Economisch en monetair beleid - EU monitor

EU monitor
Woensdag 11 december 2019
kalender
Met dank overgenomen van Europa Nu.

Dit beleid heeft als doel de economische groei zeker te stellen en meer banen te creŽren. In de eerste plaats bepaalt ieder EU-land zijn eigen economische beleid, maar dat beleid moet wel het belang van de hele EU dienen. De lijn voor het maken van economisch beleid door EU-landen†i wordt uitgezet door de Raad van de Europese Unie†i.

Een groep Europese landen is nog een stap verder gegaan op het pad van economische integratie met de invoering van een gemeenschappelijke munt: de euro†i. De ECB coŲrdineert het monetair beleid. De belangrijkste doelstelling van de ECB is het behoud van prijsstabiliteit†i. Het handhaven van stabiele prijzen moet bijdragen aan verbetering van de economische vooruitzichten en verhoging van de levensstandaard in de eurozone.

1.

Staand beleid

Budget

De portefeuille economische en financiŽle zaken heeft een potje van bijna 400 miljoen ter berschikking in 2019.

Doelstellingen

  • Op elkaar afstemmen van nationale economieŽn

    Elke lidstaat van de Europese Unie†i is lid van de Economische en Monetaire Unie (EMU). Deze monetaire unie streeft naar een optimale integratie van de nationale economieŽn, zodat economische groei en welvaart gestimuleerd worden. Negentien lidstaten van de Europese Unie nemen deel aan de laatste fase van de EMU. Zij gebruiken de euro†i als betaalmiddel en stemmen hun economische en financiŽle politiek op elkaar af.

    Om het vertrouwen van de financiŽle wereld in de euro te behouden, hebben de lidstaten in de eurozone afspraken gemaakt over de gezondheid van hun nationale economie. Naast de invoering van de euro hebben de lidstaten aanvullende afspraken gemaakt om de nationale economieŽn gezond te houden. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Stabiliteits- en Groeipact†i.

  • Gevorderde economische integratie: eurobeleid

    Het eurobeleid heeft als doel om economische integratie in de Europese Unie†i te bevorderen. De euro is een wettig betaalmiddel in 19 EU-lidstaten†i, oftewel de eurozone†i. De andere lidstaten zijn verplicht om de euro op termijn in te voeren als zij voldoen aan bepaalde voorwaarden. Voor Denemarken en het Verenigd Koninkrijk geldt een uitzonderingsclausule en zij hebben die verplichting niet.

    De landen die de euro hebben ingevoerd, de eurolanden†i, hebben het beleid met betrekking tot hun munt, zoals de wisselkoers, overgedragen aan ťťn Europese financiŽle instelling: de Europese Centrale Bank†i (ECB).

Monetaire beleidsinstrumenten om prijsstabiliteit te garanderen

  • De ECB kan het rentetarief voor banken die lenen bij de ECB bepalen. Wanneer dit tarief wordt verhoogd, verhogen banken op hun beurt de rentetarieven voor bedrijven en consumenten, zodat het voor hen duurder wordt geld te lenen. Hierdoor lenen deze partijen minder, worden er minder producten gekocht en dalen de prijzen. Door het verlagen van het rentetarief wordt lenen goedkoper, waardoor meer investeringen kunnen worden gedaan. Verhoging en verlagingen van de ECB worden niet ťťn-op-ťťn overgenomen door de banken in hun tarieven aan klanten.
  • De ECB kan vreemde valuta kopen of verkopen uit de externe reserves. Deze portefeuille externe reserves bestaat onder andere uit Amerikaanse dollars en Japanse yen. Met het kopen of verkopen van vreemde valuta daalt of stijgt de waarde van de euro ten opzichte van deze valuta. Daarnaast kan de ECB op directe wijze de hoeveelheid geld bepalen door geld bij te drukken. Hierdoor vermindert de waarde van de euro.
  • De ECB kan staatsobligaties opkopen. Toen bijvoorbeeld Griekenland in 2011 failliet dreigde te gaan, wilden beleggers niet investeren in Griekse staatsobligaties. Als gevolg hiervan steeg de rente op deze obligaties en werd het voor Griekenland onmogelijk leningen aan te gaan. Door het opkopen van de staatsobligaties liet de ECB de rente op Griekse staatsobligaties dalen.

Meer over het opkoopprogramma van staatsobligaties door de ECB†i

Ontwikkelingen in het beleid

  • Hervormen van het economische beleid: Europa 2020-strategie

    De EU 2020-strategie is de langetermijnstrategie van de Europese Unie voor een sterke en duurzame economie met veel werkgelegenheid. Deze strategie bouwt voort op de Lissabon-strategie (2000-2010) en moet ervoor zorgen dat de Europese economie zich ontwikkelt tot een zeer concurrerende, sociale en groene markteconomie. Net als bij de Lissabon-strategie is de looptijd van de EU 2020-strategie tien jaar.

    De Europese Unie†i heeft een gemeenschappelijk octrooi voor bijna alle lidstaten ingevoerd. Na jarenlang gesteggel over de invoering werd het EU-octrooi - na eerdere instemming van het Europees Parlement†i - op 19 februari 2013 door 25 van de destijds 27 EU-lidstaten†i goedgekeurd. Spanje en KroatiŽ doen niet mee. ItaliŽ aanvankelijk ook niet, maar inmiddels wel.

2.

Mijlpalen

Toen de Europese Economische Gemeenschap†i in 1957 als voorloper van de Europese Unie werd opgericht, hadden de deelnemende landen het doel om een gezamenlijke handelsmarkt te vormen. Door de tijd heen werd duidelijk dat een verdere samenwerking op economisch en monetair gebied nodig was om te kunnen profiteren van een gemeenschappelijke markt en een betere werking van de hele Europese economie. Door de vergaande samenwerking zijn voor de inwoners van de EU meer banen en welvaart ontstaan.

In 1991 werd met het Verdrag van Maastricht†i zelfs besloten tot het opzetten van een Economische en Monetaire Unie†i (EMU) met een gemeenschappelijke Europese munt, de euro. De EU-lidstaten die deelnemen aan de EMU kunnen geen eigen monetair beleid meer voeren. De Europese Centrale Bank†i (ECB) coŲrdineert het monetair beleid voor de hele eurozone†i.

Basel III regels

In reactie op de financiŽle en economische crisis hebben vertegenwoordigers van centrale banken en toezichthouders van de 27 grootste economieŽn ter wereld, waaronder de Europese Unie†i en de Verenigde Staten, in september 2010 besloten dat banken grotere reserves kapitaal in kas moeten houden. Op deze manier moeten zij beter bestand zijn tegen toekomstige crises en moet voorkomen worden dat overheden moeten ingrijpen. Deze regels heten de Basel III-regels.

Tijdens de G20†i-top in november 2010 is besloten de nieuwe regelgeving voor de financiŽle sector, het zogenoemde Basel III-akkoord, over te nemen. Naast de regels voor alle banken zullen de grootste banken (de 'systeembanken') waarschijnlijk extra strenge regels opgelegd krijgen. De voormalige president van de Europese Centrale Bank†i (ECB) Jean-Claude Trichet†i noemde de nieuwe regels 'een fundamentele verbetering' van het kapitaalsysteem.

De Raad†i en het Europees Parlement†i stemden in het voorjaar van 2013 allebei voor de richtlijn. Deze is in 2013 in werking getreden en moest voor 2014 zijn omgezet in nationale regelgeving. Eind 2017 werd het Bazels Comitť, het internationale comitť van centrale bankiers en toezichthouders, het eens over verdere aanscherping van de regels.

3.

Wie doet wat

Bij de besluitvorming op dit terrein spelen de Europese Commissie†i, de Raad†i, het Europees Parlement†i en de Europese Centrale Bank†i een rol. Daarnaast zijn er drie toezichthouders.

 

Europees orgaan

Verantwoordelijke

Europese Commissie

eurocommissaris voor Euro & sociale dialoog†i

eurocommissaris voor Banen, groei, investeringen en concurrentievermogen†i

eurocommissaris voor Economische en financiŽle zaken†i

Europese Centrale Bank

Christine Lagarde†i

Parlementaire Commissie EP

Commissie Economische en monetaire zaken†i

Nederlands lid Commissie EP

Ondervoorzitter(s)


Lid/leden


Plaatsvervanger(s)

Raad van de Europese Unie

Raad Economische en FinanciŽle Zaken†i

Nederlandse afvaardiging Raad van de Europese Unie

Wopke Hoekstra†i (CDA), minister van FinanciŽn

Menno Snel†i (D66), staatssecretaris van FinanciŽn

Europese toezichthouder voor de banken†i

Josť Manuel Campa

Europese toezichthouder voor verzekeraars en pensioenfondsen†i

Gabriel Bernardino

Europese toezichthouder voor leningen en aandelenmarkten†i

Steven Maijoor & Verena Ross

Invloed nationale parlementen

Het Nederlandse parlement heeft ook een rol in de totstandkoming van Europees beleid. Dat kan formeel op twee manieren. Ten eerste controleert de Staten-Generaal de minister of staatssecretaris die naar de Raad van de Europese Unie gaat om over het onderwerp te praten. Daarnaast kunnen nationale parlementen van de lidstaten binnen acht weken nadat de Europese Commissie een voorstel heeft bekendgemaakt, laten weten dat de Europese Unie zich niet met het onderwerp zou moeten bezighouden†i.

Vanuit het Nederlandse parlement zijn bij dit beleidsterrein betrokken:

 

Nederlands orgaan

Verantwoordelijke

Tweede Kamer

Vaste commissie voor Economische Zaken (EZ) - Tweede Kamer†i

Vaste commissie voor FinanciŽn (Fin.) - Tweede Kamer†i

Eerste Kamer

Eerste Kamercommissie voor Economische Zaken (EZ)†i

Eerste Kamercommissie voor FinanciŽn (Fin.)†i

Betrokken bij wetgeving en uitvoering

 

Betrokken instantie EU

Verantwoordelijke

Directoraat-Generaal

DG Economische en financiŽle zaken†i

Adviesorgaan

Economisch en Financieel Comitť

Autoriteit

Europese autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen†i

Autoriteit

Europese autoriteit voor effecten en markten†i

Agentschap

Europese afwikkelingsraad†i

4.

Meer informatie

De coŲrdinatie van het economische beleid vindt haar basis in het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU)†i en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU)†i:

  • beginselen: derde deel VwEU titel VIII art. 119†i
  • uitvoer en institutionele inkadering: derde deel VwEU titel VIII hoofdstuk 2 (artikelen 127 t/m 133)
  • overheidstekorten: derde deel VwEU titel VIII hoofdstuk 1 art. 126†i, verklaring ad. art. 126
  • openbare lichamen en kredietfacilitatie: derde deel VwEU titel VIII hoofdstuk 1 art. 123†i, 124†i, 125†i

Zie ook:

Achtergrondartikelen

Europese Unie

Algemeen overzicht EU

Factsheets Europees Parlement

Wetgevingsoverzicht

Statistieken Eurostat