Brief staatssecretaris met antwoorden op vragen m.b.t. het beleid inzake langdurig illegalen, gesteld tijdens Algemeen Overleg op 27 aug. 1997 - "Witte" illegalen regeling

Deze brief is onder nr. 2 toegevoegd aan dossier 25453 - "Witte" illegalen regeling; interpellatie-De Wit i.

1.

Kerngegevens

Officiële titel "Witte" illegalen regeling; Brief staatssecretaris met antwoorden op vragen m.b.t. het beleid inzake langdurig illegalen, gesteld tijdens Algemeen Overleg op 27 aug. 1997 
Document­datum 02-09-1997
Publicatie­datum 12-03-2009
Nummer KST23021
Kenmerk 25453, nr. 2
Van Justitie (JUS)
Originele document in PDF

2.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 1996–1997

25 453

«Witte» illegalen regeling

Nr. 2

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

’s-Gravenhage, 2 september 1997

In het Algemeen Overleg met de Vaste commissie voor Justitie op 27 augustus 1997 heb ik toegezegd de door de leden van de commissie gestelde feitelijke vragen met betrekking tot het beleid inzake langdurig illegalen schriftelijk te beantwoorden. Met deze brief wil ik deze toezegging gestand doen.

De leden Dittrich en Rijpstra hebben verzocht om een reactie over de gevolgen van het Europees Vestigingsverdrag voor het toelatingsbeleid.

Ik ben van oordeel dat onderdanen van de Verdragsluitende partijen aan het Europees Vestigingsverdrag geen recht op eerste toelating kunnen ontlenen.

Op grond van artikel 10 van het Verdrag kunnen Verdragspartijen de toelating van onderdanen van andere partijen weigeren indien hiervoor ernstige sociale of economische redenen voor zijn. In het bij genoemd Verdrag behorende protocol (afdeling I) is opgenomen dat Verdragspartijen nationale criteria kunnen aanleggen bij de beoordeling van deze gronden. Dit wordt door Nederland ingevuld met het restrictieve toelatingsbeleid. Voor de vestiging als zelfstandige betekent dit dat er een wezenlijk Nederlands belang vastgesteld moet kunnen worden.

Wel kunnen aan dit Verdrag rechten worden ontleend als het gaat om voortgezet verblijf na eerder legaal verblijf in Nederland. De uitwerking van deze verdragsverplichting is neergelegd in hoofdstuk B5 van de Vreemdelingencirculaire 1994.

Het lid Aiking heeft in dit verband gewezen op artikel 3 van het Verdrag voor de Rechten van het kind. In aanvulling op hetgeen ik reeds tijdens het Algemeen Overleg heb medegedeeld, wil ik u wijzen op hetgeen is neergelegd in de memorie van toelichting van de goedkeuringswet van het Verdrag (TK, 1992–1993, 22 855, nr. 3, pag. 15). Ten aanzien van artikel 3 stelt de toelichting dat het belang van het kind geen absolute voorrang heeft boven andere belangen. Er kunnen situaties zijn waarin andere belangen, zoals van rechtvaardigheid of van de maatschappij evenzeer van betekenis kunnen zijn. Indien sprake is van een conflict van belangen dient echter in de regel het belang van het kind de doorslag te geven.

In het kader van de toetsing van een individueel geval aan het op klemmende redenen van humanitaire aard gestoelde beleid ten aanzien van langdurig illegalen wordt al rekening gehouden met de positie van het gezin en daarmee ook de positie van het kind.

Diverse leden hebben gewezen op divergerende rechterlijke uitspraken met betrekking tot de positie van schoolgaande kinderen. Hiervan is inderdaad sprake geweest. In de eerste helft van 1995 heeft met name de rechtbank Amsterdam de nadruk gelegd op de schoolgaande kinderen als humanitair toelatingscriterium. In een aantal gevallen is het beroep om die reden dan ook gegrond verklaard.

Dit hing samen met het feit dat de rechtbank van oordeel was dat de Staat geen specifiek standpunt dienaangaande had ingenomen. Naar aanleiding van vragen van de rechtbank heb ik bij brief van 12 juli 1996 expliciet aangegeven dat het enkele feit dat sprake is van schoolgaande kinderen onvoldoende is om op basis van klemmende redenen van humanitaire aard af te wijken van de algemene beleidsregel. Dit heb ik eveneens op vragen van het lid Verhagen aan de Kamer meegedeeld. Overigens is in de zaak van de familie Gümüs door de rechtbank te Amsterdam uitspraak gedaan waarbij bekend was dat er schoolgaande kinderen waren.

Een belangrijke consequentie van het creëren van een uitzondering voor gevallen waarin sprake is van schoolgaande kinderen is de mogelijke doorwerking van een dergelijke uitzondering in met name het gezins-herenigingsbeleid. Het zal dan immers moeilijk te verdedigen zijn dat in voorkomende gevallen het feit dat er schoolgaande kinderen in het geding zijn niet tot een uitzondering aanleiding zou moeten geven.

Daarnaast wijs ik nog op de relatie met de Koppelingswet, waarin als uitgangspunt is neergelegd dat het feit dat er sprake is van schoolgaande kinderen verblijfsrechtelijk gezien van geen enkele betekenis is. Er kunnen nimmer verblijfsrechten aan worden ontleend.

Het voorlopig cijfermateriaal wijst uit dat in 1995 in het totaal 7 gevallen het beroep op de rechter gegrond is verklaard. In 1996 kwam het in 6 gevallen tot gegrondverklaring. Voor 1997 zijn (nog) geen gevallen geregistreerd waarbij de rechter het beroep gegrond heeft verklaard. In 10 van de 13 zaken is naar aanleiding van de rechterlijke uitspraak, de aanvraag alsnog ingewilligd op basis van het beleid van voor 15 maart 1995 of op basis van het zgn. drie-jarenbeleid. In de overige gevallen is op dit moment niet met zekerheid de grond voor verblijfsaanvaarding te achterhalen.

Het lid Rijpstra heeft gevraagd om afdoeningscijfers van de jaren 1995 tot heden. In 1995 zijn in totaal 304 zaken in eerste aanleg afgedaan, waarbij in 256 gevallen een afwijzende beslissing is genomen. In 1996 zijn in totaal 601 zaken afgedaan, waarbij in 565 afwijzend is beslist. In 1997 zijn tot augustus 320 zaken afgedaan, waarbij in 298 zaken afwijzend is beslist.

De cijfers die ik op 27 november 1995 aan uw Kamer heb doen toekomen waren indicatief. Pas later is het definitieve geregistreerde cijfermateriaal beschikbaar gekomen.

Het lid Rijpstra heeft verzocht om voorbeelden van zaken waarin na 15 maart 1995 gebruik gemaakt is van de discretionaire bevoegdheid om op grond van klemmende redenen van humanitaire aard af te wijken van het beleid. Slechts in enkele gevallen is ingewilligd omdat sprake was van zeer bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld een gehandicapt kind of een ernstige ziekte van (een van de) gezinsleden. In een aantal gevallen lag een positief advies van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken ten grondslag aan verblijfsaanvaarding.

Het lid Apostolou heeft gevraagd waarom legaal verblijf in het huidige beleid niet meetelt voor de opbouw van de 6-jaarstermijn. Het beleid met betrekking tot langdurig illegalen is een uitzonderingsbeleid dat naar zijn aard eindig is en dat restrictief wordt toegepast. Het toepassen van het beleid op vreemdelingen die een relevante periode van hun verblijf legaal hier te lande hebben verbleven verdraagt zich niet met de ratio van het beleid. Indien een vreemdeling aangezegd is Nederland te verlaten, is in dat geval expliciet duidelijk gemaakt dat de betrokken vreemdeling niet tot Nederland wordt toegelaten. In dat opzicht is er een onderscheid met degenen (i.c. de illegalen) die nog nooit expliciet te horen hebben gekregen dat zij Nederland moeten verlaten. Deze zienswijze wordt gevolgd in de jurisprudentie.

Ik vertrouw er op u met het voorgaande voorlopig voldoende te hebben ingelicht.

De Staatssecretaris van Justitie, E. M. A. Schmitz

 
 
 

3.

Meer informatie

 

4.

EU Monitor

Met de EU Monitor volgt u alle Europese dossiers die voor u van belang zijn en bent u op de hoogte van alles wat er speelt in die dossiers. Helaas kunnen wij geen nieuwe gebruikers aansluiten, deze dienst zal over enige tijd de werkzaamheden staken.

De EU Monitor is ook beschikbaar in het Engels.