Brief regering; Beleidsreactie advies 'Een goede basis' - Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid

Deze brief is onder nr. 303 toegevoegd aan dossier 31288 - Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid; Brief regering; Beleidsreactie advies 'Een goede basis'
Document­datum 09-07-2012
Publicatie­datum 09-07-2012
Nummer KST31288303
Kenmerk 31288, nr. 303
Externe link origineel bericht
Originele document in PDF

2.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2011–2012

31 288

Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid

Nr. 303

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 juli 2012

In 2011 heeft de HBO-raad in het licht van de discussie over overladenheid van het curriculum van de pabo de Commissie Kennisbasis Pabo geïnstalleerd. Deze commissie is in goed overleg met mij ingesteld. De commissie is gevraagd de kennisbases voor de pabo1 te bezien op studeerbaarheid en samenhang. Daarnaast is advies gevraagd hoe een overladen programma voorkomen kan worden en op welke wijze de herziene kennisbases getoetst kunnen worden. Begin 2012 heeft de commissie het advies «Een goede basis» opgeleverd. U vindt dit advies in de bijlage van deze brief2.

1  De kennisbases Nederlandse taal, rekenen-wiskunde en de generieke kennisbasis zijn buiten deze opdracht gehouden. De kennisba-ses Nederlandse taal en rekenen-wiskunde zijn in 2009 opgeleverd. Vanaf het instroomcohort 2011–2012 zijn deze kennisbases verplicht onderdeel van het curriculum van alle pabo’s. Studenten leggen aan het eind van hun opleiding een landelijk ontwikkelde toets af op deze vakken. De generieke kennisbasis is in 2012 opgeleverd en wordt ook in zijn geheel ingevoerd.

2  Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Het advies is door de pabo’s en de HBO-raad positief ontvangen. Zij hebben de intentie om het advies te implementeren in het curriculum van de pabo. Ik vind dat het advies recht doet aan de breedte van de opleiding én aan de benodigde diepgang en komt met oplossingen die op draagvlak in het veld kunnen rekenen. Ik zie de implementatie van dit advies als een versterking van de kwaliteit van de pabo’s. In deze brief geef ik u mijn beleidsreactie op dit advies.

Tevens ga ik in op de specialisatie jonge/oude kind in het curriculum van de pabo. Ik beschouw daarmee de volgende toezeggingen als afgedaan: – de toezegging om u te informeren over mogelijke differentiatie binnen de pabo’s uit het algemeen overleg leraren en lerarenopleidingen van

29/10/2008 (Kamerstuk 27 923, nr. 71); – de toezegging uit het algemeen overleg leraren van 21/6/2011 over de specialisatie in de opleiding inzake het jonge kind (Kamerstuk 27 923,

nr. 115).

In de brief zal ik eerst ingaan op de aanleiding van het advies. Daarna geef ik een korte samenvatting van het advies en per maatregel mijn reactie.

Ten slotte informeer ik u over de acties die ondernomen worden om dit advies uit te voeren.

Achtergrond

Het advies «Een goede basis» komt voort uit de ontwikkeling van de kennisbases en kennistoetsen voor de hbo-lerarenopleidingen. De ontwikkeling van kennisbases en kennistoetsen is één van de maatregelen uit de Kwaliteitsagenda Krachtig Meesterschap (2008). In de kwaliteitsagenda werd geconstateerd dat er zorgen bestonden over de zwaarte en inhoud van de lerarenopleidingen. Dit bleek onder andere uit een advies van de Onderwijsraad1, waarin de raad signaleerde dat de balans tussen het kunnen en kennen in het curriculum van de lerarenopleidingen te veel was doorgeslagen naar het kunnen. Met de invoering van de kennisbases en kennistoetsen wordt het eindniveau van verschillende opleidingen transparant en onderling vergelijkbaar.

In de systeembrede analyse van de pabo’s concludeert de NVAO in 20092 dat de opleidingen responsief zijn geweest voor de kritiek en de handschoen hebben opgepakt met de ontwikkeling van de kennisbases. Wel constateert de NVAO dat het niveau van de instroom van de pabo’s beperkingen oplegt aan het eindniveau dat de pabo’s kunnen bereiken. Ook plaatst de NVAO een kanttekening bij de overladenheid van het programma in de pabo en kwalificeert het curriculum als «veel, maar niet diep». De NVAO benadrukt het belang van meer diepgang in de theoretische (kennis)vakken, betere verbinding met onderzoek en versteviging van de gebruikte literatuur in lessen en opdrachten.

De pabo’s hanteren nu de richtlijn dat alle kennisbases samen 50% van het curriculum omvatten. Dit wordt het vakmanschap genoemd. De helft van het vakmanschapdeel wordt aan taal en rekenen besteed, de andere helft aan andere kennisvakken als aardrijkskunde en geschiedenis. De overige 50% van het curriculum is bedoeld voor het meesterschap, het pedagogisch-didactisch handelen. De generieke kennisbasis beschrijft de kennis die voor het meesterschap nodig is.

Advies «Een goede basis»

Het advies bestaat uit twee delen. In deel B van het advies worden de kennisbases beschreven. In deel A worden adviezen gegeven voor inpassing van de kennisbases in het curriculum van de lerarenopleidingen. De commissie is daarbij op zoek gegaan naar een goede mix van breedte en diepgang in de opleiding. Om dat te realiseren stelt de commissie voor om vijf met elkaar samenhangende maatregelen te nemen. Hieronder beschrijf ik elke maatregel en geef ik mijn reactie.

  • 1. 
    Eisen stellen aan de instroom

1  Onderwijsraad, 2005, Kwaliteit en inrichting van de lerarenopleidingen.

2  NVAO, 2009, Systeembrede analyse Hbo-bacheloropleiding tot leraar basisonderwijs. Deze analyse is gebaseerd op de accreditatie van alle pabo’s in dat jaar.

Studenten op de pabo stromen in vanuit het mbo, havo en vwo, waardoor de inhoudelijke voorkennis van studenten op de kennisgebieden uit het primair onderwijs nu uiteen loopt van eind basisonderwijs tot en met examenniveau vwo. Het kost de pabo’s veel tijd om deze verschillen weg te werken. Dit gaat ten koste van de kwaliteit. De commissie stelt voor om formele toelatingseisen in te voeren voor een aantal schoolvakken. De commissie wil daarbij aankomende studenten voor de pabo verplichten een toelatingstoets te maken op havo-3-/eind-vmbo-t-niveau voor Engels, aardrijkskunde, geschiedenis en natuurkunde/biologie. Als een student een vak in zijn examenpakket of mbo-opleiding heeft, hoeft de student in dat vak geen toets te maken.

Ik wil een dergelijke toetsing voor toelating tot de pabo’s wettelijk mogelijk maken. Ik zal hiervoor een bepaling opnemen in het Wetsvoorstel Strategische Agenda. Met de betrokken partijen in het veld zal ik de uitwerking verder bespreken. Tot de inwerkingtreding van deze wetgeving blijven de instroomtoetsen Nederlandse taal en rekenen-wiskunde meetellen voor het bindend studieadvies in het eerste jaar. Vanaf het cohort 2012–2013 zullen de pabo’s de entreetoets Mens&Wereld invoeren die meetelt voor de propedeuse.

  • 2. 
    Ontwikkelen van een beperkt kerncurriculum voor alle vakken

De commissie stelt voor dat alle pabo’s op basis van de kerndelen van de kennisbases een kerncurriculum implementeren, dat bestaat uit aardrijkskunde, geschiedenis, natuur & techniek, geestelijke stromingen, muziek, dans en drama, beeldend onderwijs, Engels, handschrift en bewegingsonderwijs. Daarnaast zijn de kennisbases Nederlandse taal en rekenen-wiskunde al ingevoerd vanaf het cohort 2011–2012 en wordt de generieke kennisbasis in zijn geheel ingevoerd.

Met de HBO-raad heb ik afgesproken dat vanaf het instroomcohort 2014–2015 het kerncurriculum op alle pabo’s is ingevoerd.

  • 3. 
    Ontwikkelen van mogelijkheden tot profilering op één of meer vakken

In de kennisbases is naast het kerndeel per vak een profieldeel beschreven met een aantal aanvullende eisen. De commissie stelt voor dat een pabo de vakprofilering vorm geeft naar eigen inzicht. Wel stelt de commissie als minimumeis dat het profieldeel van ten minste één vak altijd in het curriculum van de pabo wordt verwerkt.

Ik vind het belangrijk dat pabo’s ruimte houden om zich te profileren. De aanbeveling dat ten minste één vak in het profieldeel moet worden verwerkt, vind ik waardevol. Dit zorgt ervoor dat een beginnende leraar zich ten minste in één ander vak dan Nederlandse taal en rekenen-wiskunde heeft verdiept. Ik vind het van belang dat dit deel van het curriculum wordt uitgewerkt in nauw regionaal overleg tussen pabo’s en afnemend veld. Daarbij vind ik het ook van belang dat de thema’s opbrengstgericht werken en omgaan met verschillen in dat gesprek aan de orde komen. Ik maak in 2012 met de HBO-raad en PO-raad landelijke afspraken hoe de infrastructuur voor samenwerking wordt ingericht en wat de thema’s van de samenwerkingsagenda zijn. Vervolgens vraag ik in 2012 de PO-raad en HBO-raad beiden een bestuurder verantwoordelijk te maken voor het tot stand laten komen van afspraken over samenwerking op regionaal niveau.

  • 4. 
    Landelijke toetsing van een deel van het kerncurriculum

De commissie doet de aanbeveling om te streven naar gemeenschappelijk te ontwikkelen diagnostische toetsen over de volle breedte van het kerncurriculum. Daarnaast adviseert de commissie een beperkt aantal toetsen een certificerende functie te geven door ze verplicht te stellen en een landelijke cesuur te geven. Naast Nederlandse taal en rekenen-wiskunde denkt de commissie aan Engels, aardrijkskunde, geschiedenis en natuur & techniek.

De pabo’s zullen deze landelijke certificerende toetsen ontwikkelen. De toetsen zullen vanaf cohort 2014–2015 ingevoerd worden. Ik geef de HBO-raad subsidie voor de ontwikkeling van deze kennistoetsen binnen het project 10 voor de leraar. In dat project worden ook de kennistoetsen

Nederlandse taal en rekenen-wiskunde voor de pabo ontwikkeld. Deze kennistoetsen zijn reeds verplicht voor de cohorten studenten die vanaf 2011–2012 zijn ingestroomd.

  • 5. 
    Aanvullende professionalisering in de eerste jaren van de beroepspraktijk

De commissie pleit ervoor om de eerste jaren van de beroepspraktijk, de inductiefase, te benutten voor aanvullende professionalisering. De commissie pleit ervoor om eisen voor de inductieperiode formeel te regelen door middel van landelijke afspraken in de sfeer van arbeidsvoorwaarden, die regionaal per bestuur inhoudelijk worden uitgewerkt. Daarbij ligt het voor de hand om de initiële opleidingen nauw te betrekken bij de inhoudelijke vormgeving van postinitiële scholing voor de inductieperiode.

De commissie snijdt een belangrijk punt aan van continue professionele ontwikkeling van de leraar, niet alleen in de eerste jaren op de arbeidsmarkt. Ik maak in 2012 afspraken met de PO-raad en HBO-raad om dit verder (regionaal) vorm te geven. Ik zal daarvoor dezelfde werkwijze hanteren als genoemd bij punt 3 hierboven.

Specialisatie jonge kind – oudere kind

De commissie is ook gevraagd of in het kennisdeel zou moeten worden gedifferentieerd in jonge en oudere kind. De uitwerking en implementatie van het advies van de commissie Kennisbases is een omvangrijke operatie gericht op een fundamentele kwaliteitsverbetering van de opleiding tot leraar basisonderwijs. De voorgestelde maatregelen zijn erop gericht elkaar onderling te versterken. Ook de verdere verdieping van de specialisatie jonge kind – oudere kind dient hier naadloos op aan te sluiten.

De commissie geeft aan dat de kennisbases, gezien het belang van de doorgaande leerlijnen in het basisonderwijs, een fundament moeten leggen voor het vakdidactisch handelen van leraren voor kinderen van 4 t/m 12 jaar. De leeftijdspecialisatie jonge kind – oudere kind heeft in deze opzet dus geen consequenties voor de kennisbases voor de vakken. Naar het oordeel van de commissie is de leeftijdspecialisatie vooral gericht op het pedagogisch-didactisch handelen van de student. Daarnaast bevat de generieke kennisbasis pedagogisch-didactische kennis over het jonge en het oudere kind. Om een bepaalde mate van diepgang te bereiken in leeftijdspecialisatie ligt het naar het oordeel van de commissie voor de hand studenten in het vaardighedendeel (de stages) van de opleiding te laten kiezen voor het onderwijs aan het jongere of het oudere kind. De leeftijdspecialisatie past dus zowel in de generieke kennisbasis als in de toepassing van kennis in het praktijkgedeelte van de opleiding. Uit onderzoek1 blijkt dat dit op alle pabo’s ook al gebeurt, maar dat de omvang van de specialisatie varieert. Ik vraag de pabo’s een landelijk kader te ontwikkelen voor de specialisaties jonge/oudere kind. In dat kader zal een aantal scenario’s worden ontwikkeld voor de organisatie van de specialisatie in het curriculum, om zo tegemoet te komen aan de variëteit in het werkveld. Hierbij zal worden voortgebouwd op bestaande vormen van specialisaties jonge kind – oudere kind. Ook kan gebruik gemaakt worden van inzichten en instrumenten gericht op kwaliteitsverbetering zoals die afgelopen jaren tot stand zijn gekomen. Een voorbeeld hiervan is het project (V)versterk gericht op kwaliteitsverbetering van de voor- en 1 Regioplan, 2011, Naar een verdergaande          vroegschoolse educatie. In het project (V)versterk ontwikkelen Pabo’s

differentiatie op de pabo?; Paboweb, 2010,           (samen met Sardes) gemeenschappelijke inhoudelijke uitgangspunten

Quick scan Jonge Kind/Oudere Kind. (JK/OK). voor het jonge kind. Dat bevat kennis en ervaring over gebruik van thema’s, het bestaande aanbod en evidence based aanpakken, over inhoudelijke onderwerpen zoals behoeften van jonge kinderen, spel, ouderbetrokkenheid, observeren, pedagogische visies, de rol van de leerkracht, planmatig werken, handelingsgericht werken en VVE-programma’s.

Regie op de implementatie

Zoals hierboven beschreven heeft het advies «Een goede basis» niet alleen betrekking op het curriculum van de pabo, maar ook op de instroom in de pabo en de eisen die gesteld worden aan de professionalisering van beginnende leraren. Verhoogde instroomeisen hebben gevolgen voor (toekomstige) studenten en voor het vo en het mbo. Voor de eisen die gesteld worden aan de professionalisering van beginnende leraren is betrokkenheid van werkgevers in het primair onderwijs noodzakelijk.

Zoals gezegd zijn de kennisbases en kennistoetsen voor Nederlandse taal en rekenen-wiskunde al ingevoerd sinds het cohort 2011-2012 gestart is. Ik stuur er op aan dat alle maatregelen uit dit advies gelden voor het cohort dat instroomt op de pabo in studiejaar 2014-2015. Ik zal de komende periode de volgende activiteiten ontplooien om dat bewerkstelligen:

  • Ik neem in het Wetsvoorstel Strategische Agenda een bepaling op dat toetsing voor instroom tot de pabo mogelijk maakt. Ik maak in het najaar van 2012 bestuurlijke afspraken over de invulling van deze instroomeisen met de VO-raad, MBO-raad en HBO-raad.
  • Ik geef de HBO-raad subsidie voor de implementatie van het advies «Een goede basis». De HBO-raad is in het bijzonder verantwoordelijk voor de implementatie van de kennisbases, de ontwikkeling van de instroomtoetsen en de kennistoetsen aan het eind van de pabo.
  • Ik vraag de pabo’s in 2012 een landelijk kader te ontwikkelen voor de specialisatie jonge/oudere kind.
  • Ik maak in 2012 met de PO-raad en HBO-raad afspraken over regionale samenwerking op het terrein van vormgeving van het profieldeel van het pabo-curriculum en het versterken van professionalisering in de inductiefase. Daarvoor onderneem ik een aantal stappen:

Ik zet in het najaar van 2012 een onderzoek uit naar bestaande regionale samenwerkingsvormen van pabo’s en schoolbesturen om beter zicht te krijgen op de bestaande samenwerkingsvormen en de inhoud van de samenwerking tussen schoolbesturen en pabo’s. In dit onderzoek worden tevens goede voorbeelden geïnventariseerd.

Tegelijkertijd vraag ik de PO-raad om de vraagarticulatie bij de po-sector te versterken, zodat helder wordt wat in aansluiting op het personeelsbeleid binnen de sector wordt verwacht van de initiële opleiding en professionalisering in de inductiefase. In aansluiting daarop maak ik in 2012 met de HBO-raad en PO-raad landelijke afspraken hoe de infrastructuur voor samenwerking wordt ingericht en wat de thema’s van de samenwerkingsagenda zijn.

Vervolgens vraag ik in 2012 de PO-raad en HBO-raad beiden een bestuurder verantwoordelijk te maken voor het tot stand laten komen van afspraken over samenwerking op regionaal niveau. Op basis van het onderzoek in 2012 zal ik het tot stand komen van deze afspraken financieel ondersteunen.

Ten slotte richt ik in 2012 in overleg met de sectorraden een monitor in om de implementatie goed te kunnen volgen en indien nodig bij te kunnen sturen. Ik zal daarbij ook bezien wat de rol van de inspectie hierin kan zijn.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, H. Zijlstra


3.

Bijlagen

 
 
 

4.

Meer informatie

 

5.

EU Monitor

Met de EU Monitor volgt u alle Europese dossiers die voor u van belang zijn, op de voet. De monitor signaleert de recent aan deze dossiers toegevoegde documenten en de vergaderingen waarin ze aan de orde komen. U ziet in één oogopslag van elk lopend voorstel de stand van zaken. Via e-mail-alerts en de nieuwsbrieffunctie zijn u en uw relaties altijd onmiddellijk op de hoogte.

De EU Monitor is ook beschikbaar in het Engels.

Als u meer wilt weten over de EU Monitor, bekijk dan de uitgebreide beschrijving op www.pdc.nl of neem contact met ons op via info@eumonitor.eu.