Korting op de toeslag AOW voor de partner die jonger is dan 65 jaar

Met dank overgenomen van Ch.P. (Tof) Thissen i, gepubliceerd op dinsdag 28 juni 2011.

Dit wetsvoorstel voorziet vanaf 2011 in een korting van 8% op de partnertoeslag op grond van de Algemene Ouderdomswet, zowel voor nieuwe alsook voor lopende rechten. De maatregel heeft zodoende onmiddellijke werking. De regering is van mening dat deze maatregel aansluit bij de huidige economische en maatschappelijke omstandigheden.

De hoofdregel is een generieke korting van 8%. Voor lagere inkomens wordt de exacte korting afhankelijk gesteld van het gezamenlijke inkomen. Indien het gezamenlijke inkomen onder de 110% van het wettelijk minimumloon ligt, dan wordt de partnertoeslag niet gekort. Huishoudens met een gezamenlijk inkomen dat net boven deze inkomensgrens ligt, worden gekort tot deze grens. In dergelijke gevallen zal de korting lager dan 8% uitvallen.

GroenLinks heeft grote moeite met deze bezuinigingsmaatregel, Tuur Elzinga (SP) verwoordde de bezwaren in zijn bijdrage aan het debat: hij voerde het woord mede namens GroenLinks.

Voorzitter. Zoals bekend zijn we dit debat in de

Eerste Kamer in oude samenstelling in december al

begonnen. Ik spreek niet alleen namens mijn eigen

fractie, maar ook namens de fracties van de PvdA,

GroenLinks en de Partij voor de Dieren.

In december hebben we al uitgebreid

stilgestaan bij de argumenten voor en tegen de

korting op de partner-AOW. Het is niet nodig alles

te herhalen, maar heel kort even terughalen kan

geen kwaad. Er waren in deze Kamer namelijk

breed gedeelde en overwegende bezwaren.

Er was kritiek op de aanpassing van de

systematiek van de AOW, ook onder andere door de

Raad van State.

Er werd gewezen op de willekeurigheid van

de keuze om juist deze groep middels een

bezuiniging te treffen, met name in het licht van de

gebroken belofte dat na de beslissing, reeds in

1996, om de AOW te individualiseren en de

partner-AOW per 2015 te staken, deze

partnertoeslag tot dan met rust zou worden

gelaten.

Ook werd gewezen op de relatief grote

negatieve gevolgen voor de koopkracht van een

kleine groep waarvan de koopkracht dit jaar toch

reeds onder druk staat, en dan met name voor de

lage inkomens binnen die groep.

Er is sprake van een zeer korte

invoeringstermijn, waardoor de doelgroep in het

geheel niet was voorbereid.

De situatie op de arbeidsmarkt is zeer

moeilijk, waardoor juist de mensen die getroffen

worden zeer weinig kans maken om betaald werk of

een uitbreiding van het werk te vinden om de

inkomensgevolgen te compenseren.

Niet alleen de vier fracties voor wie ik

vandaag spreek waren uitermate kritisch. De

woordvoerder van het CDA zei dat "zekerheid was

ontnomen" en noemde het voorstel "onevenredig

hard". De woordvoerder namens ChristenUnie/SGP

zei: "in meer dan één opzicht ongelukkig". Namens

de OSF/D66 werd gesproken van "geen mooi plan".

Volgens deze fracties zou "de minister wat anders

moeten bedenken". Zij zagen het oorspronkelijke

voorstel niet zitten. De minister streek aanvankelijk

de hele Eerste Kamer tegen de haren in en moest

door het CDA met een derde termijn gered worden.

De CDA-woordvoerder legde een voorstel

op tafel dat voor haar fractie wel aanvaardbaar zou

zijn, en daarop concludeerde de minister dat er

niets anders opzat dan een nieuwe wijziging in de

Trêveszaal en de Tweede Kamer voor te leggen. En

nu is hij terug met een novelle op zak.

De minister heeft inderdaad de

minimumvariant die het CDA voorstond uitgewerkt.

Hij heeft het voorstel met minimale steun door de

Tweede Kamer gekregen. Daarom na de voorzitter

nu ook felicitaties voor de minister, want ik kan me

voorstellen dat hiermee in elk geval de CDA-fractie

nu tevreden zal zijn. De VVD was al tevreden en de

minister wist in de Tweede Kamer ook de PVVfractie

te overtuigen. De PVV-fractie in dit huis is

nog helemaal nieuw. Ik snap wel dat het lastig is

om direct aan elk debat mee te doen. Maar

misschien is het, wellicht ten overvloede, wel goed

nog even te wijzen op het gevoelen van de meeste

fracties in dit huis, ook coalitiefracties, dat men zich

minder gebonden hoeft te voelen aan een regeerof

gedoogakkoord. Ik wil maar zeggen: maak

vooral een eigen inhoudelijke afweging. En ik ben

zeker benieuwd naar die afweging en het

uiteindelijke standpunt ten aanzien van een korting

op de AOW van deze nieuwe fractie in ons midden.

De AOW is daarvoor toch belangrijk genoeg?

Wellicht ook ten overvloede: ook wanneer u niet op

de sprekerslijst staat, staat het u vrij mee te doen

aan het debat. We hebben straks ook nog een

tweede termijn.

In december vond ik de minister niet

overtuigend op mijn hoofdbezwaren bij het eerdere

voorstel: de betrouwbaarheid van de overheid, de

ernst en verdeling van de negatieve

inkomensconsequenties van de AOW-korting, de

onmiddellijke werking en de mogelijkheden om het

inkomensverlies te compenseren. In het

wijzigingsvoorstel wordt de omvang van het

koopkrachtverlies voor een deel van de doelgroep

nog vergroot, maar, zeker niet onbelangrijk: een

grotere groep lagere inkomens wordt ontzien, en

dat is in elk geval pure winst. Daarvoor dank ik nu

reeds de minister, al was het vooral het verzet in de

oude Eerste Kamer, dat wil zeggen van alle partijen

behalve zijn partij, de VVD, dat deze wijziging heeft

afgedwongen.

Echter, dat het voorstel op dit ene punt nu

minder slecht is, wil nog niet zeggen dat het nu dus

goed is. Dat valt nog te bezien. De betrouwbaarheid

van de overheid blijft namelijk in het geding; de

belofte wordt nog immer geschonden. En de

arbeidskansen voor de getroffenen blijven

belabberd. Daarover hadden onze fracties nog

vragen. Dank, ook aan de ambtenaren, voor de

schriftelijke beantwoording en voor de snelheid

waarmee dat kon, maar overtuigend vinden onze

fracties deze antwoorden nog niet. Inderdaad zijn

de arbeidskansen voor oudere werknemers over de

afgelopen jaren gemiddeld toegenomen -- dat is

goed nieuws natuurlijk -- maar tegelijkertijd

moeten we constateren dat van de vrouwen tussen

de 60 en 65 jaar nog steeds 80% geen betaald

werk heeft. En het zijn juist de partners met weinig

of geen werkervaring die ook nu niet in staat zullen

blijken werk te vinden. Een verwijzing van de

minister op onze vraag daarop naar de reguliere

diensten van het UWV WERKbedrijf of het

uitzendbureau, alsof het gewone werknemers die

tijdelijk zonder werk zitten betreft, is dan zacht

uitgedrukt een erg goedkoop antwoord.

De onmiddellijke werking is ten opzichte

van het vorige debat in elk geval met een halfjaar

uitgesteld. Maar ook nu is het onduidelijkheid troef

tot vlak voor de beoogde invoering. Bovendien: ook

een halfjaar is nog niet genoeg om financieel

daadwerkelijk te kunnen anticiperen op een

dergelijk inkomensverlies. Voor de afschaffing van

het partnerpensioen per 2015 had de doelgroep die

dat gaat treffen twintig jaar de tijd zich daarop voor

te bereiden. Bij een korting van 10% voor een

nieuwe doelgroep had een aantal jaren

overgangstermijn dan ook niet misstaan. Nu

worden deze ouderen plompverloren

geconfronteerd met een extra korting op hun AOWtoeslag

van 10% die resulteert in een

koopkrachtverlies van 2% tot 3%. En dat is van

deze maatregel alleen. Veel ouderen hebben dit

jaar ook reeds te maken met niet of slechts beperkt

geïndexeerde pensioenen.

De invoering komt bovendien alsnog

onverwachts, omdat de invoeringsdatum nog niet

bekend is en daardoor -- gelukkig maar -- de

desbetreffende ouderen ook nog niet daarover zijn

geïnformeerd. De minister mikt nu op 1 augustus,

omdat pas onlangs bij de behandeling in de Tweede

Kamer bleek dat 1 juli alweer onhaalbaar was.

Ten eerste is deze beoogde

invoeringsdatum ongelukkig omdat dit voorstel nu

met haastig spoed in één week door deze Kamer

wordt geloodst. Het bleek mogelijk, want we staan

hier nu. Het kon omdat het een zeer eenvoudig

wijzigingsvoorstel betrof. Zo eenvoudig, dat het de

vraag rechtvaardigt waarom het voorstel, na

aankondiging in december, niet reeds begin

februari bij het parlement had kunnen liggen. Dan

hadden we het hier in april of mei rustig kunnen

bespreken. Graag op dit punt de reactie van de

minister.

De invoeringsdatum is ook ongelukkig

omdat we samen zogenaamde vaste

verandermomenten hebben afgesproken. Het

argument dat het oorspronkelijke wijzigingsvoorstel

van de AOW al in idee geboren was voor 2010, is

voor onze fracties geen goed argument. We

bespreken een nieuwe invoeringsdatum als gevolg

van een nieuw wijzigingsvoorstel. En dat voorstel is

pas dit voorjaar aan het parlement gestuurd, en als

idee ook niet eerder ontstaan dan 21 december,

hier in deze zaal. Verwijzen naar een eerder

wetsvoorstel is een gelegenheidsargument. Ik wil

de minister graag het debat over deze vaste

verandermomenten met hem in april van dit jaar,

ook in dit huis, in herinnering roepen. Staat deze

minister nu wel of niet achter dit principe? Ik zou

graag een toezegging krijgen dat hij zich daar

voortaan aan wil houden.

De minister geeft in dit geval nog een

andere reden om per 1 augustus reeds te willen

korten: de omvang van de bezuiniging. Als je in

vier jaar 18 mld. wilt bezuinigen, en in het eerste

jaar doe je dat om verschillende redenen nog even

rustig aan, dan moet je het op een gegeven

moment ergens vandaan halen. Mijn fractie zou

daarin fors andere keuzen maken. De andere

fracties namens wie ik nu spreek ook, en bovendien

zouden die keuzen onderling verschillen. Maar de

AOW'ers waren niet onder de eerste categorieën

slachtoffers waaraan wij dachten toen de rekening

van de bankencrisis betaald moest worden.

Mijn fractie had ook vraagtekens bij de

omvang van het totale bezuinigingspakket. En de

twijfels bij de noodzaak om het relatief kleine

gaatje dat het eventueel niet doorgaan van het

voorliggende wetsvoorstel in de begroting

achterlaat te dichten, zijn dit voorjaar alleen maar

groter geworden. Sinds de nieuwe ramingen van de

Voorjaarsnota is de, door deze regering zo dringend

beleefde, noodzaak om zoveel te bezuinigen

immers afgenomen: de groei van de WW valt

gelukkig mee, waardoor ook de uitgaven daarvoor

meevallen. De belastinginkomsten vallen

ondertussen eveneens mee, waardoor het

begrotingstekort kleiner uitpakt dan voorzien en de

staatsschuld alweer sneller daalt dan verwacht. Is

bezuinigen voor deze regering een ideologisch doel?

Zijn de oorspronkelijke streefcijfers heilig, ongeacht

verdere ontwikkelingen? Zijn de regeringspartijen,

nadat er eenmaal een regeer- en/of gedoogakkoord

is getekend, blind voor wat er om haar heen gebeurt?