Programma - LNV-Beleidsprogramma 1999-2002

Deze programma is onder nr. 1 toegevoegd aan dossier 26446 - LNV-Beleidsprogramma 1999-2002.

1.

Kerngegevens

Officiële titel LNV-Beleidsprogramma 1999-2002; Programma  
Document­datum 19-03-1999
Publicatie­datum 12-03-2009
Nummer KST34204
Kenmerk 26446, nr. 1
Van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV)
Originele document in PDF

2.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 1998–1999

26 446

LNV-Beleidsprogramma 1999-2002

Nr. 1

BRIEF VAN DE MINISTER EN DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

’s-Gravenhage, 19 maart 1999

Hierbij bieden wij u het LNV-Beleidsprogramma «Kracht en Kwaliteit» aan. Dit beleidsprogramma is de nadere uitwerking van de conceptbeleidsagenda die wij u op 30 september jongstleden toestuurden. Het beleidsprogramma geeft voor het gehele LNV-beleidsterrein onze beleidsvoornemens voor deze kabinetsperiode weer. Over deze voornemens is door ons met een breed maatschappelijk veld overleg gevoerd.

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, H. H. Apotheker

De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, G. H. Faber

KRACHT EN KWALITEIT

Inleiding

Begin oktober 1998 hebben wij de ambities van het Kabinet op het beleidsterrein van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij verwoord in de concept-Beleidsagenda 1998–2002.

Hiermee wordt invulling gegeven aan het Regeerakkoord. Deze discussienotitie is ter kennis name toegezonden aan de Tweede Kamer en bediscussieerd in ronde tafelgesprekken en bilaterale gesprekken met maatschappelijke organisaties. De prioritaire thema’s van beleid voor de komende jaren bleken in deze gesprekken breed gedragen. Tevens was er waardering voor de gekozen werkwijze. De laatste maanden van 1998 zijn benut voor de verdere uitwerking van de concept-Beleidsagenda.

In het voor u liggende definitieve Beleidsprogramma LNV, getiteld «Kracht en Kwaliteit», worden de beleidsvoornemens voor deze kabinetsperiode neergezet. Aan de LNV-paragraaf van het Regeerakkoord is invulling gegeven. Ambities zijn zoveel mogelijk vertaald in concrete acties, instrumenten en middelen gericht op een krachtig en kwalitatief hoogwaardig landelijk gebied. Op onderdelen zal die uitwerking verder plaatsvinden in hier aangekondigde beleidsnota’s en regelgeving. Het is onze intentie om onze maatschappelijke partners van begin af aan nauw bij deze nota’s en regelgeving te betrekken. In het onderstaande gaan wij nader in op de wijze waarop wij de komende jaren te werk willen gaan.

Samen werken aan effectief beleid

In de afgelopen jaren heeft op het beleidsterrein van LNV een nieuwe, verhelderende afbakening plaatsgevonden van de verantwoordelijkheidsverdeling. Een verdeling met het bedrijfsleven en met andere overheden. Voor een deel zijn taken of bevoegdheden gedecentraliseerd, voor een deel zijn taken op afstand gezet en voor een deel zijn taken helderder afgebakend. Dit proces, dat soms niet zonder pijn of moeite verliep, zal worden afgerond.

Daarmee komen we ook in een nieuwe fase waarin alle betrokkenen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid een volwaardige rol kunnen spelen in de tot standkoming en de uitvoering van het beleid. Dat betekent dat wij nadrukkelijk de kennis en inzicht van onze maatschappelijke partners in de verschillende fasen van de beleidsvorming en uitvoering willen benutten.

Waar mogelijk en zinvol willen we ook ruimte maken voor interactieve beleidsvorming. Daarbij zullen we steeds tijdig helder maken wat de voor het Kabinet vaststaande doelstellingen en wettelijke kaders zijn. Tegelijkertijd betekent het dat we zoveel mogelijk zullen sturen op doelstellingen in plaats van instrumenten. Deze vorm van beleidsontwikkeling kan met name in het ruimtelijke beleid bij dragen aan de effectiviteit van het beleid. In het gebiedsgerichte plattelandsbeleid zullen we er een voortvarende start mee maken.

Het maatschappelijk overleg over ruimtelijke inrichting en investeringen zal plaatsvinden in een Commissie Ruimtelijke Investeringen van de Sociaal-Economische Raad. Vertegenwoordigers van het bedrijfsleven waaronder de agro-keten, en organisaties op het gebied van natuur en milieu zijn hierin vertegenwoordigd. Daarnaast is er op nationaal niveau behoefte aan een maatschappelijk overleg over lange termijn strategieën van de Nederlandse agro-keten in internationaal verband. Uit overleg met de agro-foodsector is de gedachte naar voren gekomen om afspraken te maken over een gezamenlijke inzet voor de ontwikkeling van strategische innovaties. Deze gedachte spreekt ons aan en wordt op dit moment nader uit gewerkt.

Zorg voor uitvoering

Een tweede accent dat wij de komende jaren willen plaatsen is bijzondere aandacht voor de kwaliteit van de uitvoering. Er ligt veel beleid op de plank. Veel van dat beleid wordt ook breed gedragen. Waar het nu op neer komt is dat beleid ook met kracht uit te voeren. Het zit ’m niet altijd in nieuwe beleidsontwikkeling, het goed aanpakken van bestaande voornemens is zeker zo belangrijk. Dit streven is al tot uitdrukking gekomen in de invulling van de ombuigingen op de LNV begroting. De uitvoerende diensten zijn zoveel mogelijk gevrijwaard van de bezuinigingen.

De uitvoering zal zoveel mogelijk worden afgestemd op de praktijk van burgers en ondernemers, waarbij ook geappelleerd zal worden aan de eigen verantwoordelijkheid. Er zijn de laatste jaren veel nieuwe, soms verassende, coalities in het landelijk gebied. Initiatieven vanuit de samenleving die maatschappelijk gewenste doelen dichterbij brengen zullen waar nodig worden ondersteund.

Goede voorbeelden zijn hier de milieucoöperaties en natuurverenigingen. Bij de uitvoering van beleid streven wij tenslotte naar een sterkere betrokkenheid van private partijen bij de realisering en de financiering.

Wij zullen dus in de komende jaren volop gebruik maken van het brede netwerk van partners van LNV. Door samenwerking, helderheid en het maken en geven van ruimte zal LNV respect afdwingen bij andere overheden, bij bedrijven en bij maatschappelijke organisaties. Oogmerk is steeds om de effectiviteit van het beleid te vergroten ten behoeve van de kracht en kwaliteit van het landelijke gebied

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, H. H. Apotheker

De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, G. H. Faber

HOOFDSTUK 1 VITAAL PLATTELAND

1.1.  Inleidend

Het beeld van Nederland wordt sterk bepaald door de internationale ligging van ons land in de delta van Noordwest Europa. De delta waar stromen, economische en ecologische, bij elkaar komen. Vruchtbaar en kwetsbaar. Waar het groene, landelijke gebied zeker zo karakteristiek is als de steden en dorpen.

Het karakter van dat landelijke gebied, of platteland is in de nu bijna achter ons liggende eeuw sterk veranderd. Tot eind jaren zestig nam het belang van de landbouw, zowel in ruimtebeslag als in economische betekenis, sterk toe.

Dit was onder meer mogelijk door de ontginning van wat we nu natuurgebieden noemen, en dankzij een explosieve technologische ontwikkeling. Een ontwikkeling die, met name in de minder vruchtbare delen van ons land, een grote welvaartsgroei heeft meegebracht. Maar ook deze revolutie heeft haar eigen kinderen verslonden: de stijging van de productiviteit ging gepaard met een grote arbeidsuitstoot en met een aantasting van de natuurlijke bronnen die juist voor de landbouw zo cruciaal zijn.

Ergens in de jaren zeventig lag het omslagpunt. Hoewel nog altijd ruim 60% van het landelijk gebied in gebruik is voor landbouwproductie, is het platteland niet langer het exclusieve domein van de agrarische sector. Hoewel Nederland haar positie als derde exporteur van landbouwproducten met glans voortzet, neemt de economische afhankelijkheid van het platteland van het agrarisch bedrijf en bijbehorende toeleveranciers of voedingsindustrie geleidelijk af. Ook heeft de grote productiviteitsverbetering het mogelijk gemaakt ruimte vrij te maken voor andere doelen dan de voedselvoorziening. Het beheer van natuur, landschap en water is van essentieel belang. De kwaliteit van het landelijk gebied als geheel, ook dat van het producerend areaal met zijn landschappelijke kwaliteit, is voor ons dichtbevolkte land van steeds grotere betekenis. Ook in sociaal en cultureel opzicht verandert het platteland sterk. De culturele «afstand» tussen de stad en het platteland is in de na-oorlogse periode snel kleiner geworden. Mobiliteit en media droegen daar aan bij. Oude sociale structuren zijn, zoals Geert Mak treffend beschreef in «Hoe God verdween uit Jorwerd», in razend tempo verdwenen. Het platteland is inmiddels de woon- en werkplek van 6 miljoen burgers. En bijna 16 miljoen Nederlanders zoeken er regelmatig rust, ruimte en stilte op. Naast een aantrekkelijke omgeving voor wonen, werken en recreëren worden groene kwaliteiten nu ook een vestigingsfactor voor bedrijven. Het platteland is daarmee niet meer los te zien van de steden. Voor een vitale stad mogen natuur en recreatie niet ver weg liggen. En voor een vitaal platteland zijn stedelijke voorzieningen vaak onmisbaar. De wederzijds afhankelijkheid neemt alleen maar toe.

1.2. God terug in Jorwerd?

Als we een doorkijkje proberen te maken naar de eerste decennia van de volgende eeuw, is het niet aannemelijk dat de ontwikkelingen in het Nederlandse platteland zullen staken, laat staan keren.

Zo is de landbouwsector op zoek naar een nieuw «contract» met de samenleving. Een contract waarbij wederzijdse verwachtingen op elkaar worden afgestemd. Verwachtingen ten aanzien van het hoe en wat van de landbouwproductie. Zichtbaar is een tendens van verschillende bedrijfs-stijlen, verschillend in de wijze waarop aan maatschappelijke verwachtingen wordt voldaan. Voor met name intensievere sectoren betekent dit de komende jaren ingrijpende herstructureringen om de consumentenmarkten van de toekomst op maat te kunnen blijven bedienen. Ook de liberalisatie van het Europese landbouwbeleid en van de wereldhandel vraagt om herstructurering van de productie. Meer dan in het verleden zal het gaan om processen waarbij de gehele agro-keten betrokken is. De economische basis onder het platteland zal zich verder verbreden. Daarbij komen andere functies dan de productiefunctie nadrukkelijker in beeld. Denk aan de functie van het platteland als woon- en leefomgeving. Voor de sectoren recreatie en toerisme liggen grote uitdagingen in het landelijke gebied. Er zijn kansen voor nieuwe woonvormen, de nieuwe «landgoederen», waarmee ook de groene kwaliteiten van een gebied worden versterkt. Denk ook aan de functie van het platteland voor het «beheer van de publieke voorraden». Daarmee worden bedoeld ruimte en rust, maar ook heel concreet behoud van het open karakter van cultuurhistorisch waardevolle landschappen, biodiversiteit in natuurgebieden, of een combinatie van landbouw en waterberging.

Het maakt voor de verdere ontwikkeling van het platteland veel uit waar een gebied gelegen is. Ligt het in een sterk verstedelijkte regio zoals het economisch kerngebied in de Randstad? In het sterk verstedelijkt gebied is het van groot belang dat het platteland een hoge omgevingskwaliteit houdt als aantrekkelijk uitloopgebied voor de stad en als vestigingsfactor ter ondersteuning van de economische dynamiek.

Indien het platteland zich op grotere afstand van het stedelijk kerngebied bevindt, is met name de versterking van het economisch draagvlak aan de orde om de kwaliteit van het platteland in stand te houden, waardoor ook deze specifieke kwaliteiten (rust, ruimte, groen) worden benut voor het aantrekken van nieuwe economische activiteiten. Dit betekent dat ook het inrichtingsinstrumentarium de ruimte moet bieden voor het maatwerk dat per regio nodig is om de specifieke kwaliteiten en kenmerken te respecteren.

Trends als toenemende individualisering, vergroting automobiliteit, stedelingen die op het platteland gaan wonen, plattelandsbewoners die in steden werken, vergrijzing en ontgroening hebben grote gevolgen voor sociale netwerken op het platteland. Het oude sociale vangnet van de dorpsgemeenschap verdwijnt, en daarvoor in de plaats komen veel lossere en wijdmaziger verbanden.

De bijzondere kenmerken van het platteland vragen de komende jaren ook bijzondere aandacht in het beleid. Denk daarbij bijvoorbeeld aan fysieke isolatie van sommige groepen (geen auto, geen openbaar vervoer) en gebrek aan draagvlak voor behoud van essentiële voorzieningen. Pregnant is de sociale problematiek bij agrarische gezinnen vanwege onzekere toekomst en complexe bedrijfsvoering. Andere voorbeelden zijn de zorg over veiligheid op het platteland, beschikbaarheid van openbaar vervoer en bereikbaarheid van onderwijs en zorg.

De druk op het platteland zal blijven toenemen door de verdere uitgroei van de steden, infrastructuur (corridors) en dorpen. Ook hier is duidelijk verschil tussen de sterk verstedelijkte gebieden en verder daarbuiten. Het landschap dreigt verder te vervlakken, economische productiemogelijkheden èn biodiversiteit staan onder druk. Een voortvarende realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is dan ook van essentieel belang, naast toenemende aandacht voor de identiteit van het landschap en de daaraan verbonden cultuurhistorische elementen. Water speelt een steeds belangrijkere rol bij de inrichtingsvraagstukken van het landelijk gebied. Dit geldt voor het noodzakelijke waterbergend vermogen in relatie tot de veiligheid en de kwaliteit van natuur en landschap. Maar ook voor de landbouw is de beschikbaarheid van schoon en voldoende water letterlijk een levensvoorwaarde.

Samenvattend kan worden geconstateerd dat, hoewel het platteland zowel economisch, sociaal-cultureel als ruimtelijk steeds sterker verweven is geraakt met het stedelijke gebied, de specifieke kenmerken en ontwikkelingen beleidsmatig om bijzondere aandacht vragen. Dit is nog eens onderstreept in het Regeerakkoord. Het gaat dan ook om een kabinets-brede verantwoordelijkheid. Bezien vanuit de belangen van de maatschappelijke sectoren en functies waarvoor LNV beleidsverantwoordelijkheid draagt, is een bijzondere aandacht van LNV voor de toekomst van ons platteland gerechtvaardigd.

1.3. Nota Vitaal Platteland

Onder het vorige Kabinet is een start gemaakt met Plattelandsvernieuwing. Dit beleidsthema is aangeslagen. Bewoners en gebruikers van het landelijk gebied hebben veel initiatieven genomen en projecten gestart. Nieuwe partners doen mee, de bestaande partners hebben nieuwe coalities gevormd. Ook de provincies hebben het thema stevig opgepakt. Daarmee is de pilot-fase met succes doorlopen. De opdracht is nu het plattelandsbeleid een volwassen plek te geven, centraal in het beleid van het Ministerie van LNV. Daartoe is een verdieping en verbreding van het plattelandsbeleid noodzakelijk, uitmondend in een nieuwe regionale benadering met een versterkte rol van de partners in de gebieden en regio’s.

De opdracht die wij ons stellen is om gezamenlijk met onze bestuurlijke en maatschappelijke partners, de vitaliteit van het platteland in al zijn dimensies te versterken. Het gaat daarbij om economische, sociaal-culturele en fysiek-ruimtelijke aspecten, te formuleren in een aantal kernopgaven.

Voor de uitwerking van bovenstaande opdracht zal LNV rond de zomer van dit jaar de nota Vitaal Platteland uitbrengen.

Gezien de inhoud van dit Beleidsprogramma Kracht en Kwaliteit en gezien de in voorbereiding zijnde 5e Nota Ruimtelijke Ordening, Nota Vitaal Platteland en Nota Natuurbeleid vraagt bij de realisering hiervan de nadere afstemming bijzondere aandacht, omdat er nadrukkelijk een onderlinge inhoudelijke relatie is. Daarbij gaat het met name om de optimale verkaveling tussen de verschillende nota’s en de wettelijk verankerde zorg van de minister van ruimtelijke ordening, ook ten aanzien van de ruimtelijke ordening in het landelijk gebied. De 5e Nota Ruimtelijke Ordening zal voor wat betreft de daarin opgenomen ruimtelijke keuzes ook voor het landelijk gebied sturend zijn. De Nota’s Vitaal Platteland en Natuurbeleid zullen vanuit een in ontwikkeling zijnde integraal plattelandsbeleid bouwstenen leveren voor de 5e Nota, maar tegelijkertijd ook uitvoeringsgericht en instrumenteel zijn.

In het vervolg van dit hoofdstuk wordt, vooruitlopend op de nota Vitaal Platteland, ingegaan op de wijze waarop en op de inhoud van het nieuwe plattelandsbeleid.

1.4. Een nieuwe regionale benadering

Er bestaat niet zoiets als «het vraagstuk van het landelijk gebied». Per landsdeel blijkt sprake te zijn van vraagstukken die in sterke mate van elkaar verschillen, en om verschillende beleidsaccenten vragen. Zeer grofweg zou de volgende schets kunnen worden gegeven. In West-Nederland is sprake van een grote stedelijke druk met als gevolg grote druk op de grondmarkt en aantasting van de kwaliteiten van de groene ruimte. In deze stedelijke omgeving draagt de agrarische sector bij aan het beheer van het open landschap en kan daarmee de kwaliteit van de woon- en leefomgeving helpen te garanderen. Hier liggen kansen voor een verbrede landbouw, dat wil zeggen landbouw met meer dan alleen de voedselproductie-functie. De opgave met betrekking tot het landelijk gebied is hier vooral om een aantrekkelijke omgeving voor wonen, recreatie en bedrijfsvestiging te creëren en de samenhang tussen stad en land te herstellen.

Op de zandgronden in Zuid- en Oost-Nederland, met een sterke concentratie van veehouderij op een gevoelige grondsoort, is het de opgave om de daardoor ontstane gestapelde problematiek (herstructurering varkenssector, uitvoering nitraatrichtlijn, vermindering milieudruk en versterking van de ruimtelijke kwaliteit ten behoeve van recreatie, natuur en landschap) op te lossen.

Het Noorden is een relatief dun bevolkt, weinig verstedelijkt gebied met een kwetsbare sociaal-economische structuur maar met kwaliteiten die in andere delen van het land schaars zijn en in de toekomst steeds belangrijker worden: openheid, rust en ruimte. De opgave is hier om een economische ontwikkelingsimpuls tot stand te brengen, waarmee tevens de potentiële en actuele specifieke kwaliteiten van het landelijk gebied worden benut. In het Noorden blijft de landbouw een belangrijke drager van de regionale economie en van het cultuurlandschap.

Een dergelijke verscheidenheid aan vraagstukken op regionaal niveau heeft consequenties voor het beleid ten aanzien van het landelijke gebied. Wat een verantwoord evenwicht tussen de verschillende maatschappelijke functies van het landelijk gebied is, kan alleen per regio worden ingevuld. Vervolgens zal ook per regio moeten worden bepaald wat de juiste mix van instrumenten en verantwoordelijkheidsverdeling is om dit evenwicht te realiseren. Een regionale invalshoek, waarbij alle relevante beleidsvelden in hun samenhang worden betrokken en met een belangrijke rol voor belanghebbenden op regionaal niveau, leent zich bij uitstek voor deze opgave.

Om de regionale insteek bij de vormgeving van het LNV-beleid voor het landelijk gebied waar te kunnen maken, zal aan de provincies worden gevraagd om op regionaal niveau Regioperspectieven op te stellen, gericht op het brede plattelandsbeleid. De provincie neemt daarbij het initiatief en is verantwoordelijk voor de Regioperspectieven, maar het is nadrukkelijk de intentie dat deze via een interactief proces worden opgesteld, met voldoende ruimte voor inbreng van de belanghebbenden op regionaal niveau. Regionale platforms, zoals er in de praktijk al enkele functioneren, kunnen daar een belangrijke rol bij vervullen. Deze Regioperspectieven vormen de basis voor de inzet van Rijksinstrumenten en middelen voor plattelandsbeleid. In sommige regio’s, zoals het Noorden, en de zandgebieden in het Zuiden en het Oosten, is er al het nodige voorwerk verricht. In de reconstructiegebieden (zie verder par. 1.6.) zullen de reconstructieplannen dit perspectief moeten bieden.

Op nationaal niveau zal het Rijk de uitgangspunten vaststellen waarmee rekening zal moeten worden gehouden bij de opstelling van de Regioperspectieven, waaronder de vaststelling van de «parels» uit de Startnota Ruimtelijke Ordening. De verbeteringsgebieden zullen door Rijk en regio’s gezamenlijk worden uitgewerkt, mede gebaseerd op de Regioperspectieven.

Binnen de regio’s kan bij de uitvoering van het beleid weer nader onderscheid worden gemaakt tussen gebieden. Over de concrete inzet op gebiedsniveau worden gebiedscontracten afgesloten tussen Rijk en provincies. De bijbehorende Rijksmiddelen zullen in de vorm van een regionale enveloppe aan de provincies ten behoeve van de uitvoering van de contracten ter beschikking worden gesteld.

De selectie van de gebieden waarvoor rijksmiddelen beschikbaar worden gesteld zal onder meer worden gebaseerd op de ruimtelijke strategie voor het landelijke gebied zoals verwoord in de Startnota Ruimtelijke Ordening 1999. In eerste instantie gaat het om middelen van LNV en VROM.

Op basis van ervaringen in de reconstructiegebieden zullen stapsgewijs de onderwerpen voor gebiedscontracten worden uitgebreid. Zo zal ook V&W worden betrokken in verband met de waterhuishouding en de verdroging. Een volgende stap betreft verkeer en vervoer en met name de inpassing van infrastructuur.

1.5. Opgaven voor de nota Vitaal Platteland

Rond de zomer van dit jaar zal de nota Vitaal Platteland aan de Kamer worden aangeboden. In deze nota zullen de economische, sociaal-culturele en fysiek-ruimtelijke aspecten van een vitaal platteland met elkaar in verband worden gebracht. Vooruitlopend daarop kunnen al enkele opgaven kort worden benoemd.

Deze opgaven zullen in de komende jaren ook bepalen waarvoor het landinrichtingsinstrumentarium met voorrang wordt ingezet.

Vernieuwing regionale economie

Stad en land kunnen in economisch opzicht niet meer los van elkaar worden beschouwd. Het landelijk gebied, inclusief de LNV-sectoren en -functies, moet dan ook worden beschouwd als onderdeel van de regionale economie.

LNV zal zich inzetten voor die versterking van de regionale economie die tevens bijdraagt aan versterking van de de culturele identiteit van het platteland. Het kan gaan om nieuwe economische dragers die de kwaliteit van natuur en landschap versterken (o.a. landgoederen, groene bedrijventerreinen) op basis van Publiek Private Samenwerking en private mede-financiering (bijv rood voor groen). Maar ook het belang van recreatie en toerisme krijgt extra aandacht.

Versterking van de leefbaarheid

Aandacht voor de leefbaarheid van het platteland betekent een verbreding van de aandacht van de traditionele LNV-velden landbouw, visserij, natuur en recreatie naar het wonen, werken en welzijn van plattelandsbewoners en bezoekers.

Samen met andere departementen en partners zal LNV verkennen waar de onderlinge samenhang tussen de LNV-velden en leefbaarheids-aspecten verder kan worden versterkt (landbouw-zorg, maatschappelijk ondernemerschap). Ook in het LNV-emancipatiebeleid (zie hoofdstuk 2) is leefbaarheid van het platteland een nieuw thema.

Samenhangende benadering stad en land

Ons land verstedelijkt in hoog tempo. Tegelijkertijd groeit de wederzijds afhankelijkheid tussen stad en land. Zo bepaalt de open groene ruimte tussen de stedelijke kernen in sterke mate de kwaliteit van de leefomgeving van de stedeling.

LNV zal bij de nieuwe corridor-ontwikkeling, een evenwichtige invulling met groene functies ten opzichte van economische functies bevorderen. LNV zal bijdragen aan groene (hoofd)structuren die stad en land met elkaar verbinden. Samen met VROM, VWS en BZK is daarvoor een interdepartementaal programma «Kwaliteit van de openbare ruimte groen in en om de stad» gestart, dat eind 1999 zal worden opgeleverd. Medio

1999 worden de tussentijdse resultaten verankerd in de stadsconvenanten Grote Stedenbeleid.

Nieuwe ontwikkelaars en beheerders groene ruimte

Nieuwe ontwikkelaars en beheerders van het landelijk gebied zullen bij het beleid worden betrokken, variërend van bouwondernemingen en waterwinbedrijven tot natuurverenigingen en milieucoöperaties. Zo krijgt agrarisch landschaps- en natuurbeheer deze Kabinetsperiode een nieuwe impuls. En worden mogelijkheden gecreëerd voor nieuwe landgoederen waarmee private investeringen in het landelijke gebied óók ten goede komen aan de groene functies, zoals natuur en recreatie. LNV zal het initiatief nemen voor het ontwikkelen van nieuwe financieringswijzen voor groen functies: langs fiscale weg, in publiek-private samenwerking en door «rood voor groen».

Versterken identiteit van het landschap

De betekenis van de groene ruimte als aantrekkelijke woon- en leefomgeving wordt in sterke mate bepaald door de landschappelijke kwaliteiten er van. De grote verscheidenheid aan cultuurlandschappen die zo kenmerkend is voor het landelijk gebied, dreigt zonder extra aandacht te verdwijnen.

LNV zal het landschapsbeleid uitwerken met doelen en criteria op gebiedsniveau, zodat de culturele identiteit en belevingswaarde worden versterkt. Daarbij zal LNV in elk geval inzetten op behoud en ontwikkeling van internationaal unieke landschappen, de parels. In het kader van de vernieuwing van het architectuurbeleid zal LNV extra aandacht vragen voor de inzet van hoogwaardige landschapsarchitectuur ter verhoging van de culturele waarde en identiteit van stad en land. Een landschapsarchitectuur die midden in de samenleving staat. LNV wil hier zelf het goede voorbeeld geven. De uitstraling van de staatsprijs voor de landschapsarchitectuur (De Zeven Pyramiden) zal worden vergroot.

Recreatie voor stad èn land

De relatie tussen plattelandsbeleid en recreatie en toerisme is tweeledig. Enerzijds gaat het om de betekenis van het platteland voor de recreërende Nederlander en anderzijds om recreatie en toerisme als inkomstenbron, als economische pijler van een vitaal platteland. Daarbij gaat het inmiddels om ruim zes miljard gulden per jaar.

Het recreatiebeleid volgt twee sporen. Enerzijds draagt LNV bij aan de kwaliteit van de openbare ruimte en anderzijds stimuleert LNV vernieuwende private initiatieven in kansrijke regio’s. Een belangrijk issue voor de komende jaren zal zijn de toegankelijkheid van het landelijk gebied. Denk daarbij aan het vergroten van de openstelling van zowel bos en natuur als agrarisch gebied en het verder ontwikkelen van landelijke routestructuren voor varen, fietsen en wandelen. Verder zal er veel aandacht uitgaan naar verhoging van de kwaliteit van het door overheid en sector geboden toeristisch-recreatief product.

Integrale aanpak bij infrastructuurprojecten

Infrastructuur is essentieel voor de concurrentiepositie van de Nederlandse agribusiness. Meer dan 35% van het volume van het wegtransport wordt gevuld door de agrosector. Infrastructuurprojecten hebben echter ook grote effecten op de kwaliteiten van het landelijk gebied: doorsnijding van natuur- en recreatiegebieden, rustverstoring, aantasting van de belevingswaarde. LNV zal een actieve opstelling kiezen in nut- en noodzaakdiscussies rond infrastructurele voorzieningen. Zoals het Regeerakkoord aangeeft, vormen de wettelijke vereisten en het compensatiebeginsel de basis waar in geval van infrastructurele projecten een groene kwaliteitsimpuls bovenop gezet moet worden. Zoals al aangekondigd in de het Kamerdebat over de LNV-Begroting 1999 zal bezien worden of het compensatiebeginsel wettelijk moet worden verankerd in de Natuurbeschermingswet.

Duurzaam waterbeheer

Water is van groot belang voor een vitaal landelijk gebied. Er ligt dan ook een grote opgave voor LNV op watergebied. Zij vloeit voort uit de samenhangende ontwikkelingen van klimaat, zeespiegelstijging, toename van extremen in de afvoerpatronen van rivieren, bodemdaling, waterverbruik en verzilting. Bovengenoemde ontwikkelingen hebben de nodige gevolgen voor de land- en tuinbouw, natuur, recreatie en visserij. Polders verzilten, het hoge land verdroogt. Peilverlaging in landbouwgebieden leidt tot problemen voor de drinkwatervoorziening en de natuur en uiteindelijk ook voor de landbouw zelf. De waterkwaliteit is daarbij een complicerende factor.

Tot op heden kon het watersysteem met behulp van nieuwe technieken steeds worden aangepast aan het land- en watergebruik en niet andersom. De grenzen van die aanpak worden echter voelbaar. Het water is in een te strak keurslijf gedwongen. Daarom zal het waterbeheer in een aantal gebieden moeten veranderen en daar moeten we snel mee beginnen.

We zullen de komende jaren de «Watersysteembenadering» en de beleidslijn «Ruimte voor water» voor de LNV-sectoren verder ontwikkelen en toepassen. Daarbij moet ook worden gedacht aan de mogelijkheden voor extra waterberging in natuur- en landbouwgebieden. Uitgangspunt is multifunctionaliteit en combinatie van functies.

1.6. Nieuwe instrumenten voor het plattelandsbeleid

Bestuursakkoord nieuw stijl

De gebiedsgerichte aanpak is een onderwerp in het kader van het in het «Regeerakkoord 1998» aangekondigde Bestuursakkoord Nieuwe Stijl. Bij dit Bestuursakkoord wordt toegewerkt naar een gelegenheid om als Kabinet twee maal per jaar met provincies en gemeenten de open werkwijze voor onderwerpen met een meervoudige doelstelling te bespreken en eventuele aanpassingen door te voeren. LNV zal in dit kader het voortouw nemen voor de inventarisatie van de gevolgen van EU-regelgeving voor de vitalisering van het platteland. Verder is in het Bestuursakkoord de Reconstructie gekenschetst als «voorloper voor het ontwikkelen van bestuurlijke afspraken tussen Rijk, provincie, gemeenten en waterschappen».

Gebiedscontracten

Een belangrijke mogelijkheid tot «ontstapelen en ontschotten» van beleid zijn de eerder genoemde gebiedscontracten. In een werkgroep van LNV, VROM en Interprovinciaal Overleg worden de verschillende modaliteiten onderzocht. Onder meer zijn daarbij aan de orde een selectie van proefgebieden voor gebiedscontracten, toetsingscriteria voor het Rijk, aan de organisatie, aan de juridische en financiële regeling. Hierover zal in de Nota Vitaal Platteland meer helderheid worden gegeven.

Stimuleringskader

De regeling Vernieuwing landelijk gebied, onderdeel van het Stimulerings- kader, is nu twee jaar van kracht. In die periode zijn bijna 40 vernieuwende projectvoorstellen op het vlak van sociaal-economische versterking van het landelijk gebied, de relatie stad–land en particulier natuurbeheer gehonoreerd.

Mede op basis van de ervaring van de afgelopen jaren zal de regeling Vernieuwing landelijk gebied worden aangepast en uitgebreid met een verspreidingsregeling. Het «landelijk innovatieve» aspect van de stimuleringsregeling zal ruimte moeten maken voor het element «regionale ontwikkeling». Financiële ondersteuning van (landelijke) innovaties of vernieuwingen zal nog wel mogelijk zijn, maar het accent van het programma Vernieuwing landelijk gebied zal liggen op het ondersteunen van regionale ontwikkeling in het kader van gebiedsgericht beleid. Hierbij kan gedacht worden aan thema’s van de nota Vitaal platteland, zoals versterking van de regionale economie, leefbaarheid van het landelijk gebied, samenhang tussen stad en land, landschapsontwikkeling, recreatief-toeristische ontwikkelingen en ontwikkeling en beheer van de groene ruimte.

De opzet van de verspreidingsregeling zal zodanig zijn, dat rekening kan worden gehouden met specifieke ontwikkelingen per regio. Hiertoe zal nauw worden samengewerkt met de provincies, waarbij de gezamenlijke verantwoordelijkheid ook in financiële zin tot uitdrukking moet komen.

Om meer aandacht en stimulansen te kunnen geven aan de vernieuwing van het landelijk gebied zal het Innovatie Steunpunt Wageningen (ISW) regionaal meer tijd en menskracht ter beschikking stellen voor het begeleiden van ideeën en initiatieven van onderop. Voor de versterking van de regionale functie van het ISW zal bij de provincies gezocht worden naar co-financiering en worden aangesloten bij op te richten regionale Centra voor Plattelandsvernieuwing (zie verder par. 1.8.).

Ook zal er ruimte worden gemaakt voor meer regiospecifieke, gebiedsgerichte investeringsprojecten. Waar mogelijk wordt een koppeling gelegd met de Rurale ontwikkelingsplannen (zie ook par. 1.7). Hiermee wordt invulling gegeven aan de afspraken die het Kabinet en de noordelijke provincies hebben gemaakt over de inzet van middelen uit het Stimuleringskader ten behoeve van de economische structuurversterking van Noord-Nederland.

Ook de uitvoering van de regeling Vernieuwing landelijk gebied zal opnieuw worden vorm gegeven. In de regionale Centra voor Plattelandsvernieuwing zal nadrukkelijk samenwerking met de provincies worden gezocht, zodat beter kan worden aangesloten bij specifieke aandachtsvelden van verschillende plattelandsregio’s.

Reconstructie

Met de reconstructie van de zandgebieden wordt beoogd om een belangrijke, integrale kwaliteitsverbetering te realiseren van alle functies van nader te begrenzen delen van het landelijk gebied in de provincies Limburg, Noord-Brabant, Overijssel, Gelderland en Utrecht. Dat betekent vermindering van de nitraatbelasting van het grondwater, versnelling van de realisatie en verbetering van de kwaliteit van de Ecologische Hoofdstructuur, herstel van watersystemen, vermindering van de milieudruk, revitalisering van het landschap, versterking van de landbouw (door omschakeling, verbreding, verbetering van de productieomstandigheden, extensivering, verplaatsing en uitplaatsing van bedrijven), vermindering van de veterinaire risico’s en vergroting van de recreatieve mogelijkheden. De Reconstructiewet bevat al voor een deel de herijkte landinrichtingsprocedures en maakt op flexibele wijze maatwerk mogelijk.

De Ontwerp-Reconstructiewet die in december 1998 bij de Tweede Kamer is ingediend, zal naar verwachting met ingang van het jaar 2000 van kracht worden. De wet zal zorg dragen voor snelheid in het reconstructieproces, voor de ruimtelijke doorvertaling van de plannen en voor adequate en snelle uitvoering. De reconstructie wacht niet op de wet, maar is nu al gestart door interimbeleid (bijvoorbeeld de regeling beëindiging en verplaatsing varkensbedrijven in de EHS) en door het bijsturen van lopende (landinrichtings)projecten. In 2002 zullen de eerste regionale reconstructieplannen gemaakt zijn. Voor deze aanpak is tot 2010 ruim 1 miljard gulden beschikbaar.

1.7.  Tussen Brussel en Borculo

Het Europese plattelandsbeleid vormt op dit moment onderdeel van de Agenda 2000 zoals voorgesteld door de Europese Commissie. Het gaat dan met name om de nieuwe kaderverordening Plattelandsontwikkeling alsmede om een herziening van de Structuurfondsen. Dit heeft ook de nodige consequenties voor Nederland. Al vooruitlopend op de definitieve besluitvorming treft LNV voorbereidingen om het Nederlandse platteland in redelijke mate te laten delen in de mogelijkheden die dit Europese beleid biedt.

Voor de structuurfondsen moeten nieuwe doelstellingsgebieden worden aangewezen. Voor wat betreft het landelijk gebied is LNV hiervoor verantwoordelijk.

De inzet van het Kabinet richt zich op de Grote steden, de Noordelijke provincies en de reconstructiegebieden. Voor de huidige zgn. doelste-lingsgebieden gaan overgangsregelingen gelden. Voor alle overige regio’s kan Nederland Rurale Ontwikkelingsplannen indienen in Brussel. Deze betreffen de nationale invulling van plattelandsvernieuwing en worden mede gefinancierd door de Europese Unie. Binnen 6 maanden na besluitvorming over de Agenda 2000 van de EU – waarschijnlijk dus in het najaar van 1999 – dienen deze plannen in Brussel te worden ingediend. De ontwikkelingsplannen vormen ook een Brusselse voorwaarde voor het inzetten van nationale middelen voor regionale ontwikkeling.

De komende maanden wordt bezien welke gebiedsindeling het beste gehanteerd kan worden voor de Rurale ontwikkelingsplannen. Hierover wordt uiteraard overleg gevoerd met de provincies. De provincies hebben het voortouw bij het opstellen van de plannen.

1.8.  Rolverdeling in het platteland

Voorwaarde voor een breed plattelandsbeleid is een optimale samenwerking. Zowel tussen de betrokken departementen op rijksniveau, als tussen de bestuurslagen en met de maatschappelijke organisaties. Een coördinerende rol van LNV tussen de verschillende bestuurslagen, van «Brussel tot Borculo», heeft een meerwaarde. Waar nodig zal LNV het initiatief nemen tot afstemming van plattelandsbeleid op rijksniveau.

De coördinatie en informatie-uitwisseling op het terrein van plattelandsbeleid vraagt om een adequate organisatie. Bij de vormgeving van het regionale beleid, onder meer in de vorm van regioperspectieven en gebiedscontracten, kunnen regionale platforms een belangrijke rol spelen. Dergelijke platforms hebben zich in de praktijk reeds ontwikkeld, zoals in het Groene Hart. Een aantal daarvan zal een landelijke voorbeeldfunctie kunnen krijgen.

LNV zal het initiatief nemen om samen met de provincies, en eventueel andere partijen, te komen tot regionale Centra voor Plattelands- vernieuwing, waar mogelijk in samenhang met regionale platforms. Aangesloten wordt bij al lopende initiatieven in enkele regio’s. Vanuit deze centra kunnen regionale kennisen innovatienetwerken verder worden ontwikkeld met als taak het verzamelen en aanbieden van informatie, bevorderen van uitwisseling van ervaring, makelaar in contacten, signaleren en doorgeleiden van knelpunten en het stimuleren van het debat. Op korte termijn zal worden gestart met drie pilots.

Op landelijk niveau zal LNV zal het initiatief nemen om een landelijk steunpunt te starten en andere partijen waaronder overheden en maatschappelijke organisaties uit te nodigen daarin te participeren. Dit als opvolger van het bestaande coördinatiepunt plattelandsvernieuwing en mede ten dienste van de regionale bestuurlijke platforms en kennis- en innovatienetwerken. Daarmee wordt één landelijk aanspreekpunt gecreëerd gericht op het stimuleren en faciliteren van een integrale aanpak van de vitaliteit van het landelijk gebied, in al zijn dimensies.

HOOFDSTUK 2 OM EEN GEZONDE LAND- EN TUINBOUW

2.1. Inleidend

Voor een vitaal platteland is een gezonde landbouwsector onmisbaar. De landbouw gebruikt ruim 2 miljoen ha, dat is ongeveer 70% van het land in Nederland. Daarmee heeft de landbouw grote betekenis voor natuur en landschap en een grote betekenis voor de economie. De werkgelegenheid in het agro-complex voorzover dat is gebaseerd op binnenlandse agrarische grondstoffen is 475 000 manjaar, waarvan 181 000 manjaar in de primaire landbouw. De bruto-toegevoegde waarde van dit agro-complex is 46 miljard gulden per jaar, de primaire landbouw draagt hier 17 miljard gulden aan bij. Driekwart van de productie is afhankelijk van export. De uitdaging is er in gelegen deze wezenlijke bijdrage aan de nationale economie ook voor de toekomst te behouden.

Maar de sector staat nog voor een tweede uitdaging. De maatschappelijke verwachtingen en wensen ten aanzien van de wijze van voedselproductie, denk aan volksgezondheid, milieu en dierenwelzijn, ontwikkelen zich zeer snel. En deze wensen zijn soms de voor de overheid gestelde wettelijke normen al gepasseerd. Ondanks de grote inspanningen die de sectoren van de land- en tuinbouw plegen op dit punt bestaat er op onderdelen nog een maatschappelijk tekort. Het wegwerken van dat tekort vraagt van de sector nog een forse inzet.

Het Ministerie van LNV zal zich een betrokken overheid tonen in dit proces, gericht op modern agro-ondernemerschap. Voor dit streefbeeld moet aan twee voorwaarden zijn voldaan: economisch zelfdragend vermogen en productie op een maatschappelijk gewenste wijze. De betrokkenheid van LNV uit zich langs drie lijnen. Ten eerste zal LNV sectoren en bedrijven stimuleren richting modern agro-ondernemerschap. Daarvoor zet zij op maat gesneden instrumenten en middelen in. Ten tweede zal LNV de maatschappelijke randvoorwaarden bewaken. Hierbij heeft LNV de rol deze randvoorwaarden te vertalen in wettelijke normen en zo mogelijk samen met het bedrijfsleven het traject op weg naar deze normen uit te zetten. In aanvulling op de stimulerende en kaderstellende rol, zal LNV extra investeren in specifieke sectoren waar een ingrijpend proces van herstructurering aan de orde is. Op deze drie inzetten wordt in dit hoofdstuk verder ingegaan.

In hoofdstuk 1 is al aangegeven dat gebiedsgerichte aanpak de komende jaren extra accent zal krijgen. Gebiedsgerichte aanpak is vaak een aanvulling op generiek beleid, of dit nu voor specifieke thema’s is, of voor specifieke sectoren. In dit hoofdstuk zal met name worden stil gestaan bij dit generieke beleid voor de Nederlandse land- en tuinbouw.

2.2.  Strategieën voor de toekomst

Voor het streefbeeld van modern agro-ondernemerschap zijn vele verschillende ontwikkelingsstrategieën voor bedrijven van belang. Strategieën die in een continu proces worden aangepast aan de nieuwe eisen en mogelijkheden.

In het beleid zal de komende jaren nadrukkelijk rekening worden gehouden met deze diversiteit aan bedrijfsontwikkeling.

Een belangrijke groep bedrijven zal ook in de toekomst gericht blijven op productie tegen internationaal concurrerende prijzen. Voor deze bedrijven is specialisatie en schaalvergroting van belang. Het overheidsbeleid zoals het markt- en prijsbeleid, de pachtwet, mestwetgeving, landinrichting en het quotastelsel heeft invloed op dit proces van bedrijfsvergroting. Bij aanpassing van het beleid zal de dynamiek in de economische structuur zoveel mogelijk worden bevorderd.

Een ander voorbeeld van een bedrijfsstrategie is de zgn. «verbrede» landbouw. Hiermee wordt bedoeld dat op het bedrijf, naast de primaire landbouwproductie andere, bij-passende activiteiten worden ontwikkeld om de inkomensbasis te verbreden. Denk daarbij aan het verder verwerken en verkopen van producten op het eigen bedrijf. Of het opzetten van een mini-camping, een zorgboerderij of natuurbeheer. Voorkomen moet worden dat initiatieven en ideeën onbedoeld doodlopen op een veelheid aan regels en instanties. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij het mogelijk maken van een nieuwe bestemming van agrarische bedrijfsgebouwen. LNV zal hier alert op zijn en ruimte scheppen voor nieuwe initiatieven.

Het ontwikkelingsproces in de landbouw leidt tot een verdergaande differentiatie tussen bedrijven: sommige bedrijven ontwikkelen zich en andere krimpen of verdwijnen. De noodzakelijke herstructureringen zullen in verschillende sectoren dergelijke keuzen versnellen. Een tijdige bewustwording en verkenning van de toekomstmogelijkheden van bedrijven is van het grootste belang. In dit proces is een belangrijke taak weggelegd voor de organisaties van het bedrijfsleven. De komende jaren zal LNV, naast de garantie van een goed sociaal vangnet, een extra inzet plegen voor de wijkers, de bedrijfshoofden die het bedrijf gaan staken. Daarbij zal de aandacht uitgaan naar (om)scholingsprojecten waarmee een andere arbeidsmarktperspectief wordt gecreëerd. Dit laatste in samenwerking met oa. het Ministerie van SZW, de Arbeidsvoorziening en de landbouworganisaties. Ook het landbouwonderwijs, voor andere «groene» functies dan de landbouw, zal daarbij een rol vervullen.

2.3.  Stimulansen voor modern agro-ondernemerschap

De stimulerende rol van LNV zal zich de komende jaren sterker op de voorlopers richten, de bedrijven van de toekomst. Het Stimuleringskader dat onder het vorige kabinet is ontwikkeld zal hiertoe worden bijgesteld. Ook wordt onderzocht of in het fiscale beleid meer stimulansen kunnen worden ingebouwd voor vernieuwing. De biologische landbouw krijgt extra aandacht. Daarnaast zullen instrumenten als Pachtbeleid en het Borgstellingsfonds worden toegesneden op het modern agro-onderne-merschap.

Het herijkte landinrichtingsinstrumentarium zal ook met deze accenten worden ingezet.

Belastingstelsel 21e eeuw

Met de herziening van het Belastingstelsel voor de 21e eeuw worden stimulansen ingebouwd ter bevordering van de werkgelegenheid, voor versterking van de economische structuur en voor verhoging van de duurzaamheid van economische ontwikkeling. Dit alles onder gelijkblijvende of lagere lastendruk.

LNV ziet daarbij duidelijke kansen voor het stimuleren van een duurzame landbouw.

Bezien wordt of fiscale voordelen gecreeerd worden voor voorlopers die uitgaan boven de wettelijke minimumeisen. Het kan daarbij gaan om een duurzame ondernemersaftrek voor bedrijven waarbij het volledige productieproces aan hoge eisen voldoet.

Ook gaat het om investeringsaftrek bij investeringen op het gebied van energie en milieu. Op specifieke thema’s zoals gewasbeschermingsmiddelen wordt overwogen via financiële prikkels van heffingen en premies gedragsverandering te stimuleren. Als kanttekening moet hierbij worden opgemerkt dat dergelijke fiscale stimulansen ter goedkeuring aan de Europese Commissie moeten worden voorgelegd.

Conform het Regeerakkoord zal worden nagegaan welke knelpunten er op fiscaal gebied bij het noodzakelijke herstructureringsproces bestaan en of deze uit de weg kunnen worden geruimd: naast de startersovername regeling (SOR) worden andere faciliteiten onderzocht die de overname van gezonde bedrijven minder zwaar maken.

Het kabinet heeft een onderzoek voorgenomen naar modernisering van de successiewetgeving waarin ook nagegaan zal worden welke problemen er daarbij zijn met de bedrijfsopvolging.

Stimuleringskader

Ook het Stimuleringskader zal voorlopers stimuleren. De evaluatie van het functioneren van het Stimuleringskader geeft aanleiding tot een aantal aanpassingen. Op het vervolg van het onderdeel Vernieuwing landelijk gebied is ingegaan in hoofdstuk 1.

Binnen het Stimuleringskader zal de komende jaren extra aandacht gegeven worden aan het «voortraject» van een innovatie: het ontstaan van een nieuw idee en het uitwerken ervan. Het Innovatie Steunpunt Wageningen (ISW) zal zich nog sterker dan voorheen op deze beide aspecten van het «voortraject» richten en tevens het totale kenniscluster daarin betrekken.

Het verspreidingsgedeelte van het Stimuleringskader – onderdeel Markt en Concurrentiekracht – zal meer dan voorheen gericht worden op het stimuleren van voorlopers, «bedrijven van de toekomst». De ondersteuning zal vooral gericht zijn op het starten van vernieuwing op een onderneming en niet op de exploitatie. De communicatie over de regelingen zal verder worden verbeterd.

Er zal meer ruimte worden gemaakt voor beleidsprioriteiten zoals de biologische landbouw, milieu en economie, dierenwelzijn, en stimulering van de maatschappelijke dialoog over de productiewijze van de sector.

Biologische Landbouw

De vraag naar biologische producten groeit gestaag. De bekendheid van het biologische product bij de consument is inmiddels hoog. In het Plan van Aanpak Biologische Landbouw is naast het stimuleren van de vraag door middel van marktontwikkeling, promotie en afzet gekozen voor het stimuleren van de omschakeling naar biologische productie. Gezien de snelle toename van de vraag is het van belang dat het aanbod hierbij aansluiting houdt. De komende jaren zal daarom extra aandacht uitgaan naar het bevorderen van de omschakeling. Hierbij komt ook de dierlijke biologische productie aan de orde. De Stimuleringsregeling zal indien nodig worden aangepast aan de Europese regelgeving voor de dierlijke productie. De wenselijkheid en mogelijkheid van een op de glastuinbouw aangepaste premie binnen de Omschakelingsregeling zal worden onderzocht.

Het huidige Plan van Aanpak voor de biologische landbouw loopt tot en met 2000. Zoals hierboven beschreven is er nu al aanleiding het beleid bij te stellen. Derhalve wordt de evaluatie van het lopende Plan van Aanpak naar voren gehaald. De Kamer ontvangt dan begin volgend jaar een nieuw Plan van Aanpak.

Een apart knelpunt is de beperkte beschikbaarheid van biologische gewasbeschermingsmiddelen. De kosten van ontwikkeling en toelating wegen vaak niet op tegen de opbrengsten. LNV zet in op het verlagen van de barrières om toegelaten middelen te krijgen door aanpassing van de toelatingseisen (in Europees verband) en door het verlagen van de financiële belemmeringen.

Pacht

Zoals recentelijk in een debat in de Kamer is aangekondigd zal dit jaar het pachtbeleid door een daartoe in te stellen Commissie tegen het licht worden gehouden. Hiertoe zijn drie aanleidingen. Ten eerste kan geconstateerd worden dat het beleid van het geleidelijke verhogen van de pachtnormen tekort schiet in het bereiken van de gestelde rendementseis voor pachtgrond. Ten tweede is een evaluatie van de wijziging van de Pachtwet van 1995 aan de Kamer toegezegd. Ten derde geeft de financiële taakstelling uit het Regeerakkoord voor de verkoop van domeingronden aanleiding tot een aanpassing van het Pachtbeleid. Deze stand van zaken alsmede de gevolgtrekking daaruit is recentelijk besproken met de vaste commissie voor LNV van de Tweede Kamer. Het advies van de in te stellen Commissie zal, voorzien van een beleidsstandpunt ten aanzien van het toekomstige pachtbeleid, zo spoedig mogelijk aan de Kamer worden voorgelegd.

Agrarisch Natuur- en landschapsbeheer

Een grotere betrokkenheid van agrarische ondernemers bij het natuurbeleid kan binnen en buiten de Ecologische Hoofdstructuur vorm krijgen dankzij de extra impuls uit het Regeerakkoord voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Op dit moment wordt de subsidieregeling hiervoor, onderdeel van het Programma beheer, opnieuw vormgegeven. Meer over dit onderwerp in hoofdstuk 4.

Onderwijs envoorlichting

Een belangrijke basis voor modern ondernemerschap wordt gelegd in het onderwijs. Differentiatie in bedrijfssystemen en een sterke maatschappelijke oriëntatie zijn hierbij belangrijke ankerpunten. LNV zal de onderwijsinstellingen stimuleren de uitdagingen van de toekomst te verweven in het onderwijs. Daarnaast is het van belang dat leerprocessen op bedrijven worden voortgezet. Het cursusonderwijs zal beter moeten gaan voldoen aan de vragen uit de praktijk. Ook zullen de mogelijkheden van moderne Informatie en Communicatietechnologie moeten worden benut voor leerprocessen in de praktijk. Meer in hierover in hoofdstuk 6.

2.4. De maatschappelijke randvoorwaarden

De productiesectoren staan de komende jaren nog voor een forse uitdaging om te kunnen voldoen aan de verwachtingen van de samenleving ten aanzien van product en productiewijzen. Een strijd die op vele fronten tegelijk moet worden geleverd, uiteenlopend van het terugdringen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tot het verbeteren van het welzijn van de landbouwhuisdieren. In het onderstaande wordt op deze aspecten ingegaan.

Gewasbescherming

In het komende jaar zullen de voorbereidingen worden getroffen voor een nieuw gewasbeschermingsbeleid na 2000, wanneer het Meerjarenplan Gewasbescherming afloopt. Belangrijkste punt van zorg blijft de structurele afhankelijkheid van chemische bestrijdingsmiddelen. De komende jaren wordt het credo «nee, tenzij».

Met andere teeltsystemen, gericht op preventie, en alternatieve gewasbeschermingsmethoden, moet aan dit principe invulling worden gegeven. Het beleid zal positieve en negatieve prikkels gaan bevatten om ondernemers in deze richting te stimuleren. Daarnaast zal illegaal gebruik ook de komende jaren een punt van extra aandacht blijven. De herbeoordeling van toegelaten chemische middelen zal de komende jaren leiden tot het saneren van veel verouderde milieu-onvriendelijke middelen. Voor een effectieve gewasbescherming kan het bedrijven die zijn aangesloten bij waterdichte certificeringssystemen worden toegestaan bepaalde middelen op recept te blijven gebruiken.

Nitraatrichtlijn

Het kabinet heeft eind 1998 een ingrijpend aanvullend stikstofbeleid vastgesteld. Met deze versnelling van het generieke beleid vanaf 2000 wordt de belasting van grond- en oppervlaktewater in hoger tempo terug gedrongen. Voor de droge zand- en lössgebieden is een extra aanscherping van de verliesnormen noodzakelijk vanaf 2008/2010. Ter ondersteuning van het Mineralen Aangiftesysteem MINAS wordt een grens voor maximale veedichtheid in de melkveehouderij ingevoerd. Naast de regelgeving wordt een stevig pakket flankerende maatregelen ingezet met een omvang van 600 mln gulden in de periode 1999 t/m 2008/2010. Hiermee wordt kennisontwikkeling en kennisdoorstroming, aanpak prioritaire waterintrekgebieden, stimulering kavelruil en verbetering waterbeheersing mogelijk. Daarnaast wordt verplaatsing van landbouwbedrijven in uit concentratiegebieden naar Noord en Zuid-West Nederland gestimuleerd. Het verplaatsen van melkveebedrijven draagt bij aan extensivering van de melkveehouderij.

Broeikasgassenen energie

Eind 1997 zijn in Kyoto bindende reductieverplichtingen afgesproken. Dit zal met name in de tuinbouw een grote inzet vergen. Kosteneffectiviteit is een belangrijk criterium bij de bepaling welke maatregelen in de agrarische sector genomen moeten worden. Voor energie wordt ingezet op vrijwillige meerjarenafspraken. Met sommige sectoren zijn deze reeds gemaakt. Gezien de omvang van de noodzakelijke reductie kan het nodig blijken op sommige terreinen meer dwingende maatregelen te nemen.

Diergezondheid

Met name op het kwetsbare terrein van de diergezondheid is het essentieel dat de verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en bedrijfsleven voor eenieder glashelder is. Het is de verantwoordelijkheid van het gezamenlijke bedrijfsleven om een hoog niveau van gezondheid en welzijn van de Nederlandse veestapel te realiseren. De individuele ondernemer is verantwoordelijk voor de preventie van dierziektes en ziekteverspreiding op en vanaf zijn bedrijf.

De verantwoordelijkheid van de overheid richt zich primair op: volksgezondheid, bestrijding van zeer besmettelijke dierziektes en vrijwaring van handelspartners van deze ziektes. Daarnaast zorgt de overheid voor een efficiënte en effectieve organisatie op het gebied van dierziektebestrijding en keuring.

Het veterinaire beleid voor de komende jaren, dat langs deze lijnen van verantwoordelijkheidsverdeling is uitgewerkt, is in een brief dd. 21-12-98 aan het Parlement toegezonden. Er zijn extra middelen beschikbaar gesteld voor prioritaire veterinaire acties.

Dierenwelzijn

De moderne veehouderijmethoden voldoen niet aan gewijzigde maatschappelijke opvattingen en wetenschappelijke inzichten ten aanzien van dierenwelzijn. Verbetering van het welzijn is tot nu toe vooral afgedwongen door wetgeving. In 2000 zal de raamwet Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren grotendeels zijn ingevuld. En hoewel veel vooruitgang is geboekt, moeten er nog grote verbeteringen plaatsvinden. Het beleid voor verbetering van het dierenwelzijn zal het komende jaar opnieuw tegen het licht worden gehouden. Nieuwe wegen moeten gezocht om verdere winst te kunnen boeken.

Naast regelgeving kan mogelijk gebruik gemaakt worden van marktconforme instrumenten, van welzijnseisen die in ketenverband worden uitgevoerd, van opleiding, van verdere bewustwording en professionalisering bij de houders en handelaren en van informatieverstrekking aan consumenten.

Voor de varkenshouderij is de opdracht en het tijdpad vastgelegd in het recent aangescherpte Varkensbesluit. In de pluimveehouderij zal nog deze kabinetsperiode de legbatterij worden verboden, op Europees of op nationaal niveau.

2.5. Herstructurering sectoren

De landbouw staat op vele vlakken voor uitdagende veranderingen: hervorming van het Europese landbouwbeleid en liberalisatie van de wereldhandel alsmede knelpunten op milieu-, welzijns- of ruimtelijk gebied nopen tot herstructurering. In een drietal sectoren manifesteert dit zich thans het sterkst. In de intensieve veehouderij vloeit de noodzaak tot herstructuren voort uit zowel marktomstandigheden als problemen van milieu en welzijn. In de glastuinbouw is er sprake van een combinatie van marktontwikkelingen en ruimtelijke problematiek. De melkveehouderij staat voor een ruimtelijke herstructurering met name in verband met de nitraatproblematiek. In de gehele veehouderij is de versterking van de grondgebondenheid een belangrijke invalshoek. Ook voor andere sectoren in de land- en tuinbouw kan een integrale herstructurering noodzakelijk zijn. Het initiatief voor herstructurering ligt in principe bij de sectoren zelf. De overheid zal hierbij stimuleren en waar nodig regulerend optreden.

Flankerend beleid herstructurering varkenshouderij

De noodzakelijke herstructurering van de varkenshouderij zal leiden tot een kleinere, maar gezondere sector. Centraal staat dat uiterlijk in 2002 het mestoverschot van 14 miljoen kg fosfaat moet zijn weg gewerkt. De herstructurering vraagt om een proces van beëindiging van bedrijven aan de ene kant en van ontwikkeling aan de andere kant. Onze inzet is gericht op dynamiek en duidelijkheid. Gegeven de dramatisch lage prijzen van biggen en vleesvarkens in 1998 en naar verwachting een deel van 1999 is er de noodzaak van flankerende maatregelen gericht op sociaal aanvaardbare beëindiging en op het overeind houden van perspectief- volle bedrijven met een hoge financieringslast. Daarnaast zullen de voorlopers die investeren in duurzame varkenshouderijsystemen worden gestimuleerd door middel van investeringssubsidies en extra borgstelling. Ook wordt bezien of en hoe fiscale maatregelen worden genomen. Initiatieven van de keten om het productieproces in de hele keten te borgen door middel van certificering komen in aanmerking voor ondersteuning. Meer hierover in hoofdstuk 3.

Het behouden van dynamiek in de sector is van groot belang, mede in het licht van de tweede generieke korting in 2000. Deze korting dient de fosfaatreductie-doelstelling van de Wet herstructurering varkenshouderij. Onze inzet is erop gericht deze tweede korting zo beperkt mogelijk te laten zijn. Hiervoor is het afromen bij verhandeling alsmede de marktconforme opkoopregeling van varkensrechten cruciaal. Het Kabinet zal ten spoedigste een reparatiewet aan de Kamers voorleggen teneinde uitbreiding van de varkenshouderij als gevolg van een recent tussenvonnis te voorkomen. Dit in afwachting van het definitieve vonnis in de nog lopende rechtsgang.

Herstructurering pluimveehouderij

Het streven is een duurzame pluimveehouderij met de volgende ijkpunten. Ten eerste geen mestoverschot en sterk verminderde ammoniakuitstoot. Ten tweede welzijnsvriendelijke productiesystemen in de legsector, de vleeskuiken- en kalkoenhouderij. Ten derde salmonella en campylobacter tot een minimum terug gebracht en preventief gebruik van antibiotica beëindigd.

Door een combinatie van oa. een forse uitbreiding van de pluimveehouderij in de afgelopen jaren en een tegenvallende export van pluimveemest is het mestoverschot in de sector sterk opgelopen. Het Kabinet is van oordeel dat, teneinde in een later stadium extra pijnlijke maatregelen te voorkomen, thans tot een bevriezing van de omvang van de pluimveestapel moet worden overgegaan.

Hiertoe zal op korte termijn de Kamer een wetsvoorstel bereiken houdende een wijziging van de Meststoffenwet in verband met de invoering van een stelsel van pluimveerechten. Met de hiermee gecreëerde pas-op-de-plaats wordt tevens ruimte gecreëerd voor het bedrijfsleven om initiatieven te ontplooien en te komen tot een adequaat antwoord op de naast de mestproblematiek aan de orde zijnde problemen op het punt van diergezondheid, dierenwelzijn en milieu.

De pluimveesector zal zelf het voortouw moeten nemen om in overleg met betrokken maatschappelijke organisaties en de overheid een plan te maken voor de realisering van een duurzame pluimveehouderij. LNV zal dit proces actief ondersteunen. Eind 1999 zal de Tweede Kamer een concreet pakket maatregelen worden aangeboden.

Het Kabinet zet zich in de EU in voor verdergaande welzijnseisen voor de pluimveesector. Met dergelijke Europese regels kan concurrentienadeel binnen de Unie worden voorkomen. Vanaf 2000 zal een maatregelenpakket gericht op een duurzame pluimveehouderij worden geïmplementeerd.

Gebiedsgerichte herstructurering glastuinbouw

De herstructurering van de glastuinbouw wordt met kracht voortgezet. De herstructurering zal de komende jaren uit drie pijlers bestaan: Ten eerste de inrichting van nieuwe vestigingsgebieden. In 2002 zal circa 400 hectare ingericht zijn. Bedrijven die uit de «oude» glastuinbouwgebieden verplaatsen naar nieuwe of bestaande vestigingsgebieden maken ruimte vrij voor herinrichting. Geheel nieuwe vestigingsgebieden zullen bij voorkeur worden gesitueerd in en nabij de Corridors, welke in de vijfde Nota Ruimtelijke Ordening nader zullen worden aangewezen. Ten tweede het voortgaan met de vernieuwing van de glastuinbouw door financiële ondersteuning bij afbraak van oude kassen en bouw van duurzame nieuwe kassen. Naast de bestaande subsidieregeling wordt de mogelijkheid onderzocht van een stallingsfonds voor het tijdelijk beheer van tuinbouwgrond. Dit fonds wordt opgezet als publiek-private samenwerking tussen de overheid en het bedrijfsleven.

Ten derde wordt in het Westland en Aalsmeer, twee oude glastuinbouwgebieden de infrastructuur en de ruimtelijke kwaliteit verbeterd. Dit wordt uitgevoerd in samenwerking met de provincies. De herstructurering kan een belangrijke bijdrage leveren aan de convenantsdoelstellingen Glastuinbouw en milieu m.n. energiedoelstellingen door restwarmtebenutting.

2.6. Emancipatiebeleid

Bijzondere aandacht vraagt het emancipatiebeleid dat het Ministerie van LNV voert voor al haar beleidsvelden. Centraal staat hierin het streven naar een gelijke participatie van vrouwen in bedrijf en bestuur. LNV geeft actief invulling aan de afspraak uit het Regeerakkoord om een actieplan op te stellen met ten minste drie concrete taakstellingen: Ten eerste verplicht LNV zich voor de periode 1999–2000 de samenstelling van commissies en organen voor minimaal 30% uit vrouwen te laten bestaan en voor de periode 2001–2003 35%. In 2000 zal in een tussentijdse evaluatie bekeken worden of het percentage 30% daadwerkelijk gehaald wordt en worden indien nodig aanvullende maatregelen genomen. Ten tweede zal LNV in de periode 1999–2003 jaarlijks 3 EER’s (Emancipatie Effect Rapportages) uitvoeren op belangrijke thema’s van het LNV-beleid. Ten derde zal tot 2000 minimaal 5% van het beschikbare LNV-budget voor voorlichting en cursorisch onderwijs ingezet worden op programma’s voor vrouwen behorend tot de doelgroepen van LNV-beleid. Op basis van een evaluatie in 2000 zal vervolgens bekeken worden of het budget voor de periode tot 2003 verhoogd moet worden.

Naar aanleiding van de aanbeveling uit het eindrapport Commissie Dagindeling en passend bij het thema van Hoofdstuk 1 van dit Beleidsprogramma is, in overleg met het Ministerie van SZW een extra taak gesteld. Een onderzoek wordt gestart naar de behoeften aan sociale infrastructuur (voorzieningen en bereikbaarheid) in het landelijk gebied aan de hand van enkele regionale pilots. Het onderzoek richt zich op: de afstemming van scholen, opvang, en voorzieningen, ruimtelijke ordening en vervoer en de behoeften aan persoonlijke dienstverlening.

HOOFDSTUK 3 OM DE KWALITEIT VAN DE VOEDING

3.1. Inleidend

De maatschappelijke eisen die aan onze voeding worden gesteld, worden steeds scherper. De consument legt op het punt van voedselveiligheid de lat steeds hoger. Ook worden consumenten steeds bewuster ten aanzien van andere kwaliteitsaspecten van het product en de productiewijze, zoals milieu en het welzijn van dieren.

Het is de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven om aan deze eisen te voldoen. Dit geldt zowel voor eisen die door de overheid in wettelijke minimumnormen zijn vastgelegd als voor specifieke soms verdergaande eisen die consumenten hanteren. De controle van de overheid op de normen alleen voldoet dan niet zonder meer. Het bedrijfsleven zal moeten kunnen aantonen via eigen kwaliteitsborgingssystemen dat aan de eisen van overheid en markt wordt voldaan. Immers, als het om voedsel gaat mag het kwetsbare vertrouwen van consumenten niet worden beschaamd.

De overheid stelt dus wettelijke minimumnormen vast op het vlak van volksen diergezondheid, welzijn en milieu. Veelal betreft dit EU-normen. Soms loopt de Nederlandse overheid vooruit op de totstandkoming hiervan, of stelt extra eisen naast EU-regelgeving. Dit kan worden ingegeven door maatschappelijke en politieke discussies over de wenselijkheid van productiemethoden, maar ook met het oog op mogelijke gevaren voor de volksgezondheid, indien de normen in Europa nog niet zijn geharmoniseerd. Het hierbij gehanteerde voorzorgprincipe komt centraal te staan in het beleid de komende jaren. We komen hier onder 3.3. op terug.

Discussies over aanvaardbaarheid van productiemethoden betreffen bij uitstek de moderne biotechnologie. Onder 3.4. wordt aangegeven hoe wij de komende jaren willen bijdragen aan een verantwoorde ontwikkeling hiervan en het versterken van de positie van de consument.

De overheid houdt streng toezicht op het naleven van de wettelijke normen. Kwaliteitsborgingssystemen van het bedrijfsleven dienen de basis te vormen voor dit toezicht. Op dergelijke systemen wordt in 3.2. uitvoeriger ingegaan. Naarmate de kwaliteitsborgingssystemen verder zijn ontwikkeld zal de overheid t.a.v. extra kwaliteitseisen de komende jaren nadrukkelijker onderscheid gaan maken tussen gecertificeerde bedrijven die aangesloten zijn bij een dergelijk systeem en bedrijven die de certificering niet hebben kunnen of willen verkrijgen. Voor de laatst genoemden gaat een verzwaard overheidsregime gelden met navenante keuringstarieven.

Bijzonder punt van aandacht hierbij is de Europese regelgeving. Deze voorziet niet in dergelijke mogelijkheden. Nederland zal derhalve in Brussel draagvlak moeten creëeren voor ketencertificering en andere systemen waarbij de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven een grote rol krijgt toebedeeld.

Zoals ook in het vorige hoofdstuk aangegeven zullen de stimulerende beleidsmaatregelen de komende jaren met name worden gericht op het realiseren van hogere niveau’s dan de wettelijke minimum-normen. Daarmee worden maatschappelijk gewenste ontwikkelingen versneld en kunnen nieuwe deelmarkten worden bediend. Tevens wordt daarmee invulling gegeven aan een ander speerpunt voor de komende jaren: het versterken van de keuzevrijheid van consumenten.

3.2. Ketenkwaliteitszorg

De werkelijke druk op de kwaliteit van de primaire productie komt steeds meer uit de markt en in steeds mindere mate van de overheid. Productiemethoden die de formele instemming van de overheid hebben, hoeven nog niet altijd te rekenen op instemming van de maatschappij. Niet de overheid maar de consument moet het centrale oriëntatiepunt van de land- en tuinbouw zijn. Feitelijk is hier sprake van een ketenomkering.

Het bedrijfsleven kent al voorbeelden van kwaliteitsborgingssystemen die (deels) tegemoet komen aan de eisen van maatschappij en consument. Deze systemen treffen we vooral aan in de levensmiddelensector. Echter deze systemen geven nog nauwelijks garanties t.a.v. wettelijke eisen en het tempo waarin ze worden opgepakt en verder ontwikkeld in de dierlijke sector, is te traag. Ook missen deze initiatieven vaak een integrale benadering waarbij naast de traditionele kwaliteit ook veiligheid, milieu en dierenwelzijn engezondheid worden meegenomen.

In de borgingssystemen dient nadruk te worden gelegd op een «HACCP-benadering». HACCP staat voor Hazard Analysis and Critical Control Points. Dit is de standaardbenadering in de levensmiddelenindustrie voor de bewaking van de voedselveiligheid. De Inspectie Gezondheidsbescherming Waren en Veterinaire zaken houdt daarop toezicht. Het streven is ten eerste deze benadering in de gehele keten te volgen (dus inclusief de boerderijfase en de slachterij) en ten tweede ook toe te passen op andere veiligheidsitems (b.v. diergezondheid) dan de menselijke veiligheid en gezondheid. Op deze wijze wordt de effectiviteit en efficiëntie van de garantiesystematiek vergroot.

In het verlengde van het bovenstaande legt LNV de komende vier jaren prioriteit bij het versterken en verder ontwikkelen van de ketens en private garantiesystemen in de primaire sector d.m.v. (aangepaste) regelgeving, subsidiëring en door helderheid te verschaffen aan de consument. Daarnaast zal LNV in het kader van de integratie van EU-hygiënerichtlijnen aansturen op het aanpassen van veterinaire regelgeving om private garantiesystemen mogelijk te maken.

Voor ketens en borgingssystemen die uitstijgen boven de (minimum) wettelijke eisen zal LNV ondersteuning bieden door subsidies aan innovatieve integrale ketenprojecten. Prikkels zullen worden geboden om deel te nemen aan private garantiesystemen door een beperkter overheidstoezicht en waar mogelijk lagere overheidstarieven (bv. voor keuringen, diergezondheidsheffing). Van belang is dat de keuringsdiensten van de overheid tijdig zijn voorbereid op een meer toezichthoudende rol.

Gecertificeerde duurzame productiesystemen zullen fiscale voordelen genieten. Voorbeelden zijn het Agromilieukeur (AMK), biologische landbouw en Groenlabel stallen en -kassen (zie ook par 2.5.). In dit verband is ook de passage uit het Regeerakkoord over het beperken van de wildgroei in milieukeuren van belang. Hierbij zal gebruik worden gemaakt van een onderzoek van het Nederlands Normalisatie Instituut waarin de mogelijkheden en het draagvlak worden verkend om de transparantie te vergroten. In overleg met de Stichting Milieukeur zal een plan van aanpak voor keurmerken worden opgesteld gericht op voorlichting en PR. Tenslotte zal LNV onderzoek naar de versterking van de concurrentiepositie van het Agro-milieukeur financieren.

Een nieuw en voor de toekomst belangrijk segment van de levensmiddelenmarkt vormen de allochtone consumenten. LNV zal zich nader oriënteren op de mogelijkheden om de afzet en kwaliteit van op deze doelgroep gerichte producten en daarmee de positie van allochtone ondernemers in de voedselketen te versterken.

3.3. Voorzorg voedselveiligheid

Het voorzorgsbeginsel zal nog meer aandacht krijgen in het beleid voor voedselveiligheid. Gevaren moeten zoveel mogelijk worden geïdentificeerd en ingeperkt voordat ze een risico voor de consument kunnen gaan vormen. Daarvoor kan niet worden volstaan met een controle aan het einde van het proces. De waarborgen voor voedselveiligheid beginnen al aan het begin van de voedselketen. Dit geldt voor zowel plantaardige als dierlijke producten. Echter, incidenten uit het recente verleden zoals met BSE, groeihormonen, salmonella, antibiotica en dioxine laten zien dat dierlijke producten het meest kwetsbaar zijn. Vanuit die constatering zal LNV de komende jaren zwaar inzetten op de veiligheid van de dierlijke productie.

Veevoer staat aan het begin van de dierlijke productie. De problemen met BSE, antibiotica en dioxine laten zien dat de kwaliteit van veevoer een kritisch element vormt voor de kwaliteit van het eindproduct. De huidige monitorings- en controlesystemen voor veevoer zijn nog niet aangepast aan de toenemende complexiteit van de oorsprong, de handel en afzet van grondstoffen en een toename van zelf samenstellen op de boerderij. Nieuwe risico’s zijn niet uit te sluiten. De controle op veevoer zal derhalve de komende jaren worden geïntensiveerd. In de EU vindt inmiddels de controle op geïmporteerd veevoer aan de buitengrenzen plaats. Dit betekent een forse extra controlelast voor Nederland als belangrijkste importerende Lidstaat. Als gevolg van deze twee ontwikkelingen worden de eisen aan en de controle op de kwaliteit van diervoeders aangescherpt. Daartoe zal LNV in 1999 een Beleidsnotitie Veevoeder opstellen die moet leiden tot heldere normstelling voor en controle op de kwaliteit van veevoer. Dit vergt tevens een aanpassing van bestaande wet- en regelgeving in een nieuwe Kaderwet Veevoer. De implementatie van de uitgewerkte strategie vangt aan in 2000. Belangrijk element daarbij is een herijking van de verantwoordelijkheids-verdeling tussen LNV en het Productschap Diervoeder m.b.t. de uitvoering en controle van veevoerregelgeving. Gezien het toenemend belang van de kwaliteit van veevoer is het gewenst dat de Rijksoverheid haar sturingsmogelijkheid vergroot.

LNV zal samen met VWS, en op advies van de Gezondheidsraad, uit voorzorg het gebruik van antimicrobiële groeibevorderaars (amgb’s) als diervoederadditief beëindigen. Een eerste stap in deze richting is op Europees niveau reeds gezet door het vooralsnog tijdelijke verbod op het gebruik van vijf antibiotica en het definitieve verbod van twee groei-bevorderende stoffen. Dit houdt in dat vanaf 1 juli 1999 de meest risicovolle amgb’s zijn verboden. De inzet van de Nederlandse overheid is om binnen 3 jaar het gebruik van alle amgb’s te beëindigen. Daartoe zal LNV in EU-verband blijven aandringen op een volledig verbod van amgb’s en in aanvulling daarop inzetten op een convenant met het landbouwbedrijfsleven, levensmiddelenhandel en de Consumentenbond waarin op basis van een plan van aanpak binnen drie jaar het gebruik wordt beëindigd van alle antibiotica. Het verbod op amgb’s mag niet leiden tot een toename van het gebruik van de milieubelastende zware metalen zoals koper en zink met een antimicrobiële werking. Derhalve dient het reeds eerder toegezegde convenant met het landbouwbedrijfs-leven om het gebruik van deze zware metalen terug te dringen, snel te worden afgesloten. Om na te gaan of een verbod op antibiotica in veevoer leidt tot een toename van het therapeutisch gebruik van deze middelen zal in 1999 een monitoringssysteem diergeneesmiddelengebruik worden opgezet in nauw overleg met de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor de Diergeneeskunde.

Dit monitoringssysteem dient aan te sluiten bij het systeem dat in EU-verband zal worden ontwikkeld. Het monitoren zelf zal in 2000 van start gaan en inzicht geven in zowel het totaal gebruik als specifiek gebruik van diergeneesmiddelen.

Ziekteverwekkende micro-organismen zijn voor een groot deel gerelateerd aan dierlijke producten. De bekende zoönosen salmonella en campylo-bacter spelen hierin een belangrijke rol. Maar het belang van en de zorg over andere zoönosen of mogelijke zoönosen neemt toe. Het is aan het bedrijfsleven, daarin gesteund en gestimuleerd door de overheid, om dit probleem op te lossen. Ook hier geldt dat maatregelen vroeg in de keten noodzakelijk zijn om een veilig eindproduct te garanderen. De overheid en het bedrijfsleven hebben over de aanwezigheid van campylobacter en salmonella in pluimvee bindende afspraken gemaakt.

Indien deze afspraken niet worden of kunnen worden nagekomen zullen we in overleg met de Minister van VWS tijdig nadere maatregelen overwegen.

Ook in de varkenssector is een plan van aanpak voor de beheersing van salmonellabesmettingen in voorbereiding. Als gevolg van de crisis rondom de varkenspest heeft de voortgang daarvan lange tijd stil gelegen. Uitgangspunt is dat deze sector de uitvoering van een plan van aanpak in de loop van 1999 ter hand zal nemen.

In het kader van de Veterinaire prioriteiten is vanuit preventieve overwegingen de bestrijding gestart van Scrapie. Binnenkort zal worden gestart met de bestrijding van para-tbc.

Verder zal LNV de komende 4 jaren extra onderzoek laten verrichten naar de mogelijkheden om het vóórkomen van ook andere zoönosen en mogelijke zoönosen verder terug te dringen. Dat betreft voor een belangrijk deel de ontwikkeling van diagnostiek of andere instrumenten die nodig zijn voor een effectieve aanpak.

Een effectieve toepassing van het voorzorgsbeginsel vraagt om instrumentarium waarmee de overheid kan ingrijpen wanneer vastgestelde normen worden overschreden. In een recent geval van overschrijding van de residu-norm van een bestrijdingsmiddel voor peren is gebleken dat de overheid op korte termijn alleen repressief kan optreden, dus alleen nádat de producten in de handel zijn gebracht. Er zijn op dit moment in de Warenwet, in de Landbouwkwaliteitswet en in de Landbouwwet slechts beperkte mogelijkheden om in een dergelijk geval snel preventief op te treden. Op korte termijn zal worden bezien op welke wijze deze lancune in de wetgeving kan worden gedicht.

3.4. Biotechnologie

Biotechnologie staat sterk in de maatschappelijke belangstelling. Terwijl enerzijds de moderne biotechnologie voor de humane gezondheidszorg en de agro-foodsector nieuwe mogelijkheden biedt, bestaan anderzijds bij consumenten ook zorgen over de veiligheid van het produkt of de produktiemethoden. In de publieke opinievorming rond de kansen en bedreigingen van deze nieuwe technologie vindt soms ook onnodige polarisatie plaats.

De overheid heeft in haar beleid de afgelopen jaren de vinger nauwlettend aan de pols gehouden. Waar het gaat om biotechnologie bij planten wordt een ja-mits beleid gevoerd. Het besluit Biotechnologie bij dieren is gebaseerd op het «nee-tenzij» principe. Het beleid is dus tot op heden met name gericht op het formuleren van randvoorwaarden ten aanzien van veiligheid, keuzevrijheid en biodiversiteit.

Gegeven het ontwikkelingsstadium van de moderne biotechnologie had dat een terechte prioriteit. Echter, op dit moment moet geconstateerd worden dat de kansen die biotechnologie kan bieden, dreigen te worden gemist. Van het beleid gaat in de praktijk onvoldoende stimulans uit naar maatschappelijk gewenste innovaties.

Daarom zullen wij in overleg met betrokken departementen de komende periode het debat versterken met het betrokken bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties als de Consumentenbond, de Dierenbescherming en patiëntenorganisaties, en het Parlement. Openheid en vertrouwen moet hierin leidraad zijn. Het debat moet helderheid verschaffen over de aanvaardbare en gewenste toepassingen van deze techniek en het onderzoek dat daaraan ten grondslag ligt. Onderdeel van het debat zal nadrukkelijk ook de vraag zijn hoe we de kansen van biotechnologie, bijvoorbeeld voor de voedselproduktie en het milieu, beter kunnen benutten. Uitgangspunten zijn uiteraard het behoud van veiligheid,

biodiversiteit en de keuzevrijheid van de consument. LNV zal dit debat vorm geven door het organiseren van workshops, studies en gespreksronden.

Om de maatschappelijke opinievorming goed te laten verlopen is objectieve voorlichting aan consumenten over de voor- en nadelen van moderne biotechnologie onmisbaar. LNV wil daar zorg voor dragen door het Voedingscentrum een actieve rol te geven in het verstrekken van informatie, ondersteund door de Stichting Consument en Biotechnologie. Tevens zal met VWS regelmatig een voortgangsrapportage over biotechnologie en levensmiddelen aan de Tweede Kamer worden gezonden. Ook richting Europese Unie blijven we ons inzetten voor zoveel mogelijk openheid en transparantie in regelgeving en aandringen op een adequate uitvoering van de toelatingsprocedure.

Om de keuzevrijheid van de consument te behouden, zijn voedselketens gewenst die vrij zijn van genetisch gemodificeerde organismen (ggo). Ook de Tweede Kamer heeft deze wens uitgesproken. LNV zal randvoorwaarden voor ggo-vrij ketens creëren.

Door in de EU-regelgeving voor biologische landbouw de garantie op te nemen dat geen ggo’s zijn gebruikt, blijven deze produkten gegarandeerd ggo-vrij. Verder zal LNV onderzoek financieren naar methoden om ggo’s beter te kunnen traceren in voeding en de ontwikkeling van ggo-vrije ketens stimuleren d.m.v. bijvoorbeeld onderzoek en workshops.

3.5. Tenslotte

De hiervoor aangegeven ontwikkelingen grijpen in op de bestaande verantwoordelijkheid van LNV ten aanzien van het kunnen beïnvloeden van processen in de keten en het handhaven van normen en criteria waarbij andere afwegingen dan het volksgezondheidsrisico een rol spelen. Wij zien hierin aanleiding om in deze kabinetsperiode in een nota de hoofdlijnen van het voedingsmiddelenbeleid in relatie tot het keten-beleid nader uiteen te zetten en de verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en bedrijfsleven helder uit te werken.

HOOFDSTUK 4 NATUUR VOOR MENSEN (EN MENSEN VOOR NATUUR)

4.1. Inleidend

Natuur is een essentieel onderdeel van een vitaal platteland en heeft grote betekenis voor mensen. Zij ontlenen er direct plezier aan, doordat zij er van rust, ruimte, stilte en schoonheid kunnen genieten. Daarnaast ontlenen zij er indirect profijt van, doordat natuur kan bijdragen aan het oplossen van maatschappelijke problemen (zoals wateroverlast) of doordat natuurlijk groen in de directe leefomgeving positieve effecten heeft op de gezondheid en het welzijn van mensen en bijdraagt aan het economische vestigingsklimaat.

In het Natuurbeleidsplan (NBP) van 1990 werd de ecologische functie van de natuur centraal gesteld. Het belangrijkste doel was het tot staan brengen van de achteruitgang van de biodiversiteit. Met dit doel wordt een grote inspanning geleverd om een samenhangend netwerk van natuurgebieden in heel Nederland tot stand te brengen. Dit netwerk, de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is een succesvol concept in het natuurbeleid. De verdere realisering daarvan staat dus bovenaan de maatschappelijke «natuuragenda» voor de komende jaren. Het natuurbeleid is politiek «geëmancipeerd». De beleidskaders zijn geaccepteerd en worden gedragen. Nu is het de opgave om de samenleving in al haar geledingen explicieter aan te spreken op de eigen verantwoordelijkheid voor natuurbeheer.

Voor de komende jaren is het de opgave om het succes van de EHS verder te verzilveren en in het verlengde daarvan het natuurbeleid te verbreden en te optimaliseren. Dit kan alleen in samenwerking met anderen: bestuurlijke- en maatschappelijke partners, bedrijfsleven en burgers.

Verbreding van het beleid is nodig om beter recht te doen aan de betekenis van het natuurbeleid voor de samenleving. Het natuurbeleid dient naast een ecologisch doel ook andere maatschappelijk doelen. Het gaat hierbij om een aanvulling op en niet vervanging van de achterliggende waarden voor het beleid, zoals ook de Raad voor het Landelijk Gebied in haar recente advies «Natuurbeleid dat verder gaat» terecht aangeeft. Het toekomstig natuurbeleid zal meer dan in het verleden rekening houden met pluriforme mensen-wensen bij de invulling van «wat natuur is in ons land» en aansluiting zoeken bij andere sectoren zoals de recreatiesector, de bouwsector, de waterbeheerders en financiële instellingen. De vermaatschappelijking van het natuurbeleid kan ook randvoorwaarden aan het beheer van natuur, bos, en landschap zelf met zich meebrengen, zoals bijvoorbeeld reeds blijkt ten aanzien van het tanende draagvlak voor de plezierjacht.

Optimaliseren moet leiden tot een effectievere en efficiëntere uitvoering van het natuurbeleid. Uit een evaluatie van het beleid door de provincies en LNV blijkt dat de sturingskracht en doorwerking van het beleid kan en moet worden vergroot. Onder andere door een integratie van het beleid voor natuur, bos en landschap, maar ook door het actualiseren van de afspraken met andere overheden en uitvoerende organisaties. Het Rijk kan en moet zich meer richten op het sturen op hoofdlijnen en toetsen op resultaat. Provincies krijgen in de uitvoering een grotere eigen verantwoordelijkheid. Het particuliere natuurbeheer wordt geïntensiveerd.

Optimalisering kan verder worden bereikt door een meer integrale aanpak van milieu-, water- en ruimtelijke problemen in relatie tot natuur, landschap en cultuurhistorische kwaliteiten en door een versterkte inzet op grotere aaneengesloten natuurgebieden en betere verbindingen tussen natuurgebieden.

Samenwerking met burgers en bedrijfsleven en met maatschappelijke en bestuurlijke partners is nodig om de gewenste verbreding en optimalisering vorm te geven. In de jaren negentig is de betrokkenheid van maatschappelijke en bestuurlijke organisaties bij het natuurbeleid sterk toegenomen. Steeds meer organisaties en particulieren willen bijdragen aan de ontwikkeling en het beheer van natuur en landschap. Naast de traditionele natuurbeheersorganisaties bijvoorbeeld ook agrarische ondernemers en de woningbouwsector. Ook worden steeds meer organisaties betrokken bij natuur- en milieueducatie. Dat moet gekoesterd en verstevigd worden. Daarin zullen we ook investeren. Samenwerking is niet vrijblijvend. Het vraagt van het rijk een meer regisserende en toetsende rol. Het vraagt van de bestuurlijke en maatschappelijke partners het nemen van verantwoordelijkheid en het afleggen van verantwoording over de bereikte resultaten.

Door in te zetten op verbreding, optimalisering en samenwerking wil het Kabinet een nieuwe impuls geven aan het natuurbeleid. Hiervoor heeft het Kabinet in het Regeerakkoord ook extra financiële middelen beschikbaar gesteld. We zullen investeren in behoud en versterking van de Nederlandse natuur. Nieuwe hypotheken op de natuur worden niet toegestaan.

Op deze wijze kan de positieve ontwikkeling die met het beleid van begin jaren negentig is ingezet worden gecontinueerd. Dit betekent echter niet dat er geen keuzes te maken zijn. Nederland is een dichtbevolkt land, met veel verschillende en vaak ook tegenstrijdige wensen. Wensen die niet op ieder plek in Nederland tegelijkertijd gerealiseerd kunnen worden en op iedere plek in Nederland steeds om een afweging vragen. Zorgvuldig omgaan met de schaarse ruimte en de kwaliteit van natuur en landschap moet in een dichtbevolkt land als Nederland met het oog op de huidige en volgende generaties vanzelfsprekend zijn. De tijd is ook rijp voor een aanpak waarbij de verantwoordelijkheid voor het natuurbeleid breed in de samenleving wordt verankerd.

Om richting te geven aan de te maken keuzes geeft LNV bij de verdere uitwerking van het natuurbeleid extra aandacht aan vijf, deels nieuwe hoofdaccenten in het natuurbeleid. Het gaat om de volgende vijf accenten.

Nederland Groot(s)-Natuurlijk:Het gaat hier om het verder tot stand brengen van de Ecologische Hoofdstructuur die prioriteit blijft houden. Nieuw is dat in deze kabinetsperiode versterkt worden ingezet op het realiseren van grote(re) eenheden natuur en goede verbindingen tussen natuurgebieden.

Nederland Stedelijk-Natuurlijk:In het landelijk gebied wil LNV stad en natuur verbinden. Het realiseren van natuur dicht bij stedelijke gebieden brengt natuur meer binnen handbereik van grote groepen mensen. Dit draagt bij aan een beter leefklimaat in de steden. De landbouw kan daar nadrukkelijk een functie in vervullen. Nieuw is de lijn dat sterker zal worden ingespeeld op maatschappelijke behoeften aan (nieuwe) natuur bij de stad en dat natuur- en landschapbeheer door boeren wordt versterkt.

Nederland Nat-Natuurlijk:Voor een evenwichtige ruimtelijke inrichting van ons land is het van belang dat verder wordt geïnvesteerd in rust, ruimte en natuur. Dit om groei van welvaart ook duurzaam te maken. Deze kabinetsperiode zal met het oog hierop meer nadruk wordt gelegd op de ontwikkeling van voor Nederland karakteristieke en internationaal belangrijke natte natuur.

Nederland Schoon-Natuurlijk:Realisatie van natuurdoelen vergt goede milieucondities (bodem, water, lucht). In deze kabinetsperiode zal versterkt wordt ingezet op een geïntegreerde gebiedsgerichte aanpak, ook ten behoeve van het realiseren van de natuurdoelen. Het aangaan van gebiedscontracten is daarbij een middel om verschillende partijen te binden aan een geïntegreerde aanpak. Daarnaast zullen aanvullende maatregelen op het punt van het mesten ammoniakbeleid worden genomen.

Nederland Goud-Natuurlijk:Natuur is niet alleen een kostenpost maar levert vooral ook baten (direct en indirect). In deze kabinetsperiode zal ingezet worden op het verbinden van baten en kosten. Maatschappelijke arrangementen, publiek-private samenwerking, private initiatieven en vergroening van het fiscale stelsel dragen bij aan een mooier en natuurlijker Nederland.

4.2. Nederland Groot(s)-Natuurlijk: meer inzet op grote(re) natuurgebieden en robuuste verbindingen

De ecologische en culturele waarden van verschillende Nederlandse landschappen verdienen meer waardering. Nederland is een klein en dichtbevolkt land. Toch is het groot in cultureel en natuurlijk opzicht. Daar mogen we ook trots op zijn. Wel vereist voortgaande groei van bevolking, economie, mobiliteit en bebouwing een extra inzet op de natuurlijke en landschappelijke «parels» van Nederland. Robuustheid in omvang en kwaliteit is daarbij van belang.

De ambitie om een Ecologische Hoofdstructuur te realiseren blijft onverkort overeind. Bij het tot stand brengen van de EHS zal het ontwikkelen en herstellen van grote aaneengesloten natuurgebieden (zoals de Veluwe) en natte natuur (zoals Rivierengebied, kust en Waddengebied), een extra accent krijgen. Beter aangesloten wordt bij de watersysteembenadering (onder andere beter inspelen op kwelsituaties). Onderzocht wordt wat de mogelijkheden zijn van de instelling van een Nationaal Park de Veluwe en Internationaal Park Waddenzee.

Grote aaneengesloten natuurgebieden hebben een grotere ecologische potentie en vormen de belangrijkste factor in het tot staan brengen van de achteruitgang in biodiversiteit. Bovendien is het op peil brengen van de milieu- en watercondities in en rond dergelijke natuurgebieden eenvoudiger dan in een situatie van vele kleine natuurgebieden. De Natuurverkenning 1997 laat zien dat grote eenheden een betere natuurkwaliteit opleveren en kosteneffectiever zijn. Waar mogelijk zullen de natuurgebieden aan elkaar worden gekoppeld door robuuste verbindingen, zodat de effectiviteit ervan op ecosysteemniveau zal toenemen. Een voorbeeld is het realiseren van verbindingen tussen Veluwe, randmeren, rivieren en Utrechtse Heuvelrug. Realisatie van dit soort kansen dient plaats te vinden in overleg en samenwerking met de provincies. Bezien kan worden of in het kader van een gebiedsgerichte aanpak tot een dergelijke optimalisering kan worden gekomen. Hierbij moet ook worden gekeken naar grensoverschrijdende verbindingen, omdat de Nederlandse natuur immers niet bij de grens ophoudt. De aanleg van infrastructuur en de inrichting van stedelijke corridors dient tevens bij te dragen aan het realiseren van verbindingen tussen natuurgebieden (en daarmee het vergroten van natuurgebieden).

Het Nederlandse deel van de Noordzee is in zijn geheel aangemerkt als onderdeel van de EHS. Centraal staat het streven naar een gezond, ecologisch optimaal functionerend ecosysteem gekenmerkt door de karakteristieke biodiversiteit en landschappelijke identiteit (openheid). Daarbij is echter medegebruik ook mogelijk. Momenteel wordt een nadere uitwerking gemaakt van het natuurbeleid voor de Noordzee. Hiermee moet meer duidelijkheid ontstaan over de natuurdoelen die worden nagestreefd en over hoe natuur en gebruiksfuncties samen kunnen gaan. Hierbij is de relatie tussen natuur en visserij een belangrijk aandachtspunt. Gestreefd wordt naar een visserij die zowel economisch als ecologisch duurzaam is.

Het rijksbeleid voor de versterking van culturele identiteit en belevingswaarde in stedelijke en landelijke gebieden zal geconcentreerd worden ingezet voor behoud en ontwikkeling van internationaal unieke landschappen: de parels, zoals de Hollandse Waterlinie, de veenweide gebieden (waaronder het Groene Hart), de duinen, landgoederen en een aantal droogmakerijen, en unieke kleinschalige en/of open landschappen. Zo zal in het Drentse Aa gebied worden onderzocht of een nationaal cultuur- en natuurlandschap perspectief heeft. Met de EHS vormen deze landschappelijke parels de ecologische en cultuurhistorische ruggengraat van ons land. In de komende kabinetsperiode zal benoemd worden welke landschappelijke parels veiliggesteld moeten worden en welke instrumenten daarvoor moeten worden ingezet. Uitbreiding van de wereld-erfgoedlijst met elementen uit het Nederlandse cultuurlandschap wordt nagestreefd, mede ter versterking van het internationale cultuurtoerisme. Waar mogelijk zullen agrarische ondernemers als «cultuurbeheerders» worden ingeschakeld.

4.3.  Nederland Stedelijk-Natuurlijk: meer inzet op natuur voor en door mensen

Nederland is in belangrijke mate een stedenland. Dit betekent echter niet dat er geen behoefte is aan natuur in Nederland. Integendeel, het feit dat Nederland een stedenland is versterkt juist de behoefte aan natuur. De belangrijkste gebruikers van natuur en landschap wonen veelal in of werken vanuit de stad. Dit maakt «de stad» eerder een belangrijke bondgenoot dan vijand van natuur en landschap, alhoewel er natuurlijk ook een negatieve invloed uitgaat van een voortgaande stedelijke ontwikkeling. LNV wil de verbinding tussen natuur en «de stad» versterken. Op nationale schaal stelt dit eisen aan de uitwerking van de corridor-ontwikkeling, vooral in relatie tot de Ecologische Hoofdstructuur. Op het niveau van de individuele stad vereist dit een krachtig stimuleringsbeleid gericht op groen in en om de stad. Ter ondersteuning van de discussie over de corridor-ontwikkeling in de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening zal LNV in overleg met VROM natuur- en recreatievisies opstellen over te ontwikkelen stedelijke corridors.

Op nationale schaal zal LNV zich inzetten voor een zorgvuldige positionering, ontwerp en inrichting van de stedelijke corridors. LNV zet zich er voor in om binnen de corridors en tussen de corridors en het landelijk gebied hoogwaardige landschaps-ecologische verbindingen en gebieden te realiseren. Uitgangspunt daarbij is in ieder geval dat de EHS en de landschappelijke parels worden vrijgehouden van verstedelijking en dat voor eventuele doorsnijding voorzieningen worden getroffen die een barrièrewerking voorkomen.

Op het niveau van individuele steden zal LNV samen met de ministeries van VROM en BZK (Grote stedenbeleid) een stimuleringsbeleid ontwikkelen en een Actieplan «Groen in en om de stad» opstellen. Aandacht zal worden besteed aan het op elkaar afstemmen en waar mogelijk intensiveren van financieringsstromen voor groen in en om de stad. In de stad zal meer aandacht worden besteed aan de verschillende wensen voor groen die de hedendaagse multiculturele samenleving heeft. Nabij de stedelijke gebieden zal een krachtige impuls worden gegeven aan de ontwikkeling van een gezond multifunctioneel cultuurlandschap, met zowel landschappelijke-recreatieve als agrarische waarde. Het genoemde Actieplan richt zich op de versterking en ontwikkeling van een ecologisch en recreatief waardevolle en robuuste groenstructuur, bestaande uit bestaande en nieuwe parken, groenstroken, recreatiegebieden, bossen en natuurgebieden in en rond de stedelijke gebieden, welke aansluit op de Ecologische Hoofdstructuur en in ontwikkeling zijnde strategische groenprojecten.

LNV zet zich versterkt in voor het agrarisch beheer van natuur en landschap om zo te kunnen voldoen aan de behoefte aan een multifunctioneel cultuurlandschap om de steden en om gebieden waar natuur-, milieu-, ruimte- en waterkwaliteiten onder druk staan te verbeteren. Het nieuwe subsidiestelsel voor het beheer van bos, natuur en landschap («Programma Beheer») past in deze versterkte inzet. Teneinde de subsidieregelingen beter te laten aansluiten op de praktijk van het beheer is dit stelsel onlangs nog aangepast. Met de Kamer heeft hierover inmiddels een overleg plaatsgevonden.

4.4.  Nederland Nat-Natuurlijk: meer inzet op natte natuur

Nederland is een Waterland, een delta, waar het water een cruciale drager is voor (te ontwikkelen) kwaliteiten van natuur en landschap. Deze kwaliteiten worden echter nog niet volledig benut. Door sterker en meer gebiedsgericht in te zetten op koppeling van natuur- en waterbeleid kunnen deze potentiële kwaliteiten worden aangesproken. LNV wil door in te zetten op aansprekende projecten op het vlak van «natte natuur» de identiteit van het Nederlandse landschap versterken en bijdragen aan versterking van de voor ons land – ook in internationaal opzicht – kenmerkende biodiversiteit. Hiervoor zijn in het kader van de ruimtelijke investeringen ook extra financiële middelen beschikbaar gesteld. Deze middelen zullen worden gebruikt om nieuwe, natte natuurgebieden te ontwikkelen, zowel in laag-Nederland als hoog-Nederland.

In laag-Nederland zullen aaneengesloten natuurgebieden worden gerealiseerd rond het Voordeltagebied, het rivierengebied, het IJsselmeer, de kust- en duinzone, en in het Natte Hart van Nederland. Door natte natuurontwikkeling in laag-Nederland wordt een bijdrage geleverd aan de veiligheidseisen met het oog op hoogwater en het drinkwaterbeheer. Bovendien biedt natte natuurontwikkeling in dit deel van het land goede mogelijkheden voor recreatief mede-gebruik, vanwege de strategische ligging ten opzichte van de stedelijke gebieden en de ecologische rijkdom en draagkracht. De uitwerking van concrete projecten voor natte natuur zal in overleg met bestuurlijke en maatschappelijke partners en samen met het ministerie van Verkeer en Waterstaat worden opgepakt.

In hoog-Nederland zal vooral worden ingezet op het behoud van de voor Nederland (ook West-Europees gezien) karakteristieke laaglandbeekdalen. Hiertoe wordt samen met bestuurlijke en maatschappelijke partners een actieplan opgesteld. In aansluiting op bestaand beleid (o.a. realisering EHS) wordt aangegeven in hoeverre versnelling en verbreding van de huidige aanpak met behulp van extra middelen uit het regeerakkoord (voor Noord Nederland en de Reconstructiegebieden) en de inzet van overige publieke èn private middelen mogelijk is. De aanpak van beekdalen past in een integrale benadering van de reconstructie van de zandgebieden. Mogelijkheden voor verbrede landbouw dienen bij deze aanpak benut te worden. Waterschappen spelen hierbij een cruciale rol. De uitdaging is te zoeken naar oplossingen in het waterbeheer die zowel voor de landbouw als het natuurbeheer acceptabel zijn. Dit maakt maatwerk per gebied nodig. Op deze wijze kunnen beekdalen, naast hun natuurfunctie en ruimtelijke kwaliteitsfunctie – via het vasthouden van water en het ruimte bieden voor overloop – weer een functie vervullen bij hoogwater.

4.5. Nederland Schoon-Natuurlijk: meer inzet op gebiedsgericht beleid

Een belangrijk punt van aandacht voor de komende jaren zijn de milieucondities (bodem, water en lucht) voor een vitale natuur. Dit vereist natuurlijk allereerst voldoende scherpe eisen aan de milieucondities. Voorts is een succesvolle aanpak van de problemen met verdroging, fosfaat en ammoniak hiervoor een vereiste. Dit willen we via een gebiedsgerichte aanpak realiseren. Een belangrijk onderdeel hiervan is de verbetering van milieucondities door herstructurering en reconstructie van de intensieve veehouderij. Ook bundeling van financieringsstromen en het afsluiten van regiocontracten zijn goede mogelijkheden voor de versterking van het gebiedsgericht beleid. Om de watercondities te verbeteren moet de verdroging de komende jaren krachtig worden aangepakt, samen met provincies en waterschappen Het Kabinet zal de verdrogingsbestrijding voortzetten (Nota Waterhuishouding IV).

4.6. Nederland Goud-Natuurlijk: inzet op een verbrede financieringsbasis natuurbeheer

Een economisch gezonde basis van natuur en landschap is een randvoorwaarde voor behoud en versterking. Deze basis hangt allereerst samen met de mogelijkheden voor directe inkomensverwerving uit natuur, bijvoorbeeld door bosbouw of visserij. Oogsten uit de natuur kan alleen gebeuren als dit duurzaam kan. Hiervoor is het gewenst dat ook het beheer van natuur meer een verantwoordelijkheid wordt van bedrijven en mensen zelf. Dit is in lijn met het boegbeeld «Duurzaam ondernemen in het groen» uit de Nota Milieu en Economie. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken is het (economisch) aantrekkelijk maken van beheer van natuur een belangrijke voorwaarde. Immers indien het beheer van natuur financieel perspectiefrijk is dan volgen investeringen vanzelf. Een renderend natuurbeheer vormt vervolgens weer een stevige peiler voor een vitaal platteland.

Verder zal het duurzaam benutten van de aanwezige voorraad biodiversiteit, zowel binnen als buiten natuurgebieden, aandacht krijgen. Dit is zowel een voorwaarde voor duurzame economische ontwikkeling als een uitdaging voor economische sectoren zoals de landbouwsector voor de ontwikkeling van nieuwe producten en markten. Dit wordt verder uitgewerkt in de Nota Biodiversiteit die in de zomer van dit jaar zal worden uitgebracht.

Recentelijk hebben wij een werkgroep ingesteld die in de loop van dit jaar met een «Actieplan Hout 2000» naar buiten zal komen. Voor dit proces hebben LNV en EZ de aanzet gegeven met als doel de bedrijfskolom Nederlands bos en hout te stimuleren, initiatieven te nemen ter verbetering van de economische situatie in de bos- en houtsector en tot verhoging van het gebruik van Nederlands hout.

Naast directe inkomensverwerving uit natuur bestaan er veel indirecte baten, waaruit nu niet altijd inkomsten voor behoud en versterking van natuur voortvloeien. Het beter benutten van de mogelijkheden die dit biedt voor de verbreding van de financieringsbasis van het natuurbeleid, is één van de speerpunten van het natuurbeleid voor de komende jaren. Hiervoor bestaan op hoofdlijnen twee mogelijkheden, namelijk fiscale maatregelen en publiek-private samenwerking (waaronder ook regiocontracten).

Daarnaast wordt bezien in welke mate het element natuurbeheer versterkt kan worden in de bestaande fiscale regelingen. Een interdepartementale werkgroep zal daartoe voorstellen ontwikkelen.

LNV zal zich er voor inzetten dat de mogelijkheid voor financiering van bosen natuurprojecten in het buitenland, die recent in het kader van de regeling Groen Beleggen zijn verruimd, maximaal worden benut. Bij publiek-private samenwerking gaat het er om dat de partijen die (economisch) profijt hebben van natuur ook meer en meer gaan bijdragen aan het investeren in en beheren van die natuur. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het realiseren van publiek private samenwerking bij reeds geplande bosprojecten van de Randstadgroenstructuur, bij nieuwe bos-en natuurprojecten in en nabij steden in en buiten de Randstad, en bij de ontwikkeling van meer nieuwe landgoederen. Ook de uitwerking van corridors kan mede gestalte kan krijgen via Publiek-Private Samenwerking (PPS), bestuursakkoorden en regiocontracten met betrokkenen. Concrete voorbeelden van publiek-private samenwerking zijn de samenwerking tussen stichting Face en gemeentelijke overheden ten aanzien van bosaanleg in het noorden van het land, het initiatief van een groep bedrijven om de mogelijkheden van de oprichting van een BV Groen

Nederland te onderzoeken en de samenwerking van de drinkwaterbedrijven, woningbouw, recreatie- en natuursector in het Hunzedal. In de komende periode zal LNV versterkt inzetten op PPS om natuurdoelen te realiseren.

4.7. Een nieuw Natuurbeleidsplan

Om uitwerking te geven aan de ambities uit dit beleidsprogramma actualiseert het Kabinet conform de hier gepresenteerde richting het beleid voor natuur, bos en landschap in de nota «Natuur, Bos en landschap in de 21e eeuw» (NBL21). Het Kabinet zal de nieuwe natuurnota in dialoog met de samenleving opstellen en rond de zomer van dit jaar aan de Tweede Kamer presenteren.

De nota NBL21 vervangt het Natuurbeleidsplan (1990), het Bosbeleidsplan (1993), de Nota Landschap (1992) en de Visie Stadslandschappen (1996) en bestrijkt derhalve de gehele breedte van het natuurbeleid. De beleidsdoelen voor natuur, bos en landschap worden in de nota geïntegreerd. De bestaande afspraken tussen rijk en provincies over het realiseren van de natuurdoelen worden op basis van de nota NBL21 geactualiseerd.

HOOFDSTUK 5 KIEZEN VOOR KENNIS EN INNOVATIE

5.1. Inleidend

De ambities van het ministerie van LNV voor de komende jaren vragen uiteraard om een vertaling naar het LNV-kennisbeleid. Naast kennis als beleidsinstrument heeft LNV de zorg voor het in stand houden van een adequate kennisinfrastructuur. In de versterking daarvan is de afgelopen jaren veel geïnvesteerd. Daardoor kunnen de komende jaren enkele andere accenten worden geplaatst.

Gegeven de vele veranderingen die zich afspelen in het gehele LNV-kenniscomplex vinden wij het belangrijk dat er helderheid bestaat over ons toekomstbeeld.

In dat toekomstbeeld heeft het gehele kenniscomplex een sterke maatschappelijke oriëntatie. Onderzoek, onderwijs en voorlichting zijn goed in staat om in te spelen op vragen vanuit de overheid, het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, of groepen boeren of burgers. In het onderzoek en onderwijs wordt gewerkt met een sterke pluriforme benadering: kijkend over grenzen van sectoren en gebieden heen, rekening houdend met verschillende normen en waarden in de samenleving en met een toenemende diversiteit aan produktiesystemen. Er is een sterke aandacht voor kennisontwikkeling en kennisuitwisseling in kennisnetwerken waarin publieke en private partners participeren. Tegenover meer private financiering van het onderzoek staat meer private zeggenschap. In het onderwijs wordt goed ingespeeld op veranderingen in de samenleving. Er worden leertrajecten op maat aangeboden om mensen in het arbeidsproces te blijven betrekken. In het kennisaanbod wordt ingespeeld op regionale verschillende vernieuwingsprocessen. En tenslotte is internationale positie en oriëntatie van onze kennisinstellingen nog verder versterkt.

In dit hoofdstuk wordt verder ingegaan op de «route» richting het beschreven toekomstbeeld, alsmede op de wijze waarop het kenniscomplex zal bijdragen aan de realisatie van de ambities van dit beleidsprogramma.

5.2. Inrichting en aansturing

De afgelopen kabinetsperiode zijn op basis van rapport «Peper» belangrijke stappen naar de toekomst gezet, met name op het vlak van inrichting en aansturing. De vorming van Wageningen Universiteit en Researchcentrum (WUR) zal in deze kabinetsperiode worden afgerond. Hiermee ontstaat een unieke bundeling van universitair onderwijs en fundamenteel-, strategisch- en praktijkonderzoek. WUR zal moeten uitgroeien tot een kenniscentrum van internationale allure met een sterke marktpositie. Vanuit de strategische visie onderzoekt WUR de mogelijkheid voor strategische allianties met andere universiteiten en TNO. LNV ondersteunt dit.

De sturing in het onderzoek op basis van programmafinanciering zal worden uitgebouwd. De door de overheid gefinancierde programma’s zullen zich nog verder richten op beleidsrelevante onderzoeksvragen en op onderzoek waar (nog) geen «koopkrachtige» marktvraag voor is. In het overige onderzoek, zal de programmafinanciering van LNV worden omgezet in een stelsel van co-financiering, waarin private partijen zelf een sterk sturende rol krijgen.

Deze kabinetsperiode zal f 12 mln. extra ingezet worden voor deelname in vernieuwende programma’s op fundamenteel strategisch terrein.

De privatisering van de voorlichting zal in 2001 volledig zijn afgerond. De in het verleden door LNV gesubsidieerde voorlichtingsorganisaties van de SEV en de DLV zijn dan marktorganisaties die niet langer structureel gefinancierd worden. Vanaf 2001 zullen beleidsmatig gewenste voorlichtingsprogramma’s via een open aanbesteding worden gerealiseerd.

Het agrarisch onderwijs zal uit moeten groeien tot een stelsel dat bestaat uit krachtige, autonome instellingen die professioneel bestuurd worden en die in toenemende mate zelf verantwoordelijk zijn voor kwaliteitszorg en vernieuwingen. LNV zal hierbij een stimulerend beleid voeren, o.a. door middel van de regeling Versterking en Innovatie Agrarisch onderwijs (VIA-regeling).

Voor een krachtig en kwalitatief hoogwaardig hoger agrarisch onderwijs is, gezien de kleinschaligheid, samenwerking en taakverdeling noodzakelijk. Naast samenwerking tussen de zes instellingen van het Hoger Agrarisch Onderwijs (HAO) onderling gaat het hierbij om samenwerking van individuele HAO-instellingen met partners in de regio. Dus sectoraal en multisectoraal. Beide vormen van samenwerking kunnen tot grote meerwaarde leiden.

Het samenhangend stelsel in het landbouwonderwijs biedt goede kansen voor doorstroming. De doorstroming van het hoger beroepsonderwijs naar het wetenschappelijk onderwijs verloopt nog niet optimaal. Van een goede samenwerking tussen HAO en WUR kan een stimulerende invloed uitgaan, met uitdagende ontplooiingskansen. Om de universitaire instroom te vergroten en de positie van het Noorden te versterken worden de mogelijkheden onderzocht van een propedeuse in Leeuwarden naast een experiment van het WUR en het van Hall Insituut om te komen tot een aansluitend opleidingstraject, uiteenvallend in een HBO- en een WO-fase. De lijnen voor onderzoeks- en onderwijsbeleid zullen tevens worden verwerkt in HOOP en WEBU.

5.3.  Een verbrede en vernieuwde inhoud van het onderwijs

De veranderde positie van de landbouw in de samenleving en veranderende waarden en normen vragen ook in het onderwijs om een meer pluriforme benadering. En om een versterking van de maatschappelijke oriëntatie. Dit betekent een verbreding en vernieuwing van de inhoud van het onderwijs. Een recent in opdracht van LNV uitgevoerde verkenning geeft dit nog eens duidelijk aan. Het voornemen van het HAO om te komen tot een opleiding rurale ontwikkeling beschouwt LNV als een positieve ontwikkeling. Ook het Kennisinnovatieplan 1998–2002 van de Raad van de Agrarische Onderwijscentra (AOC’s) geeft aan, dat het veld de uitdaging aan wil. Samen met het onderwijsveld en maatschappelijke actoren zoals het bedrijfsleven zal LNV de inhoudelijke vernieuwing gestalte geven. Ook de doorstroming van nieuwe kennis naar het onderwijs verdient hierbij extra aandacht.

De aan de Tweede Kamer toegezegde voortzetting van het interdepartementale Programma Extra Impuls Natuur- en Milieu educatie kan een belangrijke bijdrage leveren aan het denken over duurzaamheid binnen het onderwijs. LNV trekt dan ook voor de komende kabinetsperiode 12 miljoen gulden uit voor Natuur- en Milieu educatie.

Als gevolg van snelle technologische en maatschappelijke ontwikkelingen veranderen (eisen aan) producten en productiewijzen voortdurend en als gevolg daarvan de eisen aan werkenden. In toenemende mate zullen arbeidsprocessen zowel productief als innovatief moeten zijn. Als gevolg daarvan zullen werken en leren samengaan.

Ook de economische- en sociale noodzaak om zo veel mogelijk mensen in het arbeidsproces te (blijven) betrekken brengt met zich mee dat het leren van werkenden meer aandacht moet krijgen. In feite betekent dit een omslag van onderwijsbeleid naar leerbeleid.

Om dit in het LNV-domein te stimuleren zal in overleg met onderwijs, voorlichting en bedrijfsleven onderzocht worden hoe kennisoverdracht en leerprocessen op bedrijfsniveau m.b.v. Informatie en Communicatietechnologie (ICT) vormgegeven kunnen worden.

In het kader van «Leven lang leren» zal LNV, overleg met EZ en OC&W, een «assessment» methode laten ontwikkelen om buiten het onderwijs verworven kennis en ervaringen te kunnen erkennen. In het vervolg zal gekeken worden naar aansluitend onderwijs op maat.

Relatief veel allochtonen zijn als productiemedewerker werkzaam in de landen tuinbouw en aanverwante dienstverlening. De deelname aan het agrarisch beroepsonderwijs is echter beperkt, er is weinig doorstroming en de loopbaanperspectieven zijn gering. De allochtonen hebben belang bij betere perspectieven als werknemer in de «groene sector». Voor LNV is een grotere deelname van allochtonen belangrijk vanwege het ook op de lange termijn veilig stellen van de arbeidsvoorziening in de land- en tuinbouw, de benutting van de marktkansen in een multicultureel Europa en het leveren van een bijdrage aan de integratie en sociale cohesie. LNV wil samen met vertegenwoordigers van allochtone groepen en werkenden een project «Loopbaanperspectief» starten. Kernpunten hiervan zijn het inventariseren van knelpunten, opleidings- en (bij) scholingsprogramma’s, arbeidsomstandigheden en beroepsoriëntatie in het VBO en MBO.

5.4.  Regionale kennisnetwerken

LNV zal landelijke initiatieven ondersteunen voor het inrichten van netwerken gericht op kennisontwikkeling en -doorstroming op het gebied van kwaliteit van de groene ruimte, herstructurering land- en tuinbouw en maatschappelijk gewenste productiemethoden. Het gaat hierbij om het stimuleren en faciliteren van vernieuwing op economisch, sociaalcultureel en ecologisch gebied. Ervaringskennis uit de praktijk moet hierin een belangrijke rol krijgen.

Voor een vitaal platteland kiest LNV een gebiedsgerichte benadering, in aanvulling op haar generieke beleid. Dit stelt andere eisen aan de kennisontwikkeling, de aansturing daarvan en de verspreiding van beschikbare kennis. Voor een succesvol gebiedenbeleid is een goede toegang tot het kennisdomein noodzakelijk. Er is daarom behoefte aan regionale netwerken waarin zowel kennisvragers als kennisaanbieders participeren. De eerste contouren van dergelijke netwerken zijn al in de praktijk zichtbaar en hebben zich in de verschillende regio’s op kleine schaal vanuit een duidelijke regionale behoefte ontwikkeld. LNV is voornemens om samen met provincies in drie gebieden te starten met pilots voor de instelling van bovenbeschreven regionale netwerken. Deze netwerken zullen tevens in verbinding staan met het samen met VWS tijdelijk te ondersteunen landelijk steunpunt Landbouw en Zorg Steun. De totstandkoming en ontwikkeling van dergelijke netwerken is een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van provincies en rijk. Belangrijkste uitgangspunt voor medefinanciering vanuit LNV is de betrokkenheid van alle belanghebbenden: de gebruikers van kennis, maatschappelijke organisaties en de (potentiële) aanbieders van kennis.

Het innovatiebeleid heeft zich tot nu toe sterk gericht op produkt- en proces-innovaties op bedrijfsniveau. Het is de vraag of dit type innovaties uiteindelijk als enige dé oplossing zullen bieden voor het realiseren van een vitaal platteland en een duurzame landbouw. Dit vraagt om bedrijfsoverstijgende systeeminnovaties. Het uitdenken van vernieuwende concepten op het vlak van produceren en vermarkten. Maar ook systeeminnovaties op gebiedsniveau: het zoeken naar sector- en systeem-overschrijdende oplossingen voor een samenhang aan problemen in gebieden. De eerder genoemde pilots zullen hierbij een belangrijke voortrekkersrol vervullen. LNV zal de bedrijfsgerichte, veelal technologische innovatie blijven stimuleren, maar zal het accent voor een deel verschuiven naar genoemde systeeminnovaties.

5.5. Internationalisering in kennis

Alle beleidsterreinen van het Ministerie van LNV hebben een sterke internationale dimensie. Dit geldt ook voor het kennisbeleid. LNV wil een sterke internationale oriëntatie van het kennissysteem bevorderen. Die internationale oriëntatie vergroot de kwaliteit, effectiviteit en doelmatigheid van onderzoeksinspanningen. Met haar leerbeleid beoogt LNV mensen uit te rusten voor werken en leven in een internationaal georiënteerde omgeving Tenslotte moet kennis een ondersteunende rol vervullen op LNV beleidsterreinen met een sterke internationale dimensie, zoals natuur, biodiversiteit, veterinair beleid en levensmiddelen-beleid, exportbevordering, en Agenda 2000 (zie ook hoofdstuk 6 van dit beleidsprogramma).

Voortvloeiend uit bovenstaande doelstellingen zal LNV op het gebied van onderzoek internationale samenwerking tussen instellingen aanmoedigen in het onderzoek naar grensoverschrijdende problemen. Verder zal LNV actief optreden bij de vorming van de internationale onderzoeksagenda, oa. bij EU en FAO. In EU-verband zet LNV zich in voor heldere oproepen en procedures in het Vijfde Kaderprogramma voor Onderzoek en Ontwikkeling, zodat optimale deelname vanuit Nederland mogelijk is. Op het vlak van milieu-onderzoek zullen gesprekken met Denemarken worden gevoerd om de samenwerking op het vlak van de mineralen-problematiek te versterken en met Duitsland t.a.v. onderzoek naar de relatie tussen het gebruik van bestrijdingsmiddelen en het milieu. Daarnaast zal het Vijfde Kaderpogramma van de EU worden benut voor onderzoek op het vlak van duurzame landbouw.

In het agrarisch beroepsonderwijs biedt het EU programma Groen Leonardo goede mogelijkheden voor internationale uitwisseling. LNV geeft daar mede vorm aan. Ten behoeve van ontwikkelingslanden zal LNV kennisontwikkeling enuitwisseling blijven ondersteunen. Voor het internationale onderwijs is het Kabinetsstandpunt t.a.v. de uitkomsten van het Interdepartementale Beleidsonderzoek Internationaal Onderwijs richtinggevend. De inbedding van het Internationaal Agrarisch Centrum en instituut ILRI in het WUR zal de basis voor het internationale onderwijs versterken.

Onze agro-kennis is een belangrijk exportprodukt. De Nederlandse kennisinstellingen nemen een sterke positie in op de internationale markt. Tevens kan de kracht van het Nederlandse agro-kennissysteem benut worden ter versterking van de handelsbetrekkingen. In dit licht zal ook bezien worden of er een verschuiving plaats moet vinden van het opleiden van mensen uit speerpuntlanden in Nederland richting het bijdragen aan het ontwikkelen van kenniscentra in de betreffende landen zelf.

Kennisinstellingen spelen een hoofdrol bij de realisatie van bovengenoemd internationaal LNV-beleid. Daarnaast bepalen kennisinstellingen zelf hun internationale strategie en leggen zij zelf internationale contacten. Waar nodig kan LNV daarbij een ondersteunende, faciliterende rol vervullen.

5.6. Van ambities via kennis naar realisatie

Onderstaand is op hoofdlijnen aangegeven op welke wijze de beleid-ambities worden vertaald in het kennisbeleid. In relatie tot de beleidsthema’s lopen reeds veel programma’s. Daarnaast zal binnen de begroting van LNV in deze kabinetsperiode een herschikking gerealiseerd worden van ca. f 130 miljoen voor de prioritaire thema’s van dit beleidsprogramma. Daarnaast zal er via ICES-middelen worden geïnvesteerd in de kennisinfrastructuur.

Een vitaal platteland

Binnen het agrarisch beroepsonderwijs zal LNV bevorderen dat meer aandacht wordt geschonken aan de nieuwe functies en taken die in het landelijk gebied zullen ontstaan. Voorts is meer aandacht nodig voor de concurrentiekracht van de groene ruimte, natuur en recreatie. Vitaal platteland betekent ook het versterken van strategisch voorraadbeheer. Denk eens aan water, biodiversiteit, cultuurhistorie, ruimte, rust en efficiënt gebruik van grondstoffen. De watersysteembenadering en meervoudig ruimtegebruik vragen om nieuwe ontwerpen en instrumenten. LNV zal samen met V&W een programma ontwikkelen om te beoordelen of voorgenomen activiteiten wel of niet duurzaam zijn. Voor de visserij zal het project GONZ (Graadmeter Ontwikkeling Noordzee) hiervoor de instrumenten leveren.

Een gezonde landbouw

De inzet van LNV zal de komende jaren gericht zijn op modern agro-ondernemerschap. Dit vergt een nieuwe generatie dierlijke en plantaardige productiesystemen en producten alsmede nieuwe arrangementen tussen landbouw en andere gebruiksvormen van de groene ruimte. Voorts heeft de vermindering van de milieubelasting, verbetering van dierenwelzijn en bestrijding van besmettelijke dierziekten een hoge prioriteit. De onderzoeksprogramma’s zullen aan deze randvoorwaarden worden aangepast.

De uitvoering van het door het Kabinet aan de Tweede Kamer voorgelegde Besluit Diergezondheidszorg vraagt een hoge prioriteit in het onderzoek. Het onderzoek naar de bestrijding van dierziekten die voor de mens bedreigend zijn alsmede naar zeer besmettelijke en handels-bedreigende dierziekten zal worden geïntensiveerd.

Naast het huidige dierenwelzijnsonderzoek zal extra onderzoek op het vlak van het welzijn van gezelschapsdieren worden gefinancierd. De huidige onderzoeksinspanning met betrekking tot de vermindering van de milieubelasting (ruwvoerbenutting, precisievoeding, reductie ammoniakemissie) zal worden gehandhaafd. LNV zal extra aandacht besteden aan de relatie tussen welzijn en gezondheid van dieren enerzijds en de belasting van het milieu anderzijds. Maar ook aan het dierenwelzijn las zodanig, bijvoorbeeld huisvestingssytemen.

De introductie van ketensystemen in de vee- en vleessector zal inzet van kennis vragen. Hiertoe hebben we onder andere de Agro Keten Kennis (AKK) projecten. Het onderzoek op dit gebied zal worden geïntensiveerd. Randvoorwaarden daarbij is een financiële betrokkenheid van het bedrijfsleven.

De kwaliteit van de voeding

Er is behoefte aan actuele inzichten in de relatie tussen voeding en gezondheid en productiemethoden, alsmede in de maatschappelijke waardering van die inzichten. Om veterinair- en levensmiddelenbeleid meer te integreren zullen garantiesystemen voor veilig en gezond voedsel ontwikkeld moeten worden. EZ en VWS zullen hierbij betrokken worden. LNV zal samen met het bedrijfsleven en consumentenorganisaties onderzoek opzetten ter ondersteuning van het behoud van voedselketens die vrij zijn van genetisch gemodificeerde organismen. Om de toepassing van nieuwe technologiën in de agro-sector te vergroten zal LNV niet allen de innovatieve vraag van het bedrijfsleven op de terreinen van voeding stimuleren, maar ook ten aanzien van non-food en milieuefficiency. Daartoe zal nauw worden samengewerkt met EZ, OCW, en VROM. Er zijn drie concrete sporen te noemen. LNV zal de kennis over «ketennetwerken, logistiek en informatie en communicatie technologie» verder laten ontwikkelen. De succesvolle samenwerking van overheid en bedrijfsleven in de Technologische Top Instituten zal worden voortgezet.

De Raad voor het Landelijk Gebied start in 1999 met een studie «agrolo-gistiek, ICT en Nederland als vestigingsplaats voor agro-foodconcerns». Op basis van dit advies zal een Plan van Aanpak worden opgesteld. LNV zal nauw betrokken blijven bij het vervolg van het programma «Economie, Ecologie en Technologie», bij projecten in het kader van het CO2-reductieplan, bij het «Boegbeeld lijmen en verven» uit de nota «Milieu en Economie».

Natuur voor mensen (en mensen voor natuur)

Om de natuur ook voor de komende generaties veilig te stellen zal LNV investeren in behoud en versterking van de Nederlandse natuur. Een extra inspanning is nodig om nieuwe kennisvragen adequaat te kunnen beantwoorden.

Omdat de kwaliteit van de leefomgeving meer en meer van belang wordt, zullen voor een aantal functies van de groene ruimte kwaliteitsindicatoren (Monitoring Kwaliteit Groene Ruimte) ontwikkeld worden. Deze kwaliteitsindicatoren zullen ondermeer gebruikt worden bij projecten waar landschaps- en natuurwaarden in het geding zijn. Dit past bij de actieve opstelling van LNV in nut-en-noodzaak discussies rond infrastructurele investeringen.

In het licht van het thema «natuur voor mensen» zal LNV maatschappelijke waardering voor en behoefte aan natuur in beeld brengen. Met de operatie Boomhut wordt hieraan reeds invulling gegeven. De nieuw in te richten regionale kennisnetwerken zullen bijdragen aan de vergroting van de deskundigheid over agrarisch landschaps- en natuurbeheer.

HOOFDSTUK 6 INSPELEN OP INTERNATIONALISERING

6.1. Inleidend

Internationalisering is een bekend gegeven voor LNV. Alle beleidsterreinen van het Ministerie van LNV hebben een sterke internationale dimensie. Dat is al jaren het geval en vloeit voort uit de internationale handel in landbouwproducten en de aard van natuur en visserij. Het is de verwachting dat internationalisering – te beschouwen als een groeiende verweving op wereldschaal van handel, investeringen en samenwerking – de komende jaren nog onverminderd door zal gaan.

Daar is een aantal redenen voor. Zo zorgen technologische ontwikkelingen in met name de informatie- en communicatietechnologie ervoor dat fysieke grenzen steeds minder belangrijk worden. De mogelijkheden van transport van mensen en goederen zijn bijna onbegrensd geworden. Verder bestaat er op wereldschaal min of meer consensus dat een beleid van economische liberalisering de beste mogelijkheden biedt voor vergroting van de mondiale welvaart.

Voor Nederland staan daarbij grote belangen op het spel. In de Europese Unie neemt Nederland 8% van de totale landbouwproduktie voor haar rekening. Daarnaast is Nederland een belangrijk handelsland voor landbouwproducten. Ruim de helft van het agrarisch inkomen genereert de sector door export, waarvan zeker 80% naar de overige lidstaten van de Unie. Duitsland is daarbij de belangrijkste handelspartner. Het gaat in toenemende mate niet alleen om geproduceerde en verwerkte grondstoffen, maar tevens om de doorvoer en verwerking van geïmporteerde grondstoffen, om halffabrikaten, eindproducten, en investeringen in kapitaalgoederen. In de opkomende markten buiten de Unie wordt Nederland gezien als een belangrijke partner in de overdracht van kennis en technologie op landbouwgebied. Nederland staat dan ook op de derde plaats op de mondiale ranglijst van landbouwexporteurs. Het is niet voor niets dat als aan Nederland als exportnatie wordt gedacht, producten uit de land- en tuinbouw de beeldvorming bepalen.

Tegelijkertijd met de voortgaande internationalisering is er een sterk bewustzijn gegroeid dat belangrijke problemen op het gebied van natuur en milieu niet zijn op te lossen met louter nationale maatregelen. Internationale afspraken zijn nodig om problemen als het broeikaseffect op te lossen en de achteruitgang van de biodiversiteit en het verdwijnen van grote oppervlakten bossen te stoppen.

Het is voor de komende jaren essentieel dat het besef dat sinds de Conferentie van Rio de Janeiro is ontstaan over de samenhang tussen milieu en ontwikkeling, een vervolg krijgt in concrete acties en bindende afspraken. Gedragsveranderingen zijn nodig om een groeiende wereldbevolking in de toekomst economische kansen te bieden, zonder dat dit ten koste gaat van de kansen voor nieuwe generaties. Duurzame ontwikkeling blijft daarvoor het kernwoord. Dit concept moet zijn weg vinden in het internationale en nationale beleid. Internationale afspraken over handel en productie moeten samengaan met afspraken en maatregelen die een ecologisch en economisch duurzame ontwikkeling garanderen.

6.2. Internationalisering vraagt om nieuwe afspraken

De groeiende verwevenheid op wereldschaal biedt mogelijkheden om mondiale problemen en kansen gezamenlijk aan te pakken. Nederland wil daaraan een actieve bijdrage leveren, zeker ook op de terreinen van LNV. Daar zijn ook mogelijkheden voor. Het bestaan van een over het algemeen goed functionerend multilateraal handelssysteem toont aan dat mondiale afspraken en regels mogelijk zijn. Discussies over de uitleg van de regels en soms hoogoplopende verschillen van inzicht, maken wel duidelijk dat van alle partijen voortdurende aandacht en inzet vereist is om het stelsel van de World Trade Organisation (WTO) in stand te houden en goed te laten functioneren.

... op het gebied van duurzame landbouw,

Internationaal is er steeds meer steun voor het idee dat de landbouw en het landgebruik een multifunctioneel karakter heeft. Dat betekent dat landbouw niet alleen een bijdrage levert aan de voedselvoorziening, maar ook kan bijdragen aan de gezondheid en diversiteit van planten en dieren en aan de verhoging van de kwaliteit van water en lucht. Bovendien is landbouw – zeker ook in ontwikkelingslanden – belangrijk in verband met de bestrijding van armoede, de leefbaarheid van het platteland en het beheer en behoud van de bodem. Verbetering van de kennis van de verschillende relaties op dit vlak en van de technische mogelijkheden blijft van groot belang. Zeker ook in het licht van het feit dat de totale landbouwproductie de komende decennia fors verhoogd zal moeten worden, zonder dat het totaal areaal landbouwgrond zal toenemen. Deze problematiek is tijdens de Wereldvoedseltop van eind 1996 nog eens duidelijk op de internationale agenda gezet. Grote inspanningen zullen de komende jaren nodig zijn om de ambitieuze doelstellingen op het gebied van voedselzekerheid te bereiken.

De komende jaren wil LNV de realisering van duurzame landbouw en grondgebruik een stap verder brengen. Dat gebeurt langs verschillende sporen. Zo wil LNV door een actieve betrokkenheid bij de inzet van middelen voor internationaal natuur- en milieubeleid en rurale ontwikkeling, een inhoudelijke bijdrage leveren aan de besteding van de middelen voor internationale samenwerking.

In samenwerking met de FAO wordt in het najaar van 1999 een conferentie georganiseerd ter voorbereiding van de VN Commissie voor duurzame ontwikkeling. Het thema van deze conferentie is «multifunctionele landbouw en grondgebruik».

In het kader van het werkprogramma van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) treedt Nederland in 2000 op als gastland en organisator van een workshop over landbouw, technologie en landbouw-milieubeleid.

... op het gebied van natuur,

Op het gebied van het natuur- en milieubeleid zijn de mondiale afspraken veelal minder bindend, al groeit ook hier de consensus. In het natuurbeleid is er een tendens om bescherming en beheer van natuur steeds vaker te verankeren via integratie in andere beleidsterreinen. De relatie met het landbouwbeleid ligt dan uiteraard voor de hand, maar ook op het gebied van bijvoorbeeld duurzaam toerisme zijn er mogelijkheden. Toch zal een dergelijke integratie alleen nooit een afdoende bescherming geven voor alle natuur. Bepaalde eco-systemen zijn zo kwetsbaar dat ze simpelweg beschermd moeten worden tegen nadelige activiteiten en invloeden van buitenaf. Dat geldt bijvoorbeeld voor bepaalde wetlands en tropische bossen.

Op mondiaal niveau streeft Nederland onverminderd naar bindende afspraken over duurzaam bosbeheer, die vervolgens in het beleid op de verschillende niveaus zullen moeten doorwerken.

De prioriteiten voor het internationale natuurbeleid zijn vastgelegd in het Programma Internationaal Natuurbeheer. Eind 1999 zullen de resultaten van dit programma worden geëvalueerd, waarna een nieuw programma aan de Kamer zal worden aangeboden.

... op het gebied van visserij,

De visserij oogst uit de natuur en is daarom aangewezen op een gezond en veerkrachtig ecosysteem, wil zij blijvend vis, schaal- en schelpdieren tot haar beschikking houden. Bij weinig sectoren is het zo duidelijk dat er op langere duur alleen economisch perspectief is, als de visbestanden en de aquatische ecosystemen duurzaam worden beheerd. De toepassing van het voorzorgsbeginsel is hiermee onlosmakelijk verbonden. Dat houdt in dat visserij-activiteiten het toelaten dat visbestanden zich qua opbouw en omvang zodanig kunnen ontwikkelen, dat deze natuurlijke schommelingen kunnen opvangen.

Dit principe krijgt zijn uitwerking in het Europees visserijbeleid, maar is natuurlijk ook de Nederlandse inzet als gesproken wordt over de overeenkomsten die de EU afsluit met derde landen op het gebied van visserij (bijvoorbeeld in West Afrika). LNV zal zich in Brussel inzetten voor meer duurzame en financieel efficiënte visserijakkoorden, die coherent zijn met andere communautaire beleidsterreinen.

... en op het gebied van de handel.

Bij het internationaal handelsbeleid zullen de komende jaren stappen gezet worden om bestaande belemmeringen bij de handel in landbouwproducten te verminderen. Het tijdspad daarvoor is nauwkeurig aangegeven, de onderhandelingen in het kader van de WTO starten in december 1999. Tegelijkertijd met het vrijer worden van de handel neemt echter de noodzaak toe om ook op andere terreinen te komen tot internationale afspraken. Voor voedselveiligheid, veterinaire en fytosanitaire zaken zijn de kaders daarvoor aanwezig. Voor andere zaken die bijvoorbeeld betrekking hebben op de productiewijze van landbouw – bijvoorbeeld bepalingen ten aanzien van dierenwelzijn – is dat nog veel minder het geval. Toch lijkt dat noodzakelijk om het vertrouwen van de consument in de landbouwproducten te behouden. Wat dat betreft is er een parallel te trekken met de ontwikkeling zoals die in de EU heeft plaats gevonden en nog steeds doorgaat: na het creëren van een gemeenschappelijke markt, kwam een langdurig proces op gang van harmonisering van regelgeving die eisen stelt aan de productie.

Voor LNV zijn er twee onderwerpen waarvoor de komende tijd extra aandacht nodig is om tot internationale afspraken te komen. Dat betreft een duidelijkere plaats voor het voorzorgsprincipe bij discussies in Codex Alimentarius, WTO en andere internationale organisaties. Een ander aandachtspunt vormen de zogenoemde consumer concerns die veelal betrekking hebben op de productiewijze. LNV zal zich inzetten voor verdergaande internationale afspraken op dit gebied, met name inzake dierenwelzijn, biodiversiteit, biotechnologie en het gebruik van groei-bevorderende stoffen. Een mogelijkheid daartoe zijn ruimere toepassingen van de mogelijkheden in de WTO van etikettering van producten waarbij duidelijke consumer concerns bestaan.

6.3. Internationale afspraken worden in Europees en nationaal beleid vertaald

De toenemende verwevenheid op wereldschaal van handel, productie, investeringen en samenwerking nopen de Nederlandse landbouw en LNV in de toekomst nog sterker op internationale trends en ontwikkelingen in te spelen. Internationale noties over duurzaamheid, het multifunctionele karakter van de landbouw en de vermindering van de ondersteuning zullen zich vertalen in het Europese en het nationale beleid. In steeds sterkere mate komt de oorsprong van nationaal beleid in het buitenland te liggen. Zo vormt het Biodiversiteitsverdrag een extra legitimatie voor het nationale natuurbeleid, stelt de wereldhandelsorganisatie WTO het kader voor Europees landbouwbeleid en vormt het Gemeenschappelijk Visserijbeleid het kader voor het nationale visserijbeleid.

Dat betekent dat nadat op internationaal niveau afspraken zijn gemaakt, de marges voor eigen keuzen in het eigen beleid veelal afnemen. Al heeft Nederland natuurlijk ook een stem bij het tot stand komen van internationale afspraken.

Visserij: hervorming van EU-beleid op stapel

In het kader van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid worden jaarlijks de totale vangsthoeveelheden (TAC’s) en de verdeling daarvan per land vastgesteld (quota). Daarnaast bevat het visserijbeleid technische normen, voorwaarden en eisen waaraan de vaar- en vistuigen moeten voldoen. Uiterlijk in 2002 komt de Europese Commissie met een evaluatie van het huidige beleid. Daarna zal de discussie losbranden over de vraag of het beleid aangepast moet worden. Vooruitlopend op deze discussie werkt LNV een visie uit op het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) na 2002. Hierbij staat de vraag centraal op welke wijze de duurzame exploitatie van de ecosystemen binnen het beleid het best gewaarborgd kan worden. De sector, andere departementen en de relevante maatschappelijke organisaties zullen bij de discussies over deze nota worden betrokken. Deze visie wordt dit voorjaar aan de Tweede Kamer aangeboden.

Blijvende aandacht voor Europese natuur

Op verschillende terreinen van het Europees natuurbeheer speelt Nederland een vooraanstaande rol. Te denken valt bijvoorbeeld aan de initiatieven om te komen tot een Europese Ecologische hoofdstructuur, zowel in de EU – in de vorm van Natura 2000 – als Pan-Europees. Een dergelijk samenhangend geheel van gebieden met hoge natuurwaarden is de beste garantie voor bescherming van de Europese biodiversiteit. De komende jaren is volgens Nederland een nieuwe impuls voor de realisatie van de Europese Ecologische Hoofdstructuur noodzakelijk. De lidstaten hebben zelf de verantwoordelijkheid voor de realisering van hun aandeel van de Europese EHS. Dit door de implementatie van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn en door het nemen van nationale maatregelen.

Zoals reeds gesteld, geldt dat betere garanties voor bescherming van de natuur zijn te verkrijgen, als ook bij andere beleidsterreinen rekening gehouden wordt met de belangen van natuur. Initiatieven en mogelijkheden daarvoor zijn inmiddels in het Europees beleid voor het platteland opgenomen en ook in het landbouwbeleid worden nieuwe aanzetten gegeven. Deze mogelijkheden moeten de komende jaren maximaal worden benut. Speciale aandacht behoeven daarbij gebieden waar het agrarisch beheer belangrijk is voor het behoud van bijzondere natuurwaarden. Daarnaast moet ook worden gezocht naar kansen voor natuurontwikkeling en moet worden voorkomen dat het EU-beleid leidt tot aantasting van natuur; bijvoorbeeld door middel van een effectievere natuur- en milieutoets van projecten in het kader van de Structuurfondsen. De hervorming van het Europese beleid (Agenda 2000) wordt benut om te komen tot betere garanties en mogelijkheden voor de natuur.

Een afnemende bescherming van de landbouw is een feit

Het maken van internationale afspraken over het beleid is voor de landbouw geen vreemd gegeven. Zo is de economische ontwikkeling van de grondgebonden landbouwproductie in Nederland (melkveehouderij en akkerbouw) in de afgelopen decennia sterk beïnvloed door het Europese markt- en prijsbeleid.

Feit is echter dat dit EU-beleid sterk beïnvloed zal worden door afspraken die in het kader van het wereldhandelsoverleg genomen worden. Doelstelling van dit overleg is om de bescherming en ondersteuning aan de landbouw te verminderen en zodoende de handel vrijer te maken.

Agenda 2000 vormt een antwoord van de EU op deze internationale wens. De Europese Commissie stelt daarin voor de prijzen van granen, zuivel en rundvlees fors te verlagen. Om op die manier de afhankelijkheid van de Europese landbouw van invoerbescherming en uitvoersteun te verminderen. Directe inkomentoeslagen komen daarvoor in de plaats, waarmee de steun aan de landbouw – conform de internationale trend – in toenemende mate zal worden ontkoppeld van de productie. Tevens wordt er in de plannen van de Europese Commissie meer nadruk gelegd op de bredere problematiek op het platteland dan louter die in de landbouwsector. Het plattelandsbeleid wordt daarvoor versterkt en vereenvoudigd. Van de lidstaten wordt verwacht dat ze voor hun verschillende regio’s Rural ontwikkelingsplannen ontwikkelen, op basis waarvan perspectiefvolle projecten voor ondersteuning uit Brussel in aanmerking kunnen komen (zie eerder par. 1.7.).

Het is de verwachting dat het beleid ook op de wat langere termijn verder die kant op zal gaan. Waar deze verschuiving zich voordoet zal Nederland steeds nadrukkelijk de vraag stellen wat de toegevoegde waarde van Europees plattelandsbeleid is ten opzichte van het nationaal te voeren beleid.

Toenemende ruimte voor het stellen van nationale prioriteiten

Een verdere ontkoppeling van de ondersteuning van de landbouw van de productie is vrij fundamenteel. Het betekent dat niet meer zoals in het verleden de meest efficiënte bedrijven het meest van het beleid profiteren, maar dat bij de verdeling van de inkomenstoeslagen keuzen gemaakt kunnen worden. Dat speelt zowel bij de vraag welke tegenprestaties verlangd worden bij de toekenning van inkomenstoeslagen als welke criteria aangelegd worden bij de verdeling van de zogenaamde nationale enveloppen.

Deze accentverschuiving biedt daarmee de mogelijkheid om het Europees landbouwbeleid nauwer te laten aansluiten op de doelstellingen die Nederland nationaal voor de landbouw heeft. LNV wil deze ruimte aangrijpen om een landbouw te stimuleren die milieutechnisch efficiënt is en maatschappelijk verantwoord produceert. In die zin kan het nieuwe EU-beleid een positieve bijdrage leveren aan een duurzame landbouw en daarmee aan het imago van de sector.

In de komende periode wordt gestart met enkele proefprojecten waarbij aan inkomenstoeslagen tegenprestaties gekoppeld worden op het gebied van natuur, milieu en dierenwelzijn. In samenspraak met de landbouwsector wordt een opzet uitgewerkt om te komen tot een verdeling van inkomenstoeslagen uit de nationale enveloppe, gericht op verbetering van de maatschappelijke acceptatie van de landbouwproductie.

Meer concurrentie noopt tot aanpassing van de sector

Minder bescherming en meer concurrentie noodzaakt de landbouwsector de bakens te verzetten. Zo zal op korte termijn de invoering van Agenda 2000 van de bedrijven de nodige inspanningen vergen. Daarbij is het duidelijk dat de oude recepten als kostprijsverlaging, uitbreiding van de productie en schaalvergroting geen afdoende antwoord zijn op de nieuwe uitdagingen.

De positie van de Nederlandse landbouw is niet slecht om op deze nieuwe situatie goed in te spelen. Zo is de sector van oudsher efficiënt, sterk op export gericht en is reeds een begin gemaakt met het beter inspelen op de wens van de consument.

Die ontwikkeling zal de komend jaren versterkt moeten worden, waarbij het voor Nederland met een relatief hoog kostenniveau een absolute noodzaak is om een positie te verwerven in de hogere marktsegmenten. Het is immers sterk de vraag of Nederlandse sectoren het bij concurrentie sec op kostprijs op termijn niet afleggen tegen de buitenlandse concurrentie. Meer aandacht voor een milieu- en diervriendelijke productie zal meer en meer bepalend zijn voor een dergelijke betere marktpositie.

Samenwerken in de keten, een beter imago op de markt

Een goede samenwerking tussen de primaire sector en de verwerkende industrie is een voorwaarde voor een dergelijke kwaliteitsstrategie. Versterking van de ketensamenwerking moet ervoor zorgen dat wat betreft productaanbod, productiewijze en kwaliteit van het product, de wensen van de consument aan alle schakels van het productieproces worden doorgegeven. Voor succes op de markt is vooroplopen in vernieuwing noodzakelijk.

Ook LNV wil een bijdrage leveren aan een betere positionering van het Nederlandse product op de internationale markt. Het project ter verbetering van de beeldvorming van Nederlandse producten op de Duitse markt zal daarvoor model staan.

Bij exportbevordering zal sterker dan tot nu toe het accent gelegd worden op het imago van het Nederlandse product, met als doel het verkrijgen van een plus in de markt. In dit licht zal bijvoorbeeld extra aandacht aan biologische landbouw en milieu- en diervriendelijk geproduceerde producten besteed worden.

De aanwezigheid van een sterke verwerkende sector

Meer dan ooit zal de landbouwsector haar positie slechts kunnen handhaven als er een goede samenwerking is tussen de primaire landbouw, de agrarische handel en de verwerkende industrie. De rol van de bedrijven in handel en verwerking bij de verwerving van het agrarische inkomen, ook op het landbouwbedrijf, kan moeilijk worden overschat. Juist deze bedrijven hebben een veel directer contact met de eindafnemers van landbouwproducten en hebben daarmee «voeling» met de veranderingen op de markt.

De internationalisatie heeft in de agribusiness geleid tot een sterke concentratie en steeds groter wordende bedrijven. Het is voor de totale agrosector van belang dat Nederland voor dergelijke bedrijven een aantrekkelijk land is en blijft. Ook hier is de uitgangspositie van ons land niet slecht. Uit verschillend onderzoek blijkt dat Nederland over sterke punten beschikt in vergelijking met ons omringende landen. Maar tegelijkertijd blijkt ook dat de verschillen relatief gering zijn.

LNV voelt zich verantwoordelijk voor een goed vestigings- en ondernemingsklimaat voor internationaal opererende bedrijven in de agribusniness. In de algemene discussies hierover op Rijksniveau zal LNV scherp letten op de specifieke kenmerken en belangen van de agribu-sisness. Dat geldt met name voor de (agri)logistiek en kennisinfrastructuur.

De succesvolle aanpak om de kennis over ketennetwerken te vergroten zoals uitgevoerd in het kader van Agroketenkennis (AKK) wordt de komende jaren voorgezet en verbreed. Naast aandacht voor keten-netwerken zal ook aandacht besteed worden aan logistiek en informatietechnologie (ICT). Daarvoor is mede door LNV een nieuwe organisatie opgericht, Ketennetwerken, Clusters en ICT (KLICT). Hiervoor is in de komende jaren 74 miljoen gulden beschikbaar, waarvan 30 miljoen van het bedrijfsleven.

Profiteren van meer markttoegang

Uiteraard hangen de prestaties van de agribusiness in hoge mate af van de vraag hoe de bedrijven opereren op de markt. Het snel aanpassen aan veranderende marktomstandigheden is daarvoor een vereiste. De overheid kan een dergelijk proces faciliteren, maar wil daarbij uiteraard niet op de stoel van de ondernemer gaan zitten. Een faciliterende rol kan onder meer bereikt worden met doelgericht onderzoek. In de onderzoeks programma’s van kennisinstituten moet daarom voldoende aandacht zijn voor de specifieke vragen vanuit de agribusiness, onder andere kennis op het gebeid van consumentengedrag en marktinformatie.

Een terrein waar het initiatief meer bij de overheid ligt is dat van het wegnemen van handelsbelemmeringen. Een betere toegang tot buitenlandse markten is het evenbeeld van grotere concurrentie op de eigen markt. In de praktijk blijkt dat op buitenlandse markten met het verminderen van de traditionele handelsbarrières, snel nieuwe belemmeringen ontstaan. Recent is bij LNV het wegnemen van handelsbelemmeringen -met name op het veterinaire terrein- op een planmatig manier aangepakt. Dat zal in de komende jaren worden voortgezet.

Een grotere interne markt

De sterkste marktvergroting waar de agro-sector de komende jaren van kan profiteren, is de uitbreiding van de EU met landen uit Midden en Oost Europa. Deze landen moeten na hun toetreding al het beleid dat in de EU bestaat – het acquis communautair – overnemen. Dit zal een hele opgave worden, waarbij deze landen door de EU gesteund worden via zogenaamde pre-accessiesteun. Deze is in belangrijke mate gericht op de institutionele opbouw in deze landen. Daarnaast komen er programma’s die erop gericht zijn de concurrentiekracht van de landbouwsector in deze landen te vergroten.

Nederland heeft belang bij een goed verloop van het integratieproces, vanwege de mogelijkheden die de uitbreiding biedt om de handels- en investeringsrelaties met deze landen te verbeteren en vanwege de mogelijkheden om bij te dragen aan de vorming van stabiele en welvarende partners in EU-verband. Daarom zal LNV naast de deelname aan de EU-programma’s, ook een eigen programma ontwikkelen. Met de kandidaat lidstaten zal worden overlegd over de invulling van de programma’s. Momenteel wordt gedacht aan een accent op de zuivel en de tuinbouwsector en op de opbouw van veterinaire en fytosanitaire instituties. Bijzonder aandacht is er ook voor een optimale toepassing van de instrumenten ten behoeve van de bescherming van natuur en milieu.

LNV zal in de komende periode een substantiële investering plegen in het eigen pre-accessie programma. Dat krijgt onder andere inhoud door het uitzenden van deskundigen op genoemde terreinen, alsmede het organiseren van conferenties, concrete projecten en studiebezoeken. Voor het natuurbeleid wordt bij de uitvoering van het Actieplan natuurbeheer Midden- en Oost Europa ingespeeld op het komend lidmaatschap van de EU en aangehaakt bij initiatieven die in het kader van de pre-accessieprogramma’s worden genomen.

Financiële aspecten Nota «Kracht en Kwaliteit».

Voor zover de beleidsvoornemens, zoals aangekondigd in deze nota, financiële consequenties met zich meebrengen, zullen deze in beginsel worden opgevangen binnen de LNV-begroting en de in het regeeraccoord uitgetrokken budgetten. Bij deze laatste categorie gaat het met name om de pakketten Ruimtedruk/ruimtekwaliteit (inclusief de reconstructie van de zandgebieden) en Kennis (o.a. ICT). T.a.v. het reguliere instrumentarium zijn met name het Stimuleringskader, de Veterinaire prioritaire activiteiten, het Herstructureringsfonds Varkenshouderij (f 475 mln, recentelijk verhoogd met f 220 mln; totaal derhalve f 695 mln.) en de Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw van belang. Voor de realisering van de Ecologische Hoofdstructuur zijn op de LNV-begroting verwervings- en (land)inrichtingsbudgetten uitgetrokken (art. 13.02/13.03); ook via het Groenfonds zijn daarvoor middelen beschikbaar. De financiering van het beheer wordt opnieuw vorm gegeven via het Programma Beheer (art. 13.04). De bestaande regelingen op dat terrein zullen daarin, budgettair neutraal, worden opgenomen.

In onderstaande tabel zijn enige belangrijke budgettaire kerngegevens bij elkaar gebracht (bedragen x f mln, stand LNV-begroting 1999):

 
 

1999

2000

2001

2002

Intensiveringen regeeraccoord

       

– Realisatie EHS/SGR

32,6

70,2

63,7

68,6

– Natte natuur

10

20

30

40

– Agrarisch natuur en landschapsbeheer

3

7,5

14

20,5

– Glastuinbouw

5

12

13

15

– Reconstructie zandgebieden

80

80

80

80

  • Onderwijs/ICT*

16,8

27

28

38,6

Reguliere budgetten**

       

– Stimuleringskader

       

– Markt en concurrentiekracht

79

82,8

87,5

83,2

– Vernieuwing Landelijk gebied

27,9

25,3

23,8

22,8

– Veterinaire prioritaire activiteiten

35

30

30

30

– Herstructurering varkenshouderij***

300

80

80

80

– Structuurverbetering glastuinbouw

23,1

24,2

24,1

24,1

  • Incl. investeringen ICT (indicatief).

** Excl. Hoofdbeleidsterreinen 13 en 16.

*** Totaal in de periode 1996–2002: f 695 mln.

 
 
 

3.

Meer informatie

 

4.

EU Monitor

Met de EU Monitor volgt u alle Europese dossiers die voor u van belang zijn en bent u op de hoogte van alles wat er speelt in die dossiers. Helaas kunnen wij geen nieuwe gebruikers aansluiten, deze dienst zal over enige tijd de werkzaamheden staken.

De EU Monitor is ook beschikbaar in het Engels.