Verslag van een algemeen overleg, gehouden op 31 maart 201, inzake het Bedrijfslevenbeleid - Bedrijfslevenbeleid

Dit verslag van een algemeen overleg is onder nr. 2 toegevoegd aan dossier 32637 - Bedrijfslevenbeleid.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Bedrijfslevenbeleid; Verslag van een algemeen overleg; Verslag van een algemeen overleg, gehouden op 31 maart 201, inzake het Bedrijfslevenbeleid
Document­datum 26-04-2011
Publicatie­datum 12-04-2011
Nummer KST326372
Kenmerk 32637, nr. 2
Commissie(s) Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
Externe link originele PDF
Originele document in PDF

2.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2010–2011

32 637

Bedrijfslevenbeleid

Nr. 2

VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 26 april 2011

De vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie1 heeft op 31 maart 2011 overleg gevoerd met viceminister-president, minister Verhagen van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie over: – de brief van de minister van Economische Zaken, Landbouw en

Innovatie d.d. 4 februari 2011: «Naar de top»: hoofdlijnen van het nieuwe bedrijfslevenbeleid (32 637, nr. 1).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Van der Ham

1 Samenstelling:

Leden: Dijksma (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Verburg (CDA), Koopmans (CDA), Van der Ham (D66), voorzitter, Smeets (PvdA), Samsom (PvdA), Paulus Jansen (SP), ondervoorzitter, Jacobi (PvdA), Koppejan (CDA), Graus (PVV), Thieme (PvdD), Gesthui-zen (SP), Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie), Van Tongeren (GroenLinks), Ziengs (VVD), Braakhuis (GroenLinks), Gerbrands (PVV), Lodders (VVD), Van Vliet (PVV), Dijkgraaf (SGP), Schaart (VVD) en Verhoeven (D66).

Plv. leden: Jadnanansing (PvdA), Elias (VVD), Ormel (CDA), Blanksma-van der Heuvel (PvdA), Koolmees (D66), Dikkers (PvdA), Klijnsma (PvdA), Irrgang (SP), Groot (PvdA), Van der Werf (CDA), Tony van Dijck (PVV), Ouwehand (PvdD), Van Gerven (SP), Ortega-Martijn (ChristenUnie), Van Gent (GroenLinks), Leegte (VVD), Grashoff (GroenLinks), De Mos (PVV), Taverne (VVD), Van Bemmel (PVV), Van der Staaij (SGP), Houwers (VVD) en Van Veldhoven (D66).

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

Franke

Voorzitter: Van der Ham Griffier: Schüssel

Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Van Bemmel, Braakhuis, Dijkgraaf, Dijksma, Van der Ham, Koppejan, Ortega-Martijn, Schaart en Verhoeven,

en minister Verhagen van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, die vergezeld is van enkele ambtenaren van zijn ministerie.

De voorzitter: Wij gaan het vandaag hebben over de bedrijfslevenbeleidsbrief en allerlei zaken die daarbij worden betrokken. Ik verwelkom de vele belangstellenden op de publieke tribune. Wij gaan allereerst luisteren naar mevrouw Dijksma van de PvdA.

Mevrouw Dijksma (PvdA): Voorzitter. Het nieuwe bedrijfslevenbeleid zou eigenlijk het paradepaardje moeten worden van minister Verhagen. Terecht bepleit de regering het doorbreken van verkokering en het tegengaan van versnippering in het subsidiewoud bij het innovatiebeleid. «Meer focus, meer effectiviteit», luidt het adagium. Met klinkende slogans, zoals «van kennis naar kunde naar kassa», probeert de regering het land dan ook op te stuwen in de vaart der volkeren. Ik zeg er nadrukkelijk bij: probeert.

Het nieuwe bedrijfslevenbeleid lijkt echter vooral een kwestie van oude politiek geworden. De leidende gedachte is dat wij het bedrijfsleven zoveel mogelijk ruimte moeten geven om te doen waar het goed in is. In de woorden van de minister: laten wij de ondernemers laten doen waar ze goed in zijn, ondernemen. Minister Verhagen lijkt daarmee overduidelijk zijn ouderwetse retrostempel op het Nederlandse bedrijfsleven te willen drukken. Met achterhaalde industriepolitiek uit de seventies wil hij de uitdagingen van 2011 te lijf.

Dat is niet zo verstandig. Voor de PvdA geldt dat wij een op moderne leest geschoeide innovatiepolitiek nastreven. De economische koek moet inderdaad groter, maar dat betekent ook dat deze duurzamer moet worden verdiend en dat onze mensen productiever aan de slag moeten. Basis voor een succesvol innovatiebeleid is een forse investering in funderend onderzoek. Juist daarop bezuinigt deze regering.

Het is onze overtuiging dat wij de wereldwijde wedloop met lagelonenlanden echt niet gaan winnen op concurrerende arbeidsverhoudingen. Wel op basis van kennis, kennis en nog eens kennis. Het wordt hoog tijd dat ook het departement van EL&I het begrip «kenniseconomie» nu eindelijk eens serieus gaat onderbouwen en het niet over de heg kiepert naar OCW, met hier en daar een projectje voor aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt. Helaas is dat in de brief van de minister slechts een zijdelingse paragraaf geworden. Door het belang van de wetenschap zo ondergeschikt te maken, slaat de minister wat ons betreft de plank mis. Graag een reactie daarop.

Voor de PvdA is het grasduinen van de minister in de budgetten van NWO, TNO en KNAW dan ook niet acceptabel. Het levert de minister persoonlijk misschien credits op als hij het bedrijfsleven voortaan aan de knoppen laat draaien, maar het land wordt er op dit punt in ieder geval in onze ogen niet zomaar beter van. Want wat is nu eigenlijk de ratio achter deze ingreep? En waarom presenteerde hij zijn nieuwe plannen aanvankelijk als een nieuwe investering van 1,5 mld., terwijl hij in werkelijkheid vooral minder uitgeeft aan innovatie? Minder dan de ons omringende landen, minder dan de VS, waar president Obama heeft vastgesteld dat enkel een forse injectie in de Amerikaanse innovatiepolitiek zijn land kan doen wedijveren met nieuwe economieën in Azië en Latijns-Amerika.

Steun is er vanuit de PvdA voor de keuze van de diverse topsectoren. Ik denk dat deze grosso modo wel aansluiten bij de thema’s die in ons land van belang zijn. Wel heeft mijn fractie een aantal vragen en opmerkingen. Allereerst is het de vraag of wij door het per sector vaststellen van businessplannen individuele cross-overs tussen sectoren niet nodeloos ontmoedigen. Innovatie ontstaat immers vaak op het snijvlak van sectoren. Een digitale benadering kan hier dus averechts werken. Hoe gaat de minister dat voorkomen?

Daarnaast vraag ik op welke wijze en door wie die sectoren en de businessplannen die daaruit voortkomen straks worden beoordeeld. Wanneer is eigenlijk een businessplan een succes? Welke criteria legt de minister daarvoor aan? Gaat het daarbij dan om de beste voorstellen of de stevigste lobby en de meest indringende connecties? Kortom, welke lessen trekt de minister uit de evaluatie van de toekenning van FES-gelden, zoals de commissie-Meijerink die heeft vastgesteld? En dan het dreamteam van minister Verhagen. Ik heb de publicatie erover meegenomen en laat die hier zien. Het werd rond Internationale Vrouwendag bekendgemaakt in een jubelend artikel in het blad Forum. Ik heb bewondering voor de brutaliteit van de minister om juist op zo’n dag met zoveel heren van stand het begrip «it’s a man’s world» weer van een nieuwe dimensie te voorzien. Maar, u begrijpt het al, mijn fractie is het toch teleurgesteld. Want naast het feit dat deze trekkers allen man zijn – ik mag er ook gezien mijn leeftijd bij zeggen: van een zekere leeftijd – representeren zij natuurlijk toch vooral de oude industrie. Ook hier is de vraag: hoe is nu deze groep mensen benaderd? Welke criteria heeft de minister gehanteerd? Ik neem toch aan dat niet alleen het telefoonboekje van de heer Wientjes daarbij leidend is geweest. Was er nu werkelijk niet één man of vrouw te vinden onder de 40? Welke consequentie trekt de minister uit deze eenzijdige samenstelling van zijn team? Gaat hij bij het benaderen van wetenschappers wel verder zoeken en verder kijken dan zijn neus lang is? Of kon hij – dat is een andere vraag – simpelweg te weinig mensen vinden?

Dan kennis. Ik zei het al: opvallend is het dat in de brief over het bedrijfsleven de werknemer slechts wordt beschouwd als lijdend voorwerp, terwijl veel slimme innovaties op de werkvloer vaak met hulp van werknemers worden ontwikkeld. Hier wreekt zich dus dat innovatie op sociaal terrein nu niet bepaald een issue voor deze minister lijkt te zijn. Waarom nu geen revolving fund, juist op het terrein van beroepsonderwijs en bedrijfsleven, om de mismatch tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt te verbeteren? Bijvoorbeeld in de scheepsbouw zou men dat heel goed kunnen gebruiken.

Ik moet tot mijn spijt constateren dat de Belgen het toch beter doen. Bij het Vlaams Instituut voor Biotechnologie zie je dat je met samenwerking ook heel veel kunt doen. Dat is denk ik heel belangrijk. Tot slot, last but not least, nog drie opmerkingen, te beginnen over de regio’s. Mijn motie is niet uitgevoerd. Het circus-Bleker is langsgetrokken met de mededeling: er is geen geld. Hoe gaat de minister de regio’s een plek geven, ook met matching van de voorstellen die straks bij de businesscase naar voren komen en welke rol gaan zij daarin spelen? Consulteert de minister de regio’s voordat hij een besluit neemt? Hoe zit het in internationaal verband? Nederland is toch geen eiland? Waarom bezuinigt de minister op SpaceNed? Dat vindt mijn fractie onverstandig, want SpaceNed levert uiteindelijk alleen maar geld op. Wij vragen hem dus om daaraan geld te besteden. Waaruit kan hij dat betalen? Uit een fantastisch en briljant voorstel van de heer Wientjes, die – ik heb het niet zelf bedacht – ik graag steun. De verlaging van de Vpb kan best iets minder ten gunste van innovatie. Ik vraag de minister om ook dat voorstel van de heer Wientjes over te nemen.

De heer Verhoeven (D66): Voorzitter. Als Nederland mee wil doen in de wereld, moeten we investeren. In kennis, in innovatiekracht, in onderzoek en in ondernemerschap. Wij willen in de top vijf van de beste economieën staan, maar wij zakken op dit moment weg. Op het gebied van R&D-investeringen van onze bedrijven staan er op nummer 16, niet van de wereld, maar van Europa, boven Tsjechië, maar onder België. Uit onderzoek blijkt dat ook de overheid onvoldoende investeert in onderwijs en onderzoek.

Daarom doet D66 vandaag twee voorstellen om het innovatiebeleid van het kabinet te verbeteren en bij te sturen.

Allereerst door meer in te zetten op de innovatiekracht van de regio’s en ten tweede door meer geld vrij te maken dat beter besteed wordt. Innovatie bestaat eigenlijk uit een heleboel subonderwerpen. Ten eerste ondernemerschap, ruimte voor bedrijven. Ten tweede Nederland als locatie, als vestigingsplaats voor allerlei bedrijven: starters, vanuit het buitenland, maar ook gevestigde bedrijven die hier moeten blijven. Ten derde de kenniseconomie, want zonder kennis is innovatie niet mogelijk. En ten vierde het industriebeleid. Waar zetten wij op in om onze innovatiekracht te versterken? Wat ons betreft op deze vier onderdelen van innovatie.

De bedrijfslevenbeleidsbrief gaat met name over de laatste twee punten. Daaraan vooraf ging natuurlijk het regeerakkoord, dat als een strak kader geldt. Er wordt immers gekozen voor een algemene belastingkorting en voor algemene instrumenten, zoals de WBSO, de Wet bevordering speuren ontwikkelingswerk, maar er is veel minder geld voor thematische programma’s, bijvoorbeeld door het Fonds Economische Structuurversterking te schrappen. Die keuze was slecht voor onze innovatiekracht. Daar kan de bedrijfslevenbeleidsbrief niet heel veel meer aan veranderen. Het sectordenken is nu weer leidend, centraal aangestuurd vanuit het nieuwe departement EL&I. Grote bedrijven en traditionele bedrijfstakken staan voorop, veel lastenverlichting, ruimte voor ondernemerschap en zelfs een succesfonds. Dat zijn goede voorstellen, maar er is geen geld meer. Het geld is op als het gaat om specifieke innovatieimpulsen. Dat vinden wij een gemiste kans.

Daarom zijn wij ook kritisch, want het kabinet schenkt oude wijn in nieuwe zakken en geeft sigaren uit eigen doos. Dat noemen wij een borreltafeleconomie. Daarbij komt dan ook nog dat die 1,5 mld. internationaal gezien echt peanuts is. Dat bedrag is gewoon bijeengeharkt uit bestaand budget. Daarvan wordt onze innovatiekracht niet groter.

Wil de minister daarom de totale innovatiebudgetten in beeld brengen van 2008 tot 2015, zodat wij gewoon eens een overzicht krijgen van wat er jaarlijks voor innovatie beschikbaar is geweest? Het financiële plaatje is namelijk onduidelijk. Ik heb de minister er wel eens op aangesproken dat hij moest stoppen met foppen. Dat zou hier ook weer van toepassing kunnen zijn. De voedingssector zoekt bijvoorbeeld naar de toegezegde 60 mln. Die lijkt nu ineens weg te zijn. De metaalsector vraagt: hoe kunnen wij dat onderzoeksgeld nu claimen? Kennisinstellingen vragen op hun beurt juist naar private cofinanciering vanuit het bedrijfsleven. Door dat getouwtrek tussen kennisinstellingen en universiteiten enerzijds en het bedrijfsleven anderzijds wordt de kloof tussen kennis en bedrijven alleen maar groter. Het verzilveren van kennis is nu juist niet onze grote kracht. Daarbij heb ik nog een vraag over het matchinggeld voor het achtste Europese kaderprogramma. In welk deel van die 1,5 mld. zit dat nu precies, en hoeveel was het in de afgelopen jaren?

Bij negen topgebieden kunnen wij ons best iets voorstellen, maar alleen als er echt gekozen wordt. Want zonder focus is hightech of chemie veel te breed. Dan krijg je negen glooiende heuveltjes in plaats van scherpe topgebieden. Gaat de minister de topteams erop wijzen dat zij ook binnen die negen gebieden moeten kiezen?

Het beleid is daarbij te eenzijdig op traditionele bedrijfstakken gericht. Niet op het mkb maar op de grote, gevestigde bedrijven. Zij mogen gaan vragen en de kennisinstellingen moeten dan maar draaien, voor 600 mln., met quick wins en ten koste van excellent en fundamenteel onderzoekswerk. De termijnen duren dan langer, maar dat is waar echte innovatie vandaan komt.

Daarom doe ik twee voorstellen. Allereerst willen wij graag een verruiming van het budget proberen mogelijk te maken, bijvoorbeeld – zoals mijn buurvrouw en de heer Wientjes ook al hebben gezegd – door de winstkorting op de belasting te verlagen, en door de WBSO, die nu geldt voor specifieke thematische programma’s, waarin juist de toplaag van het mkb ook actief is.

Daarnaast moet het beschikbare geld veel vrijer kunnen worden ingezet. Er is nu een matchingscriterium dat ervoor zorgt dat bijvoorbeeld TNO een gedwongen partner is als het gaat om het uitgeven van innovatiegeld. Dan moet je dus geld bij TNO uitgeven. Waarom is dat zo? Is dat de bedoeling? Wij zien liever ook op dat punt concurrentie, zodat ook partijen als NIZO, een klein mkb-onderzoekbedrijf, kansen kunnen krijgen. Is de minister bereid om dit anders in te richten?

Ten tweede wil D66 de topgebieden hun regionale basis teruggeven, want echte innovatie zit niet in sectoren, niet in traditionele bedrijfstakken, maar juist in de topregio’s die Nederland heeft. Ik noem er acht: Energy Port Noord Nederland; Food Valley Wageningen; Brainport Eindhoven; Creative Amsterdam; Mainport Rijnmond; Life Science Leiden; Greenport Westland; Waterbouw Delft. Dat zijn geen sectoren, geen verticaal geïsoleerde bedrijfstakken maar levendige, dynamische gebieden. Het zijn ook geen bestuurlijke regio’s die ik net noemde met starre grenzen, maar kloppende harten van innovatie, met functionele uitlopers, bijvoorbeeld naar Limburg, waar de chemie sterk is, of naar Zeeland, waar heel veel biobased economy zit. Logistiek kan daarbij als verbindend element fungeren.

De kracht van de regio is de nabijheid tussen alle spelers die met innovatie te maken hebben: hoofdkantoren, producenten, toeleveranciers, het midden- en kleinbedrijf, uitvinders, universiteiten, kennisinstellingen, regionale ontwikkelingsmaatschappijen en overheden. Als je meer regionale focus aanbrengt, heb je ook veel meer kans op innovatie tussen bedrijfstakken, want daaraan ontbreekt het in dit beleid. Ik noem spillovers en nieuwe product-marktcombinaties. Zo is de creatieve industrie geen klassieke traditionele sector, maar een samenwerking tussen ambachtelijkheid, houtsnijwerk, hightech en gaming. Al die elementen zijn creative, dus die moet je niet als een geïsoleerde sector beschouwen. Daarbij is een gerichte inzet van kennis en kapitaal naar specifieke behoeften ook veel beter mogelijk als je de regionale agenda vooropzet, van kasonderhoud in het Westland tot snelle ICT-verbindingen in het Noorden.

Waarom is die regionale invulling zo beperkt? Wil de minister de topteams vragen om een regionale paragraaf toe te voegen aan hun actieagenda’s? Tot slot twee opmerkingen. Dat de boegbeelden geen vrouwen zijn, is nog tot daaraan toe, zou ik tegen mijn buurvrouw willen zeggen – al meen ik dat eigenlijk helemaal niet – maar er komt inderdaad weinig jeugdig elan uit deze groep naar voren. Wij missen de local heroes, de echte kennismensen. Het zijn toch met name boegbeelden uit het gevestigde bedrijfsleven. Wanneer komt de Amsterdambrief? Ik sluit mij aan bij de vraag over de bezuinigingen op het ruimtevaartbudget van SpaceNed. Dat kost ons in Noordwijk een enorm aantal hoogwaardige arbeidsplaatsen en ook een enorme relatieve winst. Wij stoppen daar een beetje geld in en we krijgen er een heleboel geld voor terug, dus kan de minister dit alsnog herstellen?

De heer Braakhuis (GroenLinks): Voorzitter. Ik vind het ook niets dat er geen vrouwen in het topteam zitten, maar toen ik het zag staan, dacht ik: we hebben het over het kabinet, maar het bleek het topteam te zijn. Dus die twee liggen in elkaars verlengde.

GroenLinks is op zichzelf blij met een integrale aanpak van het ondernemingsbeleid. Stroomlijning biedt kansen. Er wordt beoordeeld waarin Nederland goed is en er is veel aandacht voor de samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven, wetenschap en onderwijs. Maar toch zijn wij niet enthousiast, en dat is mild uitgedrukt. Het bedrijfslevenbeleid zou een agenda voor de toekomst moeten hebben, maar het is, zoals al eerder is gezegd, oude wijn in nieuwe zakken. Er wordt geld weggehaald uit andere programma’s en er wordt alleen maar herverdeeld. Dat gebeurt niet op basis van heldere keuzes, want daarvoor zou nog van alles te zeggen zijn, maar juist op basis van geen keuzes maken. Want als je negen topsec-toren aanwijst, heb je wat mij betreft bijna de hele economie te pakken. Welke bedrijfstakken zijn nu eigenlijk niet uitgekozen? Het hele beleid lijkt dus uit te gaan van gevestigde belangen. Die worden dan ook gereflecteerd in de gekozen topmannen. Het old boys network heeft zijn kans gegrepen, zo lijkt het.

Ik mis natuurlijk ook duurzaamheid. Dat wordt aangemerkt als uitdaging, maar bij de uitwerking blijkt vooral dat er weinig actie te verwachten is van dit kabinet. Er wordt eigenlijk niets gedaan aan duurzaamheid, terwijl juist daar een enorme innovatiekans ligt voor Nederland. Die kans wordt dus niet gegrepen.

Dit alles roept toch het beeld op dat de minister in een rijdende bus stapt en die wil besturen door alleen in de achteruitkijkspiegel te kijken, en dan met negen mannen van gemiddeld 60 jaar ook nog 130 wil rijden. Dat geeft brokken.

Waarom maakt de minister geen echte keuzes? De negen topsectoren beslaan vrijwel de hele economie. Juist in deze tijd lijkt het alsof het kabinet alles wegbezuinigt, maar dit is nu juist een tijd waarin je vooruit moet kijken en dus moet investeren, bijna tegen de huidige conjunctuur in, om ervoor te zorgen dat wij na deze conjuncturele dip klaar zijn voor een echte toekomst. Van die keuzes merken wij veel te weinig. Als ik kijk wie er betrokken zijn bij dit beleid en welke organisaties daarin een stem hebben, zie ik dat bijvoorbeeld consumentenorganisaties, bewonersorganisaties, natuur- en milieuorganisaties en – D66 refereerde er ook al aan – regionale organisaties er nauwelijks bij betrokken zijn. Waarom is hiervoor gekozen? Waarom is er voor zo’n helikopterachtige aanpak gekozen, terwijl er meer belangengroeperingen zijn die een bijdrage hadden kunnen leveren aan dit beleid?

De minister zet in op administratievelastenverlichting. Het klinkt prachtig als je de percentages daarvan ziet en dan lijkt het heel wat, maar het is weer een verandering van beleid. Je kunt je afvragen of de administratie-velastendruk niet groter wordt door een inconsistente overheid dan dat er daadwerkelijk een vermindering daarvan wordt gerealiseerd in steeds veranderende plannen. Ik denk dat de meeste ondernemers het gevoel niet hebben dat zij er qua administratievelastenverlichting daadwerkelijk op vooruitgaan.

Van het budget heb ik al eerder gezegd dat het lijkt op één grote reshuffle van geld, maar in wezen wordt er overal bij andere departementen iets weggehaald, waaronder – dat zit mij echt dwars – een groot bedrag bij Ontwikkelingssamenwerking. Van de 310 mln. aan internationaal geld lijkt 300 mln. te worden weggehaald uit het OS-budget. Dat vinden wij niet kunnen. Is dit gewoon geld graaien uit het OS-budget omdat de minister dacht: dat is handig en wij kunnen ermee wegkomen? Want dan is namelijk een investering van 1,5 mld. ook nog eens een overdrijving, want dan hebben wij het eigenlijk over 1,2 mld. Ik wil dan ook heel graag duidelijkheid van de minister over de besteding van dat OS-budget. Is het geoormerkt als ontwikkelingsgeld en waaraan draagt het dan bij in het innovatiebeleid van de minister?

Ik stel ook vast dat deze minister in de steek wordt gelaten door zijn eigen kabinetsgenoten. In het Belastingplan, waarover wij de afgelopen jaren hebben gesproken, zie ik dat de plannen van minister Weekers deze minister bepaald niet helpen. Waarom is uiteindelijk de tanteagaathre-geling afgeschaft? Dat is risicokapitaal uit private bronnen waarmee ondernemerschap kan worden gestimuleerd. Waarom is er zo onsamenhangend nagedacht over het fiscale beleid, terwijl deze minister bezig is met een nieuw bedrijfslevenplan, waarmee dus duidelijk niet rekening lijkt te zijn gehouden in andere maatregelen van dit kabinet? Dat geldt natuurlijk ook voor de afschaffing van de heffingskortingen op groen beleggen. Het lijkt allemaal alsof het ergens toe bijdraagt, namelijk om de beoogde 18 mld. te halen, maar uiteindelijk zal die afschaffing voor het innovatiedeel bepaald niet helpen.

En dan is er natuurlijk ook de vennootschapsbelasting. Als je echt een bedrijfstak wilt stimuleren en helpen, zou je moeten inzetten op arbeidskostenverlaging. Die leidt er niet alleen toe dat er meer mensen aan het werk gaan maar ook dat bedrijven meer ruimte overhouden, bijvoorbeeld voor investeringen en innovatie. Ik wil graag antwoord op de vraag waarom er is gekozen voor het verlagen van de vennootschapsbelasting, terwijl dat deze minister in mijn optiek bepaald niet helpt. Wij zijn al het grootste belastingparadijs ter wereld. Wat voegt dit er nog aan toe? Helpt het nu echt om het vestigingsklimaat te verbeteren? Sorry, ik geloof er geen donder van.

Ik sluit af met onderwijs en scholing. De vakbonden, de industrie en het mkb geven aan dat de echte problemen juist liggen op het terrein van arbeidsmarkt en scholing. Hier zie je ook weer het gebrek aan samenhang binnen dit kabinet. Intussen wordt er dus wel bezuinigd op fundamenteel onderzoek, worden hervormingen van de arbeidsmarkt tegengehouden, wordt er bezuinigd op de 30-plusregeling voor het mbo en worden langstudeerders gestraft. Dat roept bij mij echt de vraag op: heeft deze minister wel voldoende steun gehaald binnen zijn eigen kabinet om hem te helpen gericht en vooruitziend beleid op te zetten?

Mevrouw Schaart (VVD): Voorzitter. Nederland is momenteel de zestiende economie van de wereld. Dat is niet slecht voor zo’n klein land, maar wij hebben natuurlijk ook veel potentie wat ligging en talent betreft. Door de jaren heen hebben wij ons weten aan te passen aan een veranderende wereld, waarbij wij wisten vast te houden aan onze handelspositie.

Inmiddels verandert de wereld in rap tempo. Als ik kijk naar voorspellingen van onder andere Goldman Sachs zijn de machtigste handelsbanden in 2 030 en 2 050 landen als Nigeria, Brazilië en Bangladesh. Als wij ons niet weten aan te passen aan de wereld van morgen, komt Nederland straks op geen enkel lijstje meer voor. Het is zaak dat wij ons hiervan bewust zijn.

Verder is het zaak dat we kiezen voor de juiste oplossing: het stimuleren van technologische ontwikkelingen en ruimte bieden voor de markt, want dat is waardoor Nederland een zo sterke economie heeft kunnen krijgen. Door de mensen en niet door de overheid. Die vervulde later een faciliterende rol. Dat is ook hoe het moet gaan.

Het beleid dat de minister verdedigt, is naar de mening van de VVD veel te rigide en niet compleet. Er zijn te veel topsectoren, er is te weinig oog voor transsectorale innovatie en er is geen aandacht voor innovatie in niet-topsectoren.

De heer Verhoeven (D66): Mevrouw Schaart zegt dat er te veel topsec-toren zijn. Ik zou dan graag van haar horen welke keuzes zij dan maakt,

want het is natuurlijk heel makkelijk, zoals mijn buurman ook deed, om te zeggen dat je keuzes moet maken. Dan wil ik graag van haar horen welke keuzes.

Mevrouw Schaart (VVD): Dank u wel voor deze vraag. Die komt aan bod in de rest van mijn betoog. Ik vind, zoals hiervoor al heb gezegd, dat de overheid in principe ook geen keuzes zou moeten maken maar dat de markt dat veelal zelf zou moeten doen. Ik vind het prima dat er wel is gekozen voor regio’s, biotopen, waar bedrijfsleven, overheid en onderwijsinstellingen van nature samen sterk worden, zodat wij in de top van de wereld terechtkomen. Daarbij heeft de overheid wat mij betreft louter een faciliterende rol. We moeten niet de keuzes gaan maken die de markt zelf moet maken.

De heer Verhoeven (D66): Dat klinkt natuurlijk leuk, maar innovatie is nu typisch zo’n onderwerp waarvoor een lange termijn geldt. De terugver-dientijd van een investering is heel lang, de risico’s zijn groot. Altijd en wereldwijd is duidelijk geworden dat een overheid stimulerend kan zijn voor het mogelijk maken van innovaties. Fundamenteel onderzoek verdient zich niet in een dag terug. Is mevrouw Schaart het dan ook niet met mij eens dat de overheid juist wel een leidende rol kan spelen in plaats van te zeggen dat de markt het zelf maar moet uitzoeken?

Mevrouw Schaart (VVD): Zoals ik al heb gezegd, de keuzes die zijn gemaakt om de gouden driehoek verder te versterken zijn de juiste keuzes. Maar ik vind wel dat in een land dat ongeveer net zo groot is als Shanghai negen topsectoren wel wat veel zijn en dat er veel meer aandacht zou moeten zijn voor de niet-top sectoren. Wat ons betreft mag elke regio en mag elk bedrijf in Nederland tot de top van de wereld behoren.

Als liberaal vraag ik mij ook hardop af in hoeverre de overheid in staat is om de winnaars van morgen kiezen. Het is niet de overheid maar de markt die uiteindelijk zal bepalen welke bedrijven en welke sectoren aansluiting vinden bij de wereldtop. Als een van de topsectoren geen aansluiting vindt, zullen er andere keuzes moeten worden gemaakt. Kan de minister aangeven welke ijkmomenten er zijn? Hoe bepalen wij de komende jaren of een topsector een topsector blijft? Hoe creëren we ruimte voor andere sectoren, die misschien wel onverwacht aansluiting vinden bij de wereldtop, en dit alles zonder straks opgescheept te zitten met meer dan negen topsectoren? Want zoals gezegd, vindt de VVD negen al veel te veel.

In de ogen van de VVD zou iedere sector de kans moeten hebben om aan te sluiten bij de wereldtop. Door te kiezen voor topsectoren lijkt het een beetje alsof er winnaars en verliezers zijn. Laten we eerlijk zijn, wie had er tien jaar geleden, toen Microsoft de wereld nog domineerde, gedacht dat Apple de toekomst zou domineren? Graag hoor ik van de minister hoe hij de kaders schept voor andere sectoren om innovatief bezig te zijn. Voor deze sectoren is het generieke innovatiebeleid van groot belang. De overheid moet hier vooral faciliteren en niet subsidiëren. De VVD is dan ook vooral blij met de vereenvoudiging van de subsidie-instrumenten. Voor bedrijven is de zekerheid van regelgeving essentieel. Het is dan ook zaak dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt over de precieze inhoud van het generieke innovatiebeleid. Ik hoor daarom graag van de minister welke invulling er gegeven wordt aan de nog overgebleven instrumenten: de WBSO en het revolverend fonds. Nederland heeft de potentie om het Singapore van Europa te worden. Om dit doel te bereiken, moet er volgens de VVD een aantal zaken veranderen. Onze infrastructuur moet een topinfrastructuur zijn en de gouden driehoek van bedrijven, bedrijven en onderwijs/onderzoek moet effectief zijn. En wij moeten meer bedrijven aantrekken en hier houden.

Wanneer ik spreek over infrastructuur heb ik het echter niet alleen over wegen of over de havens van Rotterdam. Voor onze toekomst is ook onze digitale infrastructuur van ongekend belang. Om met de minister te spreken: 60% van de economische groei in Nederland valt terug te voeren op ICT. De VVD vindt dan ook dat ieder topteam in de uitwerking van dit beleid een hoofdstuk zou moeten wijden aan de toepassing en de rol van ICT in die specifieke sector en aan de eisen die de sector stelt aan de infrastructuur in Nederland. Zo wordt er body gegeven aan het principe van ICT als innovatie-as. Indien de minister dit niet kan toezeggen, overweeg ik op dit punt een motie.

Verder is het zaak dat kennisinstellingen, overheid en bedrijfsleven – de gouden driehoek – meer gaan samenwerken. Op dit punt scoort Nederland heel slecht. De VVD is ook blij dat er meer aandacht komt voor deze gouden driehoek. Voor innovatie is de aanwezigheid van kennis van cruciaal belang. We moeten voorkomen dat we in Nederland te maken gaan krijgen met een braindrain. Situaties zoals bij Abbott en MSD laten een trend zien. Steeds meer bedrijven verplaatsen hun R&D naar het buitenland of gaan volledig weg uit Nederland. Gaat dit beleid verandering brengen in die situatie? Hoe ziet de minister dit voor zich? In de ogen van de VVD is een goed vestigingsbeleid de oplossing, een vestigingsbeleid dat zich richt op biotopen waar topbedrijven, werknemers, toeleveranciers en researchinstellingen elkaar vinden. Brainport is hiervan een goed voorbeeld, maar ook Greenport en Waterhub in het Noorden van het land. Dit kan vaak op een heel concrete manier. De regio Den Haag profileert zich steeds meer als internationale stad van vrede en veiligheid. Europol en het Strafhof zetelen al hier. Het Nationaal Cyber Security Centrum zou dit imago versterken. Is de minister bereid om zich in te zetten voor de vestiging van dit centrum in Den Haag? Een goed vestigingsbeleid kunnen wij bereiken met simpele, concrete maatregelen. Het is toch absurd dat bedrijven soms jaren moeten wachten op de benodigde vergunningen om een nieuwe fabriek of researchfaciliteit te kunnen bouwen? De VVD is van mening dat alle bedrijven binnen zes maanden uitsluitsel zouden moeten hebben. Hoe kijkt de minister tegen dit voorstel aan?

Bedrijven zullen alleen maar naar Nederland komen als ook ons wetenschappelijk onderzoek kan meedoen met de wereldtop. In dit verband maakt de VVD zich zorgen over de gevolgen van dit beleid voor het behouden van topwetenschappers aan onze universiteiten. Nu al bereiken ons signalen dat goede wetenschappers uitkijken naar een andere plek en overwegen om Nederland te verlaten. Is de minister bekend met dit probleem en wat gaat hij, in overleg met zijn collega’s van OCW, hieraan doen?

Een andere zaak waarover wij ons zorgen maken is het matchen van Europese gelden uit kaderprogramma’s. Kan de minister verzekeren dat dit niet in gevaar komt? De VVD vindt het van groot belang dat de gouden driehoek tussen overheid, bedrijven, onderwijs en onderzoek in Nederland wordt versterkt.

Door het wegvallen van de FES-gelden, waarover andere collega’s ook al hebben gesproken, wordt in ieder geval één sector in Nederland te zwaar getroffen. Doordat de ruimtevaart niet binnen het topsectorenbeleid valt, loopt men het gevaar in Europees verband de boot te missen. Dat bedoel ik met een slim ecosysteembeleid. Ruimtevaart is bij uitstek een sector waarin veel fundamenteel onderzoek wordt gedaan, dat later van grote maatschappelijke waarde kan zijn. Zonder ruimtevaartonderzoek geen gps en dus ook geen TomTom.

Wij leven in een veranderende wereld. Het is moeilijk om te voorspellen wat na het internet en de mobiele ontwikkelingen de volgende grootheid gaat worden, maar dat het met technologie te maken zal hebben, lijkt zeker. Nederland kan aansluiting houden bij de wereldtop als onze overheid zorgt voor goede randvoorwaarden en de mensen zelf en de markt ruimte biedt. Zo kan Nederland op kansen inspringen en zich ontwikkelen tot handelsland in het derde millennium.

Mevrouw Dijksma (PvdA): Mevrouw Schaart begon haar inbreng eigenlijk met kritiek, namelijk dat zij vindt dat de bedrijfslevenbrief van de minister te rigide is. Wat betekent dat politiek nu precies? Betekent dit dat de VVD-fractie geen steun verleent aan de voorstellen die er nu liggen?

Mevrouw Schaart (VVD): Nee, dan hebt u mij verkeerd begrepen. Ik geef wel steun aan het beleid, maar het is de eerste keer dat we hier op deze manier over kunnen praten. Ik wil niet dat dit beleid te star wordt uitgevoerd. Dus ik wil het nu hebben over de invulling ervan en ik wil dat er veel meer aandacht is voor transsectorale innovatie en dat de gekozen topsectoren ook kunnen uitvallen of wegvallen, waarna er nieuwe topsectoren kunnen worden gekozen. Mij gaat het erom dat wij ook aandacht hebben voor die bedrijven die niet in de topsectoren zijn beland.

Mevrouw Dijksma (PvdA): Dat is goed om te weten, want dan weten we ook weer precies waar de VVD staat. Ik was even licht verrast en wat hoopvol, maar dat ebt weer weg. Vindt mevrouw Schaart dat er minder topsectoren moeten worden aangewezen wanneer de keuze voor de topsectoren blijft zoals die nu voorligt? Zij zegt namelijk dat er misschien te weinig focus is, maar wat zij nu doet, is eigenlijk het slagveld alleen maar groter maken.

Mevrouw Schaart (VVD): Dit beleid is nu opgeschreven. Het gaat mij ook meer om de uitvoering ervan. Wat gaan we dan werkelijk doen en hoe gaat het kabinet zich hiervoor inzetten? De negen topmannen zijn begonnen. Half juni krijgen wij daarvan de resultaten. Dat wachten wij in eerste instantie af. Ik heb in mijn betoog willen aangeven: wees niet te star en kijk vooral naar de bedrijven die niet in deze topsectoren zijn genoemd.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Voorzitter. Nederland is prima in staat om de internationale concurrentie aan te gaan, vooral door onze ligging en logistiek, innovatiekracht, rechtszekerheid en hoogwaardige arbeid. De ChristenUnie ziet in het aantrekken van innovatieve bedrijvigheid winst voor werkgelegenheid, een sterke economie en oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen, zoals krimp. De ChristenUnie vindt de plannen van het kabinet een voorzichtige stap in de goede richting, maar wij zijn er nog lang niet. Want willen wij tot de top vijf van de wereld behoren op het gebied van de kenniseconomie, dan moet er ook worden voldaan aan een aantal voorwaarden, zoals verdere uitbreiding en verlenging van de kenniswerkersregeling, actiever oppakken van de rol van launching customer, inzetten op een Europees level playing field en een concrete aanpak van de regeldruk. Graag hoor ik van de minister wat zijn ambities zijn voor het realiseren van deze voorwaarden. Juist na een periode van economische neergang, is investeren in bedrijvigheid en innovatie van cruciaal belang. Dat vraagt wel om langjarige zekerheid voor bedrijven als belangrijke factor, zowel nationaal als internationaal. Daar ligt voor ons een zorgpunt. Op welke manier zal de minister garanderen dat er sprake zal zijn van een overheidsbeleid dat consistent is en waarbij sprake is van continuïteit in de uitvoering? Dit is namelijk een cruciale voorwaarde om belangrijke investeringen te kunnen doen.

Het is belangrijk dat Nederland zich inzet voor een goed vestigingsklimaat, maar de afgelopen jaren is Nederland een aantal keren geconfronteerd met buitenlandse overnames van succesvolle bedrijven op Nederlands grondgebied. Voornamelijk bij het opdelen van deze bedrijven ontstaan grote problemen voor kennis en werkgelegenheid. Hoogwaardige kennis raakt hierdoor versnipperd. Hoe blijft Nederland aantrekkelijk voor buitenlandse bedrijven, niet alleen hoofdkantoren, maar ook R&D-afdelingen? Hoe kunnen wij een uitverkoop van Nederlandse bedrijven tegengaan? Als er sprake is van een overname, hoe wil de minister in de toekomst versnippering van kennis en werkgelegenheid aanpakken?

Rondom MSD-Organon is het nog onduidelijk of een deel van de onderzoeksbanen behouden blijft. Wat is de inschatting van de minister en wat heeft hij geleerd van de ervaringen rondom dit bedrijf? Daarnaast moeten wij de aanwezigheid van grote buitenlandse multinationals in Nederland niet onderschatten voor de Nederlandse industrie en werkgelegenheid. Hoe ziet de minister de positie van deze bedrijven? Wat doet hij om vestiging en behoud van deze bedrijven te verbeteren? Het is nu zaak om de financiële middelen dusdanig in te zetten dat er maximaal economisch rendement valt te behalen. Wat er al is gerealiseerd, moeten wij koesteren en voortzetten. Daarom vraag ik de minister om aandacht voor de financiering van de technologische topinstituten. Voor 2015 stelt de minister 1,5 mld. beschikbaar voor deze sectoren. Maar hoe zit het met de tussenliggende periode? Het wegvallen van de FES-gelden zal niet automatisch leiden tot voortzetting van initiatieven door het bedrijfsleven. Het risico bestaat dat succesvolle gouden driehoekinitiatieven wegvallen, wat ik als kapitaalvernietiging beschouw. De R&D-uitgaven van grote bedrijven en het innovatieve mkb liggen op een aardig niveau. Het gaat nu juist om samenwerkingsverbanden die op onze topgebieden het verschil maken door nieuwe investeringen los te maken in gedurfde innovatie. In een werkbezoek aan het Bio Science Park in Leiden bleek ook dat steeds meer kenniswerkers terechtkomen bij het innovatieve mkb, maar dat kleinere bedrijven tegelijkertijd sterk afhankelijk zijn van investeringen van multinationals. Veelbelovende en groeiende bedrijven steunen zwaar op samenwerkingsverbanden zoals de topinstituten.

Eerder hebben wij het in de Kamer gehad over TI Pharma, maar ik wil ook graag van de minister horen hoe de voortgang is van TI-COAST. Als deze topinstituten wegvallen, wat zijn dan de alternatieven? Hoe ziet de overgang naar het nieuwe stelsel eruit? Hoe zit het dan met de buitenlandse bedrijven die ons vestigingsklimaat onder meer hebben beoordeeld op basis van toezeggingen, onder andere van deze topinstituten? Is de minister met mij van mening dat wij ook in deze periode moeten zorgen dat deze instituten niet omvallen en is hij bereid te zorgen voor een financiële overbrugging, zodat een succesvolle transitie naar de topsectoren gewaarborgd blijft? Is het bijvoorbeeld mogelijk om het kasritme van de bezuinigingen te vertragen? Of kunnen de FES-middelen voor een deel worden gebruikt voor deze overbrugging? Graag een reactie daarop.

Daarnaast wil ik graag weten op welke manier de 1,5 mld. wordt toegekend aan de verschillende topsectoren. Is het de bedoeling dat het bedrijfsleven een stem krijgt in de toekenning van NWO- en TNO-gelden? De minister heeft negen topsectoren benoemd. Nederland kan niet in alles excelleren. Op het gebied van technologische innovatie verschuift er overigens meer en meer naar internationale nichespelers in het mkb. Hoe ziet de minister deze structurele schaalverkleining in het bedrijfsleven? Ook graag aandacht van de minister voor nieuwe dingen die ontstaan op het snijvlak van de topsectoren, de zogenaamde crosssectorale innovatie, waarover mevrouw Dijksma ook al heeft gesproken. Op welke manier wil de minister deze crosssectorale kansen stimuleren? Overigens zitten de pausen van de topsectoren – iedereen heeft het er al over gehad – alle in dezelfde categorie: 60-plus en man. Dat gaat voor de komende tijd ook nog wel problemen opleveren, ook als wij bijvoorbeeld kijken naar de arbeidsmarkt. Waarom inderdaad geen vrouw om ook meer meisjes ertoe te brengen dat zij gaan kiezen voor dit soort beroepen?

Om de kenniseconomie te ontwikkelen, hebben wij goede mensen nodig. Veel werkgevers klagen dat opleidingen nauwelijks aansluiten bij de wensen van het bedrijfsleven. Belangrijk is ook het rapport van de commissie-Veerman. Wij moeten toe naar meer differentiatie en specialisatie in het hoger onderwijs. Dat geldt nadrukkelijk ook voor het hbo. Kernvraag is: zijn wij voldoende mensen aan het opleiden voor onze arbeidsmarkt? Het probleem is dat er al langere tijd onduidelijkheid is hoe differentiatie en specialisatie in het hoger onderwijs zullen worden toegepast.

Ondanks de recente kabinetsreacties zal er pas echt een verandering optreden als negatieve bekostigingsprikkels uit het systeem verdwijnen en al er juist meer komen voor profilering van kwaliteit en bekostiging daarvan. Kortom, het aanbod aan en de inhoud van de opleidingen moet beter worden afgestemd met het bedrijfsleven, dat moet worden aangemoedigd om meer te investeren in de opleidingen en in het aanbieden van stageplaatsen. Hoe wil de minister dat aanpakken? Welke rol kunnen de regionale TOA’s hier in de komende jaren spelen? Wat vindt de minister van de oproep van de FME om goede en bekwame mensen uit het bedrijfsleven binnen het mbo in te zetten om kennis over te dragen? Tot slot. De minister wees in zijn brief op de toenemende schaarste aan grondstoffen, de klimaatverandering en de teruglopende biodiversiteit. Echter, voor de rest zie ik hierover niets terug in de thema’s. Is de minister bereid ...

De voorzitter: ... om daar eens naar kijken?

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): ... om biodiversiteit en ecosystemen het verbindende thema te maken in het beleid van de topgebieden?

De voorzitter: Ik verzoek de leden om zich aan de spreektijd te houden.

De heer Van Bemmel (PVV): Voorzitter. Ik ben blij dat u zo coulant bent met de tijd. Die zal ik hard nodig hebben. Als je ziek bent, schrijft een arts je vaak een medicijn voor teneinde zo snel mogelijk te herstellen. Sommige medicijnen, zoals aspirine of paracetamol, bestrijden de symptomen van een aandoening, de echte genezing komt pas tot stand door bijvoorbeeld een antibioticakuur. Zo ook met de crisismaatregelen als deeltijd-WW. Die kon je als pijnstiller rubriceren om even tijdelijk de pijn weg te nemen. De bedrijfslevenbrief kan bijdragen aan een gezonde Nederlandse economie in de toekomst, zou ik zeggen. Als wij kijken naar de concurrentiekracht van Nederland en naar de kansen die sterk opkomende economieën zoals in Azië en Latijns-Amerika met name voor de exportsector kunnen betekenen, dan kunnen marktkansen worden verzilverd en kunnen bedrijven, mensen en kennis aan Nederland worden gebonden. De maakindustrie echter en onze agrariërs kunnen hiervan wel veel last krijgen.

Europese regelgeving, vaak nog aangedikt met nationale koppen, zorgt vaak voor een ongelijk speelveld. Zo sprak ik een tijdje geleden tijdens het AO over de Raad voor Concurrentievermogen over de sambavarkens die onze Nederlandse varkenshouders dreigen plat te walsen. Dit is dus een bedreiging die voortvloeit uit de globalisering. Wat denkt de minister hiervan? De staatssecretaris heeft zijn zorgen hierover inmiddels ook geuit.

Ook willen wij in dit kader nog even de complexiteit benadrukken van de nationale koppen. Zo praten wij als Kamer bijvoorbeeld al jaren over het aanleggen van een hoogspanningsmast door een weilandje, en dat alleen maar doordat wij van die moeilijke regelgeving hebben. Dat duurt allemaal superlang.

Wij praten over innovatie. Innovatie, ondernemerschap en creativiteit zullen nodig zijn om de economie weer vlot te trekken. Ik verbaas mij over de inbreng van sommige collega’s hier, die meteen alweer vraagtekens plaatsen bij een top tien. Mijn vraag is: wat is er mis met mannen op leeftijd? Dat vraag ik als een 50-plusser. Ik zie bij de PvdA een man op leeftijd die de leiding genomen heeft en zelfs bij D66 zag ik tijdens een debat een paar dagen geleden dat de heer Pechtold, een jong aanstormend talent, een vrouwelijke woordvoerder eventjes verving.

De voorzitter: Een jonge vrouw wil graag nog eventjes iets vragen.

Mevrouw Dijksma (PvdA): Er is helemaal niets mis met mannen op een zekere leeftijd; je moet er alleen niet te veel van hebben.

De voorzitter: Mijnheer Van Bemmel, steekt u dat maar in uw zak!

De heer Van Bemmel (PVV): Ik hoorde geen vraag.

De voorzitter: Dan kunt u uw betoog vervolgen.

De heer Van Bemmel (PVV): Allereerst iets over de sectorale aanpak die de regering voorstaat. Veel ondernemers zijn hier positief over, maar hebben tegelijkertijd ook zorgen. Met name het wegvallen van de FES-gelden ziet men nog niet op korte termijn worden gecompenseerd door het bedrijfsleven. Zo pleit de Netherlands Academy of Technology and Innovation voor een meer geleidelijke overgang naar het nieuwe stelsel. In het algemeen hoor ik zorgen over de vaak wisselende inzichten. Per kabinet wordt er iets anders geprobeerd. Dit maakt het er voor veel veelbelovende nieuwe ondernemingen niet makkelijker op om te overleven. Onderzoek en innovatie beslaan vaak langere periodes, in ieder geval veel langer dan vier jaar.

In de brief van de minister wordt gesproken over de samenwerking tussen bedrijven, kennisinstellingen en de overheid. Gezamenlijk dient men tot een visieontwikkeling te komen en tot daaruit voortkomende langjarige afspraken. Wij dienen als overheid betrouwbaar te zijn. Hoe ziet de minister in dit licht de implementatie van het nieuwe topsectorenbeleid? Ook graag een reactie op de zorgen over de private financiering. Ik vat samen. Men is positief over de ambities van het topsectorenbeleid. Men hoopt wel op actie in plaats van alleen maar praten. Daadkracht en snelheid zijn gewenst. Geen gebeuzel meer, zoals in het verleden maar al te veel gebeurde.

Er was vanochtend een nieuwtje. VNO-NCW schaft de Commissie Regeldruk Bedrijven af. De argumentatie daarvoor is dat de commissie niet meer nodig is, omdat het kabinet de voornemens integraal uitvoert. Een compliment voor de minister.

Wij zijn erg tevreden over de ingezette koers. De loonstrook wordt vereenvoudigd, vele formaliteiten bij het starten van een bv worden geschrapt, het aantal irritante CBS-enquêtes wordt verminderd, etc. Ook worden er goede stappen gezet in de aanbesteding. Zzp’ers en mkb-bedrijven krijgen hierdoor meer kansen. Het afschaffen van de verplichte ritregistratie zoals aangekondigd door de staatssecretaris zorgt bij de PVV voor grote vreugde. Het is nu wel een kwestie van doorpakken. Het zou goed zijn om de hardwerkende ondernemers dit goede nieuws uiterlijk per 1 juli mee te delen. Ook het ondernemingsdossier geeft veel minder werk: niet iedere keer bij elk contact met de overheid alle gegevens invullen. Octrooien zullen op basis van «no cure no pay» worden uitgegeven. Ook dat vinden wij een goed idee. Het is goed dat gefocust wordt op main-, brain- en greenportregio’s, maar het is ook te begrijpen dat een aantal regio’s volop wil meedoen. Noord-Nederland heeft over de status van energyport gesproken. Ik wil

Zuid-Limburg en Zeeland ook genoemd hebben. Het zijn allemaal regio’s die zich op de kaart willen zetten, en niet onterecht. Zijn er slechte ontwikkelingen voor het bedrijfsleven? Ja, en die komen met name uit de decentrale hoek. Een aantal gemeentes zet schaamteloos het belastinginstrument in om de tekorten aan te vullen, hetgeen resulteert in hogere lasten voor het bedrijfsleven. Ik denk aan extreem verhoogde parkeertarieven. Kan het Rijk hier iets aan doen? Kunnen wij linkse, anti-economiesteden als Amsterdam niet meer onder curatele stellen? De Amsterdamse aanpak is een grote spelbreker als het gaat om het terugdringen van de administratieve lasten. Ondernemersvereniging ORAM stelt dat Amsterdam het ondernemersklimaat schaadt. Niet vertrouwen, maar wantrouwen is daar nog steeds het uitgangspunt. De Wet Bibob wordt onnodig opgerekt, waardoor er jaarlijks meer dan 2000 ondernemers deze procedure ingaan. Dat is een basis van wantrouwen in plaats van van vertrouwen. Het kabinet zet in op vertrouwen. Alle neuzen moeten dezelfde richting op, die van Rijk, provincies en gemeenten.

De heer Koppejan (CDA): Voorzitter. De door de minister gekozen aanpak in het bedrijfslevenbeleid mag met recht vernieuwend genoemd worden. Er worden echte keuzes gemaakt waar ambitie uit spreekt. Alle krachten van de overheid, van Economische Zaken, Buitenlandse Zaken en Onderwijs, worden gebundeld. Als voormalig ondernemer spreekt mij dat aan. Immers, ook als ondernemer is keuzes maken het eerste wat je leert. Je moet je energie focussen op datgene waar je goed in bent. Daar moet je innovatief en met volle overtuiging voor gaan. Dat is precies wat deze minister doet. Hij maakt keuzes voor een aantal topsectoren waar Nederland goed in is. Vervolgens wordt van onderop in samenwerking met de sectoren, de bedrijven en de kennisinstituten de beleidsinspanning daarop gericht. Terecht noemt de minister het succesvolle agrofood-complex als voorbeeld voor de manier waarop de gouden driehoek van bedrijfsleven-kennisinstituten-overheid daadwerkelijk goud kan opleveren, nationaal en internationaal. Ik denk ook aan onze watersector, waarin wij als Nederland met onze kennis en ervaring veel te bieden hebben. Van de overheid mag een ondernemende instelling verwacht worden, maar uiteindelijk zijn het de ondernemers die het moeten doen. Zij moeten alle ruimte krijgen om te kunnen ondernemen. Ik heb het dan niet alleen over de grootbedrijven, maar vooral ook over de 800 000 ondernemers in het mkb, de ruggengraat van onze economie. Voor dat ondernemen dient de overheid de juiste voorwaarden te scheppen: infrastructuur, scholing, arbeidsmarktbeleid en vooral niet te veel regels, administratieve lasten en bemoeizucht. Daarom is het goed dat de overheid zich van bepaalde terreinen terugtrekt. Niet alleen omdat dit bezuinigingen oplevert, maar meer nog omdat de overheid zich dient te concentreren op haar kerntaken, waarbij zij voor ondernemers ruimte maakt en kansen biedt. Verder dient de overheid meer te werken vanuit vertrouwen richting de ondernemer.

Overheden, maar ook deze Kamer, hebben vaak de neiging om bij elk probleem een nieuwe regeling en een nieuwe wet te bedenken. Kunnen wij met elkaar niet eens afspreken dat bij elke nieuwe regel die de overheid bedenkt, tegelijkertijd twee overbodige regels worden afgeschaft? Graag een reactie van de minister.

Wij moeten ook eens af van de overheid die vooral stuurt op budgetten. Met «overheid» bedoel ik ook de provincies, de waterschappen en de gemeenten. Als ze al niet overschreden worden, moeten de budgetten voor het eind van het jaar op. Ook dit moeten wij niet langer willen. De overheidsmiddelen zijn per definitie beperkt, zeker bij een kabinet dat 18 mld. moet bezuinigen. Het CDA pleit ervoor dat bij de toekenning van de middelen in het kader van het topsectorenbeleid de overheid meer kijkt met de bril van de ondernemer en de investeerder, die op iedere bestede euro aan belastinggeld een optimaal economisch en maatschappelijk rendement nastreeft. De ervaring leert dat projecten waar de ondernemer en de kennisinstelling ook zelf in willen investeren, het meest kansrijk zijn. Iedere ondernemer heeft er een hekel aan als zijn geïnvesteerde geld geen winst oplevert. Daarom vindt het CDA dat het mee-investeren van bedrijfsleven en kennisinstellingen een hard criterium moet zijn bij het toekennen van overheidsgeld aan projecten. Wij zien graag dat de 1,5 mld. die beschikbaar is voor het topsectorenbeleid, minimaal verdubbeld wordt met investeringen vanuit het bedrijfsleven. Graag een harde toezegging van de minister.

Ik maak een enkele opmerking over de fasering. Bij de begrotingsbehandeling heeft mijn collega Verburg een motie ingediend om de spelers in de topgebieden en de regio’s in staat te stellen om vóór 1 april 2011 een businessplan op te stellen. Kan de minister aangeven wat tot op heden de respons is? Mogen wij erop rekenen dat de vruchten van het nu ingezette topsectorenbeleid in belangrijke mate in de diverse regio’s kunnen worden geplukt? Hoe kunnen zij aansluiten bij het beleid van de minister? Naast de brainport in Brabant, denk ik hierbij bijvoorbeeld aan de Health Valley in Oost-Nederland, de Energy Valley in Noord-Nederland en de Maintenance Valley in Zuidwest-Nederland.

Mevrouw Dijksma (PvdA): Ik wil graag weten wat de woorden van de heer Koppejan waard zijn. In het regeerakkoord staat dat het geld dat voorheen voor de regionale economie beschikbaar was, op nul wordt gezet. De verantwoordelijkheid wordt overgedragen aan de regio’s. En nu vraagt de heer Koppejan aan de minister of de regio’s misschien nog een beetje mogen meedoen. Wat bedoelt hij daar precies mee?

De heer Koppejan (CDA): Daar bedoel ik mee dat wij niet meer op de ouderwetse manier, zoals wij het nog met de PvdA deden, zomaar geld naar de regio’s lozen. Wij moeten bekijken hoe regio’s kunnen mee-investeren in de kansrijke sectoren. Wij willen aan de regio’s vragen om meer op een ondernemersmanier te gaan denken. Daarnaast vind ik het van belang dat de regio’s alle ruimte krijgen om te investeren. Daar hebben zij hun eigen regionale ontwikkelingsmaatschappijen voor. De overheid participeert daar nog vaak in. Misschien moet je daarvan zeggen: overheid, trek je terug, geef die regio’s de ruimte om maximaal te investeren in hun eigen economische beleid.

Mevrouw Dijksma (PvdA): Volgens mij is er helemaal niemand in dit land die uw gedeputeerden wil beletten om te investeren in hun regionale ontwikkelingsmaatschappijen, maar het is wel uw kabinet dat het geld daarvoor op nul gezet heeft. Nogmaals, ik ben het van harte met u eens dat wij het moderner kunnen doen. Ik ben het er ook mee eens dat misschien niet elk project dat in het verleden in het kader van Pieken in de Delta uitgevoerd is, even effectief was, maar wat hebt u de regio’s nu te bieden, behalve nul euro?

De heer Koppejan (CDA): Een van onze voorstellen is dat de overheid, daar waar zij nog participeert in ontwikkelingsmaatschappijen, haar aandelen voor een symbolisch bedrag ter beschikking stelt aan de regio, zodat men daar zelf voluit met eigen middelen kan investeren. Anders pikt de overheid daar ook weer een graantje van mee.

Het is goed dat er keuzes voor sectoren worden gemaakt. Dat mag echter niet leiden tot een nieuwe vorm van verkokering. Er liggen ook veel kansen op innovatie door sectoroverstijgende samenwerkings- en dwarsverbanden, bijvoorbeeld in de biobased economy, die zich bevindt op het snijvlak van de topsectoren chemie, agrofood en energie. Heeft de minister ook hiervoor aandacht?

De voor dit beleid beschikbaar gestelde 1,5 mld. wordt vooral verkregen via herallocatie van bestaande geldstromen. Hoe snel zijn deze middelen beschikbaar te maken voor het nieuwe beleid? Wij zijn blij met de ondersteuning in de financiering van innovatieve bedrijven via het Innovatiefonds. De minister zegt dat hij streeft naar een startkapitaal van enkele honderden miljoenen euro’s. Bovendien doet hij een onderzoek naar de ontwikkelingen op het gebied van bedrijfsfinanciering. Gelukkig neemt de kredietverlening aan het mkb weer iets toe, maar dat neemt niet weg dat er op het gebied van financiering, zeker ook van innovatieve bedrijven, het nodige moet gebeuren. Wij zien graag vóór 1 juni 2011 een concreet voorstel van de minister, waarbij ook wordt aangegeven hoe de Nederlandse kennisinstellingen hierin een rol kunnen spelen. Hetzelfde geldt voor het Actieplan jonge innovatieve ondernemers. Het is goed dat de minister het noemt in zijn brief. Bij de begrotingsbehandeling heeft mijn collega Verburg aandacht gevraagd voor het feit dat op de universiteiten allerlei patenten op de plank blijven liggen waarmee jonge ondernemers iets zouden kunnen doen. Wanneer gaan wij hier daadwerkelijk mee aan de slag? Wij vragen ook op dit punt om een actieplan vóór 1 juni.

Innovatie is in de relatie met het mkb en met startende ondernemers een belangrijk aandachtspunt. Veel fundamentele vernieuwing komt juist uit die hoek. Hoe gaat de minister de kansen in zijn nieuwe beleid optimaal benutten?

Meer kennis voor bedrijven is terecht een belangrijk onderdeel uit de bedrijfslevenbrief. Het streven is erop gericht dat vanaf 2016 2,5% of meer van de publieke onderzoeksmiddelen specifiek zal worden ingezet ten behoeve van het omzetten van kennis in innovaties, in de opschaling en het vermarkten ervan. Uit recent onderzoek van de Erasmus Universiteit blijkt echter dat Nederlandse bedrijven steeds minder omzet halen uit nieuwe producten en diensten. Op het gebied van innovatie lopen wij achter op de wereldwijde concurrentie. Wij zijn dertiende op de concurrentie-index. En dan is 2016 wel heel laat. De urgentie dwingt ons om een versnelling aan te brengen. Wij zouden graag zien dat 2016 2013 wordt.

De minister noemt ook het beroepsonderwijs. Ook daar zien wij nog de nodige problemen in het beleid. Docenten mogen alleen met een bevoegdheid voor de klas. Eigenlijk is er te weinig uitwisseling tussen bedrijfsleven en onderwijs. Hoe gaat de minister dit aanpakken? Ook bij de Europese fondsen liggen er kansen. Hoe gaat de minister die beter benutten?

De topteams zijn voorzien van een voorman. Wanneer en waarop worden deze teams afgerekend? Wij vinden dat dit moet plaatsvinden op basis van zowel economisch als maatschappelijk rendement. Daarbij denk ik aan innovaties op het gebied van duurzaamheid en aan sociale innovatie. Maatschappelijk verantwoord ondernemen moet worden meegewogen in de beoordeling van projecten.

Er is al veel gezegd over de mannen en de vrouwen. Ik heb begrepen dat er wel vrouwen gevraagd zijn. Hoe komt het dat het niet gelukt is? Hoe denkt de minister in de toekomst vrouwen beter te kunnen verleiden voor topfuncties binnen zijn beleid?

Minister Verhagen: Al mijn charmes inzetten!

De voorzitter: Ik ben benieuwd naar de sekse van de nieuwe CDA-voorzitter.

De heer Verhoeven (D66): De heer Koppejan zei dat het beleid vernieuwend is. Ik heb vervolgens geluisterd naar zijn betoog, maar het enige vernieuwende dat ik hoorde, was de opmerking dat de minister van EL&I moest toezeggen dat het bedrijfsleven ook 1,5 mld. gaat bijdragen. Hoe kan de minister dat toezeggen?

De heer Koppejan (CDA): U hebt mij blijkbaar niet goed begrepen. Ik vind het belangrijk dat in de criteria om overheidsgeld aan projecten te besteden wordt meegewogen de mate waarin het bedrijfsleven zelf bereid is om mee te investeren. Mijn ervaring leert mij dat ondernemers alleen geld in projecten stoppen waar zij zelf in geloven. Als zij het samen met de overheid oppakken, is er meer kans dat het succesvolle projecten worden.

De heer Verhoeven (D66): Op dit moment wordt bijna 1% van het bbp geïnvesteerd in onderzoek. Dat is bijna 5 mld. en veel meer dan die 1,5 mld. van minister Verhagen. Ik vraag mij dus af wat de heer Koppejan nog meer van het bedrijfsleven verwacht. Is de overheid niet aan zet?

De heer Koppejan (CDA): Dat vind ik typisch oude politiek. De overheid moet het allemaal weer doen, terwijl het gaat om de samenwerking tussen bedrijfsleven, overheid en kennisinstellingen. Dat is het sterke van dit beleid. Wij willen projecten waarin die drie met elkaar samenwerken en samen willen investeren. De heer Verhoeven wil gewoon weer geld ter beschikking stellen met de opmerking «u komt maar». Dat gaat gewoon niet werken; dat is oud beleid.

De heer Dijkgraaf (SGP): Voorzitter. Er is al veel gezegd over het gehalte van het dreamteam. Het zijn mannen op gevorderde leeftijd. Dat heeft niets te maken met welke rol de SGP dan ook speelt. Dat kan ik bewijzen, want wij hebben met gemiddeld 41,5 jaar de jongste fractie van de Tweede Kamer. Van der Staaij en ik schelen maar één jaar. Laten wij er geen doekjes om winden. Wij kunnen mooie nota’s uitbrengen, wij kunnen mooie bijdragen leveren, maar het zijn de ondernemers die het moeten doen. Ik proef hier en daar nog wel eens een hoog maakbaarheidsgehalte van het innovatiebeleid, maar ik geloof daar eerlijk gezegd niet zo in. Wij moeten goede dingen proberen te doen, maar de mate waarin wij innovatie door ondernemers kunnen beïnvloeden, is per definitie beperkt. Misschien moeten wij zeggen: gelukkig maar.

Er zijn een paar dingen van belang. Ten eerste de toegang tot kennis. Er moeten geen ivoren torens zijn. Ten tweede de ruimte voor daadwerkelijk ondernemen. Ondernemers moeten niet afgeremd worden door regels, maar juist gestimuleerd worden in een zo vrij mogelijke omgeving. Ten derde willen wij meer ondernemerschap. Daar ontbreekt het ook nog wel eens aan als je een internationale vergelijking maakt. Laten wij dat ondernemerschap stimuleren. In de brief wordt wel aandacht besteed aan het onderwijsveld, maar ik mis scholing in ondernemerschap. Het moet in je zitten, maar je kunt het ook stimuleren. Is de minister bereid om daar samen met OCW volop op in te zetten?

Hoe ondernemingsgezind is de minister? Ik was op werkbezoek bij Rijk Zwaan, een prachtig innovatief veredelingsbedrijf dat in de top van de wereld meedoet. De boodschap was helder. Het bedrijf zit niet zozeer te wachten op ingewikkelde subsidiepotjes, als wel op ruimte voor ondernemen. Concreet gaat het bijvoorbeeld om de Octrooirichtlijn. Men wil op planteneigenschappen kunnen octrooieren. Niet alles moet met alle mogelijke richtlijnen dichtgeregeld worden. Er moet ruimte zijn. Is de minister bereid die ruimte ook breder te geven? Wij moeten daadwerkelijk stappen zetten in het afbouwen van de ruimtedruk en in het stimuleren van de ondernemers.

Wij zijn optimistisch. De nota is ons snel na de start van het kabinet toegezonden. Daaruit maak ik op dat het kabinet vaart wil maken. Er wordt zelfs van een hervorming gesproken. Je kunt je afvragen of daarvan wel sprake is. Elk kabinet wil met bestaand geld schuiven. Wat gaat over tien jaar de pijnlijke afschaffing van de FES-gelden doen verbleken? Er moet dan toch wel wat gebeuren. Ik begrijp de financiële omstandigheden, maar dat betekent wel dat wij meters moeten maken.

Een berg beklimmen is moeilijk. De grote vraag is of de bergbeklimmer beseft welke klippen hij moet beklimmen en welke valkuilen er zijn. Ik krijg de indruk dat wij nog een slag verder moeten maken. Er is een analyse van die valkuilen nodig. Is de minister bereid om er nog eens een goede analyse op los te laten? Wat zijn precies de knelpunten in het huidige ondernemers- en innovatieklimaat en -beleid? Een belangrijk knelpunt is de haperende valorisatie. Er ligt een doelstelling van 2,5% voor 2016. De heer Koppejan gaf het ook al aan: zouden wij niet de ambitie moeten hebben om dit te versnellen tot 2013, 2014? In de nota staat dat het moet gaan om 2,5% of meer, maar 2,5% of meer kan ook 20% zijn. Ik zou wel een idee willen hebben van de getallen waar de minister aan denkt.

Het kabinet wil wetenschappers meer prikkelen en belonen voor valorisatie. Wij hebben daar allerlei discussies over. Het mag niet ten koste gaan van fundamenteel onderzoek, maar het Rathenau Instituut heeft al aangegeven dat het uiterst moeilijk is om hierop te sturen. De minister zegt dat hij afwacht waar de sector mee komt. Dat vind ik een goed plan, want men moet zelf met dingen komen die goed werken en die geïntegreerd zijn in het beleid. Wat gaat de minister doen als men niet met een plan komt?

Wij zouden graag zien dat bij alle plannen gegarandeerd wordt dat het mkb niet ondersneeuwt. Het mkb heeft minder lobbycapaciteit en minder ruimte voor cofinanciering. Wat gaat de minister doen om ervoor te zorgen dat er evenwicht is tussen grootbedrijf en mkb? De minister zegt dat het lijstje met topsectoren regelmatig zal worden geëvalueerd. Dat snap ik wel, maar het bedrijfsleven heeft echt een hekel aan om het jaar veranderend beleid. Hoe gaan wij bestendigheid van beleid waarborgen voor sectoren waarvan wij nu zeggen dat zij belangrijk zijn? Sectoren moeten niet met de waan van de dag meegaan, maar moeten kunnen weten dat zij een betrouwbare overheid hebben. Het bedrag van 1,5 mld. zal pas na 2015 beschikbaar zijn voor de technologische topinstituten. Hoe borgen wij de continuïteit van deze instituten?

Op welke manier stuurt de minister dat ervoor gewaakt wordt dat het hele innovatiebeleid een Randstadplaatje wordt? Dat luistert nogal nauw. Het betekent ook: invloed vanuit de regio’s. Hoe ziet de minister dit voor zich? Sociale innovatie is een voetnoot in het stuk, met de verwijzing naar een motie. Afgelopen dinsdag is een motie-Dijkgraaf/Rouvoet over sociale innovatie aangenomen. Ik zou preciezer willen weten wanneer wij hierover meer informatie krijgen. Het is net zo belangrijk als technologische innovatie.

Minister Verhagen: Voorzitter. Ik dank de Kamer voor haar inbreng in eerste termijn. Uit het debat leken twee werelden naar voren te komen: een wereld van het bedrijfsleven en een wereld van de Kamer. Waar ik ook kom, wie ik uit het bedrijfsleven ook spreek, overal proef ik enthousiasme. Iedereen is bereid om input te leveren. Men is heel creatief als men moet aangeven wat overbodige regelgeving is. Men is heel creatief over de integratie van beleid. Men heeft ideeën over wat er moet veranderen. Ook de topteams proeven dat als zij in het hele land hoorzittingen organiseren om die input te krijgen uit de verschillende onderdelen van het bedrijfsleven en uit kennisinstellingen. Gisteravond heb ik gesproken met de vertegenwoordigers van het mkb, de kennisinstellingen en de boegbeelden uit het bedrijfsleven. De mensen zijn enthousiast. Zij willen naast hun werk bekijken hoe dit maximaal kan worden ingevuld. Men is blij met de nieuwe aanpak. Dat staat haaks op de eerste reeks «oude wijn in nieuwe zakken». In het bedrijfsleven, waar wij het voor doen, is men het absoluut niet eens met die kwalificatie. En daar heeft men gelijk in ook. De nieuwe aanpak is niet zomaar een accentverschuiving of het verpakken van oude wijn in nieuwe zakken, nee, het is een compleet nieuwe filosofie waarbij de gouden driehoek van ondernemingen, overheid en onderzoek samenwerkt.

Wij organiseren de overheid niet langs beleidsdossiers, maar langs sectoren. Er komt één samenhangende aanpak op sectoraal niveau. Daarbij kiezen wij expliciet voor een inzet op de sterktes van Nederland. Die aanpak is geïnspireerd door het voormalig ministerie van LNV richting de agrofoodsector. Daar is sprake van een lange succesvolle historie van nauwe samenwerking in die gouden driehoek. Terwijl wij een relatief klein oppervlak hebben, heeft dat ertoe geleid dat wij wereldwijd de tweede exporteur zijn van land- en tuinbouwproducten. Iedereen kijkt daar met jaloezie naar. Hoe richt je het onderzoek zo in dat ook het bedrijfsleven er profijt van heeft? Hoe zorg je ervoor dat overheid, onderzoekers en ondernemers zich samen richten op versterking van de sectoren? Die aanpak gaan wij op al die sectoren toepassen.

Deze nieuwe aanpak betekent een kanteling van het beleid. Er komt meer vraagsturing vanuit het bedrijfsleven, dat daar al jaren om vraagt. Het gaat dan om alle aspecten van het overheidsbeleid die voor de topsec-toren van belang zijn, zoals de economische diplomatie, zoals duurzaamheid, zoals kennis, zoals regeldruk, zoals infrastructuur, etc. Alleen door echt de sector in te gaan, is die aanpak effectief, bottom-up, gestuurd vanuit het bedrijfsleven. Wij hebben een helder doel voor ogen: een sterk bedrijfsleven in sectoren die internationaal een rol (kunnen) spelen en die duurzame economische groei willen bevorderen. Wij willen maatschappelijke uitdagingen kunnen aangaan. Daarmee willen wij onze welvaart behouden. In een globaliserende wereld met een toenemende concurrentie is dat namelijk niet vanzelfsprekend. De betrokkenheid van het bedrijfsleven en de kennisinstellingen is cruciaal. VNO-NCW, MKB-Nederland, LTO en de kennisinstellingen hebben al laten weten dat zij enthousiast zijn over deze aanpak, in tegenstelling tot sommige partijen hier. Het wordt echt een gezamenlijke aanpak. Uiteindelijk zullen alle partijen hun eigen verantwoordelijkheid moeten nemen, maar als ik zeg dat ik een beleid wil voeren waar het bedrijfsleven profijt van heeft, dan ben ik blijer met de steun van het bedrijfsleven dan, zelfs, met de steun van de heer Verhoeven. Nieuw in de aanpak is ook dat de topsectoren gezamenlijk medezeggenschap krijgen over die 1,5 mld. aan overheidsmiddelen op het gebied van kennis, innovatie en buitenlandbeleid. Het zijn inderdaad bestaande middelen, maar de topteams kunnen meebesluiten over waar ze aan uitgegeven worden, waar het geld het meeste rendement heeft, waar de multiplier het hoogst is. In tijden van 18 mld. aan bezuinigingen is meer geld voor deze aanpak niet realistisch. De middelen worden besteed in lijn met de beleidsdoelen, maar de topteams hebben wel een grote vinger in de pap over de besteding van het geld. De sector heeft zelf het beste zicht op de inspanningen die nodig zij om de sector vooruit te helpen. De heer Koppejan vroeg terecht hoe gemeten wordt wat het bedrijfsleven zelf investeert. In tegenstelling tot hetgeen de heer Verhoeven zei, hebben wij een traditie waarin in de R&D de publieke middelen relatief hoog en de private middelen relatief laag zijn in vergelijking met andere EU-lidstaten. Door het beleid goed vorm te geven, door de bottom-upaanpak moeten meer private investeringen in R&D worden geëntameerd. Het bedrijfsleven moet worden geënthousiasmeerd om daar ook geld aan uit te geven. De huidige prikkel van alleen subsidie heeft niet gewerkt. In hoeverre rekenen wij het bedrijfsleven af op de cofinanciering? Die cofinanciering is cruciaal; de aanpak is voor niemand vrijblijvend. Het bedrijfsleven moet bijdragen in ruil voor vraagsturing op het onderzoek. Daarmee ontstaat een hefboom naar het private R&D. De topteams hebben de opdracht om in het plan van aanpak aan te geven in welke mate cofinanciering plaatsvindt. Dat kan via de constructie van de technologische topinstituten of via meer cofinanciering bij TNO- en NWO-programma’s. Met de kennisinstellingen overleg ik over de manier waarop zij hun werkwijze hierop kunnen aanpassen. De procedures van NWO zijn bijvoorbeeld nog niet voldoende toegerust op vraagsturing en cofinanciering. Ik zal de agenda’s en de daarop volgende uitwerking scherp bezien op het realiseren van cofinanciering. Ik verwacht ten minste een gelijke inbreng van overheid, kennisinstellingen en bedrijfsleven. Bij de keuzes die het kabinet zal maken bij de plannen van aanpak, zal de cofinanciering bepalend zijn.

Het is tweerichtingsverkeer. Enerzijds mag het bedrijfsleven meepraten over de inzet van de gelden. Anderzijds is er geen vrijblijvendheid. Bij de negen plannen van aanpak zal met name worden gekeken naar de cofinanciering. Daarop zullen wij de overheidsgelden richten. Die plannen van aanpak zullen met elkaar moeten concurreren. Als er negen plannen op tafel komen die alle negen 1,5 mld. kosten en een van de plannen levert er 2 mld. cofinanciering bij, dan kiezen wij dat plan en die sector. De sectoren kunnen er dus niet van uitgaan dat er een pondspondsgewijze verdeling zal komen.

Tijdens de bijeenkomst van gisteren werd van alle kanten nadrukkelijk gezegd dat keuzes ook inhouden dat er zaken afvallen. De verdelende rechtvaardigheid mag niet bepalend zijn. Het gaat puur om de inhoud. Ook de cofinanciering speelt er een rol bij.

De heer Verhoeven wil het financiële plaatje hebben om te zien of de toezeggingen uit de brief kloppen, of er bezuinigd wordt of niet. Er wordt inderdaad bezuinigd. Dat is geen kwestie van foppen, het is altijd in alle openheid gezegd. Wat foppen is, is suggereren dat wij FES-gelden moeten inzetten, terwijl geen enkele politieke partij in haar verkiezingsprogramma de FES-gelden heeft opgenomen. Alle partijen hebben in hun financiële plaatje de FES-gelden afgeschaft. Wij kunnen nu gaan roepen dat dat slecht is, maar ik heb ervoor gezorgd dat het FES niet afgeschaft is, maar dat de voeding tijdens deze kabinetsperiode wordt opgeschort. Als wij weer ruimere middelen hebben, kunnen wij het instrument weer inzetten. De reguliere subsidiebudgetten zijn inderdaad met 500 mln. gekort. Dat staat in alle openheid in het regeerakkoord. Daartegenover staat die forse lastenverlichting van in totaal 500 mln. Het is dus in balans via de WBSO en via de verlaging van de vennootschapsbelasting. Hoe dat precies wordt ingevuld, hoe je daarin stimulering kunt inbouwen, wordt in de komende tijd bepaald. Voor mij staat het versterken van het

R&D-investeringsklimaat centraal. In de brief heb ik 50 mln. gereserveerd voor specifieke fiscale ondersteuning van topsectoren. Bij de begroting zal ik dit nader invullen. De heer Verhoeven vroeg mij om de gegevens van de jaren tot en met 2012 aan te leveren. Dat kan ik doen, maar de insteek van de nieuwe aanpak is dat ook geld van andere begrotingen meer wordt ingezet richting innovatie, richting bedrijfsleven. Voor de jaren 2013 tot en met 2015 zal ik nog geen onderverdeling kunnen geven, maar ik kom daar uiteraard op terug. Daarbij wil ik betrekken de mogelijkheid van extra fiscale instrumenten indien er private R&D tegenover staat.

De heer Braakhuis (GroenLinks): Ik wil weten waarom ingezet wordt op verlaging van de vennootschapsbelasting en niet op verlaging van de arbeidskosten.

Minister Verhagen: Het kabinet geeft 560 mln. aan lastenverlichting via de fiscaliteit. Ik ga bekijken hoe die lastenverlichting is in te vullen om het R&D-klimaat en het innovatieklimaat optimaal te stimuleren. Stimulering van R&D kan bijvoorbeeld ook via een loonkostenverlaging. Dat doe je via de WBSO, want die is alleen gericht op de loonkosten ten behoeve van innovatie. Dat hebben wij dus verruimd. Ik ga bekijken hoe die samenwerking in de topsectoren een plus kan krijgen. In reactie op de plannen van aanpak zal ik ook met resultaten komen. Wij kiezen dus niet alleen voor vennootschapsbelastingverlaging. Als het exact gaat om innovatie,

hebben wij het instrument van de loonkostenverlaging in de WBSO. Dat wordt absoluut ingezet.

De heer Braakhuis (GroenLinks): Gaat het nu om innovatiebeleid of om bedrijfslevenbeleid? Ik begrijp dat het innovatiebeleid onderdeel is van het bedrijfslevenbeleid, dus de WBSO-gelden komen prima van pas om die arbeidskosten gericht te verlagen. Maar dan nog begrijp ik niet dat er niet gekozen wordt voor verlaging van de arbeidskosten. Daar heeft het hele bedrijfsleven over de volle breedte wat aan.

Minister Verhagen: Daar hebt u volkomen gelijk in. Ten eerste is de WBSO een instrument voor loonkostenverlaging. Ten tweede hebben wij in het algemeen te maken met een krappe arbeidsmarkt in 2020. Ten derde heb ik te maken met de fiscale agenda en het Belastingplan die door de Kamer zijn vastgesteld. Binnen die marges heb ik te werken. Er komen wel discussies over verschuivingen die wij daarin moeten aanbrengen, maar ik ga nu uit van de gegevenheden die door de Kamer zijn vastgesteld.

De heer Verhoeven (D66): Ik ben blij dat de minister duidelijkheid schept over de bezuiniging. Het gaat ons om het verschil tussen het beleid voor ondernemers – ik zie dat dat goed is – en het innovatiebeleid. Daarvoor is er specifiek geld, gekoppeld aan kennis. Ik wil graag inzicht in de ontwikkelingen op dat terrein. Ziet de minister een mogelijkheid om het overzicht iets eerder te verstrekken? Daarin kan ook het matchinggeld, het geld voor Europees onderzoek, worden betrokken. Waar blijft nou precies het geld op het gebied van de kenniskant van innovatie?

Minister Verhagen: Terecht wijst de heer Verhoeven erop dat het niet alleen om de financiën gaat, maar ook om het wegnemen van hinderende regelgeving etc. Er wordt gewerkt met kredieten in plaats van subsidies om daarmee de investering als zodanig centraal te stellen. Uiteraard komt er bij de uitwerking van de Europese subsidies een uitwerking van de matching. Ik zal lopende dit debat meer inzicht proberen te geven, maar het totale beeld wil ik ook goed en transparant aan de Kamer presenteren. Omdat wij keuzes gaan maken bij de in juni te presenteren plannen van aanpak, kunnen de consequenties gaan verschillen.

Mevrouw Dijksma (PvdA): Ik moet de minister complimenteren. Hij doet zich bijna voor als een soort slachtoffer van het door de Tweede Kamer vastgestelde Belastingplan, terwijl onderhandelaar Verhagen de verlaging van de Vpb heeft geaccordeerd. De minister heeft indertijd die keuze gemaakt en zegt nu dat hij er niet meer van afkan. Hoe reageert de minister op het voorstel van de heer Wientjes in januari dit jaar om de verlaging van de vennootschapsbelasting iets minder door te zetten ten gunste van een wat ruimer budget voor innovatiesubsidie voor bijvoorbeeld SpaceNed, waarbij de regio’s iets meer tegemoet kunnen worden gekomen? Dat kan toch een royale, goede keuze zijn?

Minister Verhagen: Staatsrechtelijk moet ik hier bezwaar tegen maken. Fracties stellen het regeerakkoord vast. De Kamer controleert of de regering het regeerakkoord uitvoert. Op basis van de input van de fracties wordt bij onderhandelingen bekeken op welke wijze een meerderheid in de Kamer is te bereiken. Ik zegt dit niet als slachtoffer, ik constateer het als feit. Fracties zijn verantwoordelijk voor de keuzes die in het regeerakkoord gemaakt zijn. Bij ieder lid van de regering wordt gevraagd: bent u bereid zich te houden aan het regeerakkoord? Dat hebben wij geïntroduceerd, want in het verleden hebben wij gemerkt dat sommige ministers niet wisten wat er in het akkoord stond.

Mevrouw Dijksma (PvdA): We kunnen natuurlijk een fijne staatsrechtelijke discussie gaan voeren, maar daarmee ontkomt de minister aan het inhoudelijke antwoord op mijn vraag. Mijn vraag is de volgende: zou de minister bereid zijn – het Belastingplan staat niet voor de eeuwigheid in beton gebeiteld – om in het kabinet een discussie aan te gaan over de vraag of het wijsheid is om die verlaging van de Vpb zo ver door te voeren als hij nu van plan is? Is het niet mogelijk om iets van die verlaging terug te nemen ten gunste van een wat ruimer innovatiebudget, omdat de effectiviteit daarvan ook voor de hele economie uiteindelijk per saldo groter kan zijn?

Minister Verhagen: Mevrouw Dijksma koppelt dit aan een uitspraak van VNO-NCW in Het Financieele Dagblad naar aanleiding van de TTI’s. Het is – dat bleek ook in de discussies die ik nadien met de verschillende vertegenwoordigers van het bedrijfsleven heb gevoerd – in ieder geval minder stellig dan toen werd gesuggereerd. Integendeel. Juist op dat punt zijn de meningen verdeeld. In het algemeen wordt de lijn ondersteund die het kabinet heeft gekozen, van minder subsidies en meer kredieten en fiscale lastenverlichting. Daarnaast wil ik, omdat er nog 50 mln. voor specifieke fiscale ondersteuning van topsectoren is gereserveerd die nog niet is ingevuld, in overleg gaan bekijken hoe ik een en ander maximaal kan faciliteren. Die toezegging wil ik mevrouw Dijksma wel doen. We moeten namelijk niet een situatie krijgen waarin we het kind met het badwater weggooien. Als bijvoorbeeld uit de plannen van aanpak blijkt dat de TTI’s nog extra ondersteuning zouden moeten hebben, of als er geld specifiek kan worden gereserveerd voor samenwerking, zodat de middelen van de kennisinstellingen samen met de middelen van het bedrijfsleven niet alleen voor de publiekprivate samenwerkingsverbanden worden gebruikt maar ook om dit soort topinstituten overeind te houden, ben ik uiteraard bereid om daarnaar te kijken. Ik zeg niet blind dat we iets gaan afschaffen. Hierbij zullen de plannen van aanpak bepalend zijn. In het algemeen is het met een uitspraak in Het Financieele Dagblad echter geen kwestie van «u vraagt en wij draaien». Men kan die input geven, maar wij hebben die te wegen.

Mevrouw Schaart wil meer geld en aandacht voor ruimtevaart. Ik herinner haar eraan dat het kabinet in het regeerakkoord de ambitie uitspreekt om de overheidsfinanciën weer gezond te maken. Dat gaat niet zonder forse bezuinigingen. In de financiële paragraaf, die ook door de VVD-fractie is ondertekend, staat dat er ombuigingen zijn op het vlak van innovatiebeleid. Daarbij is aangegeven dat ook het ruimtevaartbeleid een bijdrage zal moeten leveren. Over de ombuigingen voor 2011 is de Kamer geïnformeerd. Aan de invulling van de ombuigingen over de periode 2012–2016 wordt nu verder gewerkt, waarbij uiteraard een zorgvuldige afweging wordt gemaakt tussen de verschillende programma’s, met inachtneming van reeds aangegane verplichtingen. Ik verwacht dat wij daardoor in 2012 gewoon aan de ESA-verplichting zullen kunnen voldoen zonder dat dit impact heeft op andere programma’s binnen het innovatieartikel. De huidige contributie aan ESA bestaat uit deelname aan verplichte en optionele programma’s waarvoor Nederland zich eerder heeft ingeschreven. Eind 2012 is er nog een nieuwe periodieke ministeriële conferentie. Op dit moment worden er besluiten genomen over nieuwe programma’s met bijbehorende financiële verplichtingen. Ik kan daar niet concreet over zijn, omdat de ESA-programmavoorstellen nog moeten worden voorgelegd aan de lidstaten. In de aanloop naar de ministeriële conferentie zal ik de Tweede Kamer uiteraard informeren over de Nederlandse inzet en de bijbehorende contributie aan de ESA. Zoals ik al heb gezegd tijdens een werkbezoek aan Noordwijk willen we uiteraard een loyale partner zijn binnen ESA en een goede gastheer voor ESTEC. Als mevrouw Schaart hiervoor echter nu al extra geld wil hebben, verzoek ik haar graag om daarvoor de dekking aan te geven.

Mevrouw Schaart (VVD): Dat heb ik ook helemaal niet gezegd. Ik onderschrijf natuurlijk het regeerakkoord en de financiële paragraaf daarin, maar ik heb gevraagd of de minister naar deze situatie wil kijken. De ruimtevaartsector krijgt namelijk wel een heel grote klap. Wat mij bevreemdde toen ik erin dook, is dat deze organisaties door het ministerie van EL&I worden betaald en niet door het ministerie van Buitenlandse Zaken. Dat was eigenlijk ook een vraag van mij. Alle Europese en internationale organisaties worden door het ministerie van Buitenlandse Zaken gesteund. Deze organisaties zijn destijds bij EL&I ondergebracht. Ik vraag me af wat de historie daarvan is. Is het handig? De minister is er zelf op bezoek geweest. Hoe kijkt hij tegen de situatie aan? Gaat hij zich maximaal inspannen om er iets aan te doen?

Minister Verhagen: Ik onderschrijf met mevrouw Schaart het belang van de ruimtevaartsector in Nederland. Ik zie ook wel degelijk de economische spin-off op tal van terreinen. Ik onderschrijf dus het belang, daarom zal ik de Kamer tijdig informeren over de keuzes. Als mevrouw Schaart echter voorstelt om het budget voor het ministerie van Buitenlandse Zaken te korten met de extra bijdrage voor ruimtevaart, dan wacht ik dat graag af. Dat kan ik hier echter niet toezeggen. Dat zou ook niet echt collegiaal zijn ten opzichte van mijn collega Rosenthal.

Mevrouw Schaart (VVD): Ik wil graag meedenken en een oplossing proberen aan te dragen. Dit is niet logisch en ik vroeg me af hoe de minister daarover denkt. Ik ben blij dat hij zich ook de ernst van deze situatie realiseert en zich wil inspannen om te bekijken wat ermee kan gebeuren. Ik wacht dat verder af.

Minister Verhagen: Dan zullen wij dit debat voortzetten tijdens het debat over de inzet voor de ministeriële conferentie, waarover ik de Kamer zal informeren.

De voorzitter: De heer Van Bemmel heeft nog een vraag.

De heer Van Bemmel (PVV): Het is alleen een aanvulling op de bijdrage van mevrouw Schaart. Ik denk dat zij Buitenaardse Zaken bedoelt in plaats van Buitenlandse Zaken!

Minister Verhagen: De heer Koppejan en de heer Verhoeven vragen naar de Europese fondsen. Binnenkort, in april, zal het kabinet zijn inzet voor het volgende EU-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie voorleggen aan de Tweede Kamer. Dat is dan ook een reactie op het groenboek van de Europese Commissie dat in februari jongstleden is gepresenteerd. Daarbij wordt natuurlijk nadrukkelijk aandacht besteed aan de problematiek van participatie van Nederlandse bedrijven in Europese fondsen op het gebied van R&D. Ik kan de Kamer daarvoor in april de exacte inzet laten weten.

De heer Verhoeven doelde specifiek op ENIAC en Artemis, waar zeer nadrukkelijk een nationale bijdrage voor nodig is om in aanmerking te kunnen komen voor Europese ondersteuning. Het ging om 12 mln. in 2010. In het licht van de ombuigingen in de financiering van de topsec-toren, het punt van de hightech, zal ik daar een besluit over nemen. Zodra ik dat besluit heb genomen, zal ik de Kamer erover informeren. In de klip-en-klare taal van mevrouw Dijksma stelt de PvdA-fractie dat ik fundamentele wetenschap ondergeschikt maak en het innovatiebeleid over de schutting naar OCW kieper. Fundamenteel onderzoek is absoluut niet ondergeschikt. Ik ben het met mevrouw Dijksma eens dat het cruciaal is voor de langetermijnversterking van economie en maatschappij. Dat is ook de reden waarom ik de verbinding leg tussen dit onderzoek en langetermijnbehoeften. NWO zet haar fundamentele kennisbudgetten gerichter in met cofinanciering van het bedrijfsleven, maar het blijft natuurlijk fundamenteel onderzoek. Ik zeg niet opeens: ik schaf het fundamentele onderzoek af en u mag alleen nog toegepast onderzoek doen. Ik wil echter wel dat er meer oog is voor de langetermijnsituatie. Dat het hele toegepaste onderzoekssysteem van TNO, GTI en DLO in één hand is gelegd, biedt ook kansen om de aansturing te moderniseren, bijvoorbeeld via meer vraagsturing, via cofinanciering en via samenwerking met andere instellingen voor fundamentele kennis. De heer Braakhuis vraagt of ik voor het straffen van langstudeerders en het bezuinigen op fundamenteel onderzoek überhaupt steun heb in dit kabinet. Dat laatste kan ik hem verzekeren. Het leuke is dat uit de bedrijfslevenbrief een zeer nadrukkelijke bereidheid blijkt om hieraan te werken. Dat is ook de reden waarom we een integrale aanpak hebben, dwars door alle ministeries heen, met de minister van VWS, de minister van I&M, de minister van BZ en de minister van OCW. Het vraagstuk van de langstudeerders staat echt los van de bedrijfslevenbrief. We moeten zaken dus niet gaan verwarren. Ik begrijp de lol om dat te doen, maar het heeft hier niets mee te maken. Er zijn ook partijen die vinden dat er helemaal geen beurzen moeten zijn, alleen sociale leenstelsels. Ik geloof dat dit ook in het verkiezingsprogramma van de heer Braakhuis staat. Daar lopen de studenten ook tegen te hoop. Het fundamentele onderzoek wordt niet ondergeschikt gemaakt, maar we gaan het beter richten. Er blijft dus ruimte voor onderzoek op allerlei gebieden, want niet alle NWO-budgetten en KNAW-budgetten zijn gekoppeld aan de topsectoren. Een deel daarvan wel; dat is het deel dat in de bedrijfslevenbrief staat.

De heer Braakhuis (GroenLinks): Het is wel aardig om het zo weg te zetten, maar er is natuurlijk wel degelijk samenhang tussen de plannen met langstudeerders en de doelen die de minister zelf stelt in zijn bedrijfslevenbeleid. Je hebt het onderwijs hier heel hard bij nodig. Het gaat tenslotte om een goede aansluiting. Het gaat er echter ook om dat je studenten krijgt die de bereidheid hebben om er langdurig in te investeren, zeker wanneer het om techniek gaat. Dat vraagt toch vaak om een wat langere investering. Ik vraag me echt af waarom de minister het zo wegzet. Het is misschien lollig, maar ik zie de lol er niet van in. Mijn stelling is dat het bedrijfslevenbeleid zoals het er nu ligt onvoldoende samenhang vertoont met wat het ministerie van OCW en het ministerie van Financiën doen.

Minister Verhagen: Dat ben ik niet met de heer Braakhuis eens. Wat betreft bijvoorbeeld de beurzen en het collegegeld is er in ieder geval een jaar meer gegarandeerd dan de periode die ervoor staat. Dit debat kunnen we best voeren. We kunnen er een discussie over voeren of dit een juiste keuze is, maar de heer Braakhuis kan niet stellen dat ik een universitaire studie waarvoor meer tijd nodig is, inkort. Nee, het gaat over de hoogte van het collegegeld. Dat is iets anders dan het inkorten van de studieduur. De heer Braakhuis zou gelijk hebben als de consequentie van het beleid van de collega van OCW zou zijn dat ik de universitaire studie in Delft met twee jaar zou inkorten. De periode die staat voor de opleiding die noodzakelijk is om de kennis te kunnen omzetten voor het bedrijfsleven, staat echter niet ter discussie.

De heer Braakhuis (GroenLinks): Behalve over het langstuderen heb ik het ook gehad over het schrappen van fundamenteel onderzoek en van 30-plusregelingen. Kortom: het onderwijs is hard nodig om het bedrijfsleven te helpen bij het matchen van vraag en aanbod. Daar wordt deze minister door dit kabinetsbeleid niet altijd mee geholpen.

Minister Verhagen: Over het fundamenteel onderzoek heb ik gezegd wat ik erover heb gezegd. De keuzes die we daarin maken, maken we juist ten behoeve van het bedrijfsleven. We maken het niet ondergeschikt en we gooien het niet over de schutting. Fundamenteel onderzoek gaan we wel degelijk doen vanuit diezelfde wetenschappelijke criteria. Die bereidheid is er. Tegelijkertijd gaan we het meer richten.

Dan mbo 30-plus. We hebben met het bedrijfsleven, met het mkb, gekeken naar een methode om het mbo 30-plus beter vorm te geven. In afwijking van wat we in het regeerakkoord hadden afgesproken, hebben we samen met het bedrijfsleven bekeken hoe we toch kunnen stimuleren dat 30-plussers nog mbo-opleidingen kunnen volgen. Dat kan gelukkig rekenen op steun van een meerderheid in de Kamer. We houden dus niet star vast aan iets wat we drie maanden geleden hebben afgesproken. Als we nu tot betere keuzes kunnen komen die kunnen rekenen op steun van een meerderheid in de Kamer, zijn wij daartoe uiteraard bereid. De heer Koppejan stelt terecht dat Nederland eigenlijk niet tekortschiet op innovatie maar op valorisatie, het vercommercialiseren van kennis. Hij wil de streefdatum daarvoor graag naar voren halen. In plaats van 2016, zoals in de bedrijfslevenbrief staat, moet het eerder. Ik ben het met de heer Koppejan eens dat wij in Nederland stappen moeten zetten om kennis te laten renderen in de markt. Daarom hebben wij ook de topsectorenaanpak om onderzoek te verbinden met het bedrijfsleven. Kennisinstellingen moeten de juiste prikkels krijgen voor valorisatie. We moeten hen dus niet alleen afrekenen op citatiescores en publicaties, maar ook op vermarkting. In het kader van de valorisatieagenda hebben we onder andere de ambitie dat in 2016 2,5% van het onderzoeksbudget naar valorisatie moet gaan. Ik wil de implementatie versnellen. Ik ben het met de heer Koppejan eens. De eerste stap is natuurlijk dat universiteiten inzichtelijk maken wat ze doen. Ik zeg dus toe dat ik de implementatie zal versnellen, ook omdat NWO zich meer wil richten op vermarkting, door onderzoeksvoorstellen niet alleen te toetsen op de wetenschappelijke kwaliteit maar ook op de impact. Die combinatie kan een versnelling meebrengen. Mevrouw Ortega vroeg in de afsluiting van haar betoog nadrukkelijk aandacht voor biodiversiteit. Een goede biodiversiteit is inderdaad een belangrijke randvoorwaarde voor toekomstige generaties, ook voor de economische groei in de toekomst. Een rijke biodiversiteit vormt de basis voor de constante aanvoer in de grondstofketens. Dat is met schaarser wordende grondstoffen natuurlijk van groot belang. Het is dus terecht dat mevrouw Ortega hiervoor aandacht vraagt. Ik heb gevraagd om duurzaamheid en biodiversiteit terug te laten komen in de topagenda’s. Een van de toetsingscriteria wordt gevormd door de dwarsverbanden, de cross-overs tussen de verschillende sectoren. Ook daar hebben we gisteren uitvoerig over gesproken met de topteams. Het hebben van een topsector betekent niet dat men zich daarin moet opsluiten. Juist de raakvlakken en de dwarsverbanden zijn van groot belang. Negen topsectoren is te veel, is er gezegd. Ik kan flauw zijn en zeggen dat die negen al in het regeerakkoord stonden, maar het is wel een feit. Waarom stonden deze negen in het regeerakkoord? Laat ik daar eens bij stilstaan. Ik ben het niet met de stelling eens dat het er te veel zijn. Deze topsectoren zijn gekozen op grond van hun sterke markt- en exportpositie, van hun kennisintensiteit en van de potentie om via samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen bij te dragen aan de maatschappelijke uitdagingen. Negen topsectoren is dus niet te veel. Overigens voegden enkele sprekers ook zelf een aantal elementen toe, bijvoorbeeld ruimtevaart, die niet specifiek waren vermeld. Het zijn de gebieden waar Nederland al decennialang sterk in is, bijvoorbeeld logistiek door zijn ligging met water, dijken en de Rotterdamse haven, of vanwege de landbouw. De Universiteit Wageningen is wereldberoemd. Ik noem ook onze historie in de hightech, vanuit de regio Eindhoven. Het zijn eigenlijk natuurlijke sterktes die we dag in, dag uit kunnen zien als we naar ons land kijken. Door op die sterke sectoren te focussen, kunnen we onze economie blijvend versterken en ervoor zorgen dat we op een aantal terreinen de top van de wereld zijn en blijven. Het aanwijzen van negen topsectoren betekent dat we ook een aantal sectoren niet aanwijzen als topsector. Daarvoor hebben we de generieke maatregelen die voor ieder bedrijf in Nederland gelden. Daarvoor hebben we ook de investeringen in een goed investeringsklimaat, maar we hebben daarbij niet de gerichte aanpak van de drie O’s bij elkaar brengen. De topsectoren zijn van nature sterke sectoren waaraan door de combinatie van overheid, onderneming en onderzoek, de drie O’s of de gouden driehoek, een extra impuls gegeven kan worden. Dat betekent niet dat wij ten eeuwigen dage alleen deze negen topsectoren zullen hebben en dat er niet een af kan vallen of erbij kan komen. Het zijn echter de negen sectoren waarin we nu denken de grootste impact te zullen hebben van de inzet van onze euro’s.

Mevrouw Schaart (VVD): Daar ging ook specifiek mijn vraag over. Wat zijn dan de ijkmomenten? Wat zijn de criteria volgens welke een sector een topsector wordt of niet? Wanneer vallen er sectoren af of kunnen ze erbij komen? Zoals ik al zei, kan het maar zo gebeuren dat een andere sector zich ineens ontwikkelt tot een topsector. Hoe gaan we daar dan mee om? Wat zijn de ijkmomenten?

Minister Verhagen: Als in een sector de drie O’s niet het rendement opleveren op het gebied van kennisintensiteit en samenwerking om tot de top van de wereld te blijven behoren, zal dat uiteraard consequenties hebben. Als zich andere sectoren ontwikkelen waarin de samenwerking tussen de drie O’s een extra impuls kan geven, moeten we ons daarvoor openstellen. De randvoorwaarden die wij stellen en die ook door het bedrijfsleven zelf, en specifiek in deze sector, gevraagd worden omdat het daarmee extra groei kan realiseren, zijn medebepalend voor de keuzes die we maken.

Mevrouw Schaart (VVD): Ik wil toch wat specifieker weten waar het bedrijfsleven in Nederland aan toe is. Wat zijn de criteria om een topsector worden?

Minister Verhagen: Het lijkt een beetje op oud industriebeleid als de overheid zelf topsectoren zou willen creëren, of op socialistisch marktdenken. Ik kijk nu naar mevrouw Dijksma. U bent toch geen socialist meer, mevrouw Dijksma? U bent toch een sociaaldemocraat?

Mevrouw Dijksma (PvdA): Dat zijn twee verschillende dingen. Als de minister zijn klassiekers goed kent, weet hij dat de sociaaldemocratie altijd de weg van de kleine, geleidelijke stapjes kende en heel anders denkt over markten dan het socialisme.

De voorzitter: Deze historische les zie ik maar niet als een interruptie. De minister vervolgt.

Minister Verhagen: Daarom had ik het ook over het socialistische marktdenken, waarbij men dacht via de door het Kremlin bepaalde planeconomie tot de top van de wereld te gaan behoren. Oud industriebeleid is ook het in stand houden van onrendabele sectoren of bedrijven. Dat doen we dus niet. Het gaat erom, bestaande sectoren verder te versterken via de gouden driehoek. Dat is in a nutshell het nieuwe bedrijfslevenbeleid.

De heer Verhoeven vroeg of de boegbeelden, de topteams, nu gaan kiezen. De topteams zijn meer dan boegbeelden. Zij zijn vertegenwoordigers van de kennisinstellingen, de overheid en het mkb naast het boegbeeld. De topsectoren, of het nu gaat om hightech, chemie of water, omvatten heel omvangrijke terreinen; daar heeft de heer Verhoeven volkomen gelijk in. We hebben dus expliciet de opdracht meegegeven om binnen de topsectoren te bekijken wat de speerpunten zouden moeten zijn. Ook daarvoor geldt dat de topteams zelf verantwoordelijk zijn voor de afbakening.

De heer Verhoeven, de heer Koppejan en de heer Dijkgraaf vroegen specifiek naar de regionale keuzes. Om te beginnen is het natuurlijk zo dat ieder bedrijf ergens zit. Dat klinkt gek, maar dat heeft wel gevolgen. Het is niet zo dat een bedrijf niet in een regio zit. Als bijvoorbeeld Groningen geen CO2-opslag zegt te willen en Rotterdam wel, is de consequentie dat de Randstad van mij extra ondersteuning krijgt op dat gebied en dat de investering daar plaatsvindt en niet in Groningen. Dat is geen Randstedelijke arrogantie; het is de consequentie van het feit dat de ontwikkeling in deze regio plaatsvindt. De topsectoren kennen natuurlijk een zekere geografische concentratie, vandaar dat we praten over valley’s, green-ports, maintenance valley, energyville et cetera. De clusters die we daar nu zien, maken integraal deel uit van de desbetreffende topsectoren. In de plannen van aanpak, en zeker ook in de reactie van het kabinet daarop, zal uiteraard worden ingegaan op de regionale clusters. Die wijzen we niet van tevoren aan, maar die zullen wel consequenties hebben. Ik wil bij de uitwerking dus ook zeer nadrukkelijk provincies en regionale ontwikkelingsmaatschappijen betrekken. Als we de provincies meer het voortouw willen geven op regionaal economisch beleid, zou het heel vreemd zijn als we er bij de uitwerking van het beleid niet ten volle gebruik van zouden maken. Regionale ontwikkelingsmaatschappijen, maar ook verschillende provincies, hebben nu al zeer actief een input ten aanzien van de topteams. Brainport Zuidoost-Nederland en Food Valley Wageningen zien juist kansen om de verdere regionale economische ontwikkeling verder te versterken.

Mevrouw Dijksma (PvdA): Het is goed dat de minister de regio’s bij de topteams betrekt, maar wat is precies hun positie? Mogen ze meepraten terwijl de beslissingsbevoegdheid uiteindelijk bij EL&I ligt? Of hebben de regio’s ook nadrukkelijk een rol in het kiezen van datgene wat er uit de businessplannen naar voren komt? Is het dus vrijblijvend of stelt het iets voor?

Minister Verhagen: We moeten geen kunstmatige tegenstelling creëren tussen sectoren en regio’s. Men reageerde lacherig op mijn openingszin dat een bedrijf ergens is gevestigd, maar het is wel een feit. Het kabinet kiest ervoor om regionaal beleid in eerste instantie bij de regio’s te beleggen en niet in Den Haag. Dat is een heel bewuste keuze. Regio’s profiteren van sterke sectoren. Het gaat dus hand in hand: sectoren plus regio’s. De regionale clusters maken integraal onderdeel uit van de topsectoren. De bedrijven en kennisinstellingen uit die regio’s worden ook zeer nadrukkelijk door de topteams bij de topsectorenaanpak betrokken. We hadden laatst de presentatie van Brainport Zuidoost-Nederland, waarbij niet alleen de ontwikkelingen in de High Tech Campus Eindhoven, maar ook de Greenport Venlo en de chemie en life sciences in Maastricht werden betrokken. Die hebben er alle belang bij om input te leveren in de verschillende topteams. Zij staan allemaal klaar met hun inbreng ten aanzien van chemie, hightech en life sciences, om ervoor te zorgen dat hun regio ook optimaal zal kunnen profiteren van de uiteindelijke keuzes met betrekking tot het bedrijfslevenbeleid. Na het uitbrengen van het advies zal ik met de provincies en de relevante grote gemeenten afstemmen hoe de benodigde acties van de topsectoren passen binnen hun regionale economische beleid. Ik heb met burgemeester Van Gijssel van Eindhoven en met de commissarissen van de Koningin in Noord-Brabant en Limburg hierover uiteraard regulier overleg.

Mevrouw Dijksma (PvdA): De minister zegt zo mooi: we laten het regionale economische beleid aan de regio’s over. Hij geeft de regio’s

weliswaar inhoudelijk de ruimte, maar hij heeft feitelijk het geld dat zij hadden op nul gezet. Ook blijft mijn vraag waar uiteindelijk de beslissingsbevoegdheid over de businesscases ligt. Is er een consultatie? Is er een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de regio’s en de minister? Hoe wordt de beslissingsbevoegdheid feitelijk vormgegeven en welke criteria gelden er voor het vaststellen van de businesscases? Daar blijft de minister schimmig over.

Minister Verhagen: Ik wil de topteams sowieso de kans geven om met hun plan van aanpak te komen. Als ik zeg dat het bedrijfsleven en de kennisinstellingen aan zet zijn, ga ik, behalve dat ik de randvoorwaarden aangeef, niet meteen dicteren wat de uitkomst moet zijn. Dan hoeven we namelijk de hele exercitie niet te doen. Ten aanzien van de regio’s geldt dat het tweerichtingsverkeer is, net zo goed als bij de private sector. Als een bijdrage van de private sector groter is binnen de ene topsector dan binnen de andere, heeft dat consequenties. Dat geldt ook hierbij. Uiteraard moeten we kijken naar de input en de mogelijkheden, maar ook naar de afrekenbaarheid: wat heeft de meeste impact? Waar hebben we het grootste effect van de inzet van gelden? Mevrouw Dijksma zegt dat wij het regionale economische beleid decentraliseren maar er geen geld bijgeven. Er vinden op dit moment, ook in het kader van de discussies over het bestuursakkoord, discussies plaats over het Provinciefonds. Mevrouw Dijksma kan het oneens zijn met de keuzes die worden gemaakt; dat is haar goed recht. Zij moet echter niet zeggen dat we al het geld weghalen. Nee, daar vindt op dit moment een discussie over plaats.

De heer Verhoeven (D66): De kunst van innovatiebeleid is het vinden van enerzijds sectorale speerpunten – daarover hebben we het gehad – en anderzijds regionale raakvlakken. Ik wil het ook even over de regio’s hebben. De minister zegt: een bedrijf is ergens gevestigd. Ik heb vier jaar sociale geografie gestudeerd en het klopt inderdaad: een bedrijf is ergens gevestigd. Dat is excellent! Vier jaar gestudeerd en de minister zegt het in één zin! Maar – en nu komt die studie misschien toch een keer van pas – niet overal heb je de unieke mix van universiteiten, topinstellingen, uitvinders, mkb, toeleveranciers, producenten en hoofdkantoren. Waar dat wel zo is, heb je de bijzondere regionale kracht. Daarvan zijn een aantal voorbeelden door verschillende collega’s genoemd. De minister zegt dat de topteams actieagenda’s gaan maken en noemt in zijn brief een aantal paragrafen die er volgens hem in moeten. Mijn verzoek aan de minister is, aan de topteams te vragen om expliciet een regionale paragraaf op te nemen waarin elke topsector duidelijk aangeeft: daar in Nederland zit de unieke kracht, het kloppende hart, van onze sector. Dat is dan bij hightech natuurlijk Brabant en bij water misschien Delft. Zo kan ik ze allemaal af gaan; dat heb ik in mijn inbreng ook gedaan. Is de minister bereid om dit te vragen?

Minister Verhagen: Ik vind het een terechte en goede vraag, maar in het algemeen zullen de plannen van aanpak moeten bijdragen aan de doelstellingen van betere positionering van het Nederlandse bedrijfsleven met het oog op toenemende concurrentie, een innovatiever Nederland, meer valorisatie, het oplossen van maatschappelijke uitdagingen als grondstoffenschaarste en het klimaatbeleid, hoe verschillend daar ook over wordt gedacht. Het was ook een vraag van de heer Koppejan: waar reken je ze op af? Afrekenbaarheid, en daar hoort ook de regionale ontwikkeling bij, is natuurlijk van groot belang. Ik zal de plannen van aanpak in ieder geval beoordelen op een gezamenlijke visie van alle stakeholders per topgebied en op een focus op prioriteiten die bijdragen aan excellentie. Daarbij kan ik natuurlijk niet zeggen: u moet een draagvlak hebben, dus u moet maar iedereen te vriend houden en dus geen keuzes maken. Als men daardoor draagvlak verkrijgt, hebben we er nog niets aan. Dat is ook de consequentie. Het gaat echter om de integrale aanpak met randvoorwaarden, talent, kennis, duurzaamheid, hoofdkantoren, verantwoordelijkheidsverdeling en een kabinetsbrede betrokkenheid. Daar zullen we uiteraard op beoordelen.

De heer Verhoeven (D66): De minister geeft aan oog te hebben voor het zoeken naar de kloppende harten per topsector en daar ben ik heel blij mee. Ik wacht dat gewoon af en denk dat we erop terug moeten komen op het moment dat de actieagenda’s worden beoordeeld door het kabinet en dan, als laatste, door het belangrijkste orgaan, de Tweede Kamer.

De heer Dijkgraaf (SGP): De zorg over de regio’s komt volgens mij door de bewoording in de brief; daarin komen de woorden «Randstad» en «stedelijke omgeving» te veel voor. Als ik de woorden van de minister beluister, ga ik er echter van uit dat wij ex post beoordelen dat het meevalt en dat de minister ervoor zorgt. Mijn vraag is heel concreet. Ik heb het mkb ook als criterium genoemd. Weegt de minister dat ook mee bij de beoordeling van de plannen?

Minister Verhagen: Absoluut.

De heer Koppejan (CDA): Ik geloof in de kracht van de regio’s. Daarom denk ik ook dat het goed moet komen. De minister sprak ook over duurzaamheid. Ik heb zelf gesteld dat we ook moeten kijken naar het maatschappelijke rendement. We moeten kijken naar economisch rendement, werkgelegenheid, omzet, winst en groei, maar ook naar maatschappelijk rendement. Daar valt natuurlijk duurzaamheid onder, maar het is meer. Het gaat bijvoorbeeld ook om een beoordeling van maatschappelijk verantwoord ondernemen: in welke mate is een bedrijfstak in staat om ook mensen met een zekere afstand tot de arbeidsmarkt, dus mensen met een beperking of mensen op leeftijd, aan het werk te helpen? Speelt dat soort criteria ook een rol bij de toetsing van de projecten?

Minister Verhagen: Ik heb uiteraard met belangstelling kennisgenomen van de inbreng van FNV en CNV over de sociale innovatie. Uiteraard zal die meespelen in de uiteindelijke weging. Ik vind niet dat wij van tevoren alles moeten opleggen. Ik kijk er wel naar, maar ik ga geen regionale paragraaf in de adviezen opdragen. Ik zeg niet dat die erin moet komen. Ik heb de topsectoren uiteraard wel gevraagd om ook te kijken naar regionale clusters in de actieagenda: breng eens in kaart in hoeverre je met dit plan van aanpak een antwoord hebt op de maatschappelijke vraagstukken in den brede. Dit soort elementen speelt ook mee in de weging door het kabinet van de plannen van aanpak. Wij zullen in de kabinetsreactie uiteraard ook moeten ingaan op al die elementen, om daarmee onze keuzes te motiveren.

De heer Koppejan (CDA): Dus ik kan aannemen dat wij, op het moment dat dit terugkomt naar de Kamer, kunnen zien in welke mate maatschappelijk verantwoord ondernemen een rol heeft gespeeld in de toekenning van projecten.

Minister Verhagen: Dat kunt u.

Mevrouw Schaart vraagt om meer aandacht voor ICT. Dat ben ik helemaal met haar eens, maar als iets dwars door alle topsectoren heen speelt, is het innovatie en ICT. Als er geen waarde zou worden gehecht aan ICT in de plannen van aanpak, zouden we zo ongeveer al kunnen ophouden met innovatie en samenwerking tussen kennisinstellingen en bedrijfsleven. Verder heb ik ook een digitale agenda toegezegd, in relatie tot de digitale agenda van mevrouw Kroes, waarin ik het ICT-beleid zal uitwerken in concrete acties. Daar komen we dus op terug.

Mevrouw Schaart (VVD): Ik wil het toch wat concreter maken. Mijn voorstel was om in elk hoofdstuk voor elke topsector de topmannen een hoofdstuk te laten schrijven over ICT.

Minister Verhagen: Nogmaals: ik ga niet dicteren wat ze moeten schrijven. Zij weten echter wat belangrijke elementen zijn. We kunnen niet het bedrijfsleven en de kennisinstellingen aan het stuur zetten en tegelijkertijd zeggen: maar u moet dat en dat en dat gaan opschrijven! Dan het pièce de résistance. Waren er geen frissere boegbeelden? Mevrouw Dijksma had een heel mooie opmerking, zoals we dat ook van haar gewend zijn. Zij zei: it’s a man’s world. Ik ben het uiteraard geheel met haar eens! Ik zal uitleggen waarom. Mevrouw Dijksma citeerde een liedje, maar dat moet zij wel afmaken. Eigenlijk moet zij de volgende zin ook noemen: but it wouldn’t be nothing without a woman or a girl. Nu hebben we het compleet. Als er een mix te vinden is, moeten we dat absoluut doen. Uiteraard had ik graag allerlei frisse vrouwen als boegbeeld gezien. Er wordt echter enorm veel gevraagd van de mensen die zich inzetten in de topteams, en van het enthousiasme waarmee ze het doen. Zij moeten er dagen voor vrijmaken. Er zijn mensen die hiervoor twee of drie dagen van de week hun agenda hebben leeggemaakt, ondanks het feit dat ze een bedrijf of andere activiteiten hebben, omdat men in deze aanpak gelooft. Jammer genoeg waren een aantal zeer capabele vrouwen die wij hebben benaderd niet in de gelegenheid om die tijd ervoor vrij te maken, omdat zij in deze economische crisis zeer druk bezig waren met hun eigen bedrijf. Met mevrouw Dijksma vind ik het jammer dat ik uiteindelijk op Wereldvrouwendag met dit dreamteam moest komen. Niet omdat ik bij deze mensen vraagtekens zet – integendeel; ik ben zeer blij met hun bereidheid – maar omdat ik het uiteraard plezierig had gevonden als er vrouwen beschikbaar waren geweest. Op basis van de beschikbaarheid en de interesse zijn echter in overleg met VNO-NCW en MKB-Nederland deze negen boegbeelden geselecteerd, vooral omdat het mensen zijn die een uitgebreid netwerk hebben en herkenbaar zijn voor de sectoren. Overigens zitten in de topteams wel vrouwen. Misschien hadden er meer in moeten zitten, maar er zitten vrouwen in.

De heer Koppejan is nog ingegaan op de kredietverlening. Gelukkig hebben we inderdaad kunnen lezen dat de kredietverlening aan het mkb weer toeneemt. Ik zal de resultaten van het onderzoek in mei aan de Kamer toezenden. Mijn reactie op dat onderzoek zal ik meenemen in de bedrijfslevenbrief, voor zover die budgettaire consequenties zal hebben. Ook hierbij zul je namelijk de maatregelen in onderlinge samenhang moeten bezien en niet iedere keer op een onderdeeltje ervan moeten ingaan. Ik zou de datum van 1 juni dus wat naar achteren willen schuiven, omdat de bedrijfslevenbrief later komt omdat pas in juni wordt gerapporteerd door de topteams. Ik doe de toezegging dus wel, maar niet voor deze datum.

De heer Koppejan mist de uitwisseling tussen het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven. Ik wil uiteraard, net als de heer Koppejan, een uitwisseling tussen beroepsonderwijs en bedrijfsleven. Dat is ook de reden waarom topteams zijn uitgenodigd om in de agenda’s en de plannen van aanpak in te gaan op de manier waarop de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt kan worden verbeterd. Juist daarom zitten in die topteams niet alleen de boegbeelden, maar ook vertegenwoordigers van mkb, kennisinstellingen en de verschillende ministeries. In zijn algemeenheid heeft het kabinet een heldere visie op hoe het beroepsonderwijs beter kan worden afgestemd op de behoeften van het bedrijfsleven, zodat leerlingen beter worden voorbereid op de arbeidsmarkt. Wij stimuleren onderwijsinstellingen om zich op dat punt te onderscheiden middels een gedifferentieerd en excellent onderwijsaanbod. Regels waar nodig, maar veel minder dan nu: de heer Koppejan deed de suggestie om twee regels te schrappen als er één bij komt. Het staat hem uiteraard vrij om dat sowieso in de Kamer te realiseren. We hebben gemerkt dat het niet zozeer gaat om het aantal regels dat wordt verminderd als wel om het merkbaar verminderen van de regeldruklast. Het «dorre hout» en de simpele reducties zijn allang gerealiseerd. Nu wordt de complexere wetgeving aangepakt. 10% is wel een kwalifi-ceerbaar iets, maar het gaat om een zichtbare, merkbare verbetering. Die doelstelling deel ik met de heer Koppejan.

Ik was gisteren op bezoek bij een innovatieve tuinder. Hij is bezig met aardwarmte. Hij boort tot een diepte van 125 meter. Daarbij moet hij aan milieueisen voldoen, omdat het leven op die diepte mogelijk verstoord wordt. Hij vond dat een voorbeeld van een volkomen overbodige regeling ...

De voorzitter: Niet te veel anekdotes. Staccato graag.

Minister Verhagen: Het geeft een beeld. Er zijn een heleboel regels die theoretisch leuk zijn, maar waarvan je je in godsnaam afvraagt waarom ze opgelegd worden.

De voorzitter: Het zijn mooie voorbeelden, maar graag in tempo erdoorheen.

Minister Verhagen: Ik zeg de Kamer toe dat ik haar vóór het zomerreces het actieplan voor jonge ondernemers toestuur. Ik probeer 1 juni, maar we zijn er nog over in gesprek.

Mevrouw Schaart vraagt wat ik ga doen tegen de braindrain. De topsecto-renaanpak is erop gericht om de topsectoren in Nederland tot een talenten aantrekkende vestigingsplaats te maken met aantrekkelijke carrièrekansen. Ik verwacht dat het talent dat nodig is om de ambities van het topsectorenbeleid waar te maken ofwel blijft, ofwel van buitenaf wordt aangetrokken. Misschien dat ik daar met de heer Van Bemmel nog een keer een andere discussie over moet voeren.

Tegen de heer Verhoeven kan ik zeggen dat de Amsterdambrief vóór Prinsjesdag komt.

De voorzitter: Dank u wel. We gaan naar de tweede termijn. De leden hebben anderhalve minuut spreektijd.

Mevrouw Dijksma (PvdA): Voorzitter. Doordat de minister zegt dat hij de topteams aan de slag laat gaan en met de businessplannen laat komen, lijkt het alsof hij het roer uit handen geeft. Hem kennende geloof ik daar geen snars van. Ik verneem daarom graag van de minister wat op voorhand de criteria zijn die zijn departement hanteert om te beoordelen of de businessplannen «effectief zijn», zoals hij dat noemt. Daar is ongetwijfeld over nagedacht. Ik vind dat hij dit met de Kamer moet delen. Het mag niet vrijblijvend zijn.

Over kennis zullen wij het niet eens worden. Ik vind het antwoord van de minister dat het ministerie van Onderwijs daar mooie programma’s voor heeft, te mager. Het punt is juist dat bijvoorbeeld de aansluiting met de roc’s niet van de grond komt doordat de bekostigingsmodellen in het onderwijs – daar weet ik nogal wat van – heel ingewikkeld zijn en vanuit het bedrijfsleven meer gestimuleerd zou kunnen worden. Mijn vraag is dus niet wat minister Van Bijsterveldt gaat doen – dat zij hard aan het werk is op dat terrein, weet ik – maar wat deze minister gaat doen en wat zijn bijdrage kan zijn.

Ik wil graag een reactie op mijn opmerking over het Vlaams Instituut voor Biotechnologie. Daar heeft de minister niet op gereageerd. Gelet op wat er gewisseld is, heb ik er behoefte aan om voor de positie van de regio’s nog het een en ander te regelen in een VAO, dat ik bij dezen alvast aankondig.

De heer Verhoeven (D66): Voorzitter. Over de regio’s zeg ik niets. Ik wacht af wat er gaat gebeuren, maar het is wel erg belangrijk. Er is een groot verschil tussen ondernemersbeleid en innovatiebeleid. Ondernemersbeleid gaat om het verminderen van regels, om lasten; dat is meer algemeen. Daar is dit kabinet goed in. Dat heb ik ook toegegeven, met pijn en moeite. Innovatiebeleid is echt iets anders. Dat gaat om kennis, om specifieke, specialistische kwaliteiten. Daar is de overheid heel belangrijk voor. Het kabinet is hier iets minder goed in. De minister zegt dat iedereen die hij gesproken heeft, heel positief is. Dat is leuk, maar dan vraag ik mij af of er wel scherpe keuzes zijn gemaakt. Ik heb veel contact gehad met de kennissector. Die is wat minder positief. Daar komen zinsneden als «peanuts», «oude wijn in nieuwe zakken» en «sigaar uit eigen doos» vandaan. Ik sluit mij op dit punt aan bij wat mevrouw Dijksma zei.

Drie vragen zijn nog niet beantwoord. De eerste gaat over TNO en de vrije besteding van gelden of de verplichte winkelnering. De tweede gaat over de overheid als launching customer. Graag hoor ik hoe de overheid als launching customer maatschappelijk verantwoord en duurzaam ondernemen gaat stimuleren. De derde gaat over de Amsterdambrief. De minister zegt dat die voor Prinsjesdag komt. Ik zou zeggen, stuur hem voor Koninginnedag, dan is iedereen tevreden. Ik hoop daarover een toezegging te krijgen.

De heer Braakhuis (GroenLinks): Voorzitter. De minister begon zijn betoog met op te merken dat iedereen die hij spreekt in het bedrijfsleven, blij is. Dat sluit goed aan bij de waarneming dat als je het hele bedrijfsleven tot topsector verheft, iedereen blij is. Daar werd ik dus niet heel warm van. Bovendien leidt het feit dat er negen topsectoren zijn benoemd, tot een versnippering van middelen, en elk topteam gaat natuurlijk ook aan deze middelen trekken. De vraag is hoe dat onderling besloten wordt. Ik heb daar geen helderheid over gekregen. Ik hoor graag van de minister hoe hij gaat voorkomen dat het ene topteam harder aan het geld kan trekken dan het andere team. Moet dat vanzelf gaan of heeft de minister hier een prioritering in?

Ik stel vast dat Research & Development maar deels een innovatie-issue is. Uiteindelijk, en dat heeft de minister op zich erkend, gaat het om valorisatie. Er zijn heel veel ideeën in Nederland, maar die naar de markt brengen, is een groot probleem. Daarom vraag ik mij af of 2,5% reservering van het budget wel voldoende is.

Mevrouw Dijksma en ik hebben geprobeerd om van de minister een antwoord te krijgen op de vraag waarom ervoor gekozen is om de Vpb te verlagen in plaats van de arbeidskosten in brede zin. Het voelt een beetje als trekken aan een dood paard en helaas zit de boerderij er ook nog aan vast. Ik wil graag een echt antwoord van de minister. Waarom is gekozen voor de Vpb en niet voor arbeidskostenverlaging?

Ik heb nog een vraag openstaan over de OS-gelden. Het gaat toch om 300 mln. Is dat geoormerkt geld? OS-geld is bedoeld om uit te geven aan het buitenland en niet aan het binnenland. Ik wil daar helderheid over.

Mevrouw Schaart (VVD): Voorzitter. Het is prima om het dekbed af en toe op te schudden. Er zijn veel vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven bij mij op bezoek geweest. Slechts enkelen van hen konden aantonen wat er mis gaat als zij bepaalde gelden niet meer krijgen. Deze oefening is op zich dus absoluut de moeite waard. Ik onderschrijf van harte dat dit kabinet oog heeft voor het bedrijfsleven. Kijk naar wat staatssecretarissen Atsma en Bleker aan het doen zijn in Vietnam. Zij halen de ene na de andere mooie order voor het Nederlandse bedrijfsleven binnen en dat is helemaal top.

Ik heb wel vragen over de transparantie van deze aanpak. Wat zijn nu precies de kosten? De minister zei verder dat sommige topmannen wel twee à drie dagen in de week hiermee bezig zijn. Doen zij dit belangeloos? De minister was nog wat vaag over de criteria. Hoe wordt bepaald of een topsector een topsector blijft?

Ik sta voor ICT. De minister heeft zelf gezegd dat 60% van de economische groei komt door ICT. Ik ben er niet zo gerust op dat de topmannen dit ook meenemen in hun plannen. Daarom wil ik hier een motie over indienen. Ik heb een voorstel gedaan om bedrijven binnen zes maanden uitsluitsel te geven over benodigde vergunningen, bijvoorbeeld om een researchfaciliteit of een nieuwe fabriek te bouwen. Dat gaat in Azië een stuk sneller dan in Nederland. Wat vindt de minister hiervan?

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Voorzitter. Ik bedank de minister voor de beantwoording. Een aantal vragen is nog onbeantwoord.

Ik had iets gevraagd over MSD-Organon. De minister zei dat we talent moeten behouden of anders van buiten moeten halen. Laten we proberen om degenen die we al binnen hebben te koesteren.

Daarnaast heb ik gevraagd naar de voortgang van TI-COAST. De minister heeft gezegd dat 5 mln. nog niet ingevuld is. Er wordt in ieder geval bekeken hoe het zit met de topinstituten. Ik wil concreet meer horen over

TI-COAST.

Er is een vraag blijven liggen over de regeling Prepare 2 Start. Is het de bedoeling om die te verlengen tot en met 2011?

De minister heeft gezegd dat een uitwisseling zal plaatsvinden tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Ik had gevraagd of de regionale taskforces

Technologie, Onderwijs, Arbeidsmarkt daar een rol in mogen spelen.

De heer Van Bemmel (PVV): Voorzitter. Ook ik bedank de minister. We hebben veel gehoord.

Als je de deuren van de Tweede Kamer opendoet en naar het bedrijfsleven gaat, hoor je veel positieve geluiden. Ik ben het dus met de minister eens. Wij hebben vijf PVV-ridders in het Europees Parlement. Zij hebben de opdracht om de Europese Commissie van binnenuit op te heffen. Iedere dinsdagochtend rapporteren ze over de voortgang daarvan. Een gelijk speelveld is wel belangrijk. We hebben nu een perfecte regering. Die faciliteert. De Europese Commissie bedisselt vaak. De minister had een leuk voorbeeld over aardwarmte. We moeten daar goed naar kijken. Moeten de gemeentes niet meedoen in de strijd voor een betere economie en voor betere omstandigheden voor de ondernemers?

De heer Koppejan (CDA): Voorzitter. Ook ik dank de minister voor zijn uitgebreide beantwoording. Het geeft vertrouwen. Er zijn nog twee vragen onbeantwoord.

Ik heb nog geen reactie gehad op de suggestie om de aandelen van het Rijk in regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM) voor een symbolisch bedrag over te dragen aan de provincies. Ik vraag dat omdat er bij een aantal provincies toch nog best wel wat geld in kas is door de verkoop van aandelen in elektriciteitsmaatschappijen. Het is belangrijk dat dit geld geïnvesteerd wordt. Dat doe je bij voorkeur via een ROM. Dan kan de participatie van de overheid in zo’n ROM een belemmering vormen. De kracht van het beleid van de minister is dat het integraal is. Ik zie wel problemen op het gebied van onderwijs. De minister is er wel op ingegaan, maar ik heb twee punten. Het eerste is dat er eigenlijk te weinig mensen met ondernemerservaring voor de klas staan. Met name de bevoegdheden zijn een probleem; er moet steeds een docent naast staan.

Het tweede punt is dat er nog te veel een 9-tot-5-mentaliteit is in het onderwijs. We hebben dat gezien met de bijscholing in de deeltijd-WW. Dat is echt een ramp geweest. Wil de minister dat aankaarten bij zijn collega voor Onderwijs? Dan kunnen we het onderwijs beter laten aansluiten op de vraag van het bedrijfsleven.

De heer Dijkgraaf (SGP): Voorzitter. De minister begon met een prachtige vergissing. Hij zei namelijk dat het ging om vraagsturing «waar wij al jarenlang om vragen». Toen verbeterde hij zichzelf: «waar het bedrijfsleven al jarenlang om vraagt». Want als het kabinet wij is en er al jarenlang om gevraagd zou hebben, zaten we hier niet, in ieder geval niet met deze nota, want dan hadden we al beter innovatiebeleid. De minister kan zichzelf maar vooral ook ons daarbij wel helpen door het verschil tussen de wereld van het bedrijfsleven en de wereld van de Kamer te verkleinen, door straks bij de presentatie van de nota een heel heldere analyse neer te leggen tegen welke problemen het bedrijfsleven aanloopt en hoe het beleid daarbij past. Het kan zijn dat we dan minder discussies hebben. Natuurlijk houden we politieke discussies, maar het is wel prettig als we in ieder geval praten over oplossingen van problemen. Ik heb nog een paar korte punten. Ik heb gevraagd om minder regels. Ik heb een vraag gesteld over de octrooien. Dat is een detail. Die vraag mag schriftelijk worden beantwoord. Is een betere toegang tot kennis en continuïteit van topinstituten gewaarborgd met dit beleid? Ik sluit mij aan bij de vragen over de 2,5% of meer en het dichterbij zetten van doelstellingen voor de valorisatie. Kunnen we ondernemerschap beter integreren in de scholing?

De voorzitter: We beginnen met de tweede termijn van de minister. Mijn voorstel is om te wachten met vragen tot het einde van zijn termijn.

Minister Verhagen: Voorzitter. Mevrouw Dijksma kan zich niet voorstellen dat ik alles uit handen geef. Mevrouw Dijksma kent mij goed. Uiteindelijk zal het kabinet moeten besluiten over de gepresenteerde plannen van aanpak. Het is dus geen gratis cheque of een kwestie van: u vraagt, wij draaien. De topteams hebben een grote vinger in de pap. Naarmate ze met een meer doorwrocht plan komen, is de kans groter dat wij ja zeggen. Ik ga de plannen van aanpak beoordelen op de focus op prioriteiten die bijdragen aan excellentie, een integrale aanpak, een heldere regie en verantwoordelijkheidsverdeling, en of ze passen in het financiële kader, in hoeverre de doelen afrekenbaar zijn en in hoeverre er sprake is van cofinanciering. Al die elementen, die antwoorden bieden op maatschappelijke vraagstukken et cetera, zullen in de beoordeling meewegen. Mevrouw Dijksma heeft dus gelijk dat uiteindelijk het kabinet besluit, maar in plaats van een departement aan het werk te zetten ter voorbereiding van het beleid, zetten we het bedrijfsleven samen met de kennisinstellingen en de overheid aan het werk. Dat is ook het vernieuwende. Het gaat nog verder. Wij gaan ook aan uitwisseling doen tussen het departement en het bedrijfsleven. Mensen uit het bedrijfsleven gaan een tijd op het departement werken. Andersom gaat iemand van het departement bij een bedrijf werken, gewoon om eens te zien waar een ondernemer tegenaan loopt met al die regels die wij hier verzinnen. Ik denk dat het heel goed is om op dat punt dat besef van beide kanten te krijgen. Dan vraagt mevrouw Dijksma naar de invulling van de financiële middelen. De invulling van de 500 mln. met betrekking tot de Vpb en de WBSO et cetera volgt natuurlijk, maar die is hoe dan ook voor het bedrijfsleven. De geschrapte 500 mln. subsidies aan de ene kant en de 500 mln. extra voor Vbp-verlaging en de WBSO aan de andere kant geven we niet aan andere sectoren. Die is voor het bedrijfsleven. Er zijn andere vragen daarover gesteld, onder anderen door de heer Braakhuis. Vóór de zomer komt de staatssecretaris van Financiën met zijn fiscale agenda. Dan zullen we verder op de onkostenverlaging et cetera ingaan. Mevrouw Dijksma komt met een motie over de regio’s. Ik heb al geantwoord op dit punt. Dat was in ieder geval voor de heer Verhoeven aanleiding om er wat positiever tegenaan te kijken. Om de aanpak die we gekozen hebben niet te doorbreken, vraag ik de Kamer om een topteam niet op te gaan leggen wat het exact in zijn plan van aanpak moet opnemen. Dat de Kamer in haar beoordeling en wij in de onze de regionale consequenties, invulling en inbreng betrekken in onze afweging, is meer dan terecht.

De heer Verhoeven (D66): Het is misschien een verbindende motie.

Minister Verhagen: Oké.

De heer Verhoeven maakte een onderscheid tussen ondernemersbeleid en innovatiebeleid, en vond dat wij heel goed waren in ondernemersbeleid. Maar dit is bedrijfslevenbeleid. Daarom zitten al die elementen erin. De heer Verhoeven vond dat het innovatiebeleid minder goed was. Hij refereerde aan de negatieve reacties van de kennissector en koppelde daar woorden aan als «peanuts». NWO, KNAW en TNO waren in de gesprekken die wij hebben gevoerd, veel positiever dan in de citaten die ik in de kranten las. Ik heb ze daar ook op aangesproken. Het lag aanmerkelijk genuanceerder. De kritiek van een aantal hoogleraren was een beetje vreemd. Enerzijds wordt gezegd dat het «peanuts» is en anderzijds wordt gezegd: schandalig dat jullie het geld afnemen en dat we het niet meer aan ons eigen wetenschappelijk onderzoek kunnen besteden, maar het moeten richten op het bedrijfsleven. Dat is in tegenspraak met elkaar. Want of het is peanuts, en dan hoeft de hoogleraar zich er niet zo druk over te maken, of het stelt wel iets voor en hij voelt zich belemmerd in zijn keuze. Moet hij iets gaan onderzoeken dat meer op het bedrijfsleven gericht is of moet hij onderzoek doen naar de korenwolf in de twaalfde eeuw in Oost-Groningen, om een voorbeeld te noemen?

De voorzitter: We gaan staccato door de rest van de vragen heen.

De heer Verhoeven (D66): De peanuts waren internationaal.

De voorzitter: Waarvan akte.

De heer Verhoeven (D66): De kennisbedrijven hebben het natuurlijk over hun eigen budgetten en dat is binnenlands.

De voorzitter: Prima. Dat hebben we allemaal niet gehoord. De minister gaat gewoon door.

Minister Verhagen: Ik denk, gelet op de reacties, dat het wel degelijk consequenties zal hebben voor de besteding van de gelden, juist omdat ...

De voorzitter: We gaan naar een volgend onderwerp.

Minister Verhagen: Goed.

De Amsterdambrief wil de heer Verhoeven vóór Koninginnedag hebben. Dat zeg ik niet toe. Ik vraag wel aandacht voor het volgende. We gaan specifiek kijken naar het hoofdkantorenbeleid. Niet alle hoofdkantoren staan in Amsterdam, ook Den Haag heeft behoorlijk wat hoofdkantoren. Er zijn ook andere regio’s waar hoofdkantoren zich gevestigd hebben. Het hoofdkantorenbeleid zal natuurlijk consequenties hebben voor bijvoorbeeld de Zuidas en de hele ontwikkeling in Amsterdam. Ik wil die elementen erbij betrekken. Ik kan alvast één tip geven. Ik ben ervan overtuigd dat als Amsterdam een aannemer weet te vinden die de verbouwing van het Stedelijk Museum wel kan realiseren, dit meteen een positief effect heeft op een aantrekkelijk vestigingsklimaat en toerisme-beleid.

De heer Braakhuis vroeg naar OS. ODA is ODA, oftewel officiële ontwikkelingshulp is officiële ontwikkelingshulp. Dat bepalen wij niet, dat gebeurt in Parijs. Dat laat onverlet dat iets officiële ontwikkelingshulp kan zijn en tegelijkertijd ten goede kan komen aan de topsectoren of aan het Nederlandse bedrijfsleven. Het is dus niet zo dat het hoe dan ook beter is als we het maar aan iets anders besteden. In de brief van staatssecretaris Knapen staat ook dat we ons, anders dan in het oude beleid, meer richten op economische ontwikkeling in ontwikkelingslanden. Daarbij kunnen het Nederlandse bedrijfsleven en de topsectoren een heel grote rol spelen. Tal van landen die behoefte hebben aan steun in het kader van ontwikkelingssamenwerking, kunnen van de Nederlandse kennis en expertise gebruikmaken, bijvoorbeeld op het terrein van water. Het is dus helemaal niet zo dat we de kas van OS even plunderen.

De voorzitter: Uw punt is gemaakt. Volgend onderwerp.

Minister Verhagen: Hoe voorkomen we dat de ene sector meer geld krijgt dan de andere? De vraag is of ik dat wil voorkomen. Het gaat, zoals ik al zei, niet om de verdelende rechtvaardigheid, maar om de inhoud van de plannen van aanpak die uiteindelijk gepresenteerd worden. Het gaat om de impact die de besteding van een euro heeft op de concurrentiekracht, de innovatie et cetera. Als de ene sector die meer heeft dan de andere, gaat daar meer geld naartoe. Het gaat niet alleen om geld, maar ook om goede ideeën. Het kan zijn dat de ene sector veel meer behoefte heeft aan het afschaffen van regels en de andere juist meer behoefte aan de inzet van de beschikbare gelden.

De voorzitter: Punt gemaakt. Volgende onderwerp.

Minister Verhagen: Mevrouw Dijksma vroeg naar de samenwerking met het onderwijs en naar wat EL&I zelf doet. EL&I en OCW zullen de samenwerking tussen het bedrijfsleven en het onderwijs versterken. Bij de plannen van aanpak wordt specifiek bekeken hoe die samenwerking versterkt kan worden. Er wordt wel degelijk ook naar bekostiging gekeken. Voor mbo komt er een box in de bekostiging voor tevredenheid van het bedrijfsleven. In het hoger onderwijs komt er meer ruimte voor profilering in de bekostiging. We zien goede samenwerking – centers of expertise – en we gaan bezien hoe we de samenwerking die er is, een vaste plek in het onderwijs kunnen geven.

De heren Dijkgraaf en Koppejan willen meer aandacht voor ondernemerschap in het onderwijs. Dat is terecht. Er is in het onderwijs een hele slag gemaakt op dat punt. Op tal van universiteiten en hbo-opleidingen wordt het vak ondernemerschap tegenwoordig gegeven. Ook in het basisonderwijs heeft mevrouw Dijksma daartoe destijds heel goede initiatieven genomen, waar we nu de vruchten van plukken.

De voorzitter: Dat mag ook wel eens gezegd worden, vindt mevrouw Dijksma ongetwijfeld!

Minister Verhagen: Ik zal in het actieplan voor jonge ondernemers verder ingaan op het verankeren van ondernemerschap in het onderwijs, van basisschool tot en met universiteit.

Er was nog een vraag blijven liggen van de heer Verhoeven over TNO. Er zijn klachten van bepaalde private partijen dat TNO hen concurrentie aandoet. Dat hoor ik ook van MKB Nederland. TNO neemt die klachten serieus. Je moet die klachten serieus nemen, erop ingaan en specifiek bekijken welke maatregelen moeten worden getroffen. Maar die klachten als zodanig zijn niet tekenend voor het algemene beeld van het bedrijfsleven over TNO. Uit het feit dat TNO jaarlijks twee derde van de omzet uit contractactiviteiten haalt, mag worden afgeleid dat TNO in een grote behoefte aan kennisontwikkeling voorziet. Een contract wordt uit vrije wil afgesloten. Er is geen sprake van gedwongen winkelnering. Omdat TNO en GTI’s (Grote Technologische Instituten) onder één dak zijn gebracht, hebben we kansen om de aansturing en programmering van die instituten te moderniseren. Er komt een eindevaluatie over de vraagsturing. Die zal ik bij de besluitvorming betrekken. Cruciaal vind ik dat TNO en de GTI’s actief meedoen in de topsectorenagenda en de topteams, en dat hun programmering binnen die context wordt gebracht.

De heer Verhoeven (D66): Ik ben hier blij mee. Ik vraag de minister om die analyse op papier te zetten. De minister zegt dat er geen sprake is van gedwongen winkelnering. Misschien is het goed als hij even op een rij zet hoe het dan werkt en beziet op welke punten hij de zaak kan versoepelen, zodat hetgeen ik wil bereiken, namelijk vrijere concurrentie tussen kennispartijen, mogelijk wordt.

Minister Verhagen: Ik zeg u dat toe.

Dan mevrouw Schaart. Het kabinet neemt ICT nadrukkelijk mee in de digitale agenda die de Kamer nog van mij krijgt. Het is een horizontaal thema dat in de plannen van aanpak van de topteams terugkomt. Ik wil toch iets vragen. Stel dat straks tien moties worden ingediend. In een motie staat dat het topteam in het plan van aanpak een paragraaf moet hebben over hoe het plan uitpakt voor de regio. In een volgende motie staat dat het plan precies moet aangeven wat de gevolgen zijn op het punt van ICT. Als ik ga opleggen wat de topteams moeten gaan doen, gaat dat in tegen de filosofie die ten grondslag ligt aan het bedrijfslevenbeleid. Laat het nu eerst uit de sector komen. Wat wij er dan mee doen als kabinet en Kamer, staat ons vrij. Dat de Kamer dan bekijkt wat het betekent voor de regio, voor maatschappelijk verantwoord ondernemen of voor ICT, alstublieft, graag! Maar nu zeggen tegen Timo Huges, Jeroen van der Veer of noem ze maar op: «als u dat niet zo en zo doet, wijs ik het bij voorbaat af», gaat echt in tegen datgene wat we nu proberen, om het bedrijfsleven zelf met ideeën te laten komen. Ik vraag de Kamer dit met klem. Het is een experiment, het is gewaagd, maar het doet recht aan de verantwoordelijkheid van de Kamer. Zij kan uiteindelijk zeggen: wij doen er niets mee, want wij zijn het oneens met de gemaakte keuzes.

De heer Dijkgraaf (SGP): Ik wil tot een oplossing komen. Ik ben er niet voor om het aan de teams op te leggen, maar willen wij als Kamer die afweging kunnen maken, dan hebben we wel de informatie nodig. Mogen we de minister vragen om op die punten, in de rapportage naar ons toe, die inschatting te maken?

Minister Verhagen: Dat zeg ik u bij dezen meteen toe. De heer Dijkgraaf vroeg specifiek naar het probleem van de octrooiwetgeving. Ik herken dat. De Kamer heeft daarover op 13 april een algemeen overleg met de staatssecretaris. Ik zal hem vertellen dat hij kan verwachten dat hij daarover met de Kamer de discussie zal moeten voeren.

De heer Koppejan vraagt om de overheidsparticipatie in de aandelen van ROM’s over te dragen aan de provincie. Er is vrij recent een motie hierover ingediend door de CDA-fractie. Die is verworpen door de Tweede Kamer. Ik heb die motie destijds ontraden omdat staatssecretaris Bleker op dit moment met de provincies in overleg is over de regionalisering van het economisch beleid en de wijze waarop omgegaan wordt met de overheidsparticipatie in de aandelen van ROM’s. Met alle respect, om niet overdragen is niet aan de orde, omdat het om honderden miljoenen euro’s gaat. Met het oog op de discussie die wij op dit moment ook voeren over hoe je uitvoering kunt geven aan regionalisering van economisch beleid, wat de consequentie daarvan zal zijn voor het Provinciefonds en hoe we zorgen voor een zachte landing van Pieken in de Delta, heb je ook als overheid nog wel ergens wat wisselgeld nodig.

De voorzitter: Prima. Volgende onderwerp.

Minister Verhagen: Mevrouw Ortega vraagt of Prepare 2 Start doorgaat. Ik kom daarop terug in de begroting van EL&I voor komend jaar, omdat het instrumentarium wordt herzien. Ik wil bekijken wat de meest effectieve keuzes zijn.

De overheid, de ondernemingsraad en anderen overleggen natuurlijk nog druk over Organon. In onze keuze voor life sciences als topsector bekijken wij zeer nadrukkelijk hoe we samen met de wetenschap en het bedrijfsleven op dit punt niet alleen de kennis in Nederland kunnen houden, maar die ook verder kunnen versterken. De hele discussie over Organon is ontstaan doordat Merck als bedrijf altijd expliciet heeft aangenomen dat het niets te maken heeft met het investeringsklimaat en het innovatieklimaat in Nederland en het de eigen Research & Development wil concentreren in de VS. Dat doen Nederlandse bedrijven overigens ook. We hebben er zelf voordelen van gehad dat Philips de R&D weer in Nederland concentreerde. De life sciences als zodanig en de kennis die we op dat punt hebben, willen we in het kader van dit beleid meenemen. Dan duurzaam inkopen en MVO. Ik ben het eens met de leden die daar specifiek aandacht voor gevraagd hebben in relatie tot de inkoopbudgetten van de overheid, om daarmee meer innovatie te stimuleren. We zullen slim de koppeling moeten leggen met het bedrijfslevenbeleid en met de plannen van aanpak die op dit punt gepresenteerd worden. Ik denk dat de overheid als launching customer een grotere rol kan spelen op het punt van innovatieve aanbestedingen dan nu het geval is. Ik wacht iedere dinsdagochtend met belangstelling de bevindingen van de heer Van Bemmel af. Maar het is inderdaad onwenselijk dat wij hier nationaal de regeldruk gaan verminderen door overbodige regels af te schaffen, en dat we die dan via Europese regelgeving terugkrijgen. Dat vraagt om twee dingen. Dat is allereerst een alertheid van het Europees Parlement op overbodige regelgeving. Het vraagt ook van ons, Kamer en regering, de alertheid om bij nieuwe Europese regelgeving het element van de regeldruk en de overbodige regeldruk in het oog te houden, en om in het reguliere overleg daar aandacht aan te schenken.

De voorzitter: Er is nog een vraag van mevrouw Dijksma over het VIB in België onbeantwoord gebleven.

Minister Verhagen: Ik heb hem al. Het Vlaams Instituut voor Biotechnologie. Het bevorderen van de vertaalslag tussen wetenschap en praktijk is uiteraard een van de onderwerpen waaraan het topteam Life Sciences aandacht zal besteden. Een van de onderwerpen daarbij is het bevorderen van private investeringen op het gebied van Life Sciences. Dat is een van de onderwerpen waarover men in de sessies die men nu organiseert, zeer nadrukkelijk van gedachten wisselt, met Nederland, met de biotechsector, met de venture capitalists, juist op dit punt. In die gesprekken zal onder meer de werkwijze van het VIB ter sprake kunnen komen. Er is ook regelmatig contact tussen VIB en bijvoorbeeld het Nationaal Regie-Orgaan Genomics. Voor zover relevant, ben ik ervan overtuigd dat het aan de orde zal komen.

De voorzitter: Wij moeten het hierbij laten. Er is nog een aantal vragen, maar er komt nog een VAO. Ik wil de vergadering sluiten, maar niet voordat ik heb gezegd tegen de minister dat wij het zeer op prijs stellen als wij de volgende keer gewoon op tijd kunnen beginnen.

Minister Verhagen: Voorzitter, dat zeg ik u toe. Mocht er onverhoopt iets tussen komen, dan zal ik u tijdig waarschuwen!

De voorzitter: Goed. Met deze dubbele tong van de minister sluit ik deze vergadering.

– In de kabinetsreactie op de actieagenda’s van de topsectoren die de minister van EL&I voor Prinsjesdag 2011 aan de Kamer zal sturen, zal hij in ieder geval ingaan op cofinanciering als meebepalende factor, de

Vpb-verlaging, regionale clusters en de rol van maatschappelijk verantwoord ondernemen. – Bij de uitwerking van de EU-programma’s zal de minister van EL&I ook de uitwerking van de matchingsgelden aan de Kamer sturen. – De minister van EL&I zal de totale innovatiebudgetten vanaf 2008 in beeld brengen en met de begroting voor 2012 aan de Kamer sturen. – In aanloop naar de internationale ministeriële conferentie van de ESA

in 2012 zal de minister van EL&I de Kamer informeren over de

Nederlandse inzet. – In april 2011 zal de minister van EL&I de Kamer informeren over de

Nederlandse inzet voor de EU-Kaderprogramma’s, samen met de kabinetsreactie op het Groenboek Innovatie. – De resultaten van het onderzoek naar kredietverlening aan het MKB

zullen in mei 2011 aan de Kamer worden gestuurd. Voor zover dit consequenties heeft, zal de minister hier ook op ingaan in de Bedrijfslevennota. – De minister zal het actieplan voor jonge ondernemers voor 1 juni 2011

aan de Kamer sturen. – De minister van EL&I zal de Amsterdambrief voor Prinsjesdag 2011

aan de Kamer sturen. – In één van de toegezegde brieven die de minister van EL&I aan de

Kamer zal sturen zal de minister uiteenzetten hoe het zit met de rol van

TNO en gedwongen winkelnering. – In de EL&I-begroting zal de minister van EL&I ingaan op de Prepare 2

Start-regeling.

 
 
 

3.

Meer informatie

 

4.

EU Monitor

Met de EU Monitor volgt u alle Europese dossiers die voor u van belang zijn, op de voet. De monitor signaleert de recent aan deze dossiers toegevoegde documenten en de vergaderingen waarin ze aan de orde komen. U ziet in één oogopslag van elk lopend voorstel de stand van zaken. Via e-mail-alerts en de nieuwsbrieffunctie zijn u en uw relaties altijd onmiddellijk op de hoogte.

De EU Monitor is ook beschikbaar in het Engels.

Als u meer wilt weten over de EU Monitor, bekijk dan de uitgebreide beschrijving op www.pdc.nl of neem contact met ons op via info@eumonitor.eu.