de afstand tot de grote markten, van gebieden met een extreem lage bevolkingsdichtheid zoals bedoeld in Protocol nr. 6 betreffende bijzondere tijdelijke bepalingen inzake de activiteiten uit hoofde van de structuurfondsen in Finland, Noorwegen en Zweden bij de Toetredingsakte van 1994, aanpakken. Het EFRO moet tevens de specifieke problemen aanpakken waarmee bepaalde eilanden, berggebieden, grensregio's en dunbevolkte gebieden die door hun geografische ligging in hun ontwikkeling worden geremd, te kampen hebben, teneinde aldus hun duurzame ontwikkeling te ondersteunen.

 

(14)

Er dienen specifieke bepalingen te worden vastgesteld met betrekking tot de programmering en het beheer van, en het toezicht en de controle op, operationele programma's in het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking”.

 

(15)

Het is noodzakelijk om een doeltreffende grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking met buurlanden van de Gemeenschap te steunen wanneer dat nodig is om te garanderen dat de regio's van de lidstaten die aan derde landen grenzen, op doeltreffende wijze in hun ontwikkeling kunnen worden bijgestaan. Bijgevolg dient, bij wijze van uitzondering, de financiering van EFRO-bijstand voor projecten op het grondgebied van derde landen te worden toegestaan als die projecten in het belang zijn van de regio's van de Gemeenschap.

 

(16)

Ter wille van de duidelijkheid dient Verordening (EG) nr. 1783/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 1999 met betrekking tot het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (9) derhalve te worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMEEN

Artikel 1

Onderwerp

  • 1. 
    Bij deze verordening worden de taken van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en de reikwijdte van de bijstandsverlening uit het EFRO met betrekking tot de doelstellingen „convergentie”, „regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid” en „Europese territoriale samenwerking” zoals omschreven in artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1083/2006, alsmede de regels voor subsidiabiliteit van bijstand, vastgesteld.
  • 2. 
    Op het EFRO zijn de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1083/2006 en de bepalingen van deze verordening van toepassing.

Artikel 2

Doel

Ingevolge artikel 160 van het Verdrag en Verordening (EG) nr. 1083/2006 levert het EFRO een bijdrage aan de financiering van bijstand ten behoeve van de versterking van de economische en sociale cohesie door het ongedaan maken van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden via steun aan de ontwikkeling en structurele aanpassing van regionale economieën, met inbegrip van de omschakeling van industriegebieden met afnemende economische activiteit en regio's met een achterstand, alsmede via steun aan grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking.

Daarbij geeft het EFRO uitvoering aan de prioriteiten van de Gemeenschap, met name de noodzaak van versterking van concurrentiekracht en innovatie, het creëren en instandhouden van duurzame werkgelegenheid en het zorgen voor duurzame ontwikkeling.

Artikel 3

Reikwijdte van de bijstandsverlening

  • 1. 
    Het EFRO concentreert zijn bijstandsverlening op thematische prioriteiten. Het soort en de omvang van de acties die binnen elke prioriteit moeten worden gefinancierd, weerspiegelen de verschillen tussen de doelstellingen „Convergentie”, „Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid” en „Europese territoriale samenwerking” zoals omschreven in de artikelen 4, 5 en 6.
  • 2. 
    Het EFRO draagt bij in de financiering van:
 

a)

productieve investeringen die bijdragen tot de ontwikkeling en het behoud van duurzame werkgelegenheid, hoofdzakelijk via directe steun aan investeringen in voornamelijk het midden- en kleinbedrijf (MKB);

 

b)

infrastructuurinvesteringen;

 

c)

ontwikkeling van het eigen potentieel door maatregelen die de regionale en lokale ontwikkeling steunen. Deze maatregelen omvatten steun voor en diensten aan bedrijven, met name het MKB, opzet en ontwikkeling van financieringsinstrumenten als risicokapitaal, lenings- en garantiefondsen en fondsen voor plaatselijke ontwikkeling, rentesubsidies, netwerken, samenwerking en uitwisseling van ervaringen tussen regio's, steden en betrokken sociale, economische en ecologische actoren;

 

d)

technische bijstand zoals bedoeld in de artikelen 45 en 46 van Verordening (EG) nr. 1083/2006.

De hierboven onder a) tot en met d) genoemde investeringen en maatregelen dienen ter uitvoering van de thematische prioriteiten overeenkomstig de artikelen 4, 5 en 6.

Artikel 4

Convergentie

In het kader van de convergentiedoelstelling concentreert het EFRO zijn bijstandsverlening op de ondersteuning van duurzame geïntegreerde regionale en lokale economische ontwikkeling en werkgelegenheid door eigen capaciteiten in te zetten en te versterken met behulp van operationele programma's die zijn gericht op de modernisering en diversificatie van economische structuren en het scheppen en het in stand houden van duurzame werkgelegenheid. Dit moet voornamelijk worden bereikt via de volgende prioriteiten, waarbij de juiste beleidsmix afhangt van de specifieke kenmerken van iedere lidstaat:

 

1.

onderzoek en technologische ontwikkeling (OTO), innovatie en ondernemerschap; inclusief versterking van de capaciteiten voor onderzoek en technologische ontwikkeling en hun integratie in de Europese onderzoeksruimte, met inbegrip van de infrastructuur; steun voor OTO met name in het MKB en voor technologieoverdracht; verbetering van de banden tussen het MKB enerzijds en het hoger onderwijs, onderzoeksinstellingen en centra voor onderzoek en technologie anderzijds; ontwikkeling van bedrijvennetwerken; publiek-private partnerschappen en clusters; steun voor het ter beschikking stellen van bedrijfs- en technologiediensten aan groepen MKB-bedrijven; stimulering van ondernemerschap en innovatiefinanciering voor het MKB met behulp van financiële engineeringsinstrumenten;

 

2.

informatiemaatschappij, inclusief ontwikkeling van elektronische-communicatie-infrastructuur, lokale inhoud, diensten en toepassingen, verbetering van de veilige toegang tot en de ontwikkeling van onlineoverheidsdiensten; steun en diensten ten behoeve van het MKB met het oog op de invoering van een doeltreffend gebruik van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) of het uitwerken van nieuwe ideeën;

 

3.

initiatieven inzake lokale werkgelegenheid en steun voor de structuur voor lokale dienstverlening met het oog op het scheppen van nieuwe banen, wanneer dergelijke acties buiten de werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 1081/2006 vallen;

 

4.

milieu, inclusief investeringen die verband houden met watervoorziening en water- en afvalbeheer; behandeling van afvalwater en luchtkwaliteit; voorkoming, controle en beheersing van woestijnvorming; geïntegreerde verontreinigingspreventie en -bestrijding; steun ter verlichting van de effecten van klimaatverandering; herstel van de fysieke omgeving, waaronder de sanering van verontreinigde terreinen en gronden en de herinrichting van oude industrieterreinen; bevordering van de biodiversiteit en van natuurbescherming, waaronder investeringen in Natura 2000-gebieden; steun aan het MKB ter bevordering van duurzame productiepatronen via de invoering van kostenefficiënte systemen voor milieubeheer, en ontwikkeling en toepassing van technologie voor verontreinigingspreventie;

 

5.

risicopreventie, inclusief ontwikkeling en uitvoering van plannen om natuurlijke en technologische risico's te voorkomen of op te vangen;

 

6.

toerisme, inclusief bevordering van de natuurlijke rijkdom als potentieel voor de ontwikkeling van duurzaam toerisme; bescherming en opwaardering van natuurlijk erfgoed ter ondersteuning van de sociaal-economische ontwikkeling; steun ter verbetering van de toeristische dienstverlening via nieuwe diensten met een hogere meerwaarde en ter aanmoediging van nieuwe, duurzamere vormen van toerisme;

 

7.

investeringen in cultuur, inclusief bescherming, bevordering en behoud van het culturele erfgoed; ontwikkeling van culturele infrastructuur ter ondersteuning van de sociaal-economische ontwikkeling, duurzaam toerisme en verbeterde regionale aantrekkingskracht, en steun ter verbetering van de culturele dienstverlening via nieuwe diensten met een grotere meerwaarde;

 

8.

vervoersinvesteringen, inclusief verbetering van trans-Europese netwerken en verbindingen met het TEN-V-netwerk; geïntegreerde stadsstrategieën voor schoon vervoer die bijdragen tot een verbetering van de toegankelijkheid en de kwaliteit van diensten voor passagiers- en goederenvervoer, zulks met de bedoeling om een evenwichtiger verdeling over de verschillende vervoerswijzen tot stand te brengen, intermodale systemen te bevorderen en milieueffecten te reduceren;

 

9.

energie-investeringen, inclusief in de verbetering van trans-Europese netwerken die bijdragen tot een verbetering van de continuïteit van de voorziening, het integreren van milieuoverwegingen, verhoging van de energie-efficiëntie en ontwikkeling van hernieuwbare energie;

 

10.

onderwijsinvesteringen, inclusief in beroepsopleiding, die bijdragen tot een vergroting van de aantrekkingskracht en de kwaliteit van het leven;

 

11.

investeringen in gezondheids- en sociale infrastructuur die bijdragen tot regionale en lokale ontwikkeling en verhoging van de levenskwaliteit.

Artikel 5

Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid

In het kader van de doelstelling „Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid” concentreert het EFRO zijn bijstandsverlening, terwijl het de werkgelegenheid bevordert, in de context van strategieën voor duurzame ontwikkeling in hoofdzaak op de volgende drie prioriteiten:

 

1.

innovatie en de kenniseconomie, mede door de oprichting en de versterking van efficiënte regionale innovatie-economieën, systemische betrekkingen tussen de particuliere en de openbare sector, universiteiten en technologiecentra die rekening houden met lokale behoeften, en met name:

 

a)

vergroting van de regionale OTO- en innovatiecapaciteiten die rechtstreeks verband houden met de doelstellingen voor regionale economische ontwikkeling, door ondersteuning van industrie- of technologiespecifieke expertisecentra, bevordering van industriële OTO, van het MKB en van technologieoverdracht, ontwikkeling van technologische prognose en internationale benchmarking van beleidsmaatregelen ter bevordering van innovatie, en door ondersteuning van samenwerking tussen bedrijven en van gezamenlijke beleidsmaatregelen op het gebied van OTO en innovatie;

 

b)

stimulering van innovatie en ondernemerschap in alle sectoren van de regionale en lokale economie, door het op de markt brengen van nieuwe of verbeterde producten, processen en diensten door het MKB te steunen, bedrijvennetwerken en clusters van bedrijven te steunen, de toegang van het MKB tot financiering te verbeteren, door samenwerkingsnetwerken tussen bedrijven en passende hogeronderwijsinstellingen en onderzoeksinstellingen te bevorderen, de toegang van het MKB tot bedrijfsondersteunende diensten te vergemakkelijken en de invoering van schonere en innovatieve technologie in het MKB te steunen;

 

c)

bevordering van het ondernemerschap, met name door vergemakkelijking van de economische exploitatie van nieuwe ideeën en door aanmoediging van het creëren van nieuwe bedrijven door passende hogeronderwijsinstellingen en onderzoeksinstellingen, evenals bestaande bedrijven;

 

d)

creatie van financiële engineeringsinstrumenten en incubatiecentra die bijdragen tot de OTO-capaciteit van het MKB en tot aanmoediging van het ondernemerschap en de oprichting van nieuwe bedrijven, met name kennisintensieve MKB-bedrijven;

 

2.

milieu en risicopreventie, en in het bijzonder:

 

a)

stimulering van investeringen voor het herstel van de fysieke omgeving, waaronder verontreinigde of door woestijnvorming getroffen terreinen en gronden en gebouwen en terreinen van oude industriecomplexen;

 

b)

bevordering van de ontwikkeling van infrastructuur in verband met de biodiversiteit en investeringen in Natura 2000-gebieden, wanneer dit bijdraagt tot duurzame economische ontwikkeling en/of tot diversificatie van plattelandsgebieden;

 

c)

stimulering van de energie-efficiëntie en van de productie van hernieuwbare energie en de ontwikkeling van doeltreffende energiebeheerssystemen;

 

d)

bevordering van schoon en duurzaam openbaar vervoer, met name in stedelijke gebieden;

 

e)

ontwikkeling van plannen en maatregelen om natuurlijke (bijv. woestijnvorming, droogtes, branden en overstromingen) en technologische risico's te voorkomen of op te vangen;

 

f)

bescherming en opwaardering van het natuurlijke en culturele erfgoed ter ondersteuning van de sociaal-economische ontwikkeling en bevordering van de natuurlijke en culturele rijkdom als potentieel voor de ontwikkeling van duurzaam toerisme;

 

3.

toegang tot vervoers- en telecommunicatiediensten van algemeen economisch belang, en in het bijzonder:

 

a)

versterking van secundaire vervoersnetwerken door de verbindingen met TEN-vervoersnetwerken, regionale spoorwegknooppunten, luchthavens en havens of multimodale centra te verbeteren, door dwarsverbindingen met belangrijke spoorlijnen te realiseren en door de regionale en plaatselijke binnenvaart en de korte vaart te stimuleren;

 

b)

bevordering van de toegang van het MKB tot ICT en de invoering van en het efficiënte gebruik van ICT in het MKB, door de toegang tot netwerken, de installatie van openbare internettoegangen, het ter beschikking stellen van apparatuur en het ontwikkelen van diensten en toepassingen te steunen, inclusief met name de ontwikkeling van actieplannen ten behoeve van zeer kleine en ambachtelijke bedrijven.

Voor door het EFRO ondersteunde operationele programma's in de regio's die in aanmerking komen voor de specifieke overgangsfinanciering bedoeld in artikel 8, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1083/2006, kunnen de lidstaten en de Commissie beslissen om de steun uit te breiden tot de prioriteiten bedoeld in artikel 4 van deze verordening.

Artikel 6

Europese territoriale samenwerking

In het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” richt het EFRO zijn bijstandsverlening op de volgende prioriteiten:

 

1.

ontwikkeling van grensoverschrijdende economische, sociale en ecologische activiteiten via gezamenlijke strategieën voor duurzame territoriale ontwikkeling, en met name door:

 

a)

stimulering van het ondernemerschap, in het bijzonder van de ontwikkeling van het MKB, toerisme, cultuur, en grensoverschrijdende handel;

 

b)

stimulering en verbetering van de gezamenlijke bescherming en het gezamenlijke beheer van natuurlijke en culturele hulpbronnen, evenals de preventie van natuurlijke en technologische risico's;

 

c)

ondersteuning van de banden tussen stedelijke gebieden en plattelandsgebieden;

 

d)

vermindering van isolement via een betere toegang tot vervoers-, informatie- en communicatienetwerken en -diensten, en grensoverschrijdende systemen en voorzieningen op het gebied van water, afval en energie;

 

e)

ontwikkeling van samenwerking, van capaciteiten en van het gezamenlijke gebruik van infrastructuur, in het bijzonder in de sectoren gezondheidszorg, cultuur, toerisme en onderwijs.

Bovendien kan het EFRO bijdragen tot de bevordering van juridische en administratieve samenwerking, de integratie van grensoverschrijdende arbeidsmarkten, lokale werkgelegenheidsinitiatieven, gendergelijkheid en gelijke kansen, opleiding en sociale integratie, en tot het gezamenlijke gebruik van menselijk kapitaal en van OTO-faciliteiten.

Wat betreft het Peace-programma tussen Noord-Ierland en de grensgebieden („border counties”) van Ierland zoals bedoeld in punt 22 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1083/2006, draagt het EFRO, naast de hierboven genoemde acties, bij aan de bevordering van economische en sociale stabiliteit in de betrokken regio, met name door middel van acties ter bevordering van de cohesie tussen de gemeenschappen;

 

2.

totstandbrenging en ontwikkeling van transnationale samenwerking, inclusief de bilaterale samenwerking tussen maritieme regio's die niet onder punt 1 vallen, door de financiering van netwerken en van acties die bijdragen tot geïntegreerde territoriale ontwikkeling, met aandacht voor hoofdzakelijk de volgende prioriteiten:

 

a)

innovatie: opzet en ontwikkeling van wetenschappelijke en technologische netwerken en verbetering van regionale capaciteiten voor OTO en innovatie wanneer deze een rechtstreekse bijdrage leveren tot de evenwichtige economische ontwikkeling van transnationale gebieden. Acties kunnen betrekking hebben op het opzetten van netwerken tussen passende hogeronderwijsinstellingen en onderzoeksinstellingen en het MKB, verbindingen ter verbetering van de toegang tot wetenschappelijke kennis en technologieoverdracht tussen OTO-faciliteiten en internationale kenniscentra op het gebied van OTO, twinning tussen instellingen voor technologieoverdracht en ontwikkeling van gezamenlijke financiële engineeringsinstrumenten die gericht zijn op ondersteuning van OTO in het MKB;

 

b)

milieu: activiteiten op het gebied van waterbeheer, energie-efficiëntie, risicopreventie en milieubescherming met een duidelijke transnationale dimensie. Acties kunnen betrekking hebben op bescherming en beheer van stroomgebieden, kustgebieden, rijkdommen van de zee, watervoorzieningen en wetlands, brand-, droogte- en overstromingspreventie, bevordering van de maritieme veiligheid en bescherming tegen natuurlijke en technologische risico's, alsmede bescherming en verbetering van het natuurlijke erfgoed ter ondersteuning van sociaal-economische ontwikkeling en duurzaam toerisme;

 

c)

toegankelijkheid: activiteiten ter verbetering van de toegang tot en de kwaliteit van vervoers- en telecommunicatiediensten met een duidelijke transnationale dimensie. Acties kunnen betrekking hebben op investeringen in grensoverschrijdende secties van de trans-Europese netwerken, verbetering van de lokale en regionale toegang tot nationale en transnationale netwerkenm, vergroting van de interoperabiliteit van nationale en regionale systemen en bevordering van geavanceerde informatie- en communicatietechnologieën;

 

d)

duurzame stedelijke ontwikkeling: versterking van de polycentrische ontwikkeling op transnationaal, nationaal en regionaal niveau, met een duidelijk transnationaal effect. Acties kunnen betrekking hebben op het opzetten en verbeteren van stedelijke netwerken en verbanden tussen de stad en het platteland, strategieën om gemeenschappelijke stedelijke/plattelandsproblemen aan te pakken, behoud en bevordering van het cultureel erfgoed, alsmede strategische integratie van ontwikkelingszones op een transnationale basis.

De bijstandsverlening voor bilaterale samenwerking tussen maritieme regio's kan worden uitgebreid tot de prioriteiten bedoeld in punt 1;

 

3.

versterking van de doeltreffendheid van het regionale beleid door stimulering van:

 

a)

interregionale samenwerking die gericht is op innovatie en de kenniseconomie en milieu en risicopreventie in de zin van artikel 5, punten 1 en 2;

 

b)

de uitwisseling van ervaringen betreffende de vaststelling, de overdracht en de verspreiding van beste praktijken, onder meer inzake duurzame stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 8, en

 

c)

acties in verband met onderzoek, gegevensvergaring alsmede observatie en analyse van de ontwikkelingstendensen in de Gemeenschap.

Artikel 7

Subsidiabiliteit van de uitgaven

  • 1. 
    De volgende uitgaven komen niet voor steun uit het EFRO in aanmerking:
 

a)

debetrente;

 

b)

de aankoop van grond voor een bedrag van meer dan 10 % van de totale voor steun in aanmerking komende uitgaven van de betrokken concrete actie. In deugdelijk gemotiveerde en uitzonderlijke gevallen kan de beheersautoriteit een hoger percentage toestaan voor concrete acties inzake milieubehoud;

 

c)

de ontmanteling van kerncentrales;

 

d)

terugvorderbare belasting op de toegevoegde waarde (BTW).

  • 2. 
    De uitgaven voor huisvesting komen alleen voor steun in aanmerking voor de lidstaten die op of na 1 mei 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden, en in de volgende omstandigheden:
 

a)

de uitgaven worden geprogrammeerd in het kader van een geïntegreerde actie voor stadsontwikkeling of een prioritair zwaartepunt voor gebieden die te maken hebben met of bedreigd worden door materiële achteruitgang en sociale uitsluiting;

 

b)

de toewijzing voor uitgaven voor huisvesting bedraagt hetzij ten hoogste 3 % van de EFRO-toewijzing aan de betrokken operationele programma's hetzij 2 % van de totale EFRO-toewijzing;

 

c)

de uitgaven zijn beperkt tot:

 

meergezinswoningen of

 

gebouwen die eigendom zijn van openbare instanties of marktdeelnemers zonder winstoogmerk en die dienen om gezinnen met een laag inkomen of mensen met bijzondere behoeften te huisvesten.

De Commissie stelt de lijst van criteria voor het bepalen van de onder a) bedoelde gebieden en de lijst van subsidiabele interventies vast volgens de procedure van artikel 103, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1083/2006.

  • 3. 
    De subsidiabiliteitsregels die zijn vastgesteld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1081/2006, zijn van toepassing op door het EFRO gecofinancierde acties die binnen de werkingssfeer van artikel 3 van die verordening vallen.

HOOFDSTUK II

SPECIFIEKE BEPALINGEN INZAKE DE BEHANDELING VAN BIJZONDERE TERRITORIALE KENMERKEN

Artikel 8

Duurzame stedelijke ontwikkeling

Naast de activiteiten opgesomd in de artikelen 4 en 5 van deze verordening kan het EFRO, wat de acties op het gebied van duurzame stedelijke ontwikkeling bedoeld in artikel 37, lid 4, onder a), van Verordening (EG) nr. 1083/2006 betreft, waar passend de ontwikkeling steunen van participatieve, geïntegreerde en duurzame strategieën om de hoge concentratie van economische, ecologische en maatschappelijke problemen waarmee stedelijke gebieden te kampen hebben, aan te pakken.

Deze strategieën bevorderen duurzame stedelijke ontwikkeling door middel van activiteiten zoals het versterken van de economische groei, het herstellen van de fysieke omgeving, het herinrichten van oude industriecomplexen, het beschermen en ontwikkelen van het natuurlijke en culturele erfgoed, het bevorderen van het ondernemerschap, de lokale werkgelegenheid en wijkaanpak, alsmede het verlenen van diensten aan de bevolking, waarbij rekening wordt gehouden met de veranderende demografische structuren.

In afwijking van artikel 34, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1083/2006 en voorzover deze activiteiten worden uitgevoerd in het kader van een specifiek operationeel programma of een prioritair zwaartepunt binnen een operationeel programma, kan de EFRO-financiering van maatregelen in het kader van de doelstelling „Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid” binnen de werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 1081/2006 verhoogd worden tot 15 % van het betrokken programma of prioritair zwaartepunt.

Artikel 9

Coördinatie met het ELFPO en het EVF

Wanneer een door het EFRO gesteund operationeel programma gericht is op acties die ook subsidiabel zijn in het kader van een ander communautair ondersteuningsinstrument, waaronder zwaartepunt 3 van het ELFPO en de duurzame ontwikkeling van kustgebieden met visserij uit hoofde van het EVF, stelt de lidstaat in elk operationeel programma de afbakeningscriteria vast voor de acties die door het EFRO moeten worden gesteund en die welke door de andere communautaire ondersteuningsinstrumenten moeten worden gesteund.

Artikel 10

Gebieden met geografische en natuurlijke handicaps

In door het EFRO gecofinancierde regionale programma's voor gebieden met geografische en natuurlijke handicaps zoals bedoeld in artikel 52, onder f), van Verordening (EG) nr. 1083/2006, wordt bijzondere aandacht besteed aan de aanpak van de specifieke problemen van deze gebieden.

Onverminderd de artikelen 4 en 5 kan het EFRO in het bijzonder bijdragen aan de financiering van investeringen die zijn gericht op verbetering van de toegankelijkheid, bevordering en ontwikkeling van economische activiteiten die verband houden met het culturele en natuurlijke erfgoed, bevordering van het duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen en aanmoediging van duurzaam toerisme.

Artikel 11

Ultraperifere gebieden

  • 1. 
    De specifieke extra toewijzing zoals bedoeld in punt 20 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1083/2006, wordt gebruikt ter compensatie van de met de in artikel 299, lid 2, van het Verdrag omschreven handicaps verband houdende extra kosten in de ultraperifere gebieden bij de ondersteuning van:
 

a)

de in artikel 4 en/of artikel 5 genoemde prioriteiten, indien nodig;

 

b)

goederenvervoersdiensten en starterssteun voor vervoersdiensten;

 

c)

acties die verband houden met opslagbeperkingen, overdimensionering en onderhoud van productiemiddelen, en gebrek aan menselijk kapitaal op de plaatselijke arbeidsmarkt.

  • 2. 
    Binnen de reikwijdte van artikel 3 kunnen met de specifieke extra toewijzing investeringskosten worden gefinancierd. Daarnaast wordt de specifieke extra toewijzing tot een minimum van 50 % gebruikt om de exploitatiesteun en uitgaven voor openbaredienstverplichtingen en overheidsopdrachten voor dienstverlening in de ultraperifere gebieden te helpen financieren.
  • 3. 
    Het bedrag waarvoor het cofinancieringspercentage geldt, is, uitsluitend in het geval van exploitatiesteun en uitgaven voor openbaredienstverplichtingen en overheidsopdrachten voor dienstverlening, evenredig aan de in lid 1 bedoelde extra kosten voor de begunstigde en kan in het geval van investeringsuitgaven de totale in aanmerking komende kosten bestrijken.
  • 4. 
    Financiering uit hoofde van dit artikel mag niet worden gebruikt ter ondersteuning van:
 

a)

acties voor producten van bijlage I bij het Verdrag;

 

b)

steunmaatregelen voor personenvervoer die zijn toegestaan uit hoofde van artikel 87, lid 2, onder a), van het Verdrag;

 

c)

belastingvrijstellingen en vrijstelling van sociale lasten.

HOOFDSTUK III

SPECIFIEKE BEPALINGEN BETREFFENDE DE DOELSTELLING „EUROPESE TERRITORIALE SAMENWERKING”

AFDELING 1

Operationele programma's

Artikel 12

Inhoud

Elk operationeel programma in het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” bevat de volgende gegevens:

 

1.

een analyse van de situatie in het samenwerkingsgebied wat de sterke en de zwakke punten betreft en de strategie die op basis daarvan is gekozen;

 

2.

een lijst van de in aanmerking komende gebieden in het programmagebied, met inbegrip van, wat programma's voor grensoverschrijdende samenwerking betreft, de flexibiliteitsgebieden bedoeld in artikel 21, lid 1;

 

3.

de motivering van de prioriteiten die worden gesteld op basis van de communautaire strategische richtsnoeren over cohesie, het nationale strategische referentiekader wanneer de lidstaat heeft besloten om hierin uit hoofde van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” gefinancierde acties op te nemen, en de resultaten van de evaluatie vooraf zoals bedoeld in artikel 48, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1083/2006;

 

4.

gegevens over de prioritaire zwaartepunten en de bijbehorende specifieke doelen. Deze specifieke doelen worden gekwantificeerd aan de hand van een beperkt aantal prestatie- en resultaatindicatoren, waarbij rekening wordt gehouden met het evenredigheidsbeginsel. De indicatoren maken het mogelijk om de vorderingen ten opzichte van de uitgangssituatie, alsmede het verwezenlijken van de doelstellingen van het prioritaire zwaartepunt te meten;

 

5.

alleen ter informatie, een indicatieve uitsplitsing per categorie van het geprogrammeerde gebruik van de bijdrage uit het EFRO aan het operationele programma overeenkomstig de uitvoeringsbepalingen die de Commissie volgens de in artikel 103, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1083/2006 bedoelde procedure heeft aangenomen;

 

6.

één enkel financieringsplan, zonder onderverdeling naar lidstaat, met twee tabellen:

 

a)

een eerste tabel waarin het voor de bijdrage uit het EFRO beoogde bedrag van het totale financiële krediet overeenkomstig de artikelen 52, 53 en 54 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 per jaar wordt uitgesplitst. De per jaar geplande bijdrage uit het EFRO moet verenigbaar zijn met het toepasselijke financiële kader;

 

b)

een tweede tabel waarin voor de hele programmeringsperiode, voor het operationele programma en voor elk prioritair zwaartepunt het bedrag van het totale financiële krediet van de Gemeenschapsbijdrage en van de corresponderende nationale kredieten wordt aangegeven, alsmede het percentage dat uit het EFRO wordt bijgedragen. Wanneer overeenkomstig artikel 53 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 de nationale bijdrage bestaat uit particuliere en overheidsuitgaven, wordt in de tabel de indicatieve uitsplitsing tussen de particuliere en de overheidsuitgaven vermeld. Wanneer overeenkomstig dat artikel de nationale bijdrage bestaat uit overheidsuitgaven, wordt in de tabel het bedrag van de nationale overheidsbijdrage vermeld;

 

7.

indien van toepassing, informatie over complementariteit met maatregelen die door het ELFPO, respectievelijk het EVF, worden gefinancierd;

 

8.

de regelingen voor de uitvoering van het operationele programma, waaronder:

 

a)

aanwijzing door de lidstaten van alle in artikel 14 genoemde autoriteiten;

 

b)

een beschrijving van de toezicht- en evaluatiesystemen;

 

c)

inlichtingen over de instantie die bevoegd is voor het ontvangen van de door de Commissie verrichte betalingen, en over één of meer instanties die verantwoordelijk zijn voor het verrichten van de betalingen aan de begunstigden;

 

d)

een omschrijving van de procedures voor de beschikbaarstelling en de overmaking van de financiële middelen, om de doorzichtigheid van deze geldstromen te verzekeren;

 

e)

de elementen die tot doel hebben te zorgen voor de openbaarheid en de informatie over het operationele programma zoals bedoeld in artikel 69 van Verordening (EG) nr. 1083/2006;

 

f)

een beschrijving van de tussen de Commissie en de lidstaten overeengekomen procedures voor de uitwisseling van computergegevens om te kunnen voldoen aan de in Verordening (EG) nr. 1083/2006 gestelde eisen met betrekking tot de betaling, het toezicht en de evaluatie;

 

9.

een indicatieve lijst van de grote projecten in de zin van artikel 39 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 die, naar verwacht wordt, in de programmeringsperiode ter goedkeuring bij de Commissie zullen worden ingediend.

AFDELING 2

Subsidiabiliteit

Artikel 13

Regels betreffende de subsidiabiliteit van de uitgaven

Voor het bepalen van de subsidiabiliteit van de uitgaven gelden de desbetreffende nationale regels welke zijn overeengekomen door de lidstaten die aan een operationeel programma in het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” deelnemen, tenzij er communautaire regels zijn vastgelegd.

De Commissie stelt, overeenkomstig artikel 56, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1083/2006 en onverminderd artikel 7 van deze verordening, gemeenschappelijke regels inzake de subsidiabiliteit van de uitgaven vast volgens de procedure van artikel 103, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1083/2006.

In gevallen waarin artikel 7 voorziet in verschillende regels inzake de subsidiabiliteit van uitgaven in verschillende lidstaten die deelnemen aan een operationeel programma in het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking”, gelden in het gehele programmagebied de ruimste subsidiabiliteitsregels.

AFDELING 3

Beheer, toezicht en controle

Artikel 14

Aanwijzing van autoriteiten

  • 1. 
    De lidstaten die deelnemen aan een operationeel programma wijzen één enkele beheersautoriteit, één enkele certificerende autoriteit en één enkele auditautoriteit aan; laatstgenoemde is gevestigd in de lidstaat van de beheersautoriteit. De certificeringsautoriteit neemt de betalingen van de Commissie in ontvangst en verricht, normaliter, de betalingen aan de eerstverantwoordelijke begunstigde.

De beheersautoriteit stelt na overleg met de in het programmagebied vertegenwoordigde lidstaten een gezamenlijk technisch secretariaat in. Dit laatste staat de beheersautoriteit, het toezichtcomité en, waar passend, de auditautoriteit bij in de uitvoering van hun respectieve taak.

  • 2. 
    De auditautoriteit voor het operationele programma wordt bij het uitvoeren van de in artikel 62 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 bedoelde taken bijgestaan door een groep auditors bestaande uit een vertegenwoordiger van elke lidstaat die bijdraagt aan het operationele programma. De groep auditors wordt drie maanden na het besluit tot goedkeuring van het operationele programma opgericht. Zi j stelt haar reglement van orde vast. Zij wordt voorgezeten door de auditautoriteit voor het operationele programma.

De deelnemende lidstaat kan met eenparigheid van stemmen besluiten dat de auditautoriteit gemachtigd wordt om de taken bedoeld in artikel 62 van Verordening (EG) nr. 1083/2006, rechtstreeks in het hele door het programma bestreken grondgebied uit te oefenen, zonder dat een groep auditors zoals omschreven in de eerste alinea nodig is.

De auditors zijn onafhankelijk van het in artikel 16, lid 1, bedoelde controlesysteem.

  • 3. 
    Elke aan een operationeel programma deelnemende lidstaat wijst vertegenwoordigers aan die zitting hebben in het in artikel 63 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 bedoelde toezichtcomité.

Artikel 15

Functie van de beheersautoriteit

  • 1. 
    De beheersautoriteit verricht de in artikel 60 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 bedoelde taken, met uitzondering van die welke betrekking hebben op de rechtmatigheid, in relatie tot de nationale en de Gemeenschapsregels, van de concrete acties en de uitgaven, zoals bepaald onder b) van dat artikel. In deze context overtuigt zij zich ervan of de uitgaven van elke begunstigde die deelneemt aan een concrete actie, door de in artikel 16, lid 1, bedoelde controleur zijn gevalideerd.
  • 2. 
    De beheersautoriteit stelt, in voorkomend geval in overleg met de eerstverantwoordelijke begunstigde, de uitvoeringsregelingen voor elke concrete actie vast.

Artikel 16

Controlesysteem

  • 1. 
    Voor de validering van de uitgaven, zet elke lidstaat een controlesysteem op aan de hand waarvan kan worden nagegaan of de meegefinancierde goederen en diensten zijn geleverd, of de uitgaven die voor op zijn grondgebied uitgevoerde concrete acties of delen van concrete acties zijn gedeclareerd, juist zijn en of die uitgaven en daarmee samenhangende concrete acties of delen van concrete acties in overeenstemming zijn met de nationale en de Gemeenschapsregels.

Daartoe wijst elke lidstaat de controleurs aan die belast zijn met de controle van de wettigheid en de rechtmatigheid van de uitgaven die worden gedeclareerd door elke begunstigde die aan de concrete actie deelneemt. De lidstaten kunnen besluiten één controleur voor het hele programmagebied aan te wijzen.

Als alleen voor de volledige concrete actie kan worden nagegaan of de meegefinancierde goederen en diensten zijn geleverd, wordt die controle verricht door de controleur van de lidstaat waarin de eerstverantwoordelijke begunstigde gevestigd is, of door de beheersautoriteit.

  • 2. 
    Elke lidstaat ziet erop toe dat de uitgaven binnen een termijn van drie maanden door de controleurs kunnen worden gevalideerd.

Artikel 17

Financieel beheer

  • 1. 
    De EFRO-bijdrage wordt op één enkele rekening zonder nationale subrekeningen betaald.
  • 2. 
    Onverminderd de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor het opsporen en corrigeren van onregelmatigheden en voor het terugvorderen van onterecht betaalde bedragen, zorgt de certificerende autoriteit ervoor dat alle ten gevolge van een onregelmatigheid betaalde bedragen van de eerstverantwoordelijke begunstigde teruggevorderd worden. De begunstigden betalen de eerstverantwoordelijke begunstigde de onverschuldigd betaalde bedragen terug volgens de tussen hen gesloten overeenkomst.
  • 3. 
    Als de eerstverantwoordelijke begunstigde er niet in slaagt terugbetaling van een begunstigde te verkrijgen, betalen de lidstaten op het grondgebied waarvan de betrokken begunstigde is gevestigd, het bedrag dat onverschuldigd aan die begunstigde is betaald, aan de certificerende autoriteit terug.

Artikel 18

Europese groepering voor territoriale samenwerking

De lidstaten die deelnemen aan een operationeel programma in het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” kunnen gebruikmaken van een Europese groepering voor territoriale samenwerking uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1082/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS) (10), teneinde die groepering de verantwoordelijkheid te geven voor het beheer van het operationele programma door de bevoegdheden van de beheersautoriteit en van het gezamenlijke technische secretariaat er aan over te dragen. In deze context behoudt elke lidstaat zijn financiële verantwoordelijkheid.

AFDELING 4

Concrete acties

Artikel 19

Selectie van concrete acties

  • 1. 
    Bij concrete acties die zijn geselecteerd voor operationele programma's welke zijn gericht op de ontwikkeling van grensoverschrijdende activiteiten zoals bedoeld in artikel 6, punt 1, en voor operationele programma's welke zijn gericht op de totstandbrenging en ontwikkeling van transnationale samenwerking zoals bedoeld in artikel 6, punt 2, moeten begunstigden uit ten minste twee landen, waaronder ten minste één lidstaat, zijn betrokken, die voor elke concrete actie op ten minste twee van de volgende manieren samenwerken: gezamenlijke ontwikkeling, gezamenlijke tenuitvoerlegging, gezamenlijk gebruik van personeel en gezamenlijke financiering.

De geselecteerde concrete acties die aan de bovenstaande voorwaarden voldoen, kunnen in één enkel land worden uitgevoerd, mits zij zijn ingediend door instanties die tot ten minste twee landen behoren.

De bovenstaande voorwaarden gelden niet voor de in artikel 6, punt 1, derde alinea, bedoelde acties uit hoofde van het Peace-programma.

  • 2. 
    Bij concrete acties die zijn geselecteerd voor operationele programma's waarbij het gaat om interregionale samenwerking zoals bedoeld in artikel 6, punt 3, onder a), moeten begunstigden op regionaal of lokaal niveau betrokken zijn uit ten minste:
 

a)

drie lidstaten, of

 

b)

drie landen, waaronder ten minste twee lidstaten, wanneer een begunstigde van een derde land hierbij betrokken is.

Bij voor operationele programma's geselecteerde concrete acties zoals bedoeld in artikel 6, punt 3, onder b), worden, waar mogelijk volgens het soort concrete actie, de in de eerste alinea van dit lid genoemde voorwaarden toegepast.

Die begunstigden werken voor elke concrete actie op de volgende manier samen: gezamenlijke ontwikkeling, gezamenlijke tenuitvoerlegging, gezamenlijk gebruik van personeel en gezamenlijke financiering.

  • 3. 
    Naast de in artikel 65 van Verordening (EG) nr. 1083/2006 bedoelde taken is het toezichtcomité of een aan hem rapporterende stuurgroep belast met de selectie van de concrete acties.

Artikel 20

Verantwoordelijkheden van de eerstverantwoordelijke begunstigde en andere begunstigden

  • 1. 
    Voor elke concrete actie wijzen de begunstigden in eigen midden een eerstverantwoordelijke begunstigde aan. De eerstverantwoordelijke begunstigde heeft de volgende taken:
 

a)

hij stelt de regelingen vast voor zijn betrekkingen met de begunstigden die aan de concrete actie deelnemen, en wel in de vorm van een overeenkomst waarin, onder meer, bepalingen zijn opgenomen die een goed financieel beheer van de aan de concrete actie toegewezen middelen garanderen, met inbegrip van regelingen voor de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen;

 

b)

hij draagt zorg voor de tenuitvoerlegging van de volledige concrete actie;

 

c)

hij ziet erop toe dat de uitgaven die door de aan de concrete actie deelnemende begunstigden zijn ingediend, zijn betaald voor de tenuitvoerlegging van de concrete actie en in overeenstemming zijn met de activiteiten die door de aan de concrete actie deelnemende begunstigden onderling zijn overeengekomen;

 

d)

hij gaat na of de uitgaven die door de aan de concrete actie deelnemende begunstigden zijn ingediend, zijn gevalideerd door de controleurs;

 

e)

hij is verantwoordelijk voor het doorgeven van de EFRO-bijdrage aan de begunstigden die deelnemen aan de concrete actie.

  • 2. 
    Elke aan de concrete actie deelnemende begunstigde:
 

a)

is aansprakelijk in geval van onregelmatigheid van de door hem gedeclareerde uitgaven;

 

b)

stelt de lidstaat waarin hij is gevestigd, in kennis van zijn deelname aan een concrete actie wanneer deze lidstaat als zodanig niet deelneemt aan het betrokken operationele programma.

Artikel 21

Bijzondere voorwaarden betreffende de plaats van uitvoering van de concrete acties

  • 1. 
    In de context van grensoverschrijdende samenwerking kan het EFRO in deugdelijk gemotiveerde gevallen uitgaven die zijn gedaan bij de uitvoering van concrete acties of delen van concrete acties, financieren tot 20 % van het bedrag van zijn bijdrage aan het betreffende operationele programma in NUTS III-gebieden grenzend aan de gebieden die voor dat programma subsidiabel zijn zoals bedoeld in artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1083/2006, of omringd door zulke gebieden. In uitzonderlijke gevallen zoals overeengekomen tussen de Commissie en de lidstaten, kan deze flexibiliteit ook gelden voor NUTS II-gebieden waar de gebieden bedoeld in artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1083/2006, gelegen zijn.

Op projectniveau kunnen uitgaven welke gedaan zijn door partners die gevestigd zijn buiten het gebied van het programma zoals bepaald in de eerste alinea, subsidiabel zijn, indien de doelstellingen van het project moeilijk zouden kunnen worden verwezenlijkt zonder de deelname van die partner.

  • 2. 
    In de context van transnationale samenwerking kan het EFRO in deugdelijk gemotiveerde gevallen uitgaven van buiten het gebied gevestigde partners die aan acties deelnemen, financieren tot 20 % van het bedrag van zijn bijdrage aan het betrokken operationele programma, als die uitgaven de regio's in het gebied van de samenwerkingsdoelstelling ten goede komen.
  • 3. 
    In de context van grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking kan het EFRO uitgaven die zijn gedaan bij de tenuitvoerlegging van concrete acties of delen van concrete acties op het grondgebied van landen buiten de Europese Gemeenschap, financieren tot 10 % van het bedrag van zijn bijdrage aan het betrokken operationele programma, als die uitgaven de regio's van de Gemeenschap ten goede komen.
  • 4. 
    De lidstaten zien toe op de wettigheid en rechtmatigheid van deze uitgaven. De beheersautoriteit bevestigt de selectie van concrete acties buiten de voor steun in aanmerking komende gebieden zoals bedoeld in de leden 1 tot en met 3.

HOOFDSTUK IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 22

Overgangsbepalingen

  • 1. 
    Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting noch aan de wijziging, met inbegrip van de gedeeltelijke of volledige intrekking, van de bijstandsverlening die door de Commissie is goedgekeurd op grond van Verordening (EG) nr. 1783/1999, of andere wetgeving die op 31 december 2006 op die bijstandsverlening van toepassing is, en bijgevolg daarna op die bijstandsverlening of de betrokken projecten van toepassing zal zijn totdat ze worden afgesloten.
  • 2. 
    Aanvragen die zijn ingediend in het kader van Verordening (EG) nr. 1783/1999 blijven geldig.

Artikel 23

Intrekkingen

  • 1. 
    Onverminderd artikel 22, wordt Verordening (EG) nr. 1783/1999 met ingang van 1 januari 2007 ingetrokken.
  • 2. 
    Verwijzingen naar de ingetrokken verordening worden uitgelegd als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 24

Herzieningsclausule

Het Europees Parlement en de Raad bezien deze verordening vóór 31 december 2013 opnieuw, overeenkomstig de procedure in artikel 162 van het Verdrag.

Artikel 25

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 5 juli 2006.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

  • J. 
    BORRELL FONTELLES

Voor de Raad

De voorzitster

  • P. 
    LEHTOMÄKI
 

  • (3) 
    Advies van het Europees Parlement van 6 juli 2005 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 12 juni 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en standpunt van het Europees Parlement van 4 juli 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
  • (4) 
    Zie bladzijde 25 van dit Publicatieblad.
  • (6) 
    Zie bladzijde 12 van dit Publicatieblad.
  • (7) 
    Zie bladzijde 79 van dit Publicatieblad.
  • Zie bladzijde 19 van dit Publicatieblad.
 

2.

Verwante dossiers

 
 

3.

Uitgebreide versie

Van deze pagina bestaat een uitgebreide versie met de juridische context.

De uitgebreide versie is beschikbaar voor betalende gebruikers van de EU Monitor van PDC Informatie Architectuur.

4.

EU Monitor

Met de EU Monitor volgt u alle Europese dossiers die voor u van belang zijn en bent u op de hoogte van alles wat er speelt in die dossiers. Helaas kunnen wij geen nieuwe gebruikers aansluiten, deze dienst zal over enige tijd de werkzaamheden staken.

De EU Monitor is ook beschikbaar in het Engels.