Memorie van toelichting - Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2021

Deze memorie van toelichting i is onder nr. 2 toegevoegd aan wetsvoorstel 35570 VIII - Vaststelling begroting Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2021 i.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2021; Memorie van toelichting; Memorie van toelichting
Document­datum 15-09-2020
Publicatie­datum 15-09-2020
Nummer KST35570VIII2
Kenmerk 35570 VIII, nr. 2
Externe link origineel bericht
Originele document in PDF

2.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2020

2021

35 570 VIII

Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2021

Nr. 2

MEMORIE VAN TOELICHTING

Ontvangen 15 september 2020

INHOUDSOPGAVE

Geraamde uitgaven en ontvangsten    3

2.1    Beleidsprioriteiten    9

2.2    Belangrijkste beleidsmatige mutaties    30

2.3    Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven    36

2.4    Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen    37

2.5    Overzicht risicoregelingen    42

3.1    Artikel 1. Primair onderwijs    44

3.2    Artikel 3. Voortgezet onderwijs    51

3.3.    Artikel 4. Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie    57

3.4    Artikel 6 en 7. Hoger onderwijs    67

3.5    Artikel 8. Internationaal beleid    78

3.6    Artikel 9. Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid    83

3.7    Artikel 11. Studiefinanciering    87

3.8    Artikel 12. Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en

schoolkosten    96

3.9    Artikel 13. Lesgelden    99

3.10    Artikel 14. Cultuur    101

3.11    Artikel 15. Media    109

3.12    Artikel 16. Onderzoek en wetenschapsbeleid    114

3.13    Artikel 25. Emancipatie    119

4.1    Artikel 91 Nog Onverdeeld    123

4.2    Artikel 95 Apparaat Kerndepartement    124

5.1    Agentschap Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)    127

5.2    Agentschap Nationaal Archief (NA)    134

Bijlage 1: Rechtspersonen met een Wettelijk Taak en Zelfstandige Bestuursorganen    139

Bijlage 2: Verdiepingsbijlage    143

Bijlage 3: Moties en toezeggingen    156

Bijlage 4: Subsidieoverzicht    222

Bijlage 5: Evaluatie- en overig onderzoek    238

GERAAMDE UITGAVEN EN ONTVANGSTEN

Figuur 1 Geraamde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 miljoen). Totaal € 43.683,6

  • 1. 
    Primair onderwijs
  • 3. 
    Voortgezet onderwijs
  • 4. 
    Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie
  • 6. 
    Hoger beroepsonderwijs

7 Wetenschappelijk onderwijs 8. Internationaal beleid 9. Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

  • 11. 
    Studiefinanciering
  • 12. 
    Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
  • 13. 
    Lesgelden
  • 14. 
    Cultuur
  • 15. 
    Media
  • 16. 
    Onderzoek en wetenschapsbeleid 25. Emancipatie 91. Nog onverdeeld 95. Apparaat Kerndepartement

Figuur 2 Geraamde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 miljoen). Totaal € 1.445,0

10,5

74

4,0

1,2

0,0

0,1

9,0

0,1

0,0

0,0

0,6

  • 1. 
    Primair onderwijs
  • 3. 
    Voortgezet onderwijs
  • 4. 
    Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie
  • 6. 
    Hoger beroepsonderwijs

7 Wetenschappelijk onderwijs 8. Internationaal beleid 9. Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

  • 11. 
    Studiefinanciering
  • 12. 
    Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
  • 13. 
    Lesgelden
  • 14. 
    Cultuur
  • 15. 
    Media
  • 16. 
    Onderzoek en wetenschapsbeleid 25. Emancipatie 91. Nog onverdeeld 95. Apparaat kerndepartement

200 400 600

800

1.000 1.200

  • A. 
    ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.

Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).

Wetsartikel 2

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en de lasten, het saldo van de baten en de lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de in de staat opgenomen baten-lastenagentschappen voor het onderhavige jaar vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze memorie van toelichting en wel in de paragraaf inzake de agentschappen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

I.K. van Engelshoven

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

  • A. 
    Slob
  • B. 
    ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN
  • 1. 
    Leeswijzer

De departementale begroting 2021 bestaat uit de volgende onderdelen:

  • • 
    beleidsagenda;
  • • 
    beleidsartikelen;
  • • 
    niet-beleidsartikelen;
  • • 
    agentschappen die een baten-lasten stelsel voeren;
  • • 
    verdiepingshoofdstuk;
  • • 
    bijlagen.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media is verantwoordelijk voor Artikel 1 Primair onderwijs, Artikel 3 Voortgezet onderwijs, Artikel 9 Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid en Artikel 15 Media. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is verantwoordelijk voor de overige artikelen. De verdeling van de beleidsterreinen is vastgelegd in de portefeuilleverdeling van Kabinet Rutte III.

Groeiparagraaf

Ten opzichte van de begroting 2020 zijn de volgende wijzigingen doorgevoerd:

  • • 
    in de tabellen waar de budgettaire gevolgen van beleid en budgetflexi-biliteit worden getoond, is een aantal wijzigingen doorgevoerd. In de begroting van 2020 waren in de meeste van deze tabellen tussenkopjes zichtbaar onder het financieel instrument. In het kader van rijksbrede uniformiteit zijn deze vanaf begroting 2021 verwijderd;
  • • 
    in de derde voortgangsrapportage van Inzicht in Kwaliteit is aangegeven dat de eerste kwaliteitsslag van de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) in de ontwerpbegroting 2021 gemaakt wordt. Dit komt tot uiting in de beleidsagenda en de evaluatiebijlage. De begroting voor 2021 geldt wat betreft de SEA als een tussenjaar. Dit betekent in de praktijk dat de huidige RBV-modellen (1.32d en 1.44) officieel nog gelden, maar hier wordt flexibel mee om gegaan. Hierbij geldt wel het uitgangspunt dat de resulterende tekst en tabellen een zichtbare verbeterslag moeten vormen richting de criteria voor de SEA. Er wordt daarbij gebruik gemaakt van een indicatief model zoals opgesteld vanuit de operatie Inzicht in Kwaliteit;
  • • 
    in de beleidsagenda is een overzicht met toelichting opgenomen van de getroffen coronamaatregelen.

In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt er voor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Europese raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. De Europese Commissie heeft een aanbeveling gedaan omtrent de ontwikkeling van digitale vaardigheden en missiegedreven onderzoek en innovatie (aanbeveling 3). In de beleidsagenda wordt ingegaan op de uitwerking van deze aanbeveling.

Informatie in de begroting en andere relevante publicaties

De begroting is een compact document en toegespitst op de financiële informatie. De beleidsagenda presenteert de doelstellingen van de Ministers en de beleidsartikelen beschrijven de werking en financiering van de verschillende stelsels met bijbehorende prestatie-indicatoren. Voor een bredere kwantitatieve onderbouwing van de doelen en ambities uit de begroting wordt verwezen naar de website OCW in cijfers. Op deze website worden resultaten, de stand van zaken en ontwikkelingen in het OCW-veld met een kwantitatieve toelichting en onderbouwing in beeld gebracht.

Onderstaand schema geeft grafisch een totaalbeeld van welke informatie en verantwoording van het OCW-beleid gedurende een begrotingscyclus aan de Tweede Kamer wordt gestuurd.

Hieronder volgt een nadere toelichting bij het schema.

Op Prinsjesdag ontvangt de Tweede Kamer de begroting van het Ministerie van OCW. Op de website van OCW in cijfers worden onder andere de doelen uit de beleidsagenda en verschillende ingezette beleidsinstrumenten gevolgd, waaronder de Lerarenagenda en de sectorakkoorden in het po en vo. Ook wordt de internationale positie van het Nederlandse onderwijs- en wetenschapsstelsel gevolgd en zijn de belangrijkste onderzoeksresultaten van 'Education at a Glance' opgenomen, de jaarlijkse publicatie van de OESO. Daarnaast geeft deze website met de infographic 'Onderwijsmo-nitor' inzicht in de prestaties van het onderwijs. Voor cultuur & media, wetenschap en emancipatie wordt met een beknopte set indicatoren een beeld van de kwaliteit en prestaties gegeven.

Begin november 2018 heeft het Sociaal Cultureel Planbureau de publicatie 'Het Culturele Leven' uitgebracht. In dit rapport presenteert het Sociaal en Cultureel Planbureau een model voor een periodieke rapportage over dat culturele leven. Dit model is vervolgens in dit rapport toegepast om het culturele leven in de jaren 2012-2017 in kaart te brengen. In 2020 werkt de Boekmanstichting aan een opvolger hiervan. Deze Cultuurmonitor verschijnt eind 2020 als eerste pilot, en zal vanaf 2021 periodiek verschijnen. De Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed (RCE) maakt de Erfgoedmonitor. Relevant voor het mediabeleid is onder meer de Mediamonitor van het Commissariaat voor de Media.

De Inspectie van het Onderwijs heeft een belangrijke rol in het onderwijsstelsel als toezichthouder, maar ook als leverancier van beleidsinformatie. Jaarlijks verschijnt het Onderwijsverslag, waarin beschreven wordt wat goed gaat en wat er beter kan in het onderwijs. In de Financiële Staat van het Onderwijs (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 139) wordt verslag gedaan van de financiële staat van de onderwijsinstellingen.

Gedurende het jaar wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de begrotingsuitvoering door middel van de 1e suppletoire begroting (Voorjaarsnota) en de 2e suppletoire begroting (Najaarsnota).

Ook worden gedurende het jaar allerlei beleidsdocumenten zoals actieplannen, beleidsdocumenten, beleidsevaluaties, beleidsdoorlichtingen naar de Tweede Kamer gestuurd. Wetsvoorstellen worden ter behandeling aangeboden en AMvB's worden voorgehangen. Over verschillende beleidsterreinen worden brieven naar de Tweede Kamer gestuurd, onder andere ter nadere uitwerking van de beleidsagenda en de begroting. Hierover vindt vaak separaat overleg met het parlement plaats. De actieplannen geven voor de verschillende beleidsterreinen een beeld van het beleid. Beleids-doorlichtingen en andere evaluaties verschaffen inzicht in de effectiviteit van beleid. Daarnaast wordt jaarlijks in de Voortgangsrapportages van de Sectorakkoorden en de Lerarenagenda informatie verschaft over de voortgang op enkele belangrijke prestatie-indicatoren.

De derde woensdag in mei is verantwoordingsdag. De Tweede Kamer ontvangt dan het jaarverslag van OCW, en de laatste stand van de voortgang op de begrotingsdoelen en ambities wordt gepresenteerd op de website van OCW in cijfers. Ook wordt het Onderwijsverslag aan de Tweede Kamer toegestuurd.

Onderdelen begroting

Beleidsagenda

In de beleidsagenda wordt per beleidsprioriteit geschetst welke stappen het Ministerie van OCW wil zetten. Ieder thema dat ingaat op een prioriteit bevat een tabel met indicatoren en streefwaarden. Daarnaast bevat de beleidsagenda een overzichtstabel waarin de belangrijkste budgettaire veranderingen op de OCW-begroting worden weergegeven, de tabellen met intensiveringen en ombuigingen, een tabel met niet-juridische verplichte uitgaven en bestemming, een tabel met de geplande beleids-doorlichtingen en een overzicht van de risicoregelingen. Tot slot is een overzicht opgenomen van de coronamaatregelen.

Beleidsartikelen

De beleidsartikelen bestaan uit de volgende onderdelen:

  • • 
    algemene doelstelling met een toelichting daarop, met bijbehorende prestatie-indicatoren;
  • • 
    rol en verantwoordelijkheid van de Minister;
  • • 
    tabel met kengetallen die informatie over de sector bevatten;
  • • 
    beleidswijzigingen. Hierin wordt weergegeven welke belangrijke beleidswijzigingen zich komend jaar zullen voordoen. Ook wordt, indien van toepassing, ingegaan op beleidswijzigingen als gevolg van beleids-doorlichtingen, voor zover de doorlichtingen zijn afgerond;
  • • 
    tabel budgettaire gevolgen van beleid. Deze tabel bevat een vaste indeling in financiële instrumenten volgens de Rijksbegrotingsvoorschriften. In de tabel budgettaire gevolgen van beleid wordt de budget-flexibiliteit van het begrotingsjaar in percentages weergegeven;
  • • 
    toelichting op de instrumenten en budgetflexibiliteit.

Niet-beleidsartikelen

Er zijn twee zogenaamde niet-beleidsartikelen:

  • • 
    op artikel 91 (Nog onverdeeld) wordt een overzicht gegeven van de verdelingen van tijdelijk geparkeerde middelen, zoals de loon- en prijsbijstelling;
  • • 
    op artikel 95 (Apparaat kerndepartement) zijn de apparaatsuitgaven van het kerndepartement, de apparaatskosten van de inspecties en adviesraden, baten-lastenagentschappen en de ZBO's opgenomen.

Agentschappen die een baten-lasten stelsel voeren

Dit onderdeel bevat de cijfermatige overzichten van de baten-lastenagentschappen «Dienst Uitvoering Onderwijs» en het «Nationaal Archief».

Verdiepingshoofdstuk (zie bijlagen)

In dit onderdeel worden per beleidsartikel de mutaties getoond tussen de stand ontwerpbegroting 2020 en de ontwerpbegroting 2021. De ondergrens voor het toelichten van mutaties wordt bepaald op basis van onderstaande staffel. Een aantal mutaties is centraal toegelicht (leerlingen en studentenramingen en studiefinanciering, loonbijstelling, prijsbijstelling en intensiveringen uit het Regeerakkoord).

 

Omvang begrotingsartikel (stand ontwerpbegroting) in € miljoen

Beleidsmatige mutaties (ondergrens in € miljoen)

Technische mutaties (ondergrens in € miljoen)

< 50

1

2

=> 50 en < 200

2

4

=> 200 < 1000

5

10

=> 1000

10

20

Bijlagen

De volgende bijlagen zijn in de begroting opgenomen:

  • • 
    overzicht RWT's en ZBO's;
  • • 
    verdiepingshoofdstuk;
  • • 
    overzicht moties en toezeggingen;
  • • 
    subsidieoverzicht: hier wordt een overzicht weergegeven van alle subsidieregelingen van het Ministerie;
  • • 
    evaluatieoverzicht: het overzicht met onderzoeken is opgenomen in één centrale bijlage.
  • 2. 
    Beleidsagenda

2.1  BeleidsprioriteitenInleiding

Op de rand van een nieuw decennium hadden we veel plannen, ook voor 2021, net zoals heel Nederland. Door de uitbraak van COVID-19, het coronavirus, leek ons land tot stilstand te komen. Maar de rust was relatief. In veel sectoren is heel erg hard gewerkt aan de bestrijding van het virus. In de eerste plaats natuurlijk in de zorg, maar ook door onderzoekers in hun zoektocht naar bijvoorbeeld een vaccin en geneesmiddelen. In het onderwijs is heel hard gewerkt: van basisschool tot universiteit zette iedereen zich in op een innovatieve en energieke manier om het onderwijs voor alle leerlingen en studenten door te laten lopen. Media bleken al snel onmisbaar te zijn in de verspreiding van informatie. En de cultuursector zette alle creativiteit in, ook voor het behoud van de sector. Het kabinet stelde een intelligente lockdown in en kwam met uitgebreide steunpak-ketten. De gevolgen waren voor iedereen groot.

Inmiddels zijn we een half jaar verder en kijken we vooruit. De samenleving past zich aan de nieuwe werkelijkheid aan. Deze begroting is in een ander licht komen te staan, maar we blijven ons hard maken voor gelijke kansen in het hele onderwijs en het bestrijden van de door leerlingen en studenten opgelopen achterstanden door corona. Verder zetten we in op het terugdringen van het lerarentekort in het primair en voortgezet onderwijs. In het middelbaar beroepsonderwijs is het van belang dat er voor studenten voldoende stageplaatsen en leerwerkbanen zijn en blijven. In het hoger onderwijs richten we ons op toegankelijkheid en studentsucces voor alle studenten en op de erkenning en waardering van docenten. Daarnaast gaan het nieuwe Europese programma Horizon Europe i (onderzoek en innovatie), Erasmus+ (onderwijs) en Creative Europe i (cultuur en media) van start. De nieuwe subsidieperiode voor de basisinfrastructuur en de rijkscultuurfondsen gaat in op 1 januari 2021. De NPO zal met de omroepen een beleidsplan opstellen voor de nieuwe concessie- en erkenningsperiode. En we werken onverminderd door aan de uitvoering van de Regenboogmaat-regelen voor meer gender- en LHBTI-gelijkheid.

  • 1. 
    Gelijke kansen creëren en talenten tot bloei brengen
 

Tabel 1 Gelijke kansen creëren en talenten tot bloei brengen

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streef waarde

Percentage van de gemeenten die

       

2020

goab-middelen ontvangen, dat

960 uur voorschoolse educatie aanbiedt aan doelgroeppeuters tussen de 2,5 en 4 jaar1

PO

42%

   

100%

Percentage kindercentra met een

       

2020

aanbod van voorschoolse educatie, dat per doelgroeppeuter 10 uur pedagogisch beleidsmedewerker per jaar inzet.2

PO

     

n.v.t.

Sociale inclusie van

laaggeletterden3

MBO

       

Kwalificatiewinst4

 

2012-2013

2017-2018

2018-2019

2020

 

MBO

82,7%

87,6%

87,9%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streef waarde

Succes eerstejaars mbo5

 

2012-2013

2017-2018

2018-2019

2020

 

MBO

82,9%

84,0%

83,6%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Succes doorstromers in eerste

 

2012-2013

2016-2017

2017-2018

2020

jaar hbo6

MBO

78%

79%

79%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Aantal nieuwe vsv'ers7

 

2008-2009

2017-2018

2018-2019

2019-2020

 

VO & MBO

41.800

25.666

26.894

20.000

1    Bron: Monitor Implementatie en besteding gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid; Meting 1: voortgang, vormgeving en effecten van de invoering van 960 uur voorschoolse educatie, Sardes en Oberon, februari 2020. De uitbreiding van het aantal uren voorschoolse educatie is per 1 augustus 2020 in werking getreden. De implementatie wordt vanaf najaar 2019 jaarlijks gemonitord.

2    De extra inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker in de voorschoolse educatie treedt per 1 januari 2022 in werking, daarom is er nog geen streefcijfer.

3    In maart 2019 zijn de resultaten van de aanpak van laaggeletterdheid naar de Kamer gestuurd. Hieruit bleek dat 56% van de deelnemers aan een cursus basisvaardigheden tussen 2016 en 2018 vijf maanden na aanvang van de cursus hoger scoorde op sociale inclusie. Vanaf 2020 worden gemeenten verantwoordelijk voor het meten van het effect van opleidingen basisvaardigheden. Gemeenten kiezen hierbij welke indicatoren zij verzamelen. De resultaten van deze gemeentelijke effectmetingen worden via het nieuwe landelijke Expertisecentrum Basisvaardigheden vanaf 2021 openbaar gemaakt. Wij blijven in gesprek met gemeenten om ook een landelijk beeld te kunnen geven over het bereik en effect van opleidingen basisvaardigheden voor laaggeletterden.

4    Bron: Benchmark mbo 2019, KBA Nijmegen.

5    Bron: Benchmark mbo 2019, KBA Nijmegen. Licht gewijzigde definitie met ingang van 2016/17 (zonder entree-opleidingen).

6    Bron: DUO. Het betreft mbo-4 gediplomeerden die doorstromen naar het hbo en in het eerste jaar niet uitvallen. De definitie is voorlopig.

7    Bron: DUO. Nieuwe voortijdige schoolverlaters (vsv'ers) zijn jongeren van 12 tot 23 jaar die zonder startkwalificatie het onderwijs verlaten in het studiejaar vanuit het vo of mbo. Het voorlaatste jaar is aangepast aan de definitieve cijfers, het laatste jaar betreft voorlopige cijfers.

Leerlingen en studenten moeten kansen krijgen op basis van hun capaciteiten, ongeacht afkomst, opleidingsniveau of inkomen van hun ouders. Leerlingen en studenten die door hun achtergrond of thuissituatie minder kansen hebben, willen we in het onderwijs de kans bieden om zich optimaal te ontplooien. Het belang van gelijke kansen voor kinderen en (jongvolwassenen werd nog eens onderstreept in de weken dat onderwijsinstellingen hun deuren moesten sluiten. De uitbraak van het coronavirus had grote gevolgen voor het hele onderwijs, van de voorschool tot de universiteit. Door iedereen binnen het onderwijs is heel hard gewerkt aan het mogelijk maken van onderwijs op afstand en daarna het opstarten van het fysieke onderwijs. Waar mogelijk hebben we die inspanningen ondersteund (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 153). Kinderen die bijvoorbeeld thuis geen toegang hebben tot adequate studiemiddelen lopen het risico om achterstanden op te lopen ten opzichte van kinderen die wel toegang hebben tot dergelijke voorzieningen. Leerlingen en scholieren hebben we dan ook van studiematerialen voorzien (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 181). Om opgelopen achterstanden in te halen, is het belangrijk dat scholen en instellingen maatwerk kunnen bieden aan leerlingen en studenten die extra ondersteuning nodig hebben. Daarvoor ontvangen ze extra middelen (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 184). Wij zijn trots op wat er door het onderwijsveld onder zulke moeilijke omstandigheden in korte tijd is bereikt en dankbaar voor ieders inzet.

Ondanks deze grote inspanningen lijkt het echter onvermijdelijk dat sommige leerlingen en studenten leerachterstanden en studievertraging oplopen. Daarom trekken we € 244 miljoen extra uit om die achterstanden weg te werken (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 184). Scholen en instellingen kunnen daarmee in de periode van de zomervakantie van 2020 tot en met de zomervakantie van 2021 leerlingen en studenten ondersteunen door extra programma's en ondersteuning te bieden naast de reguliere onderwijstijd. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van zomerscholen, herfstscholen, weekendscholen of verlengde schooltijd. In het mbo kunnen instellingen ook extra activiteiten, begeleiding of faciliteiten ontwikkelen of aanbieden om het wegvallen van mogelijkheden om praktijkervaring op te doen, te ondervangen. Daarnaast blijven we met de Gelijke Kansen Alliantie (GKA) in 2021 inzetten op een lokale aanpak van kansenongelijkheid in alle onderwijssectoren door kennisdeling, onderzoek, investeringen en communicatie. Wij vinden dat ieder kind, ongeacht zijn thuisomgeving, de kans moet krijgen om zijn of haar talenten tot bloei te laten komen. We hebben onder andere extra middelen uitgetrokken voor de versterking van de vroeg- en voorschoolse educatie. Daarmee kan vanaf dit schooljaar het aanbod voor kinderen met een risico op achterstand worden uitgebreid. Per 1 augustus 2020 is namelijk het aantal uren voorschoolse educatie (VE) verhoogd, in 2021 zal dit in alle gemeenten en bij alle aanbieders gerealiseerd zijn (Kamerstukken II 2018/19, 27020, nr. 103). Ook stellen we extra middelen beschikbaar voor het aanbieden van extra aanbod voor peuters die door de coronamaatregelen geen gebruik hebben kunnen maken van de voorschoolse educatie (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 184). Vanaf januari 2022 zal de kwaliteit van de VE verder worden verhoogd, door meer inzet van pedagogische beleidsmedewerkers verplicht te stellen (Kamerstukken II 2019/20, 27020, nr. 108). We geven scholen die 10-14-onderwijs aanbieden meer ruimte voor deze samenwerking, door hen de mogelijkheid te bieden om leraren met een teambevoegdheid te laten werken (Kamerstukken II 2019/20, 31293, nr. 493). Zo versoepelen we de overgang tussen primair onderwijs (po) en voortgezet onderwijs (vo). Begin 2021 verwachten we de resultaten van het onderzoek naar de pilot met 10-14-scholen. Op basis daarvan kunnen we besluiten over de toekomst van deze scholen. Om leerlingen met een risico op achterstand te begeleiden bij de overstap van po naar vo, kunnen scholen ook gebruik maken van de subsidieregeling Doorstroomprogramma's po-vo.

Wij begrijpen dat het thuiszitten van een kind later kan leiden tot maatschappelijke uitval. Daarom is het van belang in gezamenlijkheid met andere departementen en veldpartijen op te trekken. Zoals in de laatste thuiszit-tersbrief is gemeld, richten wij onze acties de komende jaren op drie verschillende niveaus: kind/ouder/school, de regionale aanpak en de rol van de centrale overheid (Kamerstukken II 2019/20, 26695, nr. 130). Tijdens de coronacrisis zijn daarnaast veel vernieuwende en creatieve ideeën ontstaan voor de thuiszittersaanpak. We bekijken komend jaar welke ideeën we kunnen benutten om te zorgen dat een leerling ondanks fysieke afwezigheid toch onderwijs kan volgen. Uiteraard met als doel de leerling weer fysiek naar school terug te krijgen. Daarnaast hebben we door het meerjarige monitorings- en evaluatieprogramma onder andere inzicht gekregen welke interventies effectief zijn om achterstanden te bestrijden. In 2021 worden drie «Guidance Reports» opgeleverd met daarin voor scholen relevante thema's op het gebied van onderwijsachterstandenbeleid.

Veel schoolbesturen in het voortgezet onderwijs (vo) krijgen te maken met krimp. Door demografische ontwikkelingen stromen er minder leerlingen in, wat het uitgangspunt van voldoende kwalitatief onderwijsaanbod binnen een acceptabele reisafstand onder druk kan zetten. We hebben al verschillende maatregelen genomen om schoolbesturen te ondersteunen bij het ontwikkelen van een gezamenlijke aanpak. Een team van procesbegeleiders trekt bijvoorbeeld door het land om alle betrokken partijen in een aantal regio's bij elkaar te brengen en te adviseren. Dit jaar is een subsidieregeling in werking getreden om hen de komende tijd ook financieel te ondersteunen (Kamerstukken II 2019/20, 31289, nr. 420). De opgedane lessen tijdens de coronacrisis met lesgeven op afstand kunnen in de toekomst in krimpregio's mogelijk een rol van betekenis spelen bij het aanbieden van vakken die maar door een zeer beperkt aantal leerlingen worden gevolgd. Om geïsoleerde scholen structureel te ondersteunen, laten we een aanvullende bekostigingsregeling ontwikkelen. Voor een zorgvuldige implementatie van het wetsvoorstel Vereenvoudiging bekostiging vo is meer voorbereidingstijd nodig (Kamerstukken I 2019/20, 35354, nr. A). Daarom is de beoogde inwerkingtreding van de vereenvoudigde bekostiging, en daarmee ook van de structurele maatwerkregeling, uitgesteld naar 1 januari 2022.

In Caribisch Nederland (CN) maken we in 2021 nieuwe samenwerkingsaf-spraken met de onderwijsstakeholders op basis van de in 2019 en 2020 uitgevoerde evaluaties om het onderwijs verder te ondersteunen, onder meer door betere onderwijszorg. De scholen zullen ook nog bezig zijn met het inlopen van de door het coronavirus opgelopen achterstanden en het verder implementeren van digitale werkvormen met de door het Ministerie van OCW geleverde laptops (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 181). Daardoor kunnen zij makkelijker schakelen naar (meer of minder) thuiswerken door leerlingen. Ook wordt verder gewerkt aan het interdepartementale programma BES(t) 4 kids voor kwalitatief goede, veilige en betaalbare kinderopvang en buitenschoolse voorzieningen in CN (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 208).

Ook in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) zetten wij sterk in op kansengelijkheid. In 2021 treedt het wetsvoorstel van het mbo-studenten-fonds in werking, en daarmee ook de mbo-verklaring. Sommige studenten zijn kwetsbaarder dan andere studenten, waardoor een grotere kans op vertraging en uitval ontstaat. Daarnaast richten we een mbo-studenten-fonds op en introduceren we enkele maatregelen specifiek voor zwangere mbo-studenten (Kamerstukken II 2018/19, 35252, nr. 3). Om het aantal voortijdig schoolverlaters (vsv'ers) terug te dringen gaan scholen en gemeenten gezamenlijk regionale plannen maken. Deze plannen hebben een looptijd van vier jaar, maar zullen zeker ook beïnvloed worden door de gevolgen van de corona-uitbraak.

Het is van belang dat er voldoende stageplaatsen en leerwerkbanen zijn tijdens en vooral ook na de coronacrisis. Met een offensief zullen we de beschikbaarheid van stageplekken voor studenten stimuleren en instellingen krijgen extra mogelijkheden indien nodig om vervangende praktijkopdrachten of stage-activiteiten aan te bieden (hierop komen we terug in paragraaf 3). Voor studenten in het mbo en ho zelf is de ov-jaarkaart met drie maanden verlengd. Ondanks alle inspanningen van onderwijsinstellingen is vertraging voor sommige studenten, zeker voor degenen in de laatste fase van hun studie, niet altijd te voorkomen. Daarom krijgen studenten die zich na de zomervakantie opnieuw hebben moeten inschrijven en uiterlijk 31 januari 2021 hun diploma halen een eenmalige financiële tegemoetkoming. Ook bepaalde studenten van wie het recht op basisbeurs (mbo, bol) en aanvullende beurs (mbo, bol- en ho-studenten) verloopt, komen voor compensatie in aanmerking. Hiervoor investeren we eenmalig € 200 miljoen (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 184).

Een belangrijke ambitie uit de Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek is het vergroten van de toegankelijkheid en het studentsucces voor alle studenten (Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 797, bijlage 913905). Iedere student heeft iets anders nodig om succesvol te zijn en daar moet ruimte voor zijn. Daarbij wordt ingezet op het instromen van studenten op de juiste plek, een brede ontwikkeling tijdens de opleiding en het succesvol kunnen afronden van een opleiding in het ho. De afgelopen jaren zijn via 'Students 4 students' (S4S) studenten begeleid in het succesvol doorlopen van hun studie. De begeleidingsbehoefte is voor iedereen verschillend, maar iedere student kan er baat bij hebben. Daarom is meer en betere begeleiding van studenten een belangrijk thema in de nieuwe kwaliteitsafspraken. Vanuit het studievoorschot stellen we middelen beschikbaar om de S4S-projecten vijf jaar voort te zetten.

  • 2. 
    Sterke docenten
 

Tabel 2 Sterke docenten

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde Realisatie

Realisatie

Streef waarde

Percentage van besturen dat

 

2018

2019

2021

aangeeft dat er binnen het schoolteam een gesprek is gevoerd over de besteding van de werkdrukmiddelen1

PO

99,22%

 

n.v.t.

Percentage van besturen dat

 

2018

2019

2021

aangeeft dat de P-MR ingestemd heeft met het voorstel voor de besteding van de werkdrukmiddelen1

PO

98,41%

 

n.v.t.

1 Bron: XBRL Onderwijsportaal, DUO. Er is geen basiswaarde omdat het om nieuw beleid gaat en de procesindicatoren nieuwe eisen betroffen waaraan schoolbesturen eerder niet hoefden te voldoen. Daarnaast is er in het werkdrukakkoord overeengekomen dat er voor deze procesindicatoren het principe van comply or explain geldt en is er geen streefwaarde afgesproken. De waardes over 2019 worden medio 2020 bekend.

Docenten helpen kinderen en (jong)volwassenen klaar te stomen voor de toekomst, of ze nu timmerman of laboratoriummedewerker willen worden. Docenten spelen een zeer belangrijke rol in onze samenleving en de corona-crisis laat opnieuw zien dat docenten onmisbaar zijn. Ze hebben een ongelooflijke prestatie geleverd door ook in tijden van corona hun werk voort te zetten. In 2021 willen we hen daarbij blijven ondersteunen. Afgelopen jaren hebben we enorme stappen gezet om het lerarentekort en de werkdruk voor leraren tegen te gaan. Zo sloten we eind 2019 het convenant 'aanpak lerarentekort' (Kamerstukken II 2019/20, 31293, nr. 488) met de sociale partners. Voor 2020 en 2021 zijn afspraken gemaakt om meer mensen op te leiden en te behouden voor het funderend onderwijs en om ervoor te zorgen dat leraren zich ontwikkelen en goed worden begeleid. Daarvoor kwam € 460 miljoen beschikbaar. Onderdeel van het convenant is het naar voren schuiven van werkdrukmiddelen. Voor schooljaar 2020-2021 is daardoor € 380 miljoen beschikbaar om de werkdruk in het po tegen te gaan. Eind dit jaar, begin volgend jaar voeren we een tussenevaluatie uit naar de verdeling van werkdrukmiddelen in de schoolteams. Daarnaast is er met de Voorjaarsnota 2020 voor 2021 € 31,5 miljoen en daarna structureel € 32 miljoen beschikbaar gesteld voor de aanpak van het lerarentekort (Kamerstukken II 2019/20, 35450, nr. 1). Per 2021 lopen de sectorakkoorden in het po en vo af. Samen met de sectorraden verkennen we hoe schoolontwikkeling, professionalisering van onderwijspersoneel en innovatie in relatie staan tot strategisch personeelsbeleid en een verstevigde positie van schoolleiders. Dit moet leiden tot duidelijke strategische ijkpunten die wettelijk kunnen worden verankerd. Daarnaast sluiten wij ook in 2021 aan bij de ontwikkeling die de sectoren zelf al in gang hebben gezet, zoals de ontwikkeling ten aanzien van de schoolleidersagenda's po en vo voor sterke schoolleiders.

Nu het aantal zij-instromers in het onderwijs blijft toenemen, is het wenselijk om deze scholingsroute duurzamer vorm te gaan geven. We richten ons komend jaar bijvoorbeeld op de ontwikkeling en waardering van eerder verworven competenties (EVC's) en de verbetering van de begeleiding van zij-instromers. In de eerste helft van 2021 worden de resultaten verwacht van een evaluatie van de huidige zij-instroomroutes in het po, vo en mbo. We zullen deze benutten om de zij-instroomroutes te verbeteren en te verduurzamen binnen de lerarenopleidingen (Kamerstukken II 2019/20, 27923, nr. 410). In het kader van de aanpak van personeelstekorten zullen scholen, besturen en opleidingen van 67 regio's vanaf augustus 2020 samenwerken bij het werven en begeleiden van zij-instromers, het begeleiden van startende leraren en het professionaliseren en behouden van leraren. De inrichting van het landelijk Onderwijsloket en regionale loketten zal geïnteresseerden in een baan in het onderwijs verder de weg wijzen. In 2021 wordt bezien op welke wijze de regionale aanpak na augustus 2022 definitief vormt krijgt. Tevens gaan de lerarenopleidingen Technisch Beroepsonderwijs samen met de regio's aan de slag om nieuwe beroepskrachten voor de klas te werven. De technische lerarenopleidingen zetten in op meer maatwerk voor zij-instromers. Naast nieuwe instroom is ook het behoud, de ontwikkeling van zittend personeel en de inzet voor hybride docenten van groot belang. In 2021 komt de Commissie Onderwijsbevoegdheden met een vervolg op het onderwijsraadadvies 'Ruim baan voor leraren'. Doel van het nieuwe advies is opleidingen in het onderwijs aantrekkelijker en toegankelijker te maken. Het advies richt zich op de langere termijn, maar een aantal delen zal al in 2021 leiden tot pilots en verder uitgewerkt worden.

  • 3. 
    Opleiden voor de samenleving van de toekomst
 

Tabel 3 Opleiden voor de

samenl

leving van de toekomst

 

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streef waarde

Percentage leidinggevenden dat

 

2017

2017

2018

2024

(zeer) tevreden is over de kwaliteit van het techniekonderwijs1

VO

54%

54%

 

65%

Percentage vmbo-leerlingen

 

2017

2017

2018

2024

waarbij binnen een straal van

10 km rondom woonadres een techniekvestiging is1

VO

95%

95%

94%

90-100%

Aandeel afgestudeerden

 

2012

2018

2019

2021

bètatechniek2

HBO

18%

20%

22%

Hoger t.o.v. basiswaarde

 

WO

21%

27%

28%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Aandeel mbo-studenten techniek

 

2011

2018-2019

2019-2020

2020

2

MBO

28%

27%

27%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Arbeidsmarktrendement, per

 

Cohort

Cohort

Cohort

2020

opleidingsniveau3

 

2012-2013

2014-2015

2015-2016

 
 

MBO

       
 

Entree

66%

60%

59%

Hoger t.o.v. basiswaarde

 

Niv. 2

77%

79%

80%

 
 

Niv. 3

85%

90%

90%

 
 

Niv. 4

83%

88%

88%

 

Percentage gediplomeerden dat

 

2012-2013

2015-2016

2016-2017

2020

aangaf dat de aansluiting van de opleiding met huidige functie voldoende/goed was4

MBO

76%

77%

78%

Hoger t.o.v. basiswaarde

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streef waarde

Percentage leerbedrijven dat over

 

2016

2018

2020

2020

vakkennis oordeel (zeer) goed geeft5

MBO

77%

77%

71%

Vasthouden

Percentage leerbedrijven dat over

 

2016

2018

2020

2020

beroepsvaardigheden oordeel (zeer) goed geeft6

MBO

76%

80%

74%

Vasthouden

Percentage 25-64 jarigen dat

 

2010

2018

2019

2020

deelneemt aan leeractiviteit (LLL)

7

MBO

17,1%

19,1%

19,5%

20%

Percentage hbo-afgestudeerden dat ruim een jaar na afstuderen

 

Cohort

2010-2011

Cohort

2014-2015

Cohort 2015-2016

2021

aan het werk is8

HBO

88%

89%

90%

Vasthouden

Percentage wo-afgestudeerden dat ruim een jaar na afstuderen aan het werk is9

WO

88%

90%

90%

Vasthouden

Percentage werkende hbo-

 

2010

2018

2019

2021

afgestudeerden ruim een jaar na afstuderen werkzaam op minimaal het niveau van de opleiding10

HBO

79%

81%

79%

Vasthouden

Percentage werkende wo-

 

2010

2017

2019

2021

afgestudeerden ruim een jaar na afstuderen werkzaam op minimaal het niveau van de opleiding11

WO

n.b.

72%

71%

Vasthouden

1    Bron: ECBO (2019) Onderzoek in het kader van de 'Monitor Sterk Techniekonderwijs; de nulmeting' De volgende meting zal begin 2021 plaatsvinden.

2    Bron: DUO.

3    Bron: CBS maatwerk. Het gaat om het aandeel werkenden (min. 12 uur per week) van gediplomeerde mbo-uitstromers ruim een jaar na diplomering (uitstroom en arbeidsmarktpositie gemeten op 1 oktober). Definitieve cijfers van 2016-2017 worden verwacht najaar 2020.

4    ROA, BVE-Monitor.

5    Bron: Onderzoek SBB. De onderzoekspopulatie leerbedrijven in 2016 en 2018 verschillen licht van elkaar. De cijfers betreffen een tweejaarlijks onderzoek.

6    Bron: Onderzoek SBB. De cijfers betreffen een tweejaarlijks onderzoek.

7    Bron: Eurostat, Labour Force Survey (LFS).

8    Bron: CBS, maatwerk. Het gaat om het aandeel werkenden (min. 12 uur per week) van afgestudeerde hbo-bachelors ruim een jaar na afstuderen (uitstroom en arbeidsmarktpositie gemeten op 1 oktober).

9    Bron: CBS, maatwerk. Het gaat om het aandeel werkenden (min. 12 uur per week) van afgestudeerde wo-masters ruim een jaar na afstuderen (uitstroom en arbeidsmarktpositie gemeten op 1 oktober).

10    Bron: Bron: ROA, Schoolverlaters tussen onderwijs en arbeidsmarkt, 2011, 2018 en 2019.

11    ROA, Schoolverlaters tussen onderwijs en arbeidsmarkt, 2011, 2018 en 2019. De enquête onder wo-afgestudeerden (Nationale Alumni Enquête) wordt tweejaarlijks gehouden, waardoor niet ieder jaar bekend is.

Onderwijs moet goed aansluiten op de arbeidsmarkt. De kinderen en (jong)volwassenen van nu zijn immers de beroepsbevolking van de toekomst. Niet alleen worden er andere kennis en vaardigheden van ze gevraagd, ook hun financiële positie verandert door bijvoorbeeld ontwikkelingen op de woningmarkt en arbeidsmarkt. De coronacrisis verslechtert in ieder geval op korte termijn het arbeidsmarktperspectief. Het is belangrijk om bij het opleiden van leerlingen en studenten goed in beeld te hebben welke ontwikkelingen er allemaal (mogelijk) gaan plaatsvinden, zoals digitalisering van het onderwijs. De gevolgen van de uitbraak van het coronavirus zullen de manier van lesgeven blijvend beïnvloeden. De digitalisering van het onderwijs biedt kansen om de kwaliteit van het onderwijs te verhogen, mede door het gebruik maken van digitale werkvormen. Het wordt mogelijk om meer onderwijs op maat aan te bieden, en we faciliteren indien nodig meer tijd- en plaatsonafhankelijk onderwijs. Sinds de corona-uitbraak heeft het gebruik van digitale middelen in het onderwijs een vlucht genomen om onderwijs op afstand te bieden. De vaardigheden van leraren, de inzet van digitaal lesmateriaal en de ICT-infrastructuur hebben een impuls gekregen. Tegelijkertijd hebben scholen en instellingen noodgedwongen grotendeels gewerkt met de hulpmiddelen waar ze al over beschikten, waardoor bestaande verschillen zijn uitvergroot en opbrengsten onder druk zijn komen te staan. De volledige potentie van digitale hulpmiddelen is nog verre van benut. In de groeistrategie hebben we een breed actieplan aange-kondigd om een ambitieuze verbetering in het onderwijs mogelijk te maken (Kamerstukken II 2019/20, 29696, nr. 7). We willen onder andere het curriculum verbeteren, een gerichtere inzet van digitale hulpmiddelen om onderwijs op maat te bieden en een beter inzicht krijgen in de ontwikkeling van leerlingen. In 2021 worden de eerste acties voorzien. Het is noodzakelijk dat de inhoud van het onderwijs wordt aangepast aan een digitaliserende maatschappij. Dan kunnen we een goede aansluiting op de arbeidsmarkt behouden, aansluiten bij curriculum.nu en zorgen voor kwalitatief burgerschap. Digitale geletterdheid, digitale vaardigheden en brede vaardigheden (vaardigheden die mensen wel beheersen en apparaten niet) moeten gezien worden als basisonderdeel van opleidingen. In het hoger onderwijs ondersteunen we het Versnellingsplan onderwijsinnovatie met ICT waarin de VH, VSNU en SURF met elkaar samenwerken om de kwaliteit van onderwijs door de inzet van ICT te verhogen (Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 792). Dit is extra belangrijk in het huidige perspectief van grotendeels online onderwijs. Verder versterken we de toegankelijkheid en kwaliteit van het onderwijs door in de regeling over open en online onderwijs, het delen en hergebruiken van digitale onderwijsmaterialen te stimuleren. Meer digitaal werken betekent ook dat er meer aandacht nodig is voor cyberveiligheid. Instellingen zijn daar primair zelf voor verantwoordelijk, maar het vraagt daarnaast om meer samenwerking en ontwikkeling van een integraal veiligheidsbeleid. Door het delen van lessen en ervaringen door instellingen en andere betrokken stakeholders willen we de digitale weerbaarheid versterken en de continuïteit van het onderwijs borgen.

In het mbo gaan we in 2021 het derde jaar van de kwaliteitsafspraken in. De instellingen werken aan de drie landelijke speerpunten, die door de corona-uitbraak nog belangrijker zijn geworden: 'gelijke kansen', 'jongeren in een kwetsbare positie' en 'opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst'. Daarnaast werken instellingen aan de speerpunten die samen met regionale stakeholders zijn opgesteld. Komend jaar wordt de voortgang over 2019-2020 tussentijds beoordeeld. De daling van leerlingen- en studentenaantallen vereist een andere aanpak van scholen en instellingen. Om dit te faciliteren werken we aan het wetsvoorstel bestuurlijke harmonisatie beroepsonderwijs. Deze wet stelt mbo-instellingen en vo-scholen beter in staat om bestuurlijk samen te werken, zoals in verticale schoolgemeenschappen (mbo-vo) en bestuurlijke fusies in het mbo. Vanuit het programma Sterk Beroepsonderwijs zetten we in op meer regionale samenwerking tussen vmbo en mbo (met de arbeidsmarkt) en structurele verankering van een goed en toegankelijk aanbod van doorlopende leerroutes vmbo-mbo in elke regio. Op plekken waar de samenwerking nog niet goed van de grond komt, worden in 2021 extra regionale begeleidingstrajecten aangeboden (Kamerstukken II 2018/19, 31524, nr. 437).

De coronacrisis heeft ook grote gevolgen voor het aantal beschikbare stage-en leerwerkplekken. Daarom investeert het kabinet in 2021 € 15 miljoen in een offensief tot behoud van stage- en leerwerkplekken (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 184). Vanwege de huidige situatie op de arbeidsmarkt zal er een extra inzet komen vanuit Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB). Regionale adviseurs zullen meer ingezet worden bijvoorbeeld, en de campagne voor het offensief stage- en leerwerkplekken geïntensiveerd door het praktijkonderwijs, voortgezet speciaal onderwijs en mbo. Het doel is voldoende plekken te vinden voor mbo-studenten. Dit stimuleren we met de subsidieregeling Praktijkleren. Verder zetten we in 2021 het beleid onverminderd voort gericht op gelijke kansen voor studenten met een migratieachtergrond. Doel is het tegengaan van discriminatie, of het nu gaat om het verkrijgen van stageplekken, leerwerkplekken of werk na voltooiing van de studie. De bijbehorende campagne zal naar verwachting in 2021 starten. Samen met het Ministerie van SZW inventariseren we werkzame aanpakken. Studenten die denken dat ze tijdens het solliciteren of hun loopbaan gediscrimineerd worden, bijvoorbeeld vanwege afkomst, religie, geslacht of leeftijd, kunnen een melding doen bij SBB. Voor het actieprogramma Leven Lang Ontwikkelen is € 10,6 miljoen in 2021 beschikbaar door een verschuiving van 2022 naar 2021. Dit wordt onder andere gebruikt voor het digitaal overzicht van scholingsmogelijk-heden voor volwassenen en het programma flexibilisering in het mbo. Om meer maatwerk voor volwassenen te creëren zal SBB met de mbo-instel-lingen verder werken aan het ontwikkelen van certificaten voor beroepsgerichte onderdelen van kwalificaties. Daarnaast ondersteunen wij laaggeletterde volwassenen vanuit het programma Tel mee met Taal aan de hand van extra middelen vanaf 2020.

De meeste afgestudeerden in het hoger onderwijs (ho) hebben goed perspectief op werk. Tegelijkertijd neemt het belang van brede vaardigheden toe en verandert de gevraagde vakspecifieke kennis in hoog tempo. De komende jaren wordt hier in het kader van de Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek op verschillende manieren aan gewerkt, door samenwerking binnen het ho en met maatschappelijke partners (Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 797, bijlage 913905). Zo gaan onderwijsinstellingen en het Ministerie van OCW een partnerschap aan om te verkennen welke vernieuwing nodig is om in te spelen op de veranderende maatschappelijke behoefte aan kennis en vaardigheden. Verder wordt de strategische samenwerking via sectorplannen krachtig voortgezet. We willen dat beter inzichtelijk wordt gemaakt hoeveel ruimte er is in de regelgeving voor opleidingen om flexibel te zijn en dat wordt bezien in hoeverre de macrodoelmatigheidsregeling voldoende ruimte biedt voor vernieuwing.

Sinds het voorjaar van 2019 zijn instellingen plannen voor de kwaliteitsaf-spraken aan het opstellen. Het merendeel van die plannen is afgelopen voorjaar door de NVAO beoordeeld (Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 792). De instellingen die een negatief besluit hebben ontvangen van de Minister van OCW, kunnen een herstelaanvraag indienen. Deze aangepaste plannen worden komend jaar beoordeeld door de NVAO. Mede op basis van het advies van de NVAO zullen wij een besluit nemen over de kwaliteitsbe-kostiging in 2022-2024. Vanwege de coronamaatregelen is besloten om het budget van de studievoorschotmiddelen voor 2021 voor alle ho-instel-lingen toe te voegen aan de lumpsum. Ook is dit jaar in de bekostiging van het hoger onderwijs en onderzoek een aantal wissels omgezet. Het aandeel vaste bekostiging is groter geworden, de variabele bekostiging kleiner. Zo willen we de overmatige groeiprikkel op studentenaantallen terugdringen en meer stabiliteit brengen in de bekostiging. Daarmee zal ook de concurrentie verminderen. In het verlengde hiervan doen we onderzoek naar de toereikendheid en doelmatigheid van het macrobudget en de kostentoerekening) voor het mbo, ho en onderzoek in het licht van de kwaliteit die instellingen verondersteld worden te leveren. Dit onderzoek leidt voorjaar 2021 tot een nieuw herijkingsmoment voor de bekostiging, dan ontvangt de Tweede Kamer de beleidsreactie.

  • 4. 
    Onderzoek van wereldformaat
 

Tabel 4 Onderzoek van wereldformaat

Doelstelling/indicator

Sector Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streef waarde

Percentage open-access

2016

2017

2018

2020

gepubliceerde artikelen1

OWB    42%

50%

54%

100%

1 Bron: VSNU. VSNU zal naar verwachting de cijfers over 2019 in de tweede helft van 2020 publiceren.

De coronacrisis onderstreept het belang van wetenschap in onze samenleving. Nederlandse onderzoekers werken vanaf het begin van de uitbraak hard aan het ontwikkelen van kennis over dit virus. Dit onderzoek gaat over de grenzen van disciplines, van medische vragen tot aan onderzoek naar gedrag of de impact van het virus. Daarom hebben wij samen met het Ministerie van VWS, NWO en ZonMw dit voorjaar al middelen beschikbaar gesteld voor het doen van urgente medische, sociale en maatschappelijke onderzoeksvragen (Kamerstukken II 2019/20, 25295, nr. 200). Veel onderzoekers zijn naast hun wetenschappelijke werk ook actief ingesprongen als docent, medicus of expert om vanuit hun expertise bij te dragen aan het bestrijden of oplossen van de effecten van deze crisis. De bijzondere situatie heeft wel tot gevolg dat veel andere onderzoeken nu stil liggen en nieuwe onderzoeken niet kunnen starten. De gevolgen daarvan zullen nog lang merkbaar zijn, ook voor onderzoekers. Bovendien kan het tot schade leiden aan projecten en materiele zaken zoals biologische collecties. We zullen dit en komend jaar ons inzetten om die schade te beperken. Daarnaast levert de wetenschap nu en in de toekomst ook op vele andere onderwerpen een maatschappelijke bijdrage. Om de klimaatam-bities te realiseren of voor digitalisering van de maatschappij, in deze transities is topwetenschap onmisbaar. Een sterke onderzoeksketen, van ongebonden fundamentele wetenschap tot aan de toepassing van innovatie, is daarom belangrijk voor de toekomst van Nederland.

De gevolgen van het coronavirus laten zien hoe belangrijk het verantwoord delen van data en onderzoeksresultaten is. Daarnaast speelt het delen van data een steeds grotere rol en wordt daarmee de coördinatie en ondersteuning van de transitie naar FAIR-data steeds belangrijker. De beweging naar Open Science is nog niet afgerond. Het doel van 100% Open Access komt steeds meer in beeld, maar er is nog wel coördinatie en ondersteuning nodig met name in de onderhandelingen met uitgevers. Wij ondersteunen dit met het Nationaal Programma Open Science en zetten ons in voor de totstandkoming van de European Open Science Cloud.

De internationale samenwerking tussen wetenschappers zullen we in 2021 faciliteren door het versterken van bilaterale en multilaterale samenwerkingsverbanden binnen en buiten Europa. Daarbij is er aandacht voor de risico's binnen kennis- en innovatiesystemen met het oog op kennisveiligheid. Volgend jaar zal daarnaast in het teken staan van de start met Horizon Europe i. Dat is het nieuwe Europese Kaderprogramma voor onderzoek en innovatie. De onderhandelingen daarover worden naar verwachting in 2020 afgerond. De deelname van Nederlandse onderzoekers is belangrijk, om internationaal mee te blijven doen met de top van de wetenschap. Daarom blijven we ons hard maken voor de belangen van de Nederlandse wetenschap in de verdere uitwerking van het Horizon Europe i programma. Bovendien dringen wij aan op een ambitieuze nieuwe Europese onderzoeksruimte, met onder meer aandacht voor het erkennen en waarderen van carrières van onderzoekers. In 2021 investeren we ook nationaal. Vanuit de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) investeren we € 130 miljoen vooral in onderzoekscalls voor consortia en daarnaast in wetenschapscommunicatie (Kamerstukken II 2015/16, 29338, nr. 149, bijlage 631503).

  • 5. 
    Cultuur
 

Tabel 5 Cultuur

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streef waarde

Percentage scholen dat

 

2017

2018

2019

2024

deelneemt aan het programma CMK1

Cultuur

42%

55%

59,8%

60%

Percentage gebouwde

 

2013

2018

2019

2021

rijksmonumenten in redelijke tot goede staat2

Cultuur

87%

84,5%3

83,6%4

84,6%5

1    Bron: Programma Cultuureducatie met Kwaliteit, het percentage geeft de deelnemende scholen in het primair onderwijs weer.

2    Bron: Erfgoedmonitor.

3    Toelichting bij realisatie 2018 t.o.v. 2013: als gevolg van een verbetering in de meetmethode is het percentage gebouwde rijksmonumenten in redelijk tot goede staat in 2018 lager dan in 2013. In de meting van 2013 waren alleen rijksmonumenten opgenomen die een abonnement hadden afgesloten bij de Monumentenwacht. Die zijn gemiddeld in betere staat dan de monumenten die niet worden geïnspecteerd. De nieuwe percentages uit 2018 zijn gebaseerd op metingen bij een groter aantal rijksmonumenten dan in 2013 is afgesloten en zijn daardoor representatiever.

4    Toelichting bij realisatie 2019 t.o.v. 2018: Ook in 2019 is de meetmethode verder verbeterd. Als gevolg daarvan lijkt het percentage gebouwde rijksmonumenten in redelijk tot goede staat in 2019 lager dan in 2018. Dit komt door een toename van het aantal objecten dat in beeld is. Monumenten bestaan veelal uit meerdere objecten (zoals gebouwen, toegangspoorten, ornamenten en tuinonderdelen) en de onderhoudsstaat van steeds meer objecten wordt in beeld gebracht. Onder de nieuw toegevoegde objecten bevinden zich relatief veel die minder goed toegankelijk zijn en daarom voorheen niet beoordeeld zijn. Deze bevinden zich ook vaker in een relatief minder goede staat van onderhoud. Hierdoor komt het realisatie van het percentage gebouwde rijksmonumenten in redelijke tot goede staat op 83,6%. Wanneer de groep monumenten uit 2017 en 2018 vergeleken wordt met de uitkomsten van 2019 dan verkeren 84,3% van de monumenten in redelijk tot goede staat.

5    Toelichting bij streefwaarde 2021 t.o.v. 2020: de streefwaarde voor 2021 is bijgesteld naar 84,6% van de rijksmonumenten in redelijk tot goede staat. In 2020 was deze streefwaarde nog gesteld op 85,5%. De verbeterde meetmethoden hebben ook invloed op de streefwaarde. De doelstelling van 1% meer rijksmonumenten in redelijk tot goede staat blijft echter overeind (dit zijn ca 600 monumenten).

Het coronavirus heeft de culturele en creatieve sector hard getroffen. Van de een op de andere dag moesten alle concertzalen, musea en theaters dicht. Dat kwam hard aan en de crisis raakt cultuur bijzonder. De sector loopt vele miljoenen aan inkomsten mis. De gevolgen zijn groot voor de kunstenaars, makers en werkenden in de sector, maar raken ook publiek, vrijwilligers en niet te vergeten 6 miljoen amateurs. De culturele en creatieve sector is belangrijk voor de Nederlandse samenleving, vanwege haar artistieke, sociale én economische waarde. Cultuur en creativiteit zijn onmisbaar, juist in deze tijd. Maar deze sector wordt bovengemiddeld geraakt door de coronacrisis. Het CBS heeft becijferd dat de productie in de bedrijfstak cultuur, recreatie en overige diensten in het tweede kwartaal van 2020 met - 37,4% is gedaald. Een deel van de sector - waaronder, theatergezelschappen, orkesten, erfgoedinstellingen, musea, (pop)podia en bioscopen - functioneert weer in beperkte mate en met een beperkt publiek; sommige activiteiten, waaronder vele festivals, operavoorstellingen en kooruitvoeringen, vinden nog steeds geen doorgang.

Door de beperkende maatregelen blijven de inkomsten laag of ontbreken volledig, terwijl de kosten van vele instellingen, kunstenaars en creatieve professionals doorlopen of zelfs stijgen. Met generieke maatregelen van het kabinet, coulancemaatregelen vanuit het cultuurbeleid en een extra steunpakket van € 300 miljoen steunen we het veld reeds om deze periode door te komen (Kamerstukken II 2019/20, 32820, nr. 353). Daarmee is via de verschillende maatregelen tot nu toe in totaal € 0,5 miljard beschikbaar voor de culturele en creatieve sector in 2020. Het kabinet heeft hierop volgend besloten tot een nader aanvullend steunpakket voor de culturele sector. Dit steunpakket is aanvullend op de generieke maatregelen, het hiervoor genoemde cultuurpakket van € 300 miljoen en de € 60 miljoen voor de schade van gemeenten in verband met de lokale culturele infrastructuur. Het kabinet stelt nu € 264 miljoen extra beschikbaar voor onder meer de verlenging van het aanvullende cultuurpakket in de eerste helft van 2021, waarmee ook wordt ingezet op innovatie en nieuwe vormen van publieksbereik. Daarnaast komt er € 150 miljoen beschikbaar voor de lokale culturele infrastructuur en nog eens € 68 miljoen voor de schade van gemeenten en provincies. € 15 miljoen is bestemd voor varend erfgoed (de zogenaamde bruine vloot), en loopt via de begroting van EZK. De culturele sector maakt ook aanspraak op generieke maatregelen uit het steun- en herstelpakket, waarmee de totale extra bijdrage aan cultuur kan oplopen tot meer dan € 700 miljoen. De extra middelen zijn op de aanvullende post gezet en zullen met een Nota van Wijziging aan de OCW-begroting worden toegevoegd. Dit geld is bedoeld om deze lastige periode te overbruggen en te investeren in het nieuwe seizoen. Daarbij is oog voor de gehele breedte van het culturele en creatieve veld: voor culturele instellingen gefinancierd door het Rijk, voor monumenten, voor vitale regionale culturele infrastructuur, voor makers en voor privaat gefinancierde cultuur. Deze extra steun is van belang, omdat cultuur een belangrijke intrinsieke, maatschappelijke en economische waarde heeft. Cultuur zet aan tot denken, verbindt en is ook economisch een factor van betekenis. Een aantrekkelijk cultureel aanbod stimuleert toerisme en vestigingsbeleid. De bijdrage van de gehele culturele en creatieve sector aan de totale Nederlandse economie (het bbp) bedroeg € 25,5 miljard (3,7%) in 2015. De werkgelegenheid in de culturele en creatieve sector bedraagt zo'n 320.000 arbeidsjaren, 4,5% van de totale werkgelegenheid. 92% van de Nederlandse bevolking van 12 jaar en ouder bezoekt minstens een keer per jaar een culturele activiteit, van bibliotheek tot museum tot podiumkunst. Meer dan zes op de tien Nederlanders van 12 jaar en ouder beoefenen cultuur in de vrije tijd. Cultuur is geen luxe die je je alleen in goede tijden kunt veroorloven. Makers hebben de afgelopen maanden van zich laten horen, omdat ze hard geraakt zijn. Tegelijk hebben ze publiek weten te bereiken door aanbod op een vernieuwende manier te presenteren, met alle creativiteit die hen eigen is. Deze initiatieven om contact met het publiek te houden zijn geweldig. Gelukkig gaan de deuren van veel bioscopen, concertzalen en theaters stap voor stap meer open.

We werken ook aan een stabiele basis voor de toekomst, onder meer door de zekerheid van vierjaarlijkse subsidies via de basisinfrastructuur. Bij de nieuwe basisinfrastructuur hebben we oog voor verbreding en vernieuwing, en nieuw publiek. We geven nieuwe spelers toegang tot de basisinfrastructuur en maken van een eerlijke beloning een subsidievoorwaarde. We hebben oog voor een divers publiek en een goede regionale spreiding, want cultuur is van en voor iedereen. Voor de nieuwe basisinfrastructuur en de fondsen is vanaf 2021 per jaar € 44 miljoen extra beschikbaar, bestemd voor een betere spreiding over het land en over genres (Kamerstukken II 2018/19, 32820, nr. 290, bijlage 887202). Op Prinsjesdag maken we de besluiten voor de nieuwe periode bekend, op basis van het advies van de Raad voor Cultuur (Kamerstukken II 2019/20, 32820, nr. 354, bijlage 938877). Bij dat advies heeft de Raad de profielen van de stedelijke regio's meegewogen. De cultuursector heeft volgens de Raad een aantoonbare aanjaagfunctie in tijden van economisch herstel. Om de gevolgen van de coronacrisis te boven te komen is een op innovatie gerichte strategie nodig die zorgt dat de sector wendbaar en weerbaar de toekomst in gaat. De Raad wil hiervoor tot 1 november samen met de stedelijke regio's, fondsen en het veld van makers, instellingen en ongesubsidieerde aanbieders aan de slag om te kijken naar eventuele nieuwe verdienmo-dellen. De Raad wil de discussie over de toekomst voeren op basis van drie scenario's: een lockdownscenario, een anderhalvemeterscenario en een scenario van het nieuwe normaal. De creatieve initiatieven en noodoplossingen die de afgelopen maanden door makers en instellingen zijn bedacht, laten zien dat de sector uitblinkt in innovatiekracht. We blijven over deze initiatieven in gesprek met het culturele en creatieve veld.

Ook door het programma cultuurparticipatie maken we mogelijk dat cultuur van en voor iedereen wordt, ongeacht de plek waar je woont, uit welk gezin je komt of welke culturele achtergrond je hebt, en ongeacht leeftijd, gender, beperking of opleiding. Daarnaast blijven we ons inspannen voor het erfgoed, volgens de agenda uit de brief Erfgoed telt (Kamerstukken II 2017/18, 32820, nr. 248). Het erfgoed is van groot belang: het laat zien waar we vandaan komen en wie we zijn. Verder richten we ons op het versterken van het historisch democratisch bewustzijn, zoals afgesproken in het Regeerakkoord. We investeren in cultuuronderwijs met extra aandacht én extra middelen vanaf 2021 om de positieve ontwikkeling voort te zetten en verder uit te bouwen: meer scholen met goed cultuuronderwijs, mede door middel van intensieve samenwerking tussen onderwijs en de culturele sector, meer nieuwe scholen die deelnemen en meer ruimte om in te spelen op lokale wensen.

  • 6. 
    Media
 

Tabel 6 Media

Doelstelling/indicator

Sector

Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streef waarde

Alle afspraken uit

 

2017

2018

2019

2020

prestatieovereenkomst worden door NPO nagekomen1

Media

33/342

33/342

31/343

34/34

1    Bron: Terugblik NPO; Verificatie Commissariaat voor de Media. De rapportage over 2019 wordt in de tweede helft van 2020 verwacht.

2    De niet-behaalde afspraak is ten dele gerealiseerd.

3    Twee van de niet behaalde afspraken zijn ten dele gerealiseerd.

De afgelopen periode is na de uitbraak van het coronavirus zichtbaar geworden hoe onmisbaar de media zijn in onze samenleving. Landelijke omroepen bijvoorbeeld speelden een belangrijke rol in het geven van informatie. Ook zorgden zij voor verdieping en verbreding. Tegelijkertijd hebben de maatregelen ter bestrijding van de crisis voor de publieke omroep veel impact gehad en dit heeft tot onvermijdelijke extra kosten geleid. Daarom heeft het kabinet in 2020 eenmalig € 19 miljoen extra ter beschikking gesteld aan de NPO. Dit stelt de publieke omroep in staat om ook in de komende periode die belangrijke rol te spelen. We willen dat zij die rol ook in de toekomst blijven vervullen. Eerder hebben we daarom in onze visiebrief beschreven hoe we de toekomst van het publieke omroepstelsel voor ons zien (Kamerstukken II, 2018/19, 32827, nr. 157). De maatregelen uit die brief worden komend jaar verder uitgewerkt. Dat doen we samen met de Nederlandse Publieke Omroep (NPO), de omroepen en andere betrokken partijen. De keuzes die we daarbij maken, kunnen van grote invloed zijn op het beleid van de NPO. Volgend jaar zal ook in het teken staan van de voorbereiding op de nieuwe concessie- en erkenningsperiode. Die periode beslaat de jaren 2022-2027 De NPO zal met de omroepen een nieuw beleidsplan opstellen. Dat plan zal weer de basis zijn voor de nieuwe prestatieafspraken met de NPO. Eén van de onderdelen daarvan zal de samenwerking zijn tussen publieke en private media. Die komt inmiddels goed op gang en zorgt voor een goed en gevarieerd media-aanbod, ook in de toekomst.

De onmisbare rol van media zien we ook regionaal en lokaal terug. Door de gedaalde inkomsten uit reclame en advertenties kwam de continuïteit van lokale informatievoorziening door bijvoorbeeld lokale publieke omroepen en huis-aan-huiskranten onder druk te staan. Juist in deze periode is die informatievoorziening zo belangrijk. Daarom heeft het kabinet in 2020 in totaal eenmalig € 35 miljoen beschikbaar gesteld voor een Tijdelijk Steunfonds Lokale Informatievoorziening. De mediasector in Caribisch Nederland heeft een vergelijkbare ondersteuning als de lokale media in het Europese deel van Nederland ontvangen. Van de prestatieovereen-komst voor de Regionale Publieke Omroep (RPO) en regionale omroepen verwachten we dat die dit jaar nog rond komt. Dan kunnen betrokken partijen in 2021 daar voor het eerste jaar invulling aan geven. Regionaal ligt onze focus op de samenwerking tussen lokale, regionale en landelijke omroepen. We investeren in projecten die innovatie en samenwerking stimuleren. Over de nieuwsvoorziening op lokaal niveau, en de publieke waarden en democratische functies van media verwachten we ten slotte dit najaar het vervolgadvies van de Raad voor Openbaar Bestuur en de Raad voor Cultuur. Samen met de Minister van BZK zullen we reageren en met de uitkomsten aan de slag gaan.

7 Emancipatie

 

Tabel 7 Emancipatie

Doelstelling/indicator

Sector Basiswaarde

Realisatie

Realisatie

Streef waarde

Acceptatie LHBTI1

2010

2016

2018

2020

 

Emancipatie    90%

93%

94%

> 90%

Arbeidsmarktpositie van vrouwen

2017

2018

 

2020

in hoge functies2

Emancipatie RvB: 11,0%

12,4%

 

> 30%

 

RvT: 16,2%

18,4%

 

> 30%

1    Bron: LHBT monitor (SCP). Deze monitor verschijnt tweejaarlijks. Nieuwe cijfers worden verwacht in het voorjaar van 2021.

2    Bron: Bedrijvenmonitor topvrouwen 2019. Het RvB cijfer 2017 is gecorrigeerd, omdat het definitieve cijfer afwijkt van het eerder gepubliceerde voorlopige midterm cijfer. De monitor verschijnt tweejaarlijks. Nieuwe cijfers worden verwacht in het voorjaar van 2021.

Deze kabinetsperiode hebben we voor het realiseren van meer gender- en LHBTI-gelijkheid gewerkt langs drie thema's: arbeid, sociale veiligheid en genderdiversiteit. Dit doen we in een nationale en internationale dimensie. Ook in tijden van corona, die een negatief effect kunnen hebben op de emancipatie van sommige groepen, houden we hier aan vast. Zo is de verwachting dat huiselijk geweld is toegenomen, waar voornamelijk vrouwen en kinderen slachtoffer van zijn. Het is onze inzet het gender-perspectief in alle genomen maatregelen te krijgen en te houden.

Om meer vrouwen te laten participeren op de arbeidsmarkt en financieel onafhankelijk te maken, is het belangrijk dat zij in staat zijn om arbeid en zorg te combineren. Dit jaar zijn het IBO deeltijdwerk (Kamerstukken II 2019/20, 29544, nr. 1006, bijlage 933191) en de kabinetsreactie daarop verschenen (Kamerstukken II 2019/20, 29544, nr. 100). Komend jaar geven we daar een vervolg aan, onder meer met een scenariostudie naar de vormgeving van kindvoorzieningen. Na het SER-advies 'Diversiteit in de top' is besloten Nederlandse beursgenoteerde bedrijven met een ingroei-quotum te verplichten een vertegenwoordiging van mannen én vrouwen van ten minste 30% vrouwen in de raad van commissarissen te realiseren. Inmiddels hebben we het quotum uitgewerkt in het wetsvoorstel 'Modernisering NV-recht en evenwichtiger man/vrouw verhouding', dat volgend jaar in werking moet treden. Het quotum wordt na vijf jaar geëvalueerd. In 2021 zetten we de ondersteuning voort van extra kwetsbaren groepen zoals transgender personen, LHBTI-jongeren en LHBTI's in religieuze kringen. Daarnaast werken we verder aan de uitwerking van de aanbevelingen uit het rapport van Grevio (Raad van Europa) over het Nederlandse beleid voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen (Kamerstukken II 2019/20, 28345, nr. 227, bijlage 920348). Ook onderzoeken we wat de kansen en risico's zijn van echt gebruik van artificiële intelligentie in combinatie met gendervraag-stukken.

Aandacht voor LHBTI- en gendergelijkheid blijft belangrijk, ook voorbij de Nederlandse grenzen. De rechten en positie van LHBTI-personen binnen en buiten Europa staan onder druk. Hard bevochten rechten van vrouwen, meisjes en LHBTI-personen zijn binnen de EU en de VN opnieuw punt van discussie en dat is zorgelijk. Het kabinet blijft zich internationaal inzetten voor rechten van vrouwen en meisjes en gelijke rechten van LHBTI-personen. Op het internationale vlak heeft de Europese Commissie onlangs de Genderstrategie 2020-2025 gepresenteerd. Het doel is de gendergelijkheid te vergroten. De strategie kent drie lijnen waarlangs komend jaar gewerkt zal gaan worden: 'vrij zijn van geweld en stereotypen', 'gelijke kansen op succes in de samenleving en de economie' en 'op voet van gelijkheid deelnemen aan bestuur, economie en samenleving'. We zullen bij de uitwerking van deze strategie nauw samenwerken met andere ministeries langs de lijn van het BNC-fiche (Kamerstukken II, 2019/20, 22112, nr. 2861). Ten slotte zullen we volgend jaar onze 4-jaarlijkse rapportage bij het CEDAW-comité inleveren. Dit comité houdt toezicht op het VN-Vrouwen-verdrag. Zo rapporteert Nederland hoe de rechten van vrouwen de afgelopen jaren zijn gewaarborgd en wat Nederland heeft gedaan om de positie van vrouwen te verbeteren. In 2020 was het 25 jaar geleden dat 189 VN-lidstaten de Beijing Declaration and Program for Action (BPfA) overeenkwamen: een omvattend beleidsraamwerk en actieplan om gendergelijkheid en mensenrechten voor vrouwen en meisjes te realiseren. De Commission on the Status of Women (CSW) in 2020 en andere bijeenkomsten ter viering van Beijing+25 konden geen doorgang vinden wegens COVID-19. Nederland zet in op deelname aan de 65ste CSW in 2021 om naast brede steun vrouwenrechten en gendergelijkheid ook steun voor Sustainable Development Goal 5 in de toekomst te verzekeren.

Overzicht Coronamaatregelen

De afgelopen maanden zijn voor een belangrijk deel getekend door de coronacrisis. Het kabinet heeft diverse (nood)maatregelen genomen om de crisis het hoofd te bieden. Deze paragraaf geeft een overzicht van de maatregelen die op de begroting van [naam begroting invullen] zijn genomen. Een uitgebreid overzicht is te vinden op https://www.rijksfi-nancien.nl/corona-visual.

 

Tabel 8 Overzicht Coronamaatregelen (bedragen x € 1 miljoen)

Nr. Maatregel

Bedrag 2020 Bedrag 2021 Kamerstuk nr.

ISB

1

Onderzoek coronavirus

€ 2,0

Kamerstukken II, 2019/20, 35300 VIII, nr. 150

 

2

Tijdelijke Steunfonds voor Lokale Informatievoorziening

€ 10,9

Kamerstukken II 2019/20, 32827, nr. 186

 
 

Uitvoeringskosten nr. 2

€ 0,1

   

3

Verlengen termijn studentenreisproduct (verdeeld 2020-2026)

€ 12,0

Kamerstukken II, 2019/20, 24724, nr. 170

 

4

Aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector

 

Kamerstukken II 2019/20, 32820, nr. 353

Kamerstukken II 2019/20, 35441, nr. 19

 

4a Aanvullende subsidie meerjarig gesubsidieerde producerende instellingen

€ 153,0

   
 

4b Opengestelde Monumenten Lening

€ 50,0

   
 

4c Regionale infrastructuur: musea, (pop)podia en filmtheaters

€ 48,5

   
 

4d Cultuur Opstart Lening

€ 30,0

   
 

4e Rijkscultuurfondsen voor makers

€ 11,8

   
 

4f Steunfonds Rechtensector

€ 5,0

   
 

Uitvoeringskosten 4a t/m 4f

€ 1,7

   

5

Tegemoetkoming studenten mbo en ho

 

Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 184

Kamerstukken II 2019/20, 35464, nr. 2

 

5a Compensatie laatstejaarsstudenten mbo, hbo en wo master van 3 maanden les-, cursus en collegegeld

 

€ 145,0

 
 

5b Compensatie voor afloop SF-recht van basis- en aanvullende beurs in mbo en ho

€ 40,0

   
 

Uitvoeringkosten DUO voor 5a en 5b

€ 7,5

€ 7,5

 

6

Aanschaf devices in po/vo/mbo tegen oplopen achterstanden op korte termijn (incl. CN)

€ 6,3

Kamerstukken II, 2019/20, 35300 VIII, nr. 181

Kamerstukken II 2019/20, 35464, nr. 2

7

Inhaal- en ondersteuningsprogramma's onderwijs

 

Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 184

Kamerstukken II 2019/20, 35464, nr. 2

7a Subsidieregeling zomer-/herfst scholen/verlengde lesdagen po/vo/mbo (incl. CN)

 

Subsidieregeling voorschoolse educatie

€ 7,0

   
 

Subsidieregeling Primair onderwijs

€ 102,0

   
 

Subsidieregeling Voortgezet onderwijs

€ 65,0

   
 

Subsidieregeling Mbo, vavo en overige educatie

€ 68,0

   
 

Uitvoeringskosten 7a

€ 2,0

   

7b Behoud stages en leerwerkbanen in mbo

 

Regeling praktijkleren uitbreiden voor conjunctuur- en contactgevoelige beroepen

€ 10,6

€ 10,6

 
 

SBB subsidie actieplan

€ 4,0

€ 4,0

 
 

Uitvoeringskosten praktijkleren 7b (RVO)

€ 0,4

€ 0,4

 

7c Uitbreiding aanvullende bekostiging nieuwkomers funderend onderwijs

 

Uitbreiding aanvullende bekostiging nieuwkomers po

€ 2,7

€ 8,3

 
 

Uitbreiding aanvullende bekostiging nieuwkomers vo

€ 10,0

   

8

Steunfonds lokale informatievoorziening / journalistiek

€ 24,0

Kamerstukken II 2019/20, 35420, nr. 43

 

9

Aanpak jeugdwerkloosheid

€ 4,5

€ 25,0 PM

PM

10    Compensatie meerkosten programmering landelijke publieke omroep

€ 19,0

PM

PM

Nr.

Maatregel

Bedrag 2020 Bedrag 2021 Kamerstuk nr.

ISB

11

Tweede steunpakket culturele en creatieve sector

€ 482,0 PM

PM

Toelichting

  • 1. 
    Onderzoek coronavirus (€ 2 miljoen)

Het kabinet heeft voor corona-gerelateerd onderzoek eind maart 2020 extra middelen ter beschikking gesteld voor acute onderzoeksvragen gerelateerd aan COVID-19. Voor nationaal onderzoek naar COVID-19 is vanuit het kabinet in totaal € 47,5 miljoen beschikbaar gesteld, via de Ministeries van VWS, OCW en EZK. Artikel 16 (Onderzoek en wetenschapsbeleid) van het Ministerie van OCW heeft hier € 2 miljoen aan bijgedragen.

2 & 8. Tijdelijk Steunfonds Lokale Informatievoorziening (€ 35 miljoen)

De gevolgen van de coronacrisis zijn ook voor de mediasector groot: inkomsten lopen terug, terwijl de vraag naar informatie toeneemt. De problemen zijn met name op lokaal niveau urgent, waar de continuïteit van de informatie- en nieuwsvoorziening in gevaar is gekomen als gevolg van de coronacrisis.

Op 7 april jl. kondigde de Minister voor BVOM in een Kamerbrief daarom het Tijdelijk Steunfonds Lokale Informatievoorziening (Steunfonds) aan. Het doel van het Steunfonds is om de informatievoorziening door lokale media op peil te houden. Daartoe worden uit het Steunfonds kredieten verstrekt ter dekking van de noodzakelijke kosten om de continuïteit van de lokale informatievoorziening te waarborgen. Als ontvangende partijen voldoen aan de voorwaarden wordt het bedrag geheel of gedeeltelijk omgezet in een uitkering. Het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek (SvdJ) voert de maatregel uit.

Voor de periode 15 maart 2020 tot 15 juni 2020 is eenmalig € 11 miljoen beschikbaar gesteld. Dit geld is vrijgemaakt door reeds voor 2020 gereserveerde middelen in te zetten. Met dit bedrag zijn voor deze periode 175 lokale publieke omroepen, 431 huis-aan-huisbladen, 82 lokale nieuwsweb-sites en 15 lokale nieuwsbladen gesteund. Op 28 mei 2020 kondigde het kabinet in een brief van de Minister van BZK aan dat er € 24 miljoen aan extra middelen voor het Steunfonds wordt uitgetrokken (inclusief uitvoeringskosten bij het SvdJ). Deze extra middelen worden in twee rondes verdeeld. De looptijd van de eerste ronde is 15 juni 2020 tot 15 september 2020, waarbij partijen van 22 juni 2020 tot en met 5 juli 2020 aanvragen konden indienen. In september 2020 wordt bezien of de voorwaarden voor de laatste ronde, die zal lopen vanaf 15 september 2020, moeten worden aangepast. Evaluatie en verantwoording van het Steunfonds vinden begin 2021 plaats.

  • 3. 
    Verlengen termijn studentenreisproduct (€12 miljoen)

In de periode van half maart tot half juni 2020 hebben studenten niet of nauwelijks kunnen reizen met de studentenreisvoorziening, terwijl de duur van het reisrecht wel doorliep. Om hierin tegemoet te komen is de maximale duur van het reisrecht voor studenten in het hoger onderwijs met drie maanden verlengd. De kosten van deze verlenging vallen gespreid over de komende jaren (2020-2026).

  • 4. 
    Aanvullende ondersteuning culturele en creatieve sector (€ 300 miljoen) De uitbraak van COVID-19 heeft grote gevolgen gehad voor de kunstenaars, makers en werkenden in de sector. De intelligente lockdown raakte en raakt ook het publiek, vrijwilligers en 6 miljoen amateurs. De sluiting van onder meer theaters, concertzalen, musea en bioscopen en ook het uitblijven van opdrachten en werk voor velen in de culturele en creatieve sector hadden grote gevolgen voor het publiek, makers en het verdienvermogen van de sector.

Het kabinet heeft direct na aanvang van de coronacrisis verschillende maatregelen genomen, waar ook instellingen en makers in de culturele en creatieve sector gebruik van kunnen maken. In de Kamerbrieven van 27 maart en 15 april kondigde de Minister van OCW aanvullende ondersteuning voor de culturele en creatieve sector aan. De brief van 27 maart schetste de kabinetsbrede maatregelen en specifieke coulancemaatregelen. In de brief van 15 april kondigde de Minister van OCW aan dat het kabinet € 300 miljoen extra ter beschikking stelt om de culturele en creatieve sector door de financieel zware eerste maanden heen te helpen en in staat te stellen om te investeren voor het volgende seizoen. Op 28 april volgde het Wetgevingsoverleg Cultuur en Corona in de Tweede Kamer. Op 27 mei verscheen de brief met de uitwerking van deze € 300 miljoen. De Raad voor Cultuur heeft er in zijn brief van 18 mei op gewezen dat de culturele en creatieve sector ruimte nodig heeft om weerbaar en wendbaar uit de huidige crisis te komen.

Er zijn in 2020 drie soorten maatregelen genomen om de cultuursector te ondersteunen:

kabinetsbrede maatregelen: ondersteuning voor ZZP'ers en organisaties zoals de TOGS, TOZO en NOW;

sectorspecifieke maatregelen: specifieke coulancemaatregelen van de Minister van OCW en sectorspecifieke ondersteuning;

aanvullende ondersteuning: € 300 miljoen. Deze zijn onderverdeeld in zes maatregelen die hieronder verder zijn toegelicht.

4a. Aanvullende subsidie meerjarig gesubsidieerde producerende instellingen (€ 153 miljoen)

  • • 
    Doel: continuïteit waarborgen, investeren in het nieuwe seizoen, stimuleren werkgelegenheid.
  • • 
    Budget: totaal € 153 miljoen: € 113 miljoen via het Ministerie van OCW, € 40 miljoen via de rijkscultuurfondsen.
  • • 
    Voor wie: 70 instellingen in de BIS 2017-2020, circa 198 instellingen en festivals via de 6 rijkscultuurfondsen, 5 miljoen via het Filmfonds voor filmproducenten.
  • • 
    Hoe: via het Ministerie van OCW en de 6 rijkscultuurfondsen.

4b. Opengestelde Monumenten Lening (€ 50 miljoen)

  • • 
    Doel: continuïteit waarborgen, instandhouding rijksmonumenten, openstelling mogelijk maken.
  • • 
    Budget: € 50 miljoen.
  • • 
    Voor wie: eigenaren van publiekstoegankelijke rijksmonumenten.
  • • 
    Hoe: via het Nationaal Restauratiefonds.

4c. Regionale infrastructuur: musea, (pop)podia en filmtheater s (€ 49 miljoen)

  • • 
    Doel: continuïteit waarborgen, investeren in het nieuwe seizoen, stimuleren werkgelegenheid.
  • • 
    Budget: totaal € 48,5 miljoen: € 29 miljoen voor (pop)podia, € 16 miljoen voor musea, € 3,5 miljoen voor filmtheaters.
  • • 
    Voor wie: regionale musea, (pop)podia en filmtheaters die aanvullende ondersteuning ontvangen van gemeente en/of provincie.
  • • 
    Hoe: via het Mondriaan Fonds, Fonds Podiumkunsten en het Filmfonds.

4d. Cultuur Opstart Lening (€ 30 miljoen)

  • • 
    Doel: de lening is bedoeld voor het ontwikkelen van publieksgerichte activiteiten in de culturele en creatieve sector.
  • • 
    Budget: € 30 miljoen.
  • • 
    Voor wie: privaat gefinancierde ondernemingen die onvoldoende gebruik kunnen maken van de overige ondersteuningsmiddelen.
  • • 
    Hoe: via Cultuur+Ondernemen.

4e. Rijkscultuurfondsen voor makers & 4f. Steunfonds Rechtensector (€ 17 miljoen)

  • • 
    Doel: ondersteuning voor projecten, werk en opdrachten.
  • • 
    Budget: totaal € 16,8 miljoen: € 11,8 miljoen voor makers in de diverse sectoren en € 4,5 miljoen voor Steunfonds Rechtensector.
  • • 
    Voor wie: makers in alle sectoren.
  • • 
    Hoe: via de 6 rijkscultuurfondsen en via het Steunfonds Rechtensector.

Deze informatie is ook zichtbaar in de infographic bij Kamerstukken II 2019/20, 32820, nr. 353.

  • 5. 
    Tegemoetkoming studenten mbo en ho (€ 200 miljoen)

Het blijft onvermijdelijk dat er een groep studenten zal zijn die studievertraging oploopt als gevolg van door het kabinet genomen maatregelen naar aanleiding van de uitbraak van COVID-19. Voor studenten in het laatste jaar van hun opleiding geldt daarbij dat zij deze vertraging niet in een later stadium van de opleiding kunnen inlopen. Het kabinet heeft besloten om studenten die in de afrondende fase van hun studie zitten deels te compenseren voor de financiële gevolgen van de uitbraak van COVID-19.

Er is voor gekozen om de volgende twee groepen studenten voor deze tegemoetkoming in aanmerking te laten komen. De eerste doelgroep, de groep studenten aan bekostigde opleidingen die zich voor het studiejaar 2020-2021 opnieuw moeten inschrijven en uiterlijk eind januari 2021 een mbo, hbo of wo-master diploma behalen, ontvangen deze tegemoetkoming (€ 160 miljoen). De tweede doelgroep zijn de studenten die in de maanden juni t/m september 2020 uit hun Studiefinancierings-rechten lopen voor de basisbeurs en/of aanvullende beurs (€ 40 miljoen). Het gaat hier om ondersteuning in de kosten voor levensonderhoud door de overheid aan studenten in het mbo en ho. Het maakt voor de studiefinanciering niet uit of deze studenten studeren in het bekostigd of niet-bekostigd onderwijs. De totale kosten van deze eenmalige tegemoetkoming voor studenten in mbo en ho bedragen € 200 miljoen.

  • 6. 
    Aanschaf devices in po/vo/mbo (€ 6 miljoen)

Om ervoor te zorgen dat het onderwijs op afstand zo goed mogelijk doorgang kon vinden voor alle leerlingen, heeft het kabinet in totaal € 6,3 miljoen beschikbaar gesteld om schoolbesturen te ondersteunen bij de aanschaf van devices. Zij konden hiervoor tot 28 april 2020 een aanvraag indienen bij SIVON, de coöperatie van schoolbesturen in het primair en voortgezet onderwijs.

SIVON heeft uiteindelijk alle aanvragen kunnen honoreren, mede dankzij een eigen bijdrage van de betrokken schoolbesturen. Uiteindelijk zijn ruim 15.000 devices blijvend ter beschikking gesteld aan het onderwijs, zowel in

Europees Nederland als in Caribisch Nederland. Op korte termijn wordt - in lijn met de motie-Westerveld - in kaart gebracht in hoeverre schoolbesturen ook in het nieuwe schooljaar kunnen voorzien in devices voor onderwijs op afstand (Kamerstukken II, 32 034, nr. 35).

  • 7. 
    Inhaal en ondersteuningsprogramma's onderwijs 7a. Inhaal- en ondersteuningsprogramma's (€ 244 miljoen)

Door de door het kabinet genomen maatregelen naar aanleiding van de uitbraak van COVID-19 hebben leerlingen en studenten in het ve, po, vo en mbo leerachterstanden opgelopen. Om deze leerachterstanden in te halen is eenmalig € 244 miljoen aan extra middelen gereserveerd. Met deze middelen kunnen aanbieders van ve, scholen en instellingen in de periode van de zomervakantie van 2020 tot en met de zomervakantie van 2021 leerlingen en studenten ondersteunen bij het inhalen van leerachterstanden door extra facultatieve programma's en ondersteuning te bieden naast de reguliere onderwijstijd.

Deze additionele middelen zijn voor het mbo tevens bedoeld om te voorkomen dat mbo-studenten verdere studievertraging oplopen doordat de beroepspraktijkonderdelen van de opleidingen geen doorgang kunnen vinden.

7b. Behoud van stages en leerbanen (€ 30 miljoen)

Voor de studiejaren 2020-2021 en 2021-2022 wordt twee keer € 11 miljoen (inclusief uitvoeringskosten) uitgetrokken voor verhoging van de subsidie praktijkleren in conjunctuurgevoelige sectoren en sectoren waar veel contactberoepen voorkomen. Doel van de verhoging is werkgevers in deze sectoren, die door de coronamaatregelen hard zijn getroffen, te stimuleren zoveel mogelijk leerbanen aan te bieden aan bbl-studenten.

Ook wordt voor de jaren 2020 en 2021 twee keer € 4 miljoen uitgetrokken voor de intensivering van de aanpak stages en leerbanen door Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB). Met deze extra subsidie kan SBB onder andere extra acquisitie doen van leerbedrijven, aandacht besteden aan de positie van jongeren in een kwetsbare positie op de stage- en leerbanenmarkt en een nieuwe tranche certificaten ontwikkelen.

7c. Uitbreiding aanvullende bekostiging nieuwkomers funderend onderwijs (€ 21 miljoen)

Door de uitbraak van COVID-19 moeten scholen in het po en vo sinds 16 maart onderwijs op afstand verzorgen. Afstandsonderwijs is voor nieuwkomers extra moeilijk, omdat zij de Nederlandse taal nog niet of nauwelijks spreken. Daarnaast missen nieuwkomers vaak de begeleiding door hun ouders, aangezien de ouders in veel gevallen de Nederlandse taal niet spreken. Er is dus een risico dat deze leerlingen onderwijsachterstanden oplopen en dat hun ontwikkeling stagneert. Daarom ontvangen de po- en vo-scholen die nieuwkomers opvangen één kwartaal extra nieuwkomersbe-kostiging. Dit biedt hen de mogelijkheid om opgelopen onderwijsachterstanden zoveel mogelijk te mitigeren en nieuwkomers een stevige start te geven in het Nederlandse onderwijs.

Het gaat om een éénmalige impuls. Voor het po geldt dat de voorwaarden voor bijzondere en aanvullende bekostiging voor onderwijs aan asielzoekers en overige vreemdelingen worden verruimd. Het gaat om een eenmalige verruiming die geldt in het gehele schooljaar 2020-2021 voor alle peildata in dat schooljaar. In het vo vond de uitbetaling van de aanvullende bekostiging in één keer plaats, in de zomer van 2020.

  • 9. 
    Aanpak jeugdwerkloosheid (€29,5 miljoen)

Het Kabinet heeft besloten om te investeren in loopbaangesprekken met kwetsbare jongeren. De laatste tijd is de jeugdwerkloosheid snel opgelopen. Voortijdig schoolverlaters hebben een bovengemiddelde kans om de komende tijd werkloos te worden. Ook jongeren die al eerder voortijdig schoolverlater zijn geworden, maar wel werken, lopen een bovengemiddelde kans om werkloos te worden. Scholen en RMC's zullen hiertoe met laatstejaars studenten/uitstromers het gesprek aangaan over vervolgonderwijs als dat mogelijk is, of hen doorgeleiden naar het 'werkdomein'.

  • 10. 
    Compensatie meerkosten programmering landelijke publieke omroep (€ 19 miljoen)

In deze coronatijd is onafhankelijke, betrouwbare en toegankelijke informatie cruciaal. De landelijke publieke omroep speelt hierin een essentiële rol. Tegelijkertijd hebben de maatregelen ter bestrijding van de crisis voor de publieke omroep veel impact gehad en dit heeft tot onvermijdelijke extra kosten geleid. Een deel hiervan vangt de publieke omroep zelf op door onder meer een beroep te doen op zijn reserves. In aanvulling hierop heeft het kabinet besloten in 2020 eenmalig € 19 miljoen extra ter beschikking te stellen aan de NPO ter dekking van de gestegen kosten ten behoeve van de uitvoering van zijn publieke taak. Dit stelt de publieke omroep in staat om ook in de komende periode die belangrijke rol te spelen.

  • 11. 
    Tweede steunpakket culturele en creatieve sector (€482 miljoen)

De culturele en creatieve sector is belangrijk voor de Nederlandse samenleving, vanwege haar artistieke, sociale én economische waarde. Cultuur en creativiteit zijn onmisbaar, juist in deze tijd. Maar deze sector wordt bovengemiddeld geraakt door de coronacrisis. Het CBS heeft becijferd dat de productie in de bedrijfstak cultuur, recreatie en overige diensten in het tweede kwartaal van 2020 met - 37,4% is gedaald. Een deel van de sector - waaronder, theatergezelschappen, orkesten, erfgoedinstellingen, musea, (pop)podia en bioscopen - functioneert weer in beperkte mate en met een beperkt publiek; sommige activiteiten, waaronder vele festivals, operavoorstellingen en kooruitvoeringen, vinden nog steeds geen doorgang. Door de beperkende maatregelen blijven de inkomsten laag of ontbreken volledig, terwijl de kosten van vele instellingen, kunstenaars en creatieve professionals doorlopen of zelfs stijgen. Het kabinet heeft daarom besloten tot een steunpakket voor de culturele sector. Dit steunpakket is aanvullend op de generieke maatregelen, het eerdere aanvullende cultuur-pakket van € 300 miljoen en de € 60 miljoen voor de schade van gemeenten in verband met de lokale culturele infrastructuur. Het kabinet stelt nu

€ 264 miljoen extra beschikbaar voor onder meer de verlenging van het aanvullende cultuurpakket in de eerste helft van 2021, waarmee ook wordt ingezet op innovatie en nieuwe vormen van publieksbereik. Daarnaast komt er € 150 miljoen beschikbaar voor de lokale culturele infrastructuur en nog eens € 68 miljoen voor de schade van gemeenten en provincies. € 15 miljoen is bestemd voor varend erfgoed (de zogenaamde bruine vloot), en loopt via de begroting van EZK. De culturele sector maakt ook aanspraak op generieke maatregelen uit het steun- en herstelpakket, waarmee de totale extra bijdrage aan cultuur kan oplopen tot meer dan € 700 miljoen. De extra middelen zijn op de aanvullende post gezet en zullen met een Nota van Wijziging aan de OCW-begroting worden toegevoegd.

2.2 Belangrijkste beleidsmatige mutaties

Deze financiële paragraaf presenteert conform de Rijksbegrotingsvoor-schriten de belangrijkste budgettaire veranderingen op de OCW-begroting, zowel voor de uitgaven (tabel 9) als de ontvangsten (tabel 10).

Ook bevat deze paragraaf tabellen die een overzicht geven van alle intensiveringen en ombuigingen (tabellen 11 t/m 16).

Tabel 9 Belangrijkste beleidsmatige uitgaven mutaties t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)

 
 

Art.

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand begroting 2020 (inclusief NvW)

 

42.705.112

42.533.544

43.013.997

43.441.728

43.258.934

 

Belangrijkste mutaties

1 Eerste ISB cultuurmiddelen

14

300.000

0

0

0

0

0

2 Tweede ISB onderwijsmiddelen

diverse

325.850

167.500

0

0

0

0

3 Derde ISB mediamiddelen

15

24.000

0

0

0

0

0

4 Vierde ISB lerarentekortmiddelen aanvullende post

1,6,9

28.500

31.500

32.000

32.000

32.000

32.000

5 Vijfde ISB media en jeugdwerkloosheid

4,15

23.500

4.500

0

0

0

0

6 Leerlingen- en studentenontwikkeling

diverse

  • 2.442

214.810

239.914

330.766

405.528

453.093

7 Tegenvaller nieuwkomers

1,3

47.753

55.980

62.395

62.395

62.395

62.395

8 Dekking tekort DUO

diverse

0

0

0

0

0

32.813

9 Ontvangen relevante loonbijstelling

91

994.721

998.077

990.965

998.991

992.528

990.561

10 Ontvangen relevante prijsbijstelling

91

167.892

162.474

172.136

174.117

173.645

174.025

11 Eindejaarsmarge 2019

91

117.792

0

0

0

0

0

12 Middelen aanvullende post

diverse

10.277

15.415

0

43.540

63.242

7.242

13 Aanpak jeugdwerkloosheid

4

0

20.500

0

0

0

0

14 Dekking tegenvallers

diverse

  • 128.585
  • 36.159
  • 48.694
  • 53.688
  • 58.768
  • 60.891

15 Continueren Fiscale scholingsaftrek

4, 95

0

  • 218.000

0

0

0

0

16 Overboeking budget Stimulans Arbeidsmarktpositie (STAP)

4, 95

0

0

  • 202.497
  • 202.101
  • 202.551
  • 202.275

17 Kasschuiven

diverse

175.134

  • 97.303

43.747

  • 49.822
  • 69.330
  • 2.426

18 Niet-kaderrelevante mutaties

11, 12

  • 156.479
  • 164.224
  • 194.383
  • 221.931
  • 208.876
  • 211.560

19 Overige mutaties

diverse

  • 8.620
  • 5.061

11.177

6.453

  • 9.516

43.233.947

Stand ontwerpbegroting 2021

 

44.624.405

43.683.553

44.120.757

44.562.448

44.439.231

44.508.924

 

Tabel 10 Belangrijkste beleidsmatige ontvangsten mutaties t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)

 

Art.

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Stand begroting 2020 (inclusief NvW)

 

1.364.345

1.416.086

1.499.551

1.574.337

1.670.834

 

Belangrijkste mutaties

1 Leerlingen- en studentenontwikkeling

diverse

3499

694

  • 245

3296

4154

5.160

2 Niet-kaderrelevante mutaties

11, 12

53357

52351

50954

34320

14718

  • 8.471

3 Rente studiefinanciering

11

  • 30.314
  • 38.013
  • 49.643
  • 61.491
  • 56.982
  • 50.219

4 Overige mutaties

diverse

13.752

13.846

12.346

12.846

  • 3.304

1.741.793

Stand ontwerpbegroting 2021

 

1.404.639

1.444.964

1.512.963

1.563.308

1.629.420

1.688.263

Toelichting uitgaven

  • 1. 
    Eerste ISB cultuurmiddelen

Het kabinet stelde € 300,0 miljoen extra beschikbaar voor de culturele sector. Met deze middelen worden de culturele en creatieve sector aanvullend ondersteund.

  • 2. 
    Tweede ISB onderwijsmiddelen

Het kabinet stelde totaal € 493,4 miljoen extra beschikbaar, waarvan € 325,9 miljoen in 2020 en € 167,5 miljoen in 2021. Hiermee worden studenten gecompenseerd. Onderwijsachterstanden en studievertraging als gevolg van COVID-19 worden voor leerlingen en mbo-studenten zoveel mogelijk voorkomen.

  • 3. 
    Derde ISB mediamiddelen

Het kabinet stelde € 24,0 miljoen extra beschikbaar voor het tijdelijk Steunfonds Lokale Informatievoorziening. De reden hiervoor zijn de gedaalde inkomsten uit reclame en advertenties.

  • 4. 
    Vierde ISB lerarentekortmiddelen aanvullende post

Bij de voorjaarsbesluitvorming stelde het kabinet structureel € 32,0 miljoen beschikbaar voor de aanpak van het lerarentekort.

  • 5. 
    Vijfde ISB media en jeugdwerkloosheid

In deze coronatijd is onafhankelijke, betrouwbare en toegankelijke informatie cruciaal. De landelijke publieke omroep speelt hierin een essentiële rol. Tegelijkertijd hebben de maatregelen ter bestrijding van de crisis voor de publieke omroep veel impact gehad en dit heeft tot onvermijdelijke extra kosten geleid. Een deel hiervan vangt de publieke omroep zelf op door onder meer een beroep te doen op zijn reserves. In aanvulling hierop heeft het kabinet besloten in 2020 eenmalig € 19 miljoen extra ter beschikking te stellen aan de NPO ter dekking van de gestegen kosten ten behoeve van de uitvoering van zijn publieke taak. Dit stelt de publieke omroep in staat om ook in de komende periode die belangrijke rol te spelen.

Daarnaast wordt in deze ISB € 4,5 miljoen vrijgemaakt voor loopbaange-sprekken om jeugdwerkloosheid te voorkomen. Zie voor meer toelichting onder 13.

  • 6. 
    Leerlingen- en studentenontwikkeling

In de begroting is de actuele raming van de leerlingen- en studentenaantallen, alsmede van de kaderrelevante uitgaven aan de studiefinanciering verwerkt. Uit de Referentieraming 2020 blijkt dat het aantal leerlingen en studenten per saldo aanzienlijk hoger is dan de in de begroting 2020 verwerkte aantallen. Dit komt onder andere doordat het CBS in haar bevolkingsprognose een hoger migratiesaldo raamt. Mede als gevolg hiervan is in 2021 een tegenvaller van € 198,1 miljoen te zien op de begroting, die oploopt naar € 416,8 miljoen euro in 2025. Vooral het hoger beroepsonderwijs (hbo), het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en het primair onderwijs (po) laten aanzienlijke tegenvallers zien.

Op de raming van de studiefinanciering doet zich een tegenvaller voor van € 16,7 miljoen in 2021. Door de prestatiebeurstechniek in de studiefinanciering worden de hogere studentenaantallen pas later zichtbaar in hogere tegenvallers. In latere jaren is een tegenvaller te zien oplopend tot € 36,3 miljoen in 2025.

  • 7. 
    Tegenvaller nieuwkomers

Op de aanvullende bekostigingsregelingen voor nieuwkomers in het po en vo bleek een hogere realisatie dan verwacht. De realisatie zal ook de komende jaren naar verwachting hoger zijn, zo blijkt uit de CBS bevolkingsprognose. Er ontstaat hierdoor een tegenvaller op deze regelingen van € 56,0 miljoen in 2021, oplopend tot een tegenvaller van € 62,4 miljoen in 2025.

  • 8. 
    Tekort DUO

In de 1e Suppletoire Begroting 2019 is ICT problematiek bij DUO incidenteel gedekt van 2019 tot en met 2024. Het jaar 2025 wordt nu generaal gedekt, zodat de dekking binnen de kabinetsperiode opgelost is. De dekking vanaf 2026 en verder wordt technisch ingeboekt op artikel 7 (wetenschappelijk onderwijs). OCW beziet hoe dit kan worden ingevuld dan wel alternatief kan worden gedekt.

9 en 10. Ontvangen relevante loon- en prijsbijstelling Het Kabinet besloot dit voorjaar opnieuw loon- en prijsontwikkeling (lpo) uit te keren over de departementale begrotingen, ter compensatie van stijgende lonen en prijzen. De lpo-tranche 2020 die het Ministerie van OCW heeft ontvangen bedraagt in 2021 € 1.160,6 miljoen.

  • 11. 
    Eindejaarsmarge 2019

In 2019 zijn enkele budgetten niet volledig tot besteding gekomen. De eindejaarsmarge wordt ingezet voor overlopende verplichtingen die alsnog in 2020 tot betaling zijn gekomen. Ook wordt de eindejaarsmarge ingezet ter dekking van de tegenvaller op de Referentieraming en de raming van de studiefinanciering en nieuwkomersregelingen in 2021 en verder.

  • 12. 
    Middelen aanvullende post

Er zijn diverse Regeerakkoordmiddelen aan de OCW-begroting toegevoegd. Deze zijn toegelicht in de 1e Suppletoire Begroting 2020

  • 13. 
    Aanpak jeugdwerkloosheid

Het Kabinet heeft besloten om te investeren in loopbaangesprekken met kwetsbare jongeren. De laatste tijd is de jeugdwerkloosheid snel opgelopen. Voortijdig schoolverlaters hebben een bovengemiddelde kans om de komende tijd werkloos te worden. Ook jongeren die al eerder voortijdig schoolverlater zijn geworden, maar wel werken, lopen een bovengemiddelde kans om werkloos te worden. Scholen en RMC's zullen hiertoe met laatstejaars studenten/uitstromers het gesprek aangaan over vervolgonderwijs als dat mogelijk is, of hen doorgeleiden naar het 'werkdomein'.

  • 14. 
    Dekking tegenvallers

De dekking voor de ramingstegenvallers is uitgebreid toegelicht in de 1e Suppletoire Begroting 2020.

  • 15. 
    Continueren Fiscale scholingsaftrek

De fiscale regeling aftrek van scholingsuitgaven wordt nog een jaar langer dan oorspronkelijk beoogd gecontinueerd door het Ministerie van Financiën. Daarom wordt de begroting van het Ministerie van OCW verlaagd met € 218 miljoen.

  • 16. 
    Overboeking budget Stimulans Arbeidsmarktpositie (STAP)

Het budget voor levenlangontwikkelen wordt overgeboekt van het Ministerie van OCW naar het Ministerie van SZW. Dit is voor het STAP-budget (Stimulans Arbeidsmarktpositie) ter vervanging van de fiscale sholingsaftrek.

  • 17. 
    Kasschuiven

Op de begroting worden diverse meerjarige kasschuiven doorgevoerd, om de budgetten in overeenstemming te brengen met het verwachte beste-dingsritme. Zo is er besloten tot een kasschuif op het budget van de reisvoorziening op artikel 11 (studiefinanciering) van € 200 miljoen van 2021 naar 2020 ter optimalisatie van het kasritme van de staat.

Daarnaast is ook besloten om enkele middelen uit de tweede incidentele suppletoire begroting inzake ondersteuningsmaatregelen te verschuiven. Het betreft hier middelen voor de nieuwkomersregeling. Een deel van deze middelen is verschoven naar 2021 om het kasritme van de regeling hiermee in lijn te brengen. Ook zijn middelen verschoven om het praktijkleren uit het stageoffensief te faciliteren. Wegens uitvoeringstechnische redenen is het niet mogelijk gebleken voor de RVO om in 2020 deze additionele middelen nog uit te betalen aan deze doelgroep. Door deze kasschuif worden deze extra middelen uitbetaald in 2021 en 2022.

  • 18. 
    Niet-kaderrelevante mutaties

De raming voor studiefinanciering laat lagere niet-kaderrelevante uitgaven zien voor 2020 en verder, ten opzichte van de raming die in de OCW-begroting 2020 verwerkt is.

  • 19. 
    Overige mutaties

Dit betreft desalderingen van uitgaven en overboekingen van en naar andere departementen.

Toelichting ontvangsten

  • 1. 
    Leerlingen- en studentenontwikkeling

Op de raming van de ontvangsten voor studiefinanciering en lesgelden doet zich een kleine meevaller voor.

  • 2. 
    Niet-kaderrelevante mutaties

De raming voor studiefinanciering laat, vooral in de eerste jaren, hogere niet-kaderrelevante ontvangsten zien ten opzichte van de raming die in de OCW-begroting 2020 verwerkt is.

  • 3. 
    Rente studiefinanciering

Door de lage rentestand is er een tegenvaller van € 38,0 miljoen op de geraamde renteontvangsten op studieleningen in 2021. Deze komt conform de begrotingsregels ten laste van het generale beeld.

  • 4. 
    Overige mutaties

Dit betreft desalderingen van de ontvangsten.

Tabel 11 geeft een overzicht van alle intensiveringen op de OCW-begroting, sinds de start van het kabinet Rutte III en tabel 12 doet dat voor de ombuigingen. Tabel 13 geeft een saldo van tabel 11 en 12 weer.

In tabellen 14 t/m 16 worden de investeringen, ombuigingen en het saldo ervan uitgesplitst per sector weergegeven. Daarbij dient er rekening mee gehouden te worden dat een deel van de middelen per sector op artikel 95 (apparaat kerndepartement) belandt.

Tabel 11 Intensiveringen (bedragen x € 1.000)

 
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

G32 Voor- en vroegschoolse educatie

1

40.000

130.000

170.000

170.000

170.000

170.000

170.000

170.000

G33 Aanpak werkdruk primair onderwijs (incl.

20 miljoen euro voor kleine scholen)

1

108.000

297.500

373.604

401.750

381.646

353.500

353.500

353.500

G34 Modernisering CAO primair onderwijs

1

270.000

270.000

270.000

270.000

270.000

270.000

270.000

270.000

G35 Kwaliteit technisch onderwijs vmbo

3

40.000

70.000

120.000

120.000

100.000

100.000

100.000

100.000

G36 Fundamenteel onderzoek

16

95.000

155.000

200.000

200.000

200.000

200.000

200.000

200.000

G37 Toegepast onderzoek innovatie

6, 16

25.000

38.000

50.000

50.000

50.000

50.000

50.000

50.000

G38 Onderzoeksinfrastructuur

16

45.000

55.000

0

0

0

0

0

0

 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

G40 Cultuur (en historisch democratisch bewustzijn)

14

25.000

50.000

80.000

80.000

80.000

80.000

80.000

80.000

G41 Nederlandse scholen in het buitenland

1

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

3.000

G42 Media/onderzoeksjournalistiek

15

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

G43 Intensivering erfgoed en monumenten (met name nationaal restauratiefonds)

14

98.500

137.000

60.000

25.000

0

0

0

0

G44 Aanpak laaggeletterdheid

4

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

5.000

G45 Onderwijsachterstandenbeleid en aandacht voor hoogbegaafde kinderen

1, 3

15.000

30.000

30.000

30.000

30.000

30.000

30.000

30.000

G47 Terugdraaien taakstelling OCW

 

244.000

415.000

410.000

338.000

183.000

183.000

183.000

183.000

G48 Terugdraaien taakstelling groen onderwijs

diverse

0

9.000

13.000

14.000

13.000

12.000

12.000

12.000

G49 Halvering collegegeld eerstejaars HO (incl. Pabo voor 2 jaar en intensivering profileringsfondsen)

6, 7

70.000

165.000

165.000

170.000

170.000

175.000

175.000

175.000

Intensivering Praktijkleren

4

0

0

10.600

10.600

10.600

10.600

10.600

0

Aanvullende middelen mediavisiebrief

15

0

43.000

47.500

44.500

40.000

40.000

40.000

40.000

Beta en Techniek

4, 6, 7

0

41.000

41.000

41.000

41.000

41.000

41.000

41.000

Investering funderend onderwijs

1, 3

0

300.000

0

0

0

0

0

0

Krimpmiddelen

3

0

0

10.000

15.000

0

0

0

0

ISB cultuurmiddelen

14

0

0

300.000

0

0

0

0

0

ISB onderwijsmiddelen

diverse

0

0

306.550

175.800

11.000

0

0

0

ISB mediamiddelen

15

0

0

24.000

0

0

0

0

0

ISB lerarentekortmiddelen

1, 4, 6, 9

0

0

28.500

31.500

32.000

32.000

32.000

32.000

ISB aanpak jeugdwerkloosheid

4

   

4.500

25.000

       

ISB compensatie meerkosten programmering landelijke publieke omroep

15

   

19.000

         

Totaal

 

1.088.500

2.218.500

2.746.254

2.225.150

1.795.246

1.760.100

1.760.100

1.749.500

 

Tabel 12 Ombuigingen (bedragen x € 1.000)

 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

G46 Doelmatiger onderwijs

diverse

  • 20.000
  • 92.000
  • 137.000
  • 183.000
  • 183.000
  • 183.000
  • 183.000
  • 183.000

Korting Lumpsum mbo

4

0

0

  • 2.489
  • 2.489
  • 2.698
  • 2.489
  • 2.489
  • 2.489

Korting Lumpsum ho

6, 7

0

  • 19.452
  • 3.143
  • 3.141
  • 3.515
  • 3.142
  • 3.142
  • 3.142

Subsidietaakstelling

diverse

  • 34.261

0

0

0

0

0

0

0

Subsidietaakstelling onderwijsconvenant

1

0

0

0

0

  • 10.600
  • 10.600
  • 10.600
  • 10.600

Flexstuderen

6

0

0

  • 5.205
  • 2.375
  • 4.878
  • 7.133
  • 8.212
  • 10.000

Compensatie Zeeland Delta Kenniscentrum1

diverse

0

0

0

  • 500
  • 500
  • 500
  • 500
  • 500

Totaal

 
  • - 
    54.261
  • - 
    111.452
  • - 
    147.837
  • - 
    191.505
  • - 
    205.191
  • - 
    206.864
  • - 
    207.943
  • - 
    209.731

1 Middels deze ombuiging draagt het Ministerie van OCW bij aan het compensatiepakket voor Zeeland. Dit leidt onder andere tot een Kenniscentrum in Zeeland.

Tabel 13 Saldo intensiveringen en ombuigingen (bedragen x € 1.000)

 
 

Art.

2018

2019    2020

2021

2022

2023

2024

2025

Saldo intensiveringen

diverse

1.088.500

2.218.500 2.746.254

2.225.150

1.795.246

1.760.100

1.760.100

1.749.500

Saldo ombuigingen / taakstellingen

diverse

  • 54.261
  • 111.452 - 147.837
  • 191.505
  • 205.191
  • 206.864
  • 207.943
  • 209.731

Totaal

 

1.034.239

2.107.048 2.598.417

2.033.645

1.590.055

1.553.236

1.552.157

1.539.769

 

Tabel 14 Intensiveringen per sector (bedragen x € 1.000)

 

Art.

2018

2019    2020

2021

2022

2023

2024

2025

Primair onderwijs

1

431.000

867.000 1.095.854

890.550

862.146

834.000

834.000

834.000

Voortgezet onderwijs

3

45.000

237.106    158.575

153.826

118.405

118.001

118.001

118.001

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

4

5.000

6.993    26.934

58.589

29.272

17.987

17.987

7.387

Hoger beroepsonderwijs

6

63.602

143.188    150.914

158.393

156.868

154.516

151.516

151.516

Wetenschappelijk onderwijs

7

21.398

82.213    84.177

87.292

88.555

90.596

90.596

90.596

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

9

0

4.000    11.800

6.500

7.000

12.000

15.000

15.000

Studiefinanciering

11

0

0    47.500

152.500

0

0

0

0

 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Cultuur

14

123.500

187.000

440.000

105.000

80.000

80.000

80.000

80.000

Media

15

5.000

48.000

95.500

49.500

45.000

45.000

45.000

45.000

Onderzoek en wetenschapsbeleid

16

150.000

228.000

225.000

225.000

225.000

225.000

225.000

225.000

Overig

diverse

244.000

415.000

410.000

338.000

183.000

183.000

183.000

183.000

Totaal

 

1.088.500

2.218.500

2.746.254

2.225.150

1.795.246

1.760.100

1.760.100

1.749.500

Tabel 15 Ombuigingen per sector (bedragen x € 1.000)

 
 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Primair onderwijs

1

  • 19.916
  • 30.664
  • 45.663
  • 61.135
  • 71.735
  • 71.735
  • 71.735
  • 71.735

Voortgezet onderwijs

3

  • 10.771
  • 23.786
  • 35.420
  • 47.451
  • 47.451
  • 47.451
  • 47.451
  • 47.451

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

4

  • 17.065
  • 12.666
  • 21.351
  • 27.684
  • 27.893
  • 27.684
  • 27.684
  • 27.684

Hoger beroepsonderwijs

6

  • 2.513
  • 16.581
  • 20.233
  • 21.878
  • 24.613
  • 26.637
  • 27.716
  • 29.504

Wetenschappelijk onderwijs

7

  • 3.354
  • 24.800
  • 20.770
  • 27.450
  • 27.592
  • 27.450
  • 27.450
  • 27.450

Cultuur

14

0

0

0

  • 30
  • 30
  • 30
  • 30
  • 30

Onderzoek en wetenschapsbeleid

16

  • 642
  • 2.955
  • 4.400
  • 5.877
  • 5.877
  • 5.877
  • 5.877
  • 5.877

Totaal

 
  • - 
    54.261
  • - 
    111.452
  • - 
    147.837
  • - 
    191.505
  • - 
    205.191
  • - 
    206.864
  • - 
    207.943
  • - 
    209.731
 

Tabel 16 Saldo intensiveringen en ombuigingen per sector (bedragen x € 1.000)

 

Art.

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Primair onderwijs

1

411.084

836.336

1.050.191

829.415

790.411

762.265

762.265

762.265

Voortgezet onderwijs

3

34.229

213.320

123.155

106.375

70.954

70.550

70.550

70.550

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

4

  • 12.065
  • 5.673

5.583

30.905

1.379

  • 9.697
  • 9.697
  • 20.297

Hoger beroepsonderwijs

6

61.089

126.607

130.681

136.515

132.255

127.879

123.800

122.012

Wetenschappelijk onderwijs

7

18.044

57.413

63.407

59.842

60.963

63.146

63.146

63.146

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

9

0

4.000

11.800

6.500

7.000

12.000

15.000

15.000

Studiefinanciering

11

0

0

47.500

152.500

0

0

0

0

Cultuur

14

123.500

187.000

440.000

104.970

79.970

79.970

79.970

79.970

Media

15

5.000

48.000

95.500

49.500

45.000

45.000

45.000

45.000

Onderzoek en wetenschapsbeleid

16

149.358

225.045

220.600

219.123

219.123

219.123

219.123

219.123

Overig

diverse

244.000

415.000

410.000

338.000

183.000

183.000

183.000

183.000

Totaal

 

1.034.239

2.107.048

2.598.417

2.033.645

1.590.055

1.553.236

1.552.157

1.539.769

2.3 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven

 

Tabel 17 Overzicht niet-juridisch verplichte uitgaven en bestemming (bedragen x €1.000)

Art

Naam artikel + € totale uitgaven

Juridisch verplicht (totale    Niet-juridisch verplicht (totale    Bestemming van de niet- uitgaven +%)    uitgaven + %)    juridisch verplichte uitgaven

1

Primair onderwijs

 

€ 12.121.278

€ 13.563 •

Nog nader in te vullen subsidies (€ 11.236)

 

€ 12.134.841

 

99,89%

0,11% •

Opdrachten (€ 2.327)

3

Voortgezet onderwijs

 

€ 8.901.561

€ 68.746 •

Nog nader in te vullen subsidies (€ 62.698)

 

€ 8.970.307

 

99,23%

0,77% •

Opdrachten (€ 5.768)

       

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties (€ 280)

4

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

 

€ 4.798.028

€ 14.437 •

Nog nader in te vullen subsidies (€ 10.645)

 

€ 4.812.465

 

99,70%

0,30% •

Nog nader in te vullen opdrachten (€ 3.792)

6

Hoger onderwijs

 

€ 3.688.678

€ 0 •

 
 

€ 3.688.756

 

100,00%

0,00% •

 

7

Wetenschappelijk onderwijs

 

€ 5.550.180

€ 2.467 •

Nog nader in te vullen subsidies (€ 1.082)

 

€ 5.552.762

 

99,96%

0,04% •

Nog nader in te vullen opdrachten (€ 1.385)

8

Internationaal beleid

 

€ 9.376

€ 2.479 •

Nog nader in te vullen subsidies (€ 146)

 

€ 11.855

 

79,51%

20,49% •

Dit betreft hoofdzakelijk een gepubliceerde maar nog niet gegunde aanbesteding (€ 1.936) Nog nader in te vullen opdrachten (€ 204)

       

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties (€ 103)

9

Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

 

€ 90.950

€ 72.853 •

Nog nader in te vullen subsidies (€ 71.188)

 

€ 163.803

 

55,52%

44,48% •

Nog nader in te vullen opdrachten (€ 1.665)

14

Cultuur

 

€ 964.629

€ 37.172 •

Nog nader in te vullen subsidies (€ 24.298)

 

€ 1.001.801

 

96,30%

3,70% •

Nog nader in te vullen opdrachten (€ 12.874)

15

Media

 

€ 1.032.034

€ 1.136 •

Nog nader in te vullen opdrachten (€ 440)

 

€ 1.033.170

 

99,89%

0,11% •

Nog nader in te vullen subsidies (€ 736)

16

Onderzoek en Wetenschapsbeleid

 

€ 1.131.344

€ 3.405 •

Nog nader in te vullen subsidies (€ 3.285)

 

€ 1.134.749

 

99,70%

0,30% •

Nog nader in te vullen opdrachten (€ 120)

25

Emancipatie

 

€ 10.096

€ 4.051 •

Nog nader in te vullen subsidies (€1.590)

 

€ 14.147

 

71,36%

28,64% •

Nog nader in te vullen opdrachten (€1.166)

       

Bijdrage aan medeoverheden (€1.034)

Totaal aan niet-juridisch verplichte uitgaven

   

€ 220.309

 

2.4 Meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen

 

Tabel 18 Planning beleidsdoorlichtingen

 

(realisatie)

(planning)

       

Art.

Naam artikel    :

2019    2020    2021

2022

2023

2024

2025 Geheel artikel?

1

Primair onderwijs

 

V

   

V

3

Voortgezet onderwijs

 

V

   

V

4

Beroeps en volwasseneneducatie

V

     

V

6

Hoger beroepsonderwijs

V

     

V

7

Wetenschappelijk onderwijs

V

     

V

8

Internationaal beleid1

         

9

Arbeidsmarkt en

Personeelsbeleid

V

     

V

11

Studiefinanciering

V

     

V

12

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en

schoolkosten

       

V

13

Lesgelden2

         

14

Cultuur

V

     

V

15

Media

V

     

V

16

Onderzoek en wetenschapsbeleid

V

     

V

25

Emancipatie

       

V

1    Internationaal beleid is een restartikel en geen beleidsartikel. Er is dus geen beleidsdoorlichting gepland. Internationaal beleid draagt bij aan de beleidsdoelstellingen op andere artikelen.

2    Lesgelden: het doel van het heffen van lesgeld is het genereren van inkomsten voor de financiering van het onderwijs. Dit is een financieel doel. Omdat het hier geen beleidsmatig doel betreft ligt een beleidsdoorlichting niet in de rede.

Strategische Evaluatie Agenda

Binnen het programma Inzicht in Kwaliteit is de strategische evaluatie-agenda (SEA) een belangrijk middel in wording om de evaluaties strategischer te plannen en beter in te bedden in de ontwikkeling van beleid.

Het doel is om de SEA komend jaar verder te ontwikkelen tot een document met onderwerpen die van strategisch belang zijn voor het OCW-veld: onderwerpen die grote budgettaire of politiek-bestuurlijke impact hebben of grote impact op de ontwikkeling van het veld. De strategische evaluaties op de SEA blikken niet alleen terug, maar ook vooruit en zijn gericht op verbetering van beleid - door het aanpassen van bestaand beleid of het voorbereiden van nieuw beleid. Met de strategische evaluaties kan op langere termijn worden beoordeeld hoe het beleid het doet. De focus van deze SEA ligt op de belangrijke beleidsthema's en biedt inzicht in de strategische evaluaties die we op deze thema's doen. Bijlage 5 biedt een overzicht van de overige, niet-strategische, evaluaties van de komende tijd.

De SEA zal meer ruimte geven om de scope van evaluaties te bepalen op basis van beleidsmatige prioriteiten, in plaats van een vaste cyclus aan de hand van begrotingsartikelen. Het maakt het ook eenvoudiger om evalueren echt onderdeel te maken van de beleidscyclus.

Alle domeinen van OCW zijn in de SEA vertegenwoordigd. De komende jaren streven we naar verdere ontwikkeling van de SEA tot een agenda waar binnen elk domein de belangrijkste elementen van dat domein, de beleidsprioriteiten en de uitkomsten aan de orde komen. Op die manier beogen we om over een periode van vijf tot zeven jaar overkoepelende uitspraken te doen over de doelmatigheid en doeltreffendheid van het gehele beleid en budget dat wordt ingezet. De SEA wordt elk jaar geactualiseerd, op basis van een inventarisatie van beleidsontwikkelingen en van onderhanden en voorgenomen evaluatieonderzoek.

Op dit moment zitten we in de overgangsfase van beleidsdoorlichtingen naar strategische evaluaties. In de SEA zijn ook de reeds geplande beleidsdoorlichtingen opgenomen, die in nieuwe stijl worden uitgevoerd. Reden hiervoor is dat de beleidsdoorlichtingen vervangen worden door strategische evaluaties en daarmee deel zijn van de SEA.

In het komende jaar wordt de systematiek van de SEA verder ontwikkeld. Om tot aanscherpingen en nieuwe strategische evaluaties te komen wordt nu en dit najaar een nieuwe gespreksronde binnen de verschillende domeinen gevoerd. Daarbij wordt tevens gekeken naar de verhouding tussen de overige beleidsevaluaties uit bijlage 5 en de strategische evaluaties uit de SEA. De evaluatie van de coronamaatregelen wordt ook in deze ontwikkeling en actualisatie meegenomen.

T3

03

03

-C

CD

-Q

O

0

¦a

» w ^ 0

^ f

r^- c c 0

!n 0 c ^ 0 c 0 0

0 >

2 g

0 0 ¦0 -Q

C T3 0 ¦= 03 ®

0 -c

03 >-0 O

  • Q. 
    '0

0 0 03 >

•- -E,

© N

¦0 -

03 ©

C t 0 0

£ c 0 ^

:0 03 O © 0 _Q .£ t

® c 0 So

O 0 CL 0) ¦0 C

0 0 © © ¦0 TD

  • Q. 
    © C

0    "0 0

C >¦ 0 0

¦0 c c w E ® ® > > 92 03 -SC O 0 —

c c © — 03 "O

0 *N

o

CM

6

CM

o

CM

X X 0 X LU LU "0 LU

© 0 .0 -0 _C/3

E

_0

0

o

0

u

CM

O

CM

o

CM

03

O

CM

Q.

0

T3

©

0

£

O

0 ©

_Q -C

0 0

'¦0 #03

0 !o ^ c 0 0 ¦” "0 0 o > 2: 0 c !c ®

0 ©

£ a-

.0 c

N ©

¦- E

0 o c 0 0

0 0

f I

0 tc ¦0 0 c > 0 _0 © Q. ¦0 O

° b:

E !o o

  • 3. 
    Onderwijs algemeen

r^Ö S o

3 0 Q-3 ~ 0)

5 0 o

  • j) 
    0 52 0 -Q 3 > +-

; CD CD

3 © SZ

> O E . :    •    o    c

C 0 C

i ö ® ? S)S ® 2

3 •> 0 3 > )r C

  • tj O 0

» C o , o > c

) L +J ® : 0 0 i P o ® tï^E

  • > £ 0

3 c © ^

l 0 OO ^ 3 c O 75 ' 0 CM _ï

3 T3 M- 32

3 3 0 0 3 O £ £ 3 -C ^ c 3 © > 0 * -© ^ 0

; c® c

5 -Q E

0 0 0 j) ar ^ 3 ° a 0 3 C O P

;SoS

1 (O 3 —

I • J o

rï,® ¦ 13 S 5 ^ o 5 £ §

  • 11 ’ c ; 0 © 0 0 2 r ; © -0

Ö1 0 ^ .E 03 °

0 E 0

^ T3 -C

C 0 ' O -C 0 c

O ¦§ o .2 °> o

0 0 Q. *; T) to

0 c ©

-S 0 c .2 o c

C/3 !D

05 c o JS

.2 <p ~ ©

_© *0 0 0 0    >    O)

¦i 1S g

2 o Q '

1 0 o 0 ! £ © 0

>- 0 o

  • O. 
    _Q >

0 O

§ § c — - 0 0 _0 "O 0

c to 0

> 0 c

0 c

O 0 0 > Ü= c 0 0

u E

c

© 0 Q- 03

cc 03

< 2

.2 S- o >

.te c = 0 0 C/3

> u .0 0 ¦s 0

> "O 0

¦a *E S 05

O c T3 0 0 0 0 _Q 0

0 0 0 0 Q. 0

  • .2 0 —
  • 0 "O 02
  • c §°

i s| s

I | S > : 1 Si £ «s:

3 ü a c^0 0 2 c 0 ©

0 > © ' •JU T3 SZ ¦ o 0 M- ' 0 "q 0 Q- 0 0 £ 03-5

0 I d

T3 ^ (N Q. O ü O M 8 C £2 0 -5

$ o Ë

eiifl

“ o c

S 2 o)i

¦Si ® ® -

'C 0 D

0 n T3 ! D- 0 0 '

T3 ^ T3 i

  • c = © ':

$ 7:3 > 0 ' 0 ^

0 ^

0 Sfi 0 -2 ¦

N >

0 "O ? 0

CD®C'U®c'Uc Ci-m-r-C®*.— 0 ® E 5

03 0 0 0

;> »ï°

0 ° 0 -Q _ O 0

0 N 0

®

o is ®

0 ©

LU 0 ¦ .0^ "0

¦a 5

o -o

"O .

> 0    :5

’ <1) g Ë

  • T-:    dl

(O w 1—

” 0 O .

0 i_ 0 0

^ -t->

E c 0 0 0-0 0 03 C

O 0 0

o ® i

en ^ ® z|S

0 0 0 > O "O

O C/3

O 0

> 5

  • _    . -    , -1    —    0

$    03    0    o T3    l-    O

^ -0 03 ^ C O

“ O 0 > -Q

0 > 0 0 0 !Q

o > sz o)

E .«O ;

0T3 O

>•    E    T3

0    E    0

0^0 ~ö V) </) 0 0 g-    03    £3

O    i_    Q.

0    0    0

O    |    O

0    0    0    ^0

0 -n 42

l-s    1    8    1

0    0    §    0

ê    O    -Q    I—    -Q

0

.E

  • 0 E

0 m

¦ E2 0 03 O > ~ > £ 0 ¦ m tii -Sé

  • : 
    -S — ® 3 ü S e

"5 0 °

>    2 -a p

  • ® 'ö p

j 5 ® ®

3 _ -Q 0 ! o s ¦“ ! ^ %>

>    .2 -5 5

3 e «2 o

\%a s

  • = § 'g

0 > >

; 3^ o 0

3 -=— Q2l —

  • 3 - g ^00^

J O -0 Q.

O

0 •§

® a>

e j: ra 0 0 0-^0' T 0 0 E . +3 0 -Q te

M °> 0 SS

TJ 0    §

0 L0 -O

0 o ‘7n c — 0^0 0 O 0 > U F -Q © ¦

" a 2 0 0 .e 0

£ co

CO "E

; E = ® I'S 5l ! s -8 $

; 2 2 -a , _0 _0 c

ü S g3 0 0

¦o -a 0 o 0

0 O

-0 ¦£ -o E ® o

  • E i

0 —

$ p 5

® s S§ Eee

0

sg®S'

C z c e ' 0 0 _0 0

03^ 0

¦I t ¦§ s

000:^ O > ~o ^

.ï O E 0 O .0 O X

0 0^ 0 o 0 0 32 E

-O O O

0    >    J*

  • o. 
    ra 0 0^0 sz S ^

o i- 0 £ O T3

2 o

S s

"O ¦-, Q. 'N

O C

0 0 i-, "O 0 0

.E 0

T3

  • 0

O 0

g E

S 8

T3 >

'0 "O

© C T3 0 ¦ö C

P i

O ^

N r-

© s

O ^    03

^00 E O! -

0 -o 0 2 e e 0 © 0

^3 N

C 0 ^

0 O2 > II “

0 .E

0 = T3 °3

S|

> 2 >00 -g Q T3

0 • E >00

0 © co Q.

'E .0 e

  • O) 
    0

2 $:>'

O X P

0 o "o E

I| l|

.E E a> E ®

¦£ p p ¦£ ® ® e m 0 ra

5 ® ^ g ®

%-ÏE

¦S ^ ® 0 0 0 3 .E

0 O y—

x .2 s

  • • 
    e >

Q- 0 0

| I 0

| S 8

f E e 2 0 o

§ _ 0 0 05 O

0 0 T3 O ,

2 03 0

i_ > 0 0 0 'JU

0 0C " > O

  • +-¦ 0 0 0 >

.0 0 e

01 °3

0 o

0 "O

0

0

S’ g>

C ^f 0 0

gl 5 ® o I

£.1

o .E

§ I ö s

_co co 0 0 to "ö

^ > e

¦^0 5

0 C/3 O

-o H .

s I

2 o '

  • Q. 
    0 0 ¦£=

0 0 O) _o 0 0

0 2 ^ 03 -ff ^

te 0 0

l! ®

E 2 0 o 0

"O 0 '0 02 0 2

-Q _0 0 0 "O -Q

0

0 Q-0 0 0 -§ T- 0

«N C O 0

0 0 n/

0 j- .© ^ 0 0 'st o Q-5 -92. 'ö 8 2 g

0 a E ^2 0 0 E > o 0 _ 0 O 03 >

0 .E T3 0 e 0

P 0 S

N 0

g = “ £ -8 ®

I I &

0

0 0 C 0 N 03

-Q © C

4 S 1

V)

=3 >

0 0 :=* O)

^8 = >

0 0

0 "O 0 e =3 0 o = £ -F

0 0

E > _ 0

0 T3

° C

"O m

0 #0 0 ^ O) CM

E -o 0 '0

O '2

O a

03

o

0

.O

05

c

E

° 0) 0

0 ö)

u £ .E

0 0

0 CD

X -O

c 0 ~ S

0005

05 "O +-¦

0 t 0 w

x LU z .E

O    +->    -7-T    C

O    0    0    E    TO

“>    n    r    tn

CN

O

CN

03

0

t/3

0

-Q

0

CN

cd

2.5 Overzicht risicoregelingen

Tabel 20 Overzicht verstrekte garantie (bedragen x € 1.000)

 

Art. Omschrijving

Uitstaande

Geraamd te

Geraamd te

Uitstaande

Geraamd te

Geraamd te

Uitstaande

Garantie-

Totaal

 

garanties

verlenen

vervallen

garanties

verlenen

vervallen

garanties

plafond

plafond

 

2019

2020

2020

2020

2021

2021

2021

   

Bouwleningen

                 

7 aan

Academische

151.212

0

0

151.212

0

0

151.212

-

176.631

Ziekenhuizen

                 

Achterborg-14 overeenkomst

327.990

20.683

14.748

333.925

   

333.925

 

380.000

NRF

                 

14 Indemniteitsregeling

250.354

175.377

220.354

205.377

0

0

205.377

-

300.000

Toelichting

Voor de Academische Ziekenhuizen is sinds 1991 de garantieregeling niet meer van kracht, met uitzondering van enkele op dat moment in gang gezette bouwprojecten. Sinds 1996 zijn geen garanties meer verstrekt. Deze leningen hebben gemiddeld een looptijd van 40 jaar. Expiratie van deze leningen zal omstreeks het jaar 2035 volledig hebben plaatsgevonden.

Het Nationaal Restauratiefonds (NRF) verstrekt hypothecaire leningen aan monumenteigenaren van rijksmonumenten om restauraties uit te voeren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen laagrentende hypothecaire leningen uit het revolving fund en aanvullende financieringen om de gehele restauratieopgave gefinancierd te krijgen. De Achterborgovereenkomst NRF, en de garantie van het Ministerie van OCW, zien alleen toe op de aanvullende financiering. Door deze garantie kan het NRF financiering tegen een lagere rente aantrekken. Deze lagere rente wordt doorgerekend aan de monumenteigenaren zodat deze eigenaren gestimuleerd worden hun monument te restaureren.

Aangezien er een algemeen belang is (gebouwen van nationaal belang) waar een individu lasten van ervaart (hoge onderhoudskosten, beperkte mogelijkheden tot modernisering, dure oplossingen voor bijvoorbeeld energiebesparende maatregelen), wordt gebruik gemaakt van ondersteunende maatregelen. Door middel van deze regeling wordt cultureel erfgoed in stand gehouden en wordt tegelijkertijd minder gebruik gemaakt van de subsidie die het NRF ook uitbetaalt.

De Achterborg kan in werking treden en tot daadwerkelijke kasverplichtingen komen, wanneer de eigenaren van rijksmonumenten op grote schaal niet meer in staat zijn aan de rente- en aflossingsverplichtingen te voldoen en het eigen vermogen van het NRF is uitgeput. Dit eigen vermogen (voornamelijk vanuit Revolverende Fondsen) is momenteel ruim voldoende voor de dekking van de uitstaande leningen onder de Achterborg.

De Indemniteitsregeling heeft tot doel een bijdrage te leveren aan het realiseren van tentoonstellingen van bijzonder belang of het tentoonstellen van bijzondere bruiklenen in Nederland door het beperken van de verzekeringskosten van musea. De garantstelling van het Rijk voor schade of verlies tot de eerste 30 procent van de verzekerde waarde (indemniteitsgarantie) van kunstwerken, verlaagt de verzekeringskosten van musea. Het risico is ook te verzekeren op de markt, maar de kosten zijn dan hoger, waardoor er minder budget voor tentoonstellingen overblijft. Daarnaast blijkt dat een indemniteitsgarantie ook als internationaal keurmerk fungeert: buitenlandse publieke en private eigenaren van museale objecten hechten aan de garantstelling vanuit het Rijk. Risicobeheersende maatregelen betreffen onder meer dat alleen erkende musea een aanvraag mogen doen op de indemniteitsregeling bij de Rijksdienst Cultureel Erfgoed die deze aanvraag, mede op basis van een risico-inventarisatie en -analyse, toetst.

  • 3. 
    Beleidsartikelen

3.1 Artikel 1. Primair onderwijs

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het primair onderwijs (po) zorgt dat leerlingen in de eerste fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. Het legt bovendien de basis voor de huidige en toekomstige deelname van deze leerlingen aan de samenleving.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van primair onderwijs dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten van individuele leerlingen en bij de behoeftes van de maatschappij.

Financieren

De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren

De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen door het verstrekken van (aanvullende) bekostiging, subsidies en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, (prestatie)afspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren

De Minister vult zijn verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Kengetallen

 

Tabel 21 Kengetallen    1

Kengetal

   

2015

2016

2017

2018

2019

1 Aandeel thuiszittende leerlingen dat drie

%

 

0,07%

0,08%

0,09%

0,10%

0,12%

of meer maanden thuis zit zonder passend onderwijsaanbod1

Aantallen

 

1.161

1.197

1.396

1.525

1.771

2 Aandeel leerlingen dat de referentie

Lezen3

1F

 

98%

97%

98%

98%

niveaus lezen, taal en rekenen haalt2

 

2F

 

76%

67%

75%

78%

 

Taalverzorging

1F

 

96%

96%

96%

97%

   

2F

 

56%

57%

59%

60%

 

Rekenen

1F

 

92%

93%

93%

94%

   

1S

 

44%

48%

49%

47%

3 Aandeel startende leraren dat een begeleidingsprogramma heeft gevolgd4

   

71%

78%

81%

80%

87%

4 Aandeel leerlingen dat zich veilig voelt5

   

-

97%

-

97%

-

1    Bron: Leerplichttellingen. De cijfers betreffen schooljaar 2014-2015 tot en met 2018-2019. De leerplichttellingen vinden in het najaar plaats.

2    Bron: 2016: College voor Toetsen en Examens (CvTE). De opgenomen cijfers betreffen het in de CvTE-rapportage 2016-2017 opgenomen bijgestelde aandeel basisschoolleerlingen in schooljaar 2015-2016. Dit is het eerste schooljaar met verplichte rapportage. 2017 en 2018: Kamerstukken II 2018/2019, 31293, nr. 422. De opgenomen cijfers betreffen het aandeel basisschoolleerlingen in schooljaar 2016-2017 (bijgesteld t.o.v. CvTE-rapportage 2016-2017) en in schooljaar 2017-2018. 2019: DUO. Deze cijfers betreffen schooljaar 2018-2019.

3    De cijfers voor Lezen van 2017 verschillen met eerder gepubliceerde cijfers. Dit is te wijten aan het verschil in bronnen. In eerdere jaren is namelijk alleen naar de Centrale Eindtoets gekeken (die toen nog door het overgrote deel van de leerlingen werd gemaakt) en daarna is gewisseld naar alle eindtoetsen (aangezien inmiddels de helft van de leerlingen een andere eindtoets maakt dan de Centrale Eindtoets).

4    Bron: MOOZ Onderzoek, Loopbaanmonitor 2019, Begeleiding van beginnende leraren, 2019. Bij de loopbaanmonitor van 2019 zijn twee zaken gewijzigd: 1: Er wordt niet naar opleiding gekeken maar naar sector 2: Er wordt niet naar cohort gekeken maar naar peiljaar Alle cijfers zijn nu aangepast naar peiljaar en sector en daarom iets gewijzigd.

5    Bron: Praktikon monitor naar Sociale Veiligheid. Dit kengetal wordt tweejaarlijks gemeten. De volgende versie verschijnt eind dit jaar.

Tabel 22 Leerlingen primair onderwijs (aantallen x 1.000)

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Leerlingen basisonderwijs

1.396,5

1.386,1

1.376,0

1.366,6

1.358,5

1.355,9

1.358,0

Leerlingen trekkende bevolking1

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

0,4

Totaal

1.396,9

1.386,4

1.376,4

1.367,0

1.358,8

1.356,3

1.358,3

Leerlingen in het speciaal basisonderwijs

35,7

36,4

36,7

36,9

37,0

37,1

37,2

Leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs

69,8

71,3

72,9

74,4

75,9

77,2

78,5

Totaal PO2

1.502,4

1.494,1

1.486,1

1.478,3

1.471,6

1.470,6

1.474,1

1    Dit zijn leerlingen van de rijdende scholen en van de school voor varende kleuters.

2    (Sub)totalen geven een kleine afwijking door het afronden van de aantallen.

Bron: Jaarverslag OCW 2019 en Referentieraming 2020

 

Tabel 23 Uitgaven per leerling (bedragen x € 1.000)

 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Primair onderwijs1

7,8

8,2

8,1

8,1

8,1

8,1

8,1

Bekostiging2

7,4

7,7

7,7

7,7

7,7

7,7

7,6

Exclusief ondersteuningsmiddelen3

6,1

6,3

6,4

6,4

6,3

6,3

6,3

1    De totale uitgaven uit tabel 'Budgettaire gevolgen van beleid art 1', exclusief de bijdragen aan agentschappen en ZBO's/RWT's, gedeeld door het aantal leerlingen in hetzelfde jaar, zoals opgenomen in tabel 'Leerlingen primair onderwijs'.

2    De bekostiging uit tabel 'Budgettaire gevolgen van beleid art 1', gedeeld door het aantal leerlingen in hetzelfde jaar, zoals opgenomen in tabel 'Leerlingen primair onderwijs'.

3    De bekostiging uit tabel 'Budgettaire gevolgen van beleid art 1', minus de ondersteuningsmiddelen opgenomen in tabel 'Ondersteuningsmiddelen', gedeeld door het aantal leerlingen in hetzelfde jaar, zoals opgenomen in tabel 'Leerlingen primair onderwijs'.

  • C. 
    Beleidswijzigingen

De belangrijkste beleidswijzigingen op het terrein van primair onderwijs worden beschreven in de beleidsagenda. Aanvullend kan het volgende worden gemeld. Veel aandacht is er in schooljaar 2020/2021 voor het inhalen van onderwijsachterstanden met behulp van Inhaal- en ondersteunings-programma's (Kamerstukken II 2019/20, 35300 VIII, nr. 184).

In 2021 wordt het Convenant aanpak lerarentekort (Kamerstukken II, 2019/20, 31293, nr. 488) verder uitgevoerd, waarin geld is vrijgemaakt voor individuele scholingsrechten in het po (net zoals dat in het voortgezet onderwijs (vo) is georganiseerd) voor extra professionalisering en nascholing van leerkrachten. Verder is in 2021 ook geld vrijgemaakt voor de noodplannen van de G5. Hierin hebben besturen onder andere afspraken gemaakt over het werven en begeleiden van zij-instromers, het inzetten van personeel op andere scholen, het opleiden van personeel, het sluiten van kleine scholen en het op scholen anders organiseren.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 24 Budgettaire gevolgen van beleid art. 1 (bedragen x € 1.000)

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

12.054.624

12.279.674

12.172.752

12.089.996

12.002.475

11.976.944

11.967.519

waarvan garantieverplichtingen

15.837

  • 450
         

waarvan overig

12.038.787

12.280.124

         

Totale uitgaven

11.759.120

12.250.483

12.142.752

12.059.996

11.972.475

11.946.944

11.937.519

waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,89%

       
 

Bekostiging

11.144.415

11.452.212

11.469.479

11.366.437

11.273.124

11.254.554

11.252.872

Bekostiging po-instellingen

10.803.309

11.079.455

11.090.420

10.995.625

10.902.313

10.880.113

10.878.222

Bekostiging Caribisch Nederland

18.969

20.088

19.991

19.981

19.979

19.988

20.197

Prestatiebox

296.983

306.417

306.416

306.416

306.417

310.038

310.038

Aanvullende bekostiging

25.154

19.552

22.652

14.415

14.415

14.415

14.415

Aanpak lerarentekort G5

0

26.700

30.000

30.000

30.000

30.000

30.000

Subsidies (regelingen)

88.316

221.022

95.036

103.365

103.510

104.510

105.010

Onderwijsvoorziening jonggehandicapten

24.500

23.200

23.200

23.200

23.200

23.200

23.200

Nederlands onderwijs buitenland

12.513

12.600

12.600

12.600

12.600

12.600

12.600

Humanistisch vormend en godsdienstonderwijs

12.664

12.630

13.130

13.630

14.130

14.630

14.630

Inhaal- en ondersteuningsprogramma's

0

109.000

0

0

0

0

0

Overige subsidies

37.919

63.592

46.106

53.935

53.580

54.080

54.580

Opdrachten

4.756

4.259

11.010

13.436

14.373

14.079

14.054

Bijdragen aan agentschappen

41.663

39.739

30.895

31.183

31.276

32.054

32.054

Dienst Uitvoering Onderwijs

41.663

39.739

30.895

31.183

31.276

32.054

32.054

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

17.625

7.734

7.731

7.731

7.731

7.731

7.731

Stichting Vervangingsfonds en Particpatiefonds

16.225

5.231

5.228

5.228

5.228

5.228

5.228

UWV

1.400

2.503

2.503

2.503

2.503

2.503

2.503

Bijdragen aan medeoverheden

462.345

525.517

528.601

531.244

524.053

522.208

513.990

Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid

462.345

509.184

508.909

509.397

509.397

509.397

509.397

Caribisch Nederland

0

16.333

19.692

21.847

14.656

12.811

4.593

Bijdragen aan (andere) begrotingshoofdstukken

0

0

0

6.600

18.408

11.808

11.808

Brede scholen

0

0

0

0

11.808

11.808

11.808

BES(t)4kids

0

0

0

6.600

6.600

0

0

Ontvangsten

29.049

26.961

10.461

9.308

9.208

9.208

9.208

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 1 is voor 2021 99,9 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget in 2021 is voor 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de lumpsumbekostiging aan de schoolbesturen en de samenwerkingsverbanden. Hieraan ten grondslag liggen de regelingen personele bekostiging en materiële instandhouding. Het moment waarop de juridische verplichting wordt aangegaan vindt plaats voorafgaand aan het (school)jaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies

Het beschikbare budget in 2021 is voor 88,2 procent juridisch verplicht. Dit verplichte deel betreft de subsidies die voorafgaand aan het jaar van verstrekking worden vastgelegd. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten

Het beschikbare budget in 2021 is voor 78,9 procent juridisch verplicht.

Het gaat hierbij onder andere om de uitvoering van de bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget in 2021 is voor 100 procent juridisch verplicht. Op basis van de managementafspraken tussen het bestuursdepartement en DUO zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

Het budget in 2021 is voor 100 procent juridisch verplicht. Het gaat hier om bijdragen aan het Vervangings- en Participatiefonds en het UWV. Op basis van een beheersovereenkomst worden de middelen voorafgaand aan het jaar waarop de bijdragen betrekking hebben verplicht.

Bijdrage aan medeoverheden

Van het beschikbare budget voor 2021 is 99,8 procent juridisch verplicht. Het resterende deel van het budget is beleidsmatig verplicht. Ervaringsgegevens laten zien dat in de loop van het jaar het resterende deel van het budget ook juridisch wordt verplicht.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Bekostiging po-instellingen

Het Rijk verstrekt schoolbesturen lumpsumbekostiging voor de personele kosten en materiële instandhouding. Deze bekostiging is grotendeels gebaseerd op het aantal leerlingen. Daarnaast wordt via de groeibekos-tiging en de directie- en de kleine scholentoeslag rekening gehouden met de groei en grootte van de school. Met de groeibekostiging is circa € 63 miljoen gemoeid, met de directietoeslag circa € 230 miljoen en met de kleine scholentoeslag circa € 150 miljoen. Tot slot wordt in de bekostiging rekening gehouden met een aantal specifieke kenmerken van leerlingen in het kader van het onderwijsachterstandenbeleid ((speciaal) basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs) waar circa € 370 miljoen mee is gemoeid.

Voor de aanpak van werkdruk is in schooljaar 2021/2022 € 370 miljoen beschikbaar.

In onderstaande tabel zijn de ondersteuningsmiddelen opgenomen die naast de basisbekostiging beschikbaar zijn voor de lichte en zware ondersteuning. Lichte ondersteuning betreft grotendeels middelen die naar de samenwerkingsverbanden po gaan en deels middelen die rechtstreeks naar de speciale scholen voor basisonderwijs gaan (sbao). Bijdragen voor de zware ondersteuning zijn voor de samenwerkingsverbanden po en vo en het (voortgezet) speciaal onderwijs ((v)so), waaronder de clusters 1 en 2. Sinds de invoering van «passend onderwijs» besluiten de samenwerkingsverbanden (clusters 3 en 4) over de plaatsing van leerlingen in het (v)so.

De tabel laat zien hoe de ondersteuningsmiddelen worden verdeeld.

 

Tabel 25 Ondersteuningsmiddelen (bedragen x € 1 miljoen)

 

2021

2022

2023

2024

2025

Lichte ondersteuning -Samenwerkingsverbanden primair onderwijs

420

415

410

410

410

Zware ondersteuning - cluster 1 en 2

290

290

290

290

290

Zware ondersteuning -samenwerkingsverbanden primair onderwijs

640

635

630

630

630

Zware ondersteuning -samenwerkingsverbanden voortgezet onderwijs1

640

635

630

630

630

Liche en zware ondersteuning - Totaal artikel

1

1.990

1.975

1.960

1.960

1.960

1 Samenwerkingsverbanden vo betreft alleen de middelen die op artikel 1 staan en is inclusief een gedeelte dat rechtstreeks naar de WEC scholen gaat onder andere bestemd voor onderwijs in gesloten jeugdzorg en justitiële inrichtingen.

Bekostiging Caribisch Nederland

Het Rijk verstrekt bekostiging aan de schoolbesturen in Caribisch Nederland. Het betreft de schoolbesturen op de eilanden Bonaire, Sint-Eustatius en Saba.

Prestatiebox

Voor het realiseren van de afspraken in het Bestuursakkoord met de PO-Raad ontvangen de schoolbesturen extra middelen via de prestatiebox. Deze middelen zijn bedoeld om een impuls te geven aan het realiseren van de doelstellingen op het gebied van uitdagend onderwijs, vernieuwing en digitalisering, de brede aanpak onderwijsverbetering, professionalisering van scholen en de doorgaande ontwikkellijnen. Deze middelen komen daarnaast ook ten goede aan de afspraken die zijn gemaakt in het 'Technie-kpact 2020' en het 'Bestuurlijk kader Cultuur en Onderwijs'. De regeling loopt tot en met schooljaar 2020/2021. In 2020 vond een evaluatie plaats van de sectorakkoorden en bijbehorende middelen, mede op basis van deze evaluatie wordt bezien in welke vorm de prestatiebox middelen kunnen worden voortgezet.

Aanvullende bekostiging

Naast de reguliere bekostiging ontvangen de schoolbesturen middelen voor specifieke doeleinden. De aanvullende bekostiging voor 2021 bestaat onder meer uit de kosten voor de regeling tegemoetkoming vervangingskosten voor schoolleiders die een opleiding volgen. Ook de regeling voor samenwerkingsverbanden passend onderwijs PO en VO om een onderwijs- en ondersteuningsaanbod voor hoogbegaafde leerlingen (verder) te ontwikkelen valt hieronder.

Aanpak tekorten G5

Naast de aanvullende bekostiging ontvangen de steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Almere middelen voor de aanpak van het lerarentekort.

Subsidies

Om verschillende beleidsdoelstellingen te behalen, worden subsidies verstrekt (zie de subsidiebijlage voor het totaaloverzicht). De grootste subsidies zijn de Regeling onderwijsvoorziening jonggehandicapten (€ 23,2 miljoen), de Regeling Nederlands onderwijs in het buitenland (€ 12,6 miljoen) en de Regeling subsidieverstrekking voor godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs (€ 13,1 miljoen). De Regeling onderwijsvoorziening jonggehandicapten voorziet in diverse hulpmiddelen zodat deze leerlingen met goed gevolg onderwijs (van basis- tot en met hoger onderwijs) kunnen volgen. Voor de implementatie van het Bestuursakkoord PO worden tot en met schooljaar 2020/2021 middelen verstrekt ten behoeve van een brede aanpak voor duurzame onderwijsverbetering en voor het project 'Beter en slimmer leren met ict' en externe connectiviteit. Daarnaast worden er onder andere subsidies verstrekt voor onderwijs aan zieke leerlingen, het aanpassen van lesmateriaal ten behoeve van visueel gehandicapte en dyslectische leerlingen en het verder ontwikkelen van de (adaptieve) eindtoets.

Opdrachten

Dit betreft de middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken, onder andere voor passend onderwijs, voor- en vroeg-schoolse educatie (VVE) en de uitvoeringskosten van de bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel. In 2021 worden overboekingen uitgevoerd naar artikel 16 (onderzoek en wetenschapsbeleid) van uitgaven voor onderzoeken uitgevoerd door het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) voor passend onderwijs, onderwijsachterstanden, VVE en werkplaatsonderzoeken en daarnaast kosten voor de ontwikkeling van de (adaptieve) eindtoets.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is een uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van de bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft hier het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor begrotingsartikel 1.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

De stichtingen Vervangingsfonds (VF) en Participatiefonds (PF) ontvangen als privaatrechtelijke ZBO's middelen voor het beheren en verevenen van respectievelijk de vervangings- en werkloosheidsuitgaven van schoolbesturen in het primair onderwijs. De kosten die het VF en PF vergoeden worden nagenoeg geheel gedekt uit de premies die schoolbesturen afdragen. Het Ministerie van OCW verstrekt een (vaste) bijdrage in de kosten van het ondersteunende bureau van de fondsen.

Het UWV ontvangt middelen voor de uitvoering van de Regeling onderwijsvoorziening jonggehandicapten.

Bijdrage aan medeoverheden

Gemeenten ontvangen middelen voor onderwijsachterstandenbeleid. Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOAB) bestaat uit meerdere instrumenten, waaronder VVE, schakelklassen en zomerscholen.

Tabel 26 Overzicht Specifieke Uitkering (bedragen x € 1000)

2020    2021    2022    2023    2024    2025

Ontvangende partij(en)

Diverse gemeenten1    509.184    508.909    509.397    509.397    509.397    509.397

Korte omschrijving uitkering

Het betreft de specifieke uitkeringen op onderwijsachterstandenbeleid.

Naast de GOAB-middelen voor gemeenten bevat dit financiële instrument middelen die worden ingezet voor het verder verbeteren van de kwaliteit van het gehele onderwijs in Caribisch Nederland tot een naar Nederlandse maatstaven aanvaardbaar niveau. Een groot gedeelte van het budget is bestemd voor de verbetering van de onderwijshuisvesting. Daarnaast is er voor samenwerking met Curagao, Sint Maarten en Aruba structureel een beperkt budget beschikbaar, bestemd voor het bevorderen van voorzieningen in de regio, mede ten behoeve van de inwoners van Caribisch Nederland. In 2021 gaat het om een bedrag van € 19,7 miljoen aflopend naar € 4,6 miljoen in 2025.

Bijdrage aan andere begrotingshoofdstukken

Er worden aan het Gemeentefonds structureel middelen (€ 11,8 miljoen) ter beschikking gesteld ten behoeve van de «Brede impuls combinatie-functies». Voor 2020 tot en met 2022 zijn deze reeds overgeboekt. Vanuit artikel 14 (cultuur) wordt ook een bijdrage geleverd van € 1 miljoen; dit maakt de totale bijdrage van het Ministerie van OCW € 12,8 miljoen. Het doel van deze impuls is onder andere sport-, beweeg- en cultuuronderwijs op en rond scholen versterken.

Zoals beschreven bij het onderdeel «bijdrage aan medeoverheden», ontvangen gemeenten in Europees Nederland middelen via een specifiek e uitkering voor het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden. Het Ministerie van OCW levert vanaf 2020 via het programma «BES(t)

4 kids» ook op Caribisch Nederland een bijdrage aan het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden, alvorens de kinderen op school komen. Het programma «BES(t) 4 kids» is een samenwerking tussen de Ministeries van SZW, VWS, BZK en OCW en gericht op het versterken van de kinderopvang (inclusief voorschoolse educatie) en de buitenschoolse voorzieningen in Caribisch Nederland.

3.2 Artikel 3. Voortgezet onderwijs

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het voortgezet onderwijs zorgt dat leerlingen in deze fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. Het bereidt hen voor op volwaardige deelname aan de samenleving en een bij hun talenten passende (toekomstige) positie op de arbeidsmarkt.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een voortgezet onderwijsstelsel dat zodanig functioneert, dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele leerlingen en bij de behoeftes van de maatschappij.

Financieren

De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het voortgezet onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren

De Minister stimuleert specifieke onderwerpen door het verstrekken van (aanvullende) bekostiging, subsidies en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, (prestatie)afspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren

De Minister vult zijn verantwoordelijkheid voor de onderwijskwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Kengetallen

Tabel 27 Kengetallen

 

Kengetal

 

2015

2016

2017

2018

2019

1

Aandeel thuiszittende leerlingen dat drie of meer

%

0,17%

0,19%

0,19%

0,18%

0,19%

 

maanden thuis zit zonder passend onderwijsaanbod1

Aantallen

1.605

1.873

1.853

1.828

1.912

2

Aandeel zittenblijvers2

 

5,21%

5,16%

5,40%

5,72%

6,03%

3

Aandeel lessen dat gegeven wordt door bevoegde en benoembare leraren3

 

94,80%

95,20%

95,70%

95,90%

 

4

Aandeel startende leraren dat een begeleidingsprogramma heeft gevolgd4

 

92%

93%

90%

86%

86%

5

Aandeel leerlingen dat zich veilig voelt5

 

-

95%

-

97%

-

6

Aantal vsv'ers6

   

22.953

23.744

25.666

26.894

7

Meer leerlingen doen eindexamen in vakken op hoger

 

0,96%

0,96%

1,20%

1,54%

1,80%

niveau7

1    Bron: Leerplichttellingen. De cijfers betreffen schooljaar 2014-2015 tot en met 2018-2019. Dit betreft het aantal leerlingen dat >3 maanden niet naar school gaat, gebaseerd op de leerplichttelling. Niet bekend is of een passend aanbod voor onderwijs en/of zorg is gedaan. De leerplichttellingen vinden in het najaar plaats.

2    Bron: DUO. Nieuw ten opzichte van eerdere rapportages is dat deze keer nieuwkomers niet zijn meegenomen in de berekeningen, waardoor ook de cijfers voor eerdere jaren af kunnen wijken van wat er eerder gerapporteerd is.

3    Bron: IPTO en CenterData. Het percentage van 2019 wordt openbaar gemaakt rond januari 2021.

4    Bron: Loopbaanmonitor. Begeleiding van beginnende leraren, 2019. Bij de loopbaanmonitor van 2019 zijn twee zaken gewijzigd: 1: Er wordt niet naar opleiding gekeken maar naar sector 2: Er wordt niet naar cohort gekeken maar naar peiljaar Alle cijfers zijn nu aangepast naar peiljaar en sector en daarom iets gewijzigd.

5    Bron: Praktikon monitor naar Sociale Veiligheid. Dit kengetal wordt tweejaarlijks gemeten. De volgende versie verschijnt eind dit jaar.

6    Bron: DUO. Nieuwe voortijdige schoolverlaters (vsv'ers) zijn jongeren van 12 tot 23 jaar die zonder startkwalificatie het onderwijs verlaten in het studiejaar vanuit het vo of mbo. Het voorlaatste jaar is aangepast aan de definitieve cijfers, het laatste jaar betreft voorlopige cijfers.

7    Bron: DUO, Examenmonitor 2019. Dit kengetal heette voorheen «Meer studenten volgen vakken op hoger niveau»

Tabel 28 Leerlingen voortgezet onderwijs (aantallen x 1.000)

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Totaal aantal ingeschreven leerlingen (aantallen x 1.000). Nader te verdelen

1 in:

956,9

944,5

939,2

936,3

936,5

931,4

922,8

vmbo/ havo/ vwo leerjaar 1-2

376,7

376,5

380,0

379,8

378,6

373,4

365,2

vmbo leerjaar 3-4

201,5

193,6

188,2

186,5

187,2

187,2

186,7

havo/vwo leerjaar 3

94,2

93,5

92,8

94,2

94,7

93,8

93,6

havo/vwo vanaf leerjaar 4

248,6

245,3

242,5

239,9

239,9

240,9

241,0

pro alle jaren

29,3

29,3

29,5

29,9

30,2

30,3

30,4

pro vavo vo

6,5

6,3

6,2

6,0

5,9

5,8

5,8

2 Totaal aantal scholen

650

650

650

650

650

650

650

Gemiddeld aantal leerlingen per

3 school

1472

1453

1445

1441

1441

1433

1420

Bron: Referentieraming 2020

Tabel 29 Uitgaven per leerling (bedragen x € 1.

000)

         
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Voortgezet onderwijs1

9,2

9,2

9,4

9,4

9,4

9,5

9,5

Bekostiging2

9,1

9,1

9,3

9,3

9,3

9,4

9,4

Exclusief ondersteuningsmiddelen3

8,3

8,3

8,6

8,5

8,5

8,6

8,6

1 De totale uitgaven uit tabel 30, exclusief de bijdragen

aan agentschappen en ZBO's/RWT's,

gedeeld door het aantal leerlingen

in hetzelfde jaar,

zoals opgenomen

in tabel

28.

2    De bekostiging uit tabel 30, gedeeld door het aantal leerlingen in hetzelfde jaar, zoals opgenomen in tabel 28.

3    De bekostiging uit tabel 30, minus de ondersteuningsmiddelen opgenomen in tabel 31, gedeeld door het aantal leerlingen in hetzelfde jaar, zoals opgenomen in tabel 28.

  • C. 
    Beleidswijzigingen

De belangrijkste beleidswijzigingen op het terrein van het voortgezet onderwijs zijn beschreven in de beleidsagenda.

Aanvullend op de thema's in de beleidsagenda kan worden gemeld dat in 2021 voorbereidingen worden getroffen voor het samenvoegen van de gemengde en theoretische leerwegen in het vmbo. In die nieuwe leerweg volgen alle leerlingen een praktijkgericht programma. In schooljaar 2020-2021 is gestart met pilots ter voorbereiding voor die praktijkgerichte programma's. In 2021 worden daartoe diverse examenprogramma's doorontwikkeld en krijgen docenten de mogelijkheid zich voor te bereiden op die praktijk, onder andere door scholingstrajecten te volgen. In het schooljaar daarop, in 2021-2022, starten leerlingen op 100 scholen met de praktijkgerichte programma's.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 30 Budgettaire gevolgen van beleid art. 3 (bedragen x € 1.000)

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

9.533.455

9.153.322

8.906.351

8.930.769

8.912.107

8.909.742

8.874.161

waarvan garantieverplichtingen

87.747

8.205

         

waarvan overig

9.445.708

9.145.117

8.906.351

8.930.769

8.912.107

8.909.742

8.874.161

Totale uitgaven

9.009.949

9.127.433

8.970.169

8.917.863

8.910.930

8.908.074

8.872.493

waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,2%

       
 

Bekostiging

8.817.242

8.863.585

8.772.676

8.720.809

8.712.387

8.721.879

8.686.298

Bekostiging vo-instellingen

8.471.508

8.504.917

8.399.167

8.347.300

8.338.909

8.348.296

8.317.257

Resultaatafhankelijke bekostiging vsv aan vo-instellingen

16.258

17.100

17.648

17.648

17.648

17.648

17.648

Bekostiging Caribisch Nederland

16.335

17.799

17.487

17.487

17.456

17.561

17.559

 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Prestatiebox

313.141

323.769

333.834

333.834

333.834

333.834

333.834

Aanvullende regelingen leerlingendaling1

0

0

4.540

4.540

4.540

4.540

0

Subsidies (regelingen)

79.509

150.791

91.664

90.610

91.516

78.116

78.116

Stichting Kennisnet (basissubsidie) po, vo, mbo

19.774

19.240

19.240

19.240

19.240

15.740

15.740

Pilots lente- en zomerscholen vo

8.152

7.300

0

0

0

0

0

Nieuwe leerweg

0

0

12.000

10.000

10.000

0

0

Inhaal- en ondersteuningsprogramma's

0

65.000

0

0

0

0

0

Overige subsidies

51.583

59.251

60.424

61.370

62.276

62.376

62.376

Opdrachten

4.936

4.655

7.095

7.157

7.335

7.070

7.300

Bijdragen aan agentschappen

52.840

54.532

54.096

54.649

54.887

56.204

55.974

Dienst Uitvoering Onderwijs

52.840

54.532

54.096

54.649

54.887

56.204

55.974

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

55.207

53.675

44.358

44.358

44.525

44.525

44.525

College voor Toetsen en Examens

11.619

12.790

4.380

4.380

4.380

4.380

4.380

SLOA: onderwijs ondersteunende instellingen

43.588

40.885

39.978

39.978

40.145

40.145

40.145

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

215

195

280

280

280

280

280

GRAZ (ECML) en PISA

215

195

280

280

280

280

280

Ontvangsten

8.855

7.391

7.391

7.391

7.391

7.391

7.391

1 Dit budget is in 2020 ook beschikbaar en maakt onderdeel uit van de regel: «bekostiging vo-instellingen»

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 3 is in 2021 99,2 procent juridisch verplicht. Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2021 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de betalingen aan schoolbesturen en samenwerkingsverbanden. Hieraan ten grondslag liggen de Wet op het voortgezet onderwijs, onderliggende besluiten en uitvoeringsregelingen. Het moment van juridisch verplichten vindt plaats voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies

Van het beschikbare budget is in 2021 31,6 procent juridisch verplicht. Dit deel betreft de subsidies die voorafgaand aan het jaar worden beschikt.

Het resterende deel van het budget is beleidsmatig verplicht. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten

Van het beschikbare budget in 2021 is 18,7 procent juridisch verplicht. Hier valt onder meer de regionale begeleiding sterk techniekonderwijs onder. Het resterende deel van het budget is beleidsmatig verplicht, bijvoorbeeld voor de ondersteuning van onvoldoende en (zeer) zwakke scholen.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2021 is 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen bestuursdepartement en DUO zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar.

Bijdrage aan ZBO’s en RWT’s

Het budget voor 2021 is 100 procent juridisch verplicht. Dit betreft de bijdrage aan het College voor Toetsen en Examens en de onderwijs ondersteunende instellingen (SLOA). Op basis van overeenkomsten worden de middelen voorafgaand aan het komende jaar verplicht.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Het beschikbare budget in 2021 is nog niet juridisch verplicht. Dit betreft de bijdragen aan de genoemde internationale organisaties.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Het voortgezet onderwijs kent een lumpsumbekostiging voor de reguliere uitgaven. De schoolbesturen ontvangen van de Rijksoverheid een bedrag voor de personele en materiële kosten. Hiermee worden de schoolbesturen in staat gesteld om (onderwijs)personeel aan te stellen en overige arbeidsvoorwaarden te vervullen en te voorzien in de kosten van de materiële instandhouding van scholen. De lumpsumbekostiging is voornamelijk gebaseerd op het aantal leerlingen en de schoolsoort. Daarnaast wordt in de bekostiging rekening gehouden met bepaalde groepen leerlingen (leerplus, eerste opvang nieuwkomers en Internationaal Georiënteerd Voortgezet Onderwijs (IGVO)) en de regeling functiemix VO Randstadregio's vanwege randstedelijke problematiek. Met het leerplusarrangement is € 50,9 miljoen gemoeid, met de eerste opvang nieuwkomers € 98,6 miljoen, met de functiemix VO Randstad-regio's € 67,2 miljoen en met IGVO € 6,2 miljoen.

In onderstaande tabel zijn de ondersteuningsmiddelen opgenomen die naast de basisbekostiging beschikbaar zijn voor de lichte ondersteuning. Vanaf 1 januari 2016 is de bekostiging van de lichte ondersteuning aan samenwerkingsverbanden geïntegreerd in het kader van passend onderwijs. Deze bekostiging bestaat uit twee delen: een budget voor leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) en praktijkonderwijs (pro) en een budget voor regionale ondersteuning. De ondersteuningsbekostiging wordt verrekend met het budget voor lwoo en pro van het samenwerkingsverband. In de onderstaande tabel zijn de ondersteuningsmiddelen opgenomen die naast de basisbekostiging hiervoor beschikbaar zijn.

 

Tabel 31 Ondersteuningsmiddelen (bedragen x € 1 miljoen)

 

2021

2022

2023

2024

2025

Lichte ondersteuning lwoo/pro

620

620

620

620

620

Regionale ondersteuning

96

96

96

96

96

Totale ondersteuningsmiddelen art. 3

716

716

716

716

716

Daarnaast is in het Regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst» opgenomen dat het groen onderwijs wordt overgeheveld naar het Ministerie van OCW. Met ingang van 2018 wordt het groen (voortgezet) onderwijs via artikel 3 bekostigd.

Bekostiging Caribisch Nederland

Het Rijk verstrekt sinds 10 oktober 2010 bekostiging aan schoolbesturen in Caribisch Nederland. Het betreft de schoolbesturen op de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Prestatiebox

Voor het realiseren van de afspraken in het (geactualiseerde) sectorakkoord met de VO-raad ontvangen de schoolbesturen extra middelen via de presta-tiebox. Deze middelen zijn bedoeld om een extra impuls te geven aan het realiseren van de doelstellingen op het gebied van uitdagend onderwijs voor de leerlingen, de brede vormende taak van het onderwijs, regionale samenwerking, scholen als lerende organisaties, strategisch personeelsbeleid en verantwoording. Het sectorakkoord loopt in 2020 af. In 2020 vindt een evaluatie plaats van de sectorakkoorden en bijbehorende middelen, mede op basis van deze evaluatie zal worden bezien in welke vorm de prestatiebox middelen kunnen worden voortgezet.

Aanvullende bekostiging

Resultaatafhankelijke bekostiging vroegtijdig schoolverlaters (vsv) voor vo-scholen

VO-scholen ontvangen resultaatafhankelijke bekostiging tot en met het schooljaar 2020/2021 op basis van de regeling resultaatafhankelijke bekostiging vsv vo. Voor de aanpak van vsv zie artikel 4 (beroepsonderwijs en volwasseneducatie).

Subsidies

Voor het stimuleren en realiseren van diverse beleidsdoelstellingen worden subsidies verstrekt (zie voor het totaaloverzicht de bijlage subsidies). De belangrijkste hiervan zijn de subsidies voor stichting Kennisnet en kansengelijkheid. Stichting Kennisnet ondersteunt onderwijsinstellingen bij het benutten van ICT (€ 19,2 miljoen). De subsidie voor kansengelijkheid wordt onder andere gebruikt voor doorstroomprogramma's po-vo en doorstroom-programma's vmbo-havo en vmbo-mbo (€ 20,6 miljoen). Daarnaast is er een subsidie beschikbaar voor het Laks en krijgt de stichting School en Veiligheid ook een subsidie.

Opdrachten

Onder deze post vallen middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken. De belangrijkste hiervan is een opdracht voor het onder-steuningsprogramma voor onvoldoende en (zeer) zwakke scholen en regionale begeleiding sterk techniekonderwijs in het vmbo.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

ZBO: College voor Toetsen en Examens

Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) zorgt voor uitvoerende werkzaamheden met betrekking tot de centrale examens in het reguliere voortgezet onderwijs, het middelbaar beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie. Daarnaast zorgt het CvTE voor de staatsexamens voor het voortgezet onderwijs en voor Nederlands als tweede taal (NT2). Dit geldt ook voor Caribisch Nederland. Het CvTE is verantwoordelijk voor de invoering van de digitale examens. Daarnaast is het CvTE regievoerder over de examenketen en heeft zij een regierol voor de centrale eindtoets po. In die hoedanigheid heeft zij de taak om namens de overheid de kwaliteit van al deze toetsen en examens te waarborgen en te zorgen voor een vlekkeloze (digitale) afname. De bijdragen van artikel 1 (primair onderwijs) en artikel 4 (beroepsonderwijs en volwasseneducatie) voor het CvTE worden zoals gebruikelijk bij Voorjaarsnota naar artikel 3 (voorgezet onderwijs) overgeboekt.

SLOA: Onderwijs ondersteunende instellingen primair-, voortgezet- en beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Op 1 januari 2014 is de wet SLOA 2013 in werking getreden. De wet biedt de wettelijke grondslag voor subsidiëring van de wettelijke taken van stichting Cito en SLO. De hoogte van de subsidie voor Cito en SLO voor toets- en examenontwikkeling en normering alsmede leerplanontwikkeling voor 2021 is nog onbekend.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Onder deze post vallen bijdragen aan de internationale organisaties European Centre for Modern Languages (ECML) en Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD) ten behoeve van PISA.

Het ECML geldt in Europa en daarbuiten als hét expertisecentrum voor het talenonderwijs. Door deelname hieraan blijft Nederland op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op dit terrein.

De bijdrage aan OECD is een voorwaarde voor deelname aan het PISA-project, waardoor één keer in de drie jaar kan worden gemeten hoe de prestaties van 15-jarigen zich ontwikkelen op het gebied van wiskunde, lezen en «science».

Bijdrage aan ODA

Onderstaande tabel is opgenomen naar aanleiding van een toezegging van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (Kamerstukken II 2015/16, 34300, nr. 58).

Tabel 32 ODA-aandeel Begroting primair en voortgezet onderwijs in het kader van onderwijskosten voor asielzoekers uit DAC-landen (bedragen x € 1.000)

2021

Bijdrage primair onderwijs    34.435

Bijdrage voortgezet onderwijs    11.300

Totaal    45.735

3.3. Artikel 4. Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie zorgen ervoor dat studenten hun talenten maximaal kunnen ontplooien en volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. Studenten worden voorbereid op passend vervolgonderwijs en/of een positie op de arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van middelbaar onderwijs dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele studenten en bij de behoeftes van de maatschappij. De sector beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (bve) omvat het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en de volwasseneneducatie. Het middelbaar beroepsonderwijs heeft een belangrijke maatschappelijke en economische functie. Het is een leverancier van werknemers voor de arbeidsmarkt. Ook is het een schakel tussen het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs en het hoger beroepsonderwijs.

Financieren

De Minister is verantwoordelijk voor de financiering van het middelbaar onderwijs door lumpsumbekostiging van de onderwijsinstellingen. Hierdoor wordt de toegankelijkheid van het onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren

De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen door het verstrekken van aanvullende bekostiging, subsidies, en de inzet van andere instrumenten zoals overleg, voorlichting, kwaliteitsafspraken en wet- en regelgeving.

Regisseren

De Minister vult haar verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving; de Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving.

Kengetallen

 

Tabel 33 Kengetallen

Kengetal

2015

2016

2017

2018

2019

2020

1 Percentage studenten in het mbo dat zich uitgedaagd voelt1

35%

37%

38%

37%

n.n.b

 

2 Studenttevredenheid2

Cijfer opleiding

-

7

-

7,1

   

6,73

Cijfer instelling

-

6,6

-

6,7

   

6,53

Percentage tevreden over school en studie4

     

62%

 

-

1    Bron: ROA. Cijfers over 2019 worden najaar 2020 verwacht.

2    Bron: JOB-monitor. Dit kengetal wordt tweejaarlijks gemeten.

3    Vanwege een andere antwoordmogelijkheid bij de vragen zijn de cijfers niet vergelijkbaar met eerdere jaren

4    Vanwege een andere vraagstelling over de tevredenheid is het cijfer voor 2018 niet vergelijkbaar met eerdere jaren, en worden deze niet getoond.

Tabel 34 Studenten middelbaar beroepsonderwijs (aantallen x 1.000)

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Aantal mbo-studenten (incl. «groen onderwijs», excl vavo)1

501,7

500,2

495,8

489,1

482,1

477,0

474,5

Bol

372,3

363,4

365,3

366,1

365,3

367,9

369,4

Bbl

129,4

136,8

130,5

123,0

116,8

109,1

105,1

Vavo

8,4

8,2

8,0

7,9

7,7

7,5

7,4

1 (Sub)totalen kunnen een kleine afwijking hebben door het afronden van de aantallen.

Bron: Referentieraming 2020

 

Tabel 35 Uitgaven per student (bedragen x € 1.000)

2019    2020

2021

2022

2023

2024

2025

Onderwijsuitgaven per mbo-student (x    8,3    8,5

€ 1.000)1

8,6

8,2

9,2

8,8

8,9

1 De onderwijsuitgaven per student zijn berekend door de middelen voor het instrument bekostiging te delen door het ongewogen aantal mbo-studenten uit de referentieraming 2020.

  • C. 
    Beleidswijzigingen

In de beleidsagenda staan de belangrijkste wijzigingen op het terrein van beroeps- en volwasseneneducatie beschreven. Aanvullend zijn nog de onderstaande punten te melden.

Met de mbo-sector is het «Bestuursakkoord 2018-2022 Trots, vertrouwen en lef» afgesloten. Het Bestuursakkoord bevat de gezamenlijke ambities voor het mbo. Voortbouwend op de uitgangpunten uit het bestuursakkoord hebben alle mbo-instellingen eind 2018 een kwaliteitsagenda ingediend die moet leiden tot een duidelijke verbetering voor studenten en de regionale partners van de instelling. Studenten en docenten en externe stakeholders (bedrijfsleven, regionale overheden, andere onderwijsinstellingen) zijn actief betrokken geweest bij het opstellen en de uitvoering van de kwaliteitsagenda. Daarbij is er aandacht voor drie landelijke speerpunten: onderwijs dat voorbereidt op de arbeidsmarkt van de toekomst, gelijke kansen in het onderwijs (waaronder goede doorlopende leerlijnen) en jongeren en (jong)volwassenen in een kwetsbare positie. In 2021 vindt de tussentijdse beoordeling van de voortgang plaats over de periode 2019-2020.

Daarnaast zal er ingezet worden op het versterken van de eigen beoordeling en verantwoording van besturen. Het stelsel van kwaliteitszorg is de laatste jaren beter ingericht, waardoor er meer grip is op onderwijskwaliteit. Op het gebied van onder andere eigen visie op kwaliteit en openheid is nog winst te behalen. In 2021 zal er extra aandacht zijn voor de kwaliteitsborging, ook in relatie tot flexibilisering in het mbo. Verdere flexibilisering van de kwalificatiestructuur zal namelijk ook hoog op de agenda staan. Zo zal de ontkoppeling van de keuzedelen ten einde scholen en studenten verdere vrijheid te geven in de vormgeving van hun opleidingstrajecten nader vorm worden gegeven. Daarnaast zal in 2021 worden gekeken welke lering (vooralsnog) uit een aantal experimenten kan worden getrokken die eveneens beogen de kwalificatiestructuur verder te flexibiliseren en de responsiviteit te verhogen met het oog op de veranderingen op de arbeidsmarkt en de economie in den brede.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 36 Budgettaire gevolgen van beleid art. 4 (bedragen x € 1.000)

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

5.275.175

4.906.991

4.753.179

4.530.658

4.881.608

4.715.088

4.453.793

waarvan garantieverplichtingen

-7.208

891

         

waarvan overig

5.282.383

4.906.100

         

Totale uitgaven

4.654.063

4.875.982

4.838.265

4.551.759

4.958.146

4.716.547

4.706.546

waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,7%

       
 

Bekostiging

4.210.160

4.343.182

4.347.628

4.086.493

4.513.277

4.283.792

4.275.299

Bekostiging mbo-instellingen

3.608.204

3.712.559

3.700.096

3.660.035

3.650.304

3.628.706

3.620.298

Bekostiging Caribisch Nederland

5.316

8.263

8.463

7.660

7.591

7.491

7.491

Bekostiging vavo

65.400

67.365

67.365

67.365

67.365

67.365

67.365

Kwaliteitsafspraken investeringsbudget

381.300

440.000

247.215

247.215

352.365

352.365

352.365

Kwaliteitsafspraken resultaatafhankelijk budget

36.500

0

206.011

0

312.024

106.011

106.011

Regionaal Investeringsfonds

21.676

22.975

22.425

22.165

41.575

38.883

38.798

Salarismix Randstadregio's

48.397

51.503

51.503

51.503

51.503

51.503

51.503

Regionaal Programma

30.400

30.466

30.550

30.550

30.550

31.468

31.468

Begeleidingsgesprekken jeugdwerkloosheid

0

0

14.000

0

0

0

0

Tegemoetkoming schoolkosten MBO

10.000

10.000

0

0

0

0

0

Gelijke kansen

2.967

51

0

0

0

0

0

Subsidies (regelingen)

241.277

322.676

272.024

256.121

236.558

224.638

223.972

Praktijkleren

204.048

213.500

217.200

212.200

197.600

194.600

196.000

Leven lang ontwikkelen

464

6.631

10.590

7.813

2.919

549

825

Actieplan Laaggeletterdheid/Tel mee met

Taal

16.007

15.049

21.360

14.950

14.850

14.200

12.000

Loopbaanoriëntatie

3.234

3.275

2.275

1.525

1.300

1.300

1.300

Vakwedstrijden mbo

0

3.200

4.100

4.100

4.100

1.025

0

Inhaal- en ondersteuningsprogramma's

0

68.000

0

0

0

0

0

Overige subsidies

17.524

13.021

16.499

15.533

15.789

12.964

13.847

Opdrachten

8.238

7.520

6.378

5.246

4.842

4.291

3.457

Bijdragen aan agentschappen

17.831

19.033

19.873

20.033

19.603

19.960

19.952

Dienst Uitvoering Onderwijs

15.539

16.853

16.393

16.553

16.523

16.880

16.872

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

2.292

2.180

3.480

3.480

3.080

3.080

3.080

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

54.998

60.746

69.537

65.541

65.541

65.541

65.541

College voor Toetsen en Examens

0

0

8.300

8.300

8.300

8.300

8.300

Wet SLOA

0

220

1.103

1.103

1.103

1.103

1.103

SBB

54.998

60.526

60.134

56.138

56.138

56.138

56.138

Bijdragen aan medeoverheden

121.559

122.825

122.825

118.325

118.325

118.325

118.325

RMC's

35.309

41.451

41.451

36.951

36.951

36.372

36.372

Educatie

60.356

62.174

62.174

62.174

62.174

62.174

62.174

Caribisch Nederland

7.437

0

0

0

0

0

0

Regionaal Programma

18.457

19.200

19.200

19.200

19.200

19.779

19.779

Ontvangsten

3.875

4.000

4.000

4.000

4.000

4.000

4.000

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 4 is in 2021 99,7 procent juridisch verplicht. Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2021 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de betalingen aan mbo-instellingen (inclusief Caribisch Nederland). In de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB), het Uitvoeringsbesluit WEB (UWEB) en regelingen zijn de bepalingen, bedragen en percentages opgenomen op basis waarvan de rijksbijdrage en aanvullende bekostiging wordt berekend.

Subsidies

Van het beschikbare budget is in 2021 95 procent juridisch verplicht. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten

Van het beschikbare budget is in 2021 75 procent juridisch verplicht. Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2021 is 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen bestuursdepartement en DUO zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar. In de subsidieregeling praktijkleren is geregeld dat deze regeling door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland wordt uitgevoerd.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

Het budget voor 2021 is voor 100 procent juridisch verplicht. Deze middelen zijn bestemd voor de uitvoering van de wettelijke taken van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en (de ontwikkeling van) centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels door het Centraal Instituut voor Toets Ontwikkeling (CITO) en het College voor Toetsen en Examens (CvTE).

Bijdrage aan medeoverheden

Van het beschikbare budget is in 2021 99 procent juridisch verplicht.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten Bekostiging

Bekostiging mbo-instellingen

De rijksbijdrage die de mbo-instellingen ontvangen, is gebaseerd op de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) en de nadere uitwerking in het Uitvoeringsbesluit WEB.

Het landelijk budget dat beschikbaar is voor het beroepsonderwijs wordt verdeeld in een budget voor entreeopleidingen en een budget voor de niveaus 2 tot en met 4. Het budget voor de entreeopleidingen wordt verdeeld over de mbo-instellingen naar rato van het aantal ingeschreven studenten. Het budget voor de niveaus 2 tot en met 4 wordt verdeeld naar rato van het aantal ingeschreven studenten en het aantal afgegeven diploma's van elke instelling. De mate waarop een student meetelt, is afhankelijk van de leerweg (bol of bbl) en de opleiding (de prijsfactor van de opleiding). Per 1 januari 2019 is de cascadebekostiging afgeschaft, dat betekent dat de verblijfsduur van een student niet meer meetelt bij de verdeling van het budget hetgeen de kansengelijkheid bevordert. Door het afschaffen van de cascadebekostiging heeft een herverdeling van de rijksbijdrage plaatsgevonden. Om instellingen de gelegenheid te geven toe te groeien naar de nieuwe situatie is voorzien in een overgangsbekostiging van drie jaar. Vanaf 2022 zal er dus geen overgangsbekostiging meer zijn.

De regeling tegemoetkoming studiekosten loopt tot en met het studiejaar 2020-2021. De beschikbare middelen zullen vanaf 2021 worden toegevoegd aan de lumpsumbekostiging van de instellingen voor het inrichten van een mbo-studentenfonds. Een wetsvoorstel waarin dit fonds wettelijk wordt verankerd, is in de zomer van 2019 ingediend en beoogd wordt dat dit wetsvoorstel per 1 augustus 2021 in werking treedt.

Bekostiging Caribisch Nederland

Deze middelen zijn bedoeld voor het verzorgen van middelbaar beroepsonderwijs in Caribisch Nederland. De onderwijsinstellingen in Caribisch Nederland ontvangen hiervoor lumpsumbekostiging. Ook de Raad Onderwijs Arbeidsmarkt in Caribisch Nederland wordt vanuit deze middelen bekostigd.

Bekostiging voortgezet algemeen volwassenonderwijs (vavo)

Voor de verdeling van de beschikbare middelen (Stb 2014, 148) voor het vavo wordt gebruik gemaakt van drie maatstaven, namelijk: het aantal ingeschreven studenten, het aantal vakken dat door studenten met een voldoende is afgesloten en het aantal afgegeven diploma's.

Kwaliteitsafspraken investeringsbudget

De mbo-instellingen hebben over de periode 2019-2022 afspraken gemaakt met de Minister van OCW om de onderwijskwaliteit van de instelling te verhogen. Deze afspraken zijn vastgelegd in de kwaliteitsagenda van de mbo-instelling. Mbo-instellingen hebben daarbij veel ruimte om eigen doelen te bepalen en daarbij concreet aan de slag te gaan met hun eigen specifieke regionale situatie. Daarnaast zijn er drie landelijke speerpunten: jongeren in kwetsbare positie, gelijke kansen en opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst. De onafhankelijke commissie kwaliteitsafspraken mbo heeft de kwaliteitsafspraken beoordeeld en alle agenda's goedgekeurd. Alle instellingen ontvangen daardoor geld uit het investeringsdeel van het budget voor de kwaliteitsafspraken voor de financiering van de maatregelen uit de kwaliteitsagenda's.

Kwaliteitsafspraken resultaatafhankelijk budget

Het resultaatafhankelijke deel van het budget voor de kwaliteitsafspraken wordt verdeeld onder de instellingen die de gestelde doelen in de kwaliteitsagenda in voldoende mate hebben gehaald. In 2021 vindt een tussentijdse beoordeling plaats van de voortgang in de jaren 2019 en 2020. Daarbij wordt uiteraard rekening gehouden met de impact van de Corona-crisis op de gestelde doelen. In de 2023 vindt een eindbeoordeling plaats over de gehele periode 2019-2022.

Regionaal investeringsfonds

Met het Regionaal investeringsfonds mbo worden sinds 2014 middelen beschikbaar gesteld voor duurzame publiek-private samenwerking (pps) in het beroepsonderwijs. Mbo-instellingen, bedrijfsleven en bijvoorbeeld regionale overheden kunnen samen een aanvraag indienen. Die aanvraag moet bijdragen aan een betere aansluiting van beroepsonderwijs op de arbeidsmarkt. Bovendien moeten bedrijfsleven en regionale overheden in de desbetreffende regio de subsidie aanvullen met een financiële bijdrage. Voor de periode 2019-2022 wordt het fonds voortgezet zodat aangesloten wordt bij de actuele uitdagingen van het mbo. Voor de nieuwe regeling Regionaal investeringsfonds mbo 2019-2022 wordt in totaal € 100,0 miljoen beschikbaar gesteld, waarvan € 22,4 miljoen in 2021.

Salarismix Randstadregio 's

In het actieplan Leerkracht van Nederland zijn afspraken vastgelegd met betrekking tot de ambitie om de aantrekkelijkheid van het beroep leraar te vergroten. Dat is belangrijk, onder andere in het kader van de personeelstekorten in het onderwijs. Een van de gemaakte afspraken is dat extra middelen ter beschikking worden gesteld aan instellingen in de Randstadregio's om hun salarismix te versterken. De arbeidsmarktproblematiek, beloningsachterstand ten opzichte van de marktsector en (een optelsom van) grootstedelijke problemen waar instellingen en docenten mee te maken krijgen, liggen hieraan ten grondslag. Aan de hand van behaalde competenties zijn docenten benoemd in een hogere schaal. De middelen vormen een aanvulling op de lumpsum.

Regionaal programma

In het schooljaar 2020/2021 starten scholen en gemeenten met het nieuwe vierjarige regionaal programma om voortijdig schooluitval te voorkomen en tegen te gaan. In het regionaal programma formuleert de regio met een Regionale Meld- en Coördinatiefunctie een streefcijfer waarmee de landelijke ambitie van jaarlijks maximaal 20.000 nieuwe voortijdig schoolverlaters in 2024 wordt behaald. Ook nemen regio's maatregelen om het aantal schooluitvallers dat terug naar school dan wel aan het werk gaat te vergroten.

Voor de uitvoering van de maatregel zijn de regionale programmagelden beschikbaar. In 2021 gaat het om een bedrag van € 49,8 miljoen. Deze middelen komen deels via de contactschool naar de regio (€ 30,6 miljoen) en deels via de contactgemeente (€ 19,2 miljoen). In elke regio moet minimaal één plusvoorziening zijn voor overbelaste jongeren.

Begeleidingsgesprekken jeugdwerkloosheid

De laatste tijd is de jeugdwerkloosheid snel opgelopen. Kwetsbare schoolverlaters uit het mbo zijn geïdentificeerd als een groep die een bovengemiddelde kans heeft om de komende tijd werkloos te worden. Deze maatregelen voorzien in een extra inzet op het voorkomen van werkloosheid onder deze groep door extra gesprekken te voeren met deze doelgroep als ze nog op school zitten. Hierbij zal zowel aandacht zijn voor de mogelijkheid om langer door te leren binnen opleidingen die kansrijk zijn op de arbeidsmarkt als op begeleiding naar de partners in het arbeids-marktdomein (warme overdracht), zodat zij deze jongeren kunnen helpen bij het zoeken naar werk. De inzet richt zich op de schoolverlaters in het studiejaar 2020-2021. Hiervoor is in 2021 € 14 miljoen beschikbaar.

Subsidies

Praktijkleren

De subsidieregeling praktijkleren is bedoeld om werkgevers te stimuleren praktijk- en werkleerplaatsen aan te bieden. Dankzij de regeling kunnen leerlingen, studenten of werknemers die een (beroeps)opleiding volgen, zich beter voorbereiden op de arbeidsmarkt en kunnen werkgevers beschikken over beter opgeleid personeel. De subsidie is een tegemoetkoming in de kosten die een werkgever maakt voor begeleiding. De subsidieregeling praktijkleren is in 2019 tot 2023 verlengd. Aan de subsidieregeling is voor de studiejaren 2019/2020 tot en met 2023/2024 € 10,6 miljoen per jaar toegevoegd om de sectoren landbouw, horeca en recreatie tegemoet te komen met een extra investering in de scholing van werknemers (motie Heerma). Deze stimulering vindt plaats via een tegemoetkoming in de begeleidingskosten voor bbl-stageplekken. Daarnaast verhoogt het kabinet de subsidieregeling praktijkleren voor de studiejaren 2020-2021 en 2021-2022 met € 10,6 miljoen per jaar voor conjunctuur- en contactgevoelige bedrijfssectoren, die geraakt worden door de coronacrisis.

Leven lang ontwikkelen

Het Ministerie van OCW werkt met andere departementen, sociale partners, onderwijsinstellingen en andere stakeholders aan het realiseren van een doorbraak op leven lang ontwikkelen. De scholingsaftrek wordt met één jaar verlengd en is voor 2021 nog van kracht. Het kabinet is voornemens om de huidige fiscale aftrek van scholingsuitgaven om te vormen tot een gerichte uitgavenregeling, het STAP-budget (Stimulering Arbeidsmarktpositie). DUO zal het scholingsregister ontwikkelen en beheren, dat voor de uitvoering van de STAP-regeling noodzakelijk is. In 2021 is in de OCW-begroting € 10,6 miljoen beschikbaar voor het verbeteren van de randvoorwaarden voor leven lang ontwikkelen. Het Ministerie van OCW zorgt daarbij voor flexibilisering van het mbo en het verkennen van een landelijk scholingsportal met een overzicht van scholingsmogelijkheden en (op termijn) financiële rechten.

Actieplan laaggeletterdheid/Tel mee met taal

Ter ondersteuning van de aanpak van laaggeletterdheid worden in 2021 middelen, € 21 miljoen, beschikbaar gesteld als bijdrage aan het landelijke programma «Tel mee met Taal» dat door de Ministeries van OCW, SZW, VWS en BZK wordt uitgevoerd en gefinancierd. Op 18 maart 2019 heeft de Tweede Kamer een brief ontvangen waarin het kabinet maatregelen aankondigt om de aanpak van laaggeletterdheid in de periode 2020-2024 een extra impuls te geven. Met het programma «Tel mee met Taal» worden onder andere gemeenten, aanbieders van cursussen, werkgevers, bibliotheken en maatschappelijke organisaties ondersteund om laaggeletterden te herkennen, door te verwijzen en te scholen. De activiteiten worden door verschillende partijen uitgevoerd.

Onderdeel van deze middelen is een tijdelijke intensivering van € 6 miljoen in 2021. Met deze intensivering wordt het aantal werkgevers dat subsidie ontvangt om scholingstrajecten basisvaardigheden aan te bieden vergroot. Het doel is werknemers weerbaarder te maken voor veranderingen in hun werk (zoals digitalisering) en voor te bereiden op eventueel toekomstige beroepsgerichte scholing waarvoor voldoende basisvaardigheden een randvoorwaarde zijn.

Loopbaanoriëntatie (LOB)

De LOB-middelen worden ingezet om de loopbaanbegeleiding en de studiekeuze- en arbeidsmarktvoorlichting van (aankomende) mbo-studenten te verbeteren via onder meer het Expertisepunt lob en de portal «Kies MBO» door de SBB. Deze middelen zullen ook ingezet worden ten behoeve van een betere voorbereiding en doorstroom van mbo naar hbo.

Vakwedstrijden

Voor het organiseren van de jaarlijkse vakwedstrijden is de subsidieregeling vakwedstrijden vmbo en mbo opgesteld. De subsidie voor het organiseren van de internationale en nationale vakwedstrijden mbo is voor de periode 2020-2023 verleend aan WorldSkills Netherlands.

Inhaal- en ondersteuningsprogramma's

Scholen en instellingen uit basisonderwijs, speciaal onderwijs, speciaal basisonderwijs, voortgezet onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs, mbo en volwasseneneducatie kunnen subsidie ontvangen om leerlingen en studenten extra ondersteuning te bieden vanwege leer- en ontwikkelach-terstanden of studievertraging. Het gaat hier om achterstanden in het mbo veroorzaakt door de coronacrisis.

Overige subsidies

Hieronder vallen posten zoals technieknetwerken, het netwerk burgerschap, macrodoelmatigheid en digitalisering mbo.

Opdrachten

Dit betreffen middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken en uitvoeringskosten van Dienst Uitvoering Subsidies Instellingen (DUS-I).

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) worden middelen verstrekt voor het uitvoeren van de subsidieregeling praktijkleren.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

College voor Toetsen en Examens

Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) is een ZBO dat verantwoordelijk is voor de centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels in het mbo en de staatsexamens Nederlands als tweede taal.

WetSLOA

Op basis van de Wet SLOA worden middelen toegekend aan Stichting CITO, voor het ontwikkelen van de centrale examens Nederlandse taal, rekenen en Engels in het mbo.

Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB)

De SBB ontvangt middelen om de wettelijke taken uit te voeren, waarmee wordt bijgedragen aan het primaire proces van het beroepsonderwijs. Hiertoe behoort het ontwikkelen en onderhouden van de kwalificatiestructuur. Tevens werft en accrediteert de SBB leerbedrijven, zorgt zij voor voldoende leerwerkplekken en bevordert zij de kwaliteit van deze plaatsen. De samenwerking van onderwijs en bedrijfsleven binnen één organisatie draagt bij aan kwalitatief goed beroepsonderwijs met opleidingen die up-to-date zijn en voldoende, goede stageplaatsen.

Bijdrage aan medeoverheden

RMC's

Er is in 2021 € 41,5 miljoen beschikbaar voor de uitvoering van de taken van de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie (RMC) van 40 RMC-regio's. De RMC heeft de taak om alle jongeren tussen 16 en 23 jaar die niet naar school gaan en nog geen startkwalificatie hebben behaald te monitoren en voortijdig schoolverlaten te voorkomen. De RMC zorgt er samen met andere betrokken partijen in de regio voor dat jongeren die zijn uitgevallen of dreigen uit te vallen worden begeleid naar school, zorg, werk of een combinatie daarvan. De financiering voor de uitvoering van de RMC-taak vindt plaats middels een specifieke uitkering.

Educatie

Gemeenten ontvangen budget om cursussen taal, rekenen en digitale vaardigheden aan te bieden aan hun laaggeletterde volwassen inwoners. De doelgroep betreft zowel volwassenen die Nederlands als eerste taal of als tweede taal hebben, maar niet inburgeringsplichtig zijn. Sinds 1 januari 2015 wordt het educatiebudget per specifieke uitkering verstrekt aan samenwerkende gemeenten binnen een arbeidsmarktregio (via de contact-gemeente). Gemeenten hebben voor de besteding van dit budget «inkoop-vrijheid». Zij kiezen zelf aanbieders op basis van de vraag en behoefte van hun doelgroepen.

Regionaal Programma

Deze middelen komen deels via de contactschool naar de regio

(€ 30,6 miljoen, zie instrument bekostiging) en deels via de 40 RMC-contact- gemeenten (€ 19,2 miljoen) in de vorm van een specifieke uitkering.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, is er een fiscale regeling die betrekking heeft op dit beleidsterrein. De Miniser van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regeling en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regeling vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage 'Fiscale regelingen' in de Miljoenennota. Voor een beschrijving van de regeling, de doelstelling, de ramings-grond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota 'Toelichting op de fiscale regelingen'.

 

Tabel 37 Fiscale regelingen 2019-2021, budgettair belang op

 

transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)

   
 

2019    2020

2021

Aftrek voor scholingsuitgaven (studiekosten)

248    253

262

1: [-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

Overzicht specifieke uitkeringen

 

Tabel 38 Overzicht specifieke uitkeringen (bedragen x € 1 miljoen)

       

2020 2021

2022

2023

2024

2025

  • 1. 
    Ontvangende partij(en)    41,5    41,5

37,0

37,0

36,4

36,4

Gemeenten

       

Korte omschrijving uitkering

       

Dit betreft de bekostiging van de uitvoering van de taken van de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie (RMC) van 40 RMC-regio's. De verdeelsleutel ligt vast in een ministerieel besluit.

Vindplaats regelgeving

Artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs

  • 2. 
    Ontvangende partij(en)    62,2    62,2    62,2    62,2    62,2    62,2

Gemeenten

Korte omschrijving uitkering

Sinds 1 januari 2015 wordt het educatiebudget per specifieke uitkering verstrekt aan samenwerkende gemeenten binnen een arbeidsmarktregio (via de contactgemeente).

Vindplaats regelgeving

Wijzigingswet Wet participatiebudget, enz. (invoeren specifieke uitkering educatie en vervallen verplichte besteding educatiemiddelen bij regionale opleidingencentra)

  • 3. 
    Ontvangende partij(en)    19,2    19,2    19,2    19,2    19,8    19,8

Gemeenten

2020    2021    2022    2023    2024    2025

Korte omschrijving uitkering

De middelen voor de uitvoering van de maatregelen uit het Regionaal Programma worden deels aan de RMC-contactgemeenten verstrekt.

Vindplaats regelgeving

Artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs

3.4 Artikel 6 en 7 Hoger onderwijs

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek zorgt dat studenten en (wetenschappelijk) personeel hun talenten en onderzoekend vermogen maximaal kunnen ontwikkelen. Het leidt hen op voor een positie op de nationale en internationale arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een stelsel van hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele studenten en (wetenschappelijk) personeel, en bij de behoefte van de maatschappij.

Financieren

De Minister financiert het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek door bekostiging van de onderwijsinstellingen. Mede hierdoor wordt de toegankelijkheid van het hoger onderwijs gewaarborgd.

Stimuleren

De Minister stimuleert specifieke beleidsonderwerpen via de bekostiging, en de inzet van andere instrumenten, zoals kwaliteitsafspraken, bestuurlijke afspraken, voorlichting en wet- en regelgeving.

Regisseren

De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van hoger onderwijs vult de Minister in via een regisserende rol. De normeisen van kwaliteit zijn vastgelegd in wet- en regelgeving. De kwaliteit van de individuele opleidingen in het hoger onderwijs wordt bewaakt met het accreditatie-stelsel. Dit is belegd bij de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften en op de recht- en doelmatigheid. Zij ziet ook toe op de kwaliteit van het stelsel van hoger onderwijs, waaronder het accredita-tiestelsel.

Kengetallen

Tabel 39 Kengetallen

 

Kengetal

 

2015/16

2016/17

2017/18

2018/19

1 Studenttevredenheid1

Hbo

75,6%

75,8%

72,9%

 
 

Wo

84,9%

85,2%

83,9%

 
   

2016

2017

2018

2019

2 Percentage 25-64 jarigen (mbo/ho) dat deelneemt aan een leeractiviteit (Leven lang leren)2

 

18,8%

19,1%

19,1%

19,5%

   

2015/16

2016/17

2017/18

2018/19

3 Uitval 1e jaar3

Hbo

15,1%

15,0%

16,0%

15,5%

 

Wo

5,7%

6,0%

6,7%

7,1%

4 Bachelor rendement (n+1) van herinschrijvers na

Hbo

67,1%

67,7%

68,1%

69,0%

het eerste jaar4

Wo

80,0%

81,1%

80,7%

81,2%

1    Bron: Nationale Studenten Enquête. Voor 2018/19 en 2019/20 zijn er geen nieuwe cijfers beschikbaar omdat de NSE niet door ging. Voor eerdere jaren is een correctie toegepast.

2    Bron: Eurostat, Labour Force Survey (LFS).

3    Bron: DUO. Met ingang van dit jaar zijn de cijfers over uitval en bachelorrendement berekend op stelselniveau. Dit is anders dan eerdere jaren, toen de cijfers berekend werden op instellingsniveau. Dit zorgt voor een lagere uitval, omdat switchen van instelling niet meer wordt gezien als uitval. De cijfers van alle jaren zijn aangepast aan de nieuwe definitie.

4    Bron: DUO. Met ingang van dit jaar zijn de cijfers over uitval en bachelorrendement berekend op stelselniveau. Dit is anders dan eerdere jaren, toen de cijfers berekend werden op instellingsniveau. Het bachelorrendement valt hoger uit, omdat nu ook een bachelor diploma behaald aan een andere instelling dan waar de student is ingestroomd meetelt. De cijfers van alle jaren zijn aangepast aan de nieuwe definitie.

Tabel 40 Studenten hoger onderwijs

  • 1. 
    Ingeschreven studenten (inclusief groen onderwijs, aantallen x 1.000)
 
 

2019/20

2020/21

2021/22

2022/23

2023/24

2024/25

2025/26

hbo voltijd associate degree

8,7

9,7

10,4

10,8

11,1

11,3

11,3

hbo voltijd bachelor

396,8

392,8

389,5

385,6

380,6

374,1

366,9

hbo voltijd master

5,3

5,5

5,7

5,9

6,0

6,2

6,3

hbo deeltijd associate degree

5,2

5,7

6,0

6,3

6,4

6,5

6,5

hbo deeltijd bachelor

38,9

39,9

40,9

41,6

42,0

42,1

42,1

hbo deeltijd master

7,9

7,7

7,5

7,3

7,1

6,9

6,6

Totaal hbo

462,8

461,2

460,0

457,5

453,2

447,0

439,7

 

wo voltijd bachelor

191,4

196,8

201,3

204,9

207,2

208,9

210,0

wo voltijd master

108,8

109,9

112,4

115,2

118,0

120,4

122,7

wo deeltijd bachelor

1,5

1,4

1,3

1,2

1,2

1,1

1,1

wo deeltijd master

3,0

2,8

2,7

2,7

2,6

2,5

2,4

Totaal wo

304,8

310,9

317,8

324,0

329,0

333,0

336,2

 
  • 2. 
    Gediplomeerden (inclusief groen onderwijs, aantallen x 1.000)
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

hbo voltijd associate degree

1,5

1,6

1,7

1,7

1,7

1,8

1,7

hbo voltijd bachelor

60,3

59,3

58,6

58,0

57,7

57,4

56,7

hbo voltijd master

2,0

2,1

2,2

2,2

2,2

2,3

2,3

hbo deeltijd associate degree

0,9

1,0

1,0

1,0

1,1

1,1

1,1

hbo deeltijd bachelor

5,8

5,9

5,9

5,9

6,0

6,0

6,0

hbo deeltijd master

1,9

1,9

1,8

1,8

1,8

1,7

1,7

Totaal hbo

72,4

71,7

71,2

70,7

70,5

70,2

69,5

 

wo voltijd bachelor

36,0

36,9

37,4

37,8

38,2

38,4

38,4

wo voltijd master

43,9

44,1

44,7

45,4

46,3

46,9

47,5

wo deeltijd bachelor

0,2

0,2

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

wo deeltijd master

0,9

0,9

0,9

0,8

0,8

0,8

0,8

Totaal wo

81,1

82,1

83,0

84,2

85,4

86,3

86,9

Bron:Referentieraming 2020

 

Tabel 41 Uitgaven per student (bedragen x € 1.000)    1

  • 1. 
    Onderwijsuitgaven per student (bedragen x € 1.000)1

2021

2022

2023

2024

hbo

8,0

8,2

8,2

8,3

wo

8,0

8,1

8,1

8,2

  • 2. 
    Wettelijk collegegeld (hbo en wo voltijd, bedragen x € 1)
     

2020/21

2.143

1 De onderwijsuitgaven per student zijn berekend in nominale prijzen zonder de collegegeldontvangsten, en aantal studenten conform de Referentieraming 2020

(overeenkomstig tabel 40, onder 1; omgerekend naar kalenderjaren). De stijging in de onderwijsuitgaven per student de komende jaren wordt verklaard door de oploop in de middelen studievoorschot.

  • C. 
    Beleidswijzigingen

Voor de belangrijkste beleidswijzigingen op het terrein van hoger en wetenschappelijk onderwijs wordt verwezen naar de beleidsagenda. Aanvullend kan daarop nog worden gemeld dat het intrekken van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met een wijziging van de rentemaatstaf voor de lening hoger onderwijs financiële gevolgen heeft voor de Rijksbegroting en daarmee een effect op het houdbaarheids-saldo. De kosten voor het jaar 2025 zijn generaal gedekt (€ 1 miljoen). De structurele dekking (€ 226 miljoen) is technisch ingeboekt ten laste van de onderwijsbekostiging in het hoger onderwijs (artikel 6 & 7).

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 42 Budgettaire gevolgen van beleid art. 6 (bedragen x € 1.000)

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

3.552.945

3.770.586

3.636.053

3.716.459

3.703.141

3.739.175

3.764.715

waarvan garantieverplichtingen

10.580

4.397

         

waarvan overig

3.542.365

3.766.189

         

Totale uitgaven

3.399.821

3.512.511

3.688.678

3.734.684

3.729.825

3.753.303

3.778.843

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100,00%

       
 

Bekostiging

3.310.594

3.427.504

3.603.369

3.651.386

3.646.959

3.670.139

3.695.679

Bekostiging onderwijsdeel1

3.091.440

3.182.589

3.261.390

3.249.168

3.227.410

3.188.630

3.144.034

Bekostiging ontwerp en ontwikkeling

83.670

87.836

87.882

87.920

87.920

87.920

87.920

Studievoorschot kwaliteitsafspraken2

119.966

144.911

246.091

307.891

324.659

367.321

396.082

Studievoorschotvouchers

0

0

245

1.202

4.089

24.498

67.643

Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen

15.518

12.168

7.761

5.205

2.881

1.770

0

Subsidies (regelingen)

1.013

1.139

3.302

3.267

2.575

2.575

2.575

Tegemoetkoming 2e lerarenopleiding

0

0

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

Overige subsidies

1.013

1.139

802

767

75

75

75

Bijdrage aan agentschappen

13.177

14.822

13.174

13.306

13.367

13.665

13.665

Dienst Uitvoering Onderwijs

13.177

14.822

13.174

13.306

13.367

13.665

13.665

Bijdrage aan ZBO's/RWT's

75.037

69.046

68.833

66.725

66.924

66.924

66.924

NWO: Praktijkgericht onderzoek

60.813

53.965

54.213

52.065

52.065

52.065

52.065

NWO: Promotiebeurs voor leraren

9.292

10.144

10.144

10.144

10.144

10.144

10.144

Nederland-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

4.932

4.937

4.476

4.516

4.715

4.715

4.715

Ontvangsten

3.998

1.213

1.213

1.213

1.213

1.213

1.213

1    Inclusief de studievoorschotmiddelen voor specifieke stimulering van landelijke prioriteiten (10% van de studievoorschotmiddelen).

2    90% van de studievoorschotmiddelen die gekoppeld zijn aan de kwaliteitsafspraken.

Tabel 43 Budgettaire gevolgen van beleid art. 7 (bedragen x € 1.000)

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

5.422.362

5.744.155

5.603.099

5.663.248

5.703.172

5.806.215

5.853.287

 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

waarvan garantieverplichtingen

  • 22.983
  • 5.274
         

waarvan overig

5.445.345

5.749.429

         

Totale uitgaven

5.132.352

5.420.623

5.552.647

5.643.236

5.699.250

5.762.008

5.809.080

waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,96%

       
 

Bekostiging

5.101.096

5.387.235

5.521.706

5.612.783

5.669.101

5.732.159

5.779.146

Bekostiging onderwijsdeel1

2.281.781

2.396.450

2.469.913

2.517.243

2.520.043

2.553.211

2.575.040

Bekostiging onderzoeksdeel

2.060.420

2.196.095

2.193.737

2.198.219

2.197.777

2.197.823

2.193.223

Bekostiging ondersteuning geneeskunde onderwijs en onderzoek

686.483

706.319

707.959

709.955

711.446

712.899

714.328

Studievoorschot kwaliteitsafspraken2

72.412

88.371

150.097

187.349

197.814

223.273

240.709

Studievoorschotvouchers

0

0

0

17

100

3.032

13.925

Profilering en zwaartepuntvorming3

0

0

0

0

41.921

41.921

41.921

Subsidies (regelingen)

3.675

4.319

25.183

24.742

24.578

24.278

24.278

Nuffic4

0

0

14.419

14.399

14.399

14.399

14.399

Studiekeuze1234

0

0

2.504

2.504

2.504

2.504

2.504

Vluchteling Studenten UAF4

0

0

2.457

2.457

2.457

2.457

2.457

Handicap & Studie4

0

0

698

698

698

698

698

Interstedelijk Studentenoverleg (ISO)4

0

0

249

249

249

249

249

Landelijke Studenten Vakbond (LSVb)4

0

0

249

249

249

249

249

Open en online onderwijs

1.840

1.965

1.965

1.965

2.000

2.000

2.000

Overige subsidies

1.835

2.354

2.642

2.221

2.022

1.722

1.722

Opdrachten

2.536

3.779

2.949

2.882

2.742

2.742

2.827

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

25.045

25.290

2.809

2.829

2.829

2.829

2.829

Europees Universitair Instituut Florence (EUI)

1.601

1.641

1.799

1.819

1.819

1.819

1.819

United Nations University (UNU)

982

1.010

1.010

1.010

1.010

1.010

1.010

Nuffic, SK123, UAF, H&S, ISO en LSVb4

22.462

22.639

0

0

0

0

0

Ontvangsten

9

16

16

16

16

16

16

1    Inclusief de studievoorschotmiddelen voor specifieke stimulering van landelijke prioriteiten (10% van de studievoorschotmiddelen).

2    90% van de studievoorschotmiddelen die gekoppeld zijn aan de kwaliteitsafspraken.

3    De 2%-middelen profilering en zwaartepuntvorming die conform de kwaliteitsafspraken tot en met 2022 zijn overgeheveld naar het onderwijsdeel van de hoofdbekostiging.

4    Tot en met 2020 opgenomen onder bijdragen aan (inter)nationale organisaties, vanaf 2021 ondergebracht bij het instrument subsidies omdat dit de basis is op grond waarvan de instellingen worden bekostigd.

Budgetflexibiliteit artikel 6

Het totale budget voor artikel 6 is in 2021 100 procent juridisch verplicht. Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2021 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de bekostiging van hogescholen voor onderwijs en ontwerp en ontwikkeling. Hieraan ten grondslag liggen de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW), het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs. Het moment van juridisch verplichten vindt plaats voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft. Aan de bekostiging van flexibel hoger onderwijs voor volwassenen liggen afzonderlijke regelingen ten grondslag.

Subsidies

Het beschikbare budget voor 2021 is voor 100 procent juridisch verplicht. Dit deel betreft de financiering van de verplichtingen die voortvloeien uit de Subsidieregeling tweede lerarenopleiding, een verplichting voor de publiek private samenwerking tussen het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven en een verplichting voor instroom in de Pabo.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2021 is 100 procent juridisch verplicht. Op basis van managementafspraken tussen bestuursdepartement en de Dienst Uitvoering Onderwijs zijn afspraken vastgelegd voor het komende jaar.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

Het budget voor 2021 is 100 procent juridisch verplicht. Het betreft de bijdrage aan Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) voor praktijkgericht onderzoek hbo, de promotiebeurs voor leraren en de bijdrage aan de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). De middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht.

Budgetflexibiliteit artikel 7

Van het totale budget voor artikel 7 is in 2021 99,96 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2021 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de bekostiging van universiteiten en academische ziekenhuizen voor onderwijs en onderzoek. Hieraan ten grondslag liggen de WHW, het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs. Het moment van juridisch verplichten vindt plaats voorafgaand aan het jaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies

Van het beschikbare budget is in 2021 95,7 procent juridisch verplicht. Dit betreft enerzijds de bijdragen voor Nuffic, Studiekeuze123, Vluchteling-Studenten UAF, Handicap en Studie, Interstedelijk Studentenoverleg (ISO) en Landelijke Studenten Vakbond (LSVb): deze middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht. Anderzijds betreft het de financiering van de verplichtingen die voortvloeien uit de Subsidieregeling Open en online onderwijs, de afstudeerregeling en de ondersteunende activiteiten voor Students4Students en Integraal Veiligheid HO.

Opdrachten

Van het beschikbare budget is voor 2021 53,0 procent juridisch verplicht op grond van in 2020 of eerder gesloten overeenkomsten.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Het budget voor 2021 is 100 procent juridisch verplicht. Dit betreft de verdragsrechtelijke bijdragen aan de United Nations University (UNU) en het Europees Universitair Instituut Florence (EUI). Deze middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Universiteiten (wo) en hogescholen (hbo) ontvangen bekostiging voor onderwijs, onderzoek (wo) en ontwerp & ontwikkeling (hbo). De rijksbijdrage wordt jaarlijks aan de universiteiten en hogescholen toegekend als een lumpsum. De rijksbijdrage is gebaseerd op de WHW. In het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en de Regeling financiën hoger onderwijs zijn de bepalingen, bedragen en percentages opgenomen op basis waarvan de rijksbijdrage wordt berekend. Daarnaast ontvangen de instellingen middelen voor kwaliteitsafspraken en vouchers - die beschikbaar zijn gekomen door de invoering van het studievoorschot - en middelen voor profilering en zwaartepuntvorming.

Het experiment vraagfinanciering en de pilots flexibilisering in het kader van flexibel hoger onderwijs voor volwassenen worden afzonderlijk bekostigd.

Onderwijsdeel (hbo en wo)

Universiteiten en hogescholen ontvangen een rijksbijdrage vanwege onderwijs. De rijksbijdrage is gebaseerd op de nominale studieduur van de opleiding en het volgen en succesvol afronden van één bachelor- en één masteropleiding. Het onderwijsdeel bestaat uit:

  • a. 
    een studentgebonden deel: gebaseerd op het aantal ingeschreven bekostigde studenten en graden (diploma's), er zijn drie bekostigingsniveaus (laag, hoog en top);
  • b. 
    een onderwijsopslag in bedragen: bedragen op basis van afspraken voor kwaliteit, kwetsbare opleidingen en bijzondere voorzieningen;
  • c. 
    een onderwijsopslag in percentages.

Deel ontwerp en ontwikkeling (hbo) en onderzoeksdeel (wo)

Hogescholen ontvangen een rijksbijdrage vanwege ontwerp en ontwikkeling (praktijkgericht onderzoek). Universiteiten ontvangen een rijksbijdrage vanwege het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. In het kader van het terugdringen van de werk-, aanvraag- en matchingsdruk zijn vanuit de 2e geldstroom de middelen voor de SEO-regeling en de resterende sectorplanmiddelen overgeheveld naar de 1e gelstroom van de universiteiten. Het onderzoeksdeel wo is gebaseerd op:

  • a. 
    een studentgebonden deel: gebaseerd op het aantal bekostigde graden;
  • b. 
    een deel promoties: gebaseerd op het aantal promoties leidend tot een proefschrift en het aantal ontwerperscertificaten;
  • c. 
    een voorziening onderzoek in bedragen: bedragen op basis van afspraken over onder andere sectorplannen en zwaartekracht;
  • d. 
    een voorziening onderzoek in percentages.

Deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek (wo)

De bekostiging van het onderwijs en onderzoek bij de acht academische ziekenhuizen loopt via de universiteiten. Hier kunnen studenten geneeskunde onderwijs volgen en praktijkervaring opdoen. De rijksbijdrage bestaat uit een deel dat is gebaseerd op het aantal ingeschreven studenten en graden, een procentueel deel en een bedrag vanwege rente en afschrijving (voor huisvesting).

Studievoorschotmiddelen (hbo en wo)

In het akkoord over het studievoorschot is afgesproken dat de middelen die beschikbaar komen door de invoering van het studievoorschot gekoppeld worden aan kwaliteitsafspraken. Sinds het voorjaar 2019 zijn alle instellingen van start gegaan om samen met de medezeggenschap te komen tot een plan voor de kwaliteitsafspraken. Begin november 2019 is een stand van zaken kwaliteitsafspraken (Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 792) naar de Tweede Kamer gezonden.

De plannen van de instellingen beslaan de periode van 2019 tot en met 2024 en worden beoordeeld door de NVAO. Aan de hand van het advies van de NVAO wordt door de Minister besloten of het plan van een instelling voldoende is, en of de instelling haar studievoorschotmiddelen krijgt toegekend voor de periode 2021 tot en met 2024. Als dat niet het geval is, volgt een herkansing. De instelling heeft dan tot een jaar na het besluit de tijd om een nieuw plan in te dienen. De toekenning van de middelen was in eerste instantie voorzien vanaf 2021, omdat de NVAO de plannen beoordeelt in 2019 en 2020. De beoordeling en besluitvorming levert vanwege de COVID-19 maatregelen echter vertraging op. Om er voor te zorgen dat instellingen niet in financiële onzekerheid zitten en de instellingen kunnen blijven investeren in de kwaliteit van het hoger onderwijs is besloten de kwaliteitsbekostiging ook voor 2021 toe te kennen met de reguliere rijksbijdrage, net als is gebeurd voor 2019 en 2020. Instellingen die in de eerste ronde geen positief besluit hebben ontvangen, dienen alsnog een nieuwe aanvraag in en de NVAO zal de Minister adviseren over die aanvraag. Daarbij gelden dezelfde criteria als in de eerste ronde. Om de kwaliteitsbekostiging vanaf 2022 in plaats van in 2021 in te laten gaan, wordt het Besluit kwaliteitsbekostiging hoger onderwijs aangepast.

Vouchers studievoorschot (hbo en wo)

Bij het akkoord over het studievoorschot is afgesproken dat de eerste vier cohorten studenten die zijn ingestroomd sinds de afschaffing van de basisbeurs bij afstuderen (hbo-bachelor of wo-master) een voucher ontvangen ter waarde van 2.000 euro, als tegemoetkoming vanwege het feit dat zij in mindere mate profiteren van de herinvestering van middelen in de kwaliteit van het hoger onderwijs. Deze afgestudeerden kunnen de vouchers 5 tot 10 jaar na afstuderen inzetten voor deelname aan (delen van) geaccrediteerde opleidingen hoger onderwijs, bij zowel bekostigde als niet-bekostigde instellingen. De vouchers vertegenwoordigen een aanzienlijk bedrag en maken de doelgroep van deze werkende afgestudeerden interessant voor de instellingen die opleidingen hoger onderwijs verzorgen. De verwachting is dat de vouchers leiden tot een breder en meer divers scholingsaanbod voor werkenden in het hbo en wo. Dit aanbod komt daarmee ook beschikbaar voor werkenden zonder voucher en draagt op deze manier bij aan een leven lang ontwikkelen. Op basis van de motie Van der Molen C.S. (Kamerstukken II 2019/2020, 24724, nr. 172) is wederom verkend of een kasschuif mogelijk is waardoor studenten die al aanspraak konden maken op een voucher in plaats daarvan vijf jaar na afstuderen hun schuld verminderd zien en er, indien oud-studenten geen schuld hebben, wordt overgegaan tot contante uitbetaling. Binnen de OCW begroting is er geen ruimte om deze middelen naar voren te halen zonder dat daarbij de bekostiging van de hoger onderwijsinstellingen wordt geraakt, wat ongewenst is. De kasschuif voor de jaren 2022, 2023 en 2024 is niet rijksbreed in te passen onder het uitgavenplafond. Bovendien moeten voor deze kasschuif middelen van buiten de meerjarenperiode naar voren worden gehaald. Dit staan de begrotingsregels van het kabinet niet toe2.

Bekostiging flexibel hoger onderwijs voor volwassenen (hbo)

Doel van de experimenten en pilots is om kennis op te doen over de effecten van meer maatwerk en vraaggerichtheid van het aanbod op de deelname en diplomering van volwassenen in het deeltijd- en duale onderwijs. In het experiment vraagfinanciering maken studenten aanspraak op vouchers die zijn in te zetten bij bekostigde of niet bekostigde deelnemende opleidingen, en hebben bekostigde instellingen meer mogelijkheden voor flexibiliteit en vraaggerichtheid. Het experiment is in 2016 gestart in de sector Techniek & ICT en vanaf september 2017 ook in een aantal opleidingen in de sector Zorg & Welzijn. Ook in 2018 zijn er nog een aantal nieuwe opleidingen toegetreden tot het experiment vraagfinanciering. Naar aanleiding van de tussenevaluatie (Kamerstukken II 2018/19, 31288, nr. 721) is in april 2019 besloten de instroom in het experiment niet te verlengen. Studenten die tot eind augustus 2019 zijn ingestroomd bij opleidingen die deelnemen aan het experiment vraagfinanciering kunnen tot het eind van het experiment (2024) aanspraak blijven maken op vouchers. De evaluatie van het experiment vraagfinanciering vindt plaats in 2021.

Doel van de pilots flexibilisering is te onderzoeken of verruiming van bestaande kaders bijdraagt aan de totstandkoming van een onderwijsaanbod dat flexibeler is en beter aansluit op de kenmerken en behoeften van volwassenen, met behoud van de kwaliteit van het onderwijs, en leidt tot meer deelnemers en gediplomeerden. De pilots zijn eveneens in 2016 van start gegaan en in 2017 en 2018 uitgebreid met meer opleidingen. Er nemen nu ruim 400 opleidingen van 21 hogescholen (publiek en privaat) deel aan de pilots flexibilisering. In de strategische agenda hoger onderwijs en onderzoek 'Houdbaar voor de toekomst' (Kamerstukken II 2019/20, 31288, nr. 797, bijlage 913905) is, naar aanleiding van de tussenevaluatie van de experimenten, aangekondigd dat de ruimte voor flexibele inrichting van opleidingen op basis van leeruitkomsten, zoals die in de pilots geldt, structureel wordt verankerd in de WHW. Mits het oordeel van de NVAO over de kwaliteit en het niveau van de opleidingen in de pilots positief is. Met het oog op die structurele verankering in de WHW wordt de eindevaluatie van de pilots flexibilisering naar voren gehaald en zal deze in 2020 plaatsvinden.

Profilering en zwaartepuntvorming (wo)

In de sectorakkoorden is onder meer afgesproken dat de 2%- middelen voor profilering en zwaartepuntvorming door hogescholen blijvend ingezet kunnen worden voor het vormgeven van (verdere) profilering en zwaartepuntvorming van de instelling, bijvoorbeeld door middel van Centres of Expertise. De universiteiten kunnen de 2%-middelen tijdelijk (in ieder geval tot en met 2022) inzetten voor de sectorplannen bèta-/technisch onderzoek en sociale-/geestwetenschappen. De middelen voor de hogescholen zijn structureel ondergebracht onder het onderwijsdeel van de hoofdbekos-tiging en voor de universiteiten tot en met 2022.

Subsidies

Tegemoetkoming tweede lerarenopleiding (hbo)

De subsidieregeling tweede lerarenopleiding maakt het voor leraren financieel aantrekkelijker om een tweede lerarenopleiding (bachelor of master) te volgen die opleidt tot een bevoegdheid en waarvoor instellings-collegegeld moet worden betaald, indien zij geen aanspraak mogen en kunnen maken op een andere subsidieregeling. Voor de subsidie komen bijvoorbeeld leraren in aanmerking die na een eerdere opleiding moeizaam een baan kunnen vinden en die geen aanspraak mogen en kunnen maken op een regeling zoals de Lerarenbeurs, of de subsidie voor zij-instromers. De subsidie tweede lerarenopleiding wordt eenmalig verstrekt en kan vanaf het studiejaar 2020/2021 voor het eerst worden aangevraagd.

Nuffic (wo)

Nuffic is het expertise- en dienstencentrum voor internationalisering in het Nederlandse onderwijs; van primair en voortgezet onderwijs tot beroepsgericht en hoger onderwijs en onderzoek. Er vindt momenteel, mede om de risico's op ongeoorloofde staatssteun uit te sluiten, een heroverweging plaats van de subsidie aan Nuffic voor wat betreft de grondslag van de subsidie en de sturingsrelatie van OCW richting Nuffic.

Het betreft voorgenomen wijzigingen in de subsidie per 2021, na afloop van het huidige bestuursakkoord. Op basis van deze interne heroverweging zal budgetneutraal een aantal taken wettelijk worden verankerd (eerst vanaf 2022), worden aanbesteed of worden verlegd.

De laatste twee aanpassingen zullen vanaf 2021 leiden tot een verlegging van een deel van de geldstroom, die wordt ingezet ter versterking van de internationale positie van het (hoger) onderwijs.

Studiekeuze 123 (wo)

De stichting Studiekeuze123 is door de Minister aangewezen als partij om objectieve, betrouwbare en vergelijkbare studiekeuze-informatie te verzamelen en te verspreiden en tevens onderzoek te doen naar studentte-vredenheid en -betrokkenheid. Voor dit laatste organiseert de stichting jaarlijks de Nationale Studentenenquête.

Vluchteling Studenten UAF (wo)

UAF adviseert, begeleidt en ondersteunt vluchtelingen die zich voorbereiden op een studie in het hoger onderwijs met als doel het zorgen dat de aspirant-student kan starten met een passende studie die vervolgens ook leidt tot een diploma met een goed arbeidsperspectief en een grote kans op duurzame arbeid.

Handicap & Studie (wo)

Handicap & Studie (sinds 2019 Expertisecentrum Inclusief Onderwijs, Ecio) adviseert en ondersteunt universiteiten, hogescholen en het mbo om het mogelijk te maken dat ook studenten met een functiebeperking met succes hun opleiding kunnen doorlopen en kunnen doorstromen naar een baan die bij hen past. Een functiebeperking kan voortkomen uit fysieke beperkingen, psychische klachten, chronische ziekte, zwangerschap/jong ouderschap en ook gelden voor mantelzorgers of mensen in een gendertransitie. Handicap & Studie is gericht op het bieden van gelijke kansen, zonder belemmeringen in het hoger onderwijs, en gericht op het welzijn van studenten.

Interstedelijk Studentenoverleg (ISO) en Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) (wo)

Het betreft hier de (structurele) bekostiging van een tweetal organisaties die beleidsmatig activiteiten uitvoeren die betrekking hebben op de belangenbehartiging van studenten.

Open en online hoger onderwijs (wo)

De regeling open en online hoger onderwijs 2018-2022 heeft twee doelstellingen, namelijk het versterken van open en online onderwijs en het stimuleren van delen, hergebruiken en (door)ontwikkelen van open leermateriaal in vakcommunity's. Aan beide doelstellingen wordt gelijkwaardig aandacht besteed, doordat de regeling in twee pijlers is onderverdeeld: online onderwijs en open leermaterialen. De regeling is bedoeld om instellingen, passend bij hun profiel, te laten experimenteren met verschillende vormen van open en online onderwijs. Projecten dragen bij aan de onderwijskwaliteit en de kwaliteit en toegankelijkheid van open leermaterialen.

SURF (ICT-samenwerkingsorganisatie van het onderwijs en onderzoek in Nederland) adviseert de Minister over de projectaanvragen en ondersteunt de projectteams tijdens de uitvoering van de projecten. Onder begeleiding van SURF zijn in 2020 15 projecten gestart: 10 voor de pijler online onderwijs en 5 voor de pijler open leermaterialen (in 2019 waren dit er respectievelijk 9 en 6). De instellingen matchen de aan hun toegekende subsidie met ten minste hetzelfde bedrag. De projecten kennen een looptijd van maximaal 24 maanden. Daarnaast voert SURF een Kennisagenda uit, gericht op het opdoen, ontwikkelen en delen van kennis over online onderwijs en open leermaterialen in de Nederlandse context. De resultaten van de projecten van de instellingen zijn hiervoor belangrijke input.

Overig (hbo en wo)

Bij dit financiële instrument zijn afzonderlijk voor de sectoren hbo en wo overige toekenningen opgenomen die gelijk dan wel kleiner zijn dan € 1,0 miljoen. Het gaat hier om middelen die deels juridisch en deels bestuurlijk verplicht zijn bijvoorbeeld op basis van de afstudeerregeling.

Opdrachten

Voor de beleidsontwikkeling worden opdrachten verstrekt voor het uitvoeren van diensten. Het gaat hierbij met name om opdrachten voor diverse beleidsgerichte activiteiten/ onderzoeken en de communicatie rondom het studievoorschot.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor de begrotingsartikelen 6 en 7.

Bijdrage aan ZBO's en RWT's

NWO

Praktijkgericht onderzoek hbo: Van hogescholen wordt verwacht dat zij een centrale rol in de Nederlandse en internationale kennisinfrastructuur vervullen. Voor praktijkgericht onderzoek hebben hogescholen direct toegang tot de competitieve onderzoekgeldstroom voor het hbo bij het NWO: het RAAK-programma (voormalige Regeling bevordering kennisfunctie hogescholen). Vanaf 2018 is vanuit het Regeerakkoord 2017-2021 extra geïnvesteerd (oplopend tot € 17,5 miljoen structureel vanaf 2020) in de verdere capaciteitsopbouw van praktijkgericht onderzoek. Ook is er om een impuls te geven aan de verwevenheid van onderwijs en onderzoek een hbo-postdocprogramma, waarmee onderzoekers moeten worden behouden voor hun onderwijstaken.

Promotiebeurs voor Leraren: Leraren in het po, vo, mbo, so en hbo worden in staat gesteld om promotieonderzoek te verrichten dat uitmondt in een proefschrift. Jaarlijks kan via NWO aan circa 60 leraren een nieuwe beurs voor een periode van vijf jaar worden verstrekt.

Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)

De NVAO is als onafhankelijke, binationale accreditatieorganisatie, opgericht door de Nederlandse en Vlaamse overheid. Deze organisatie geeft een deskundig en objectief oordeel over de kwaliteit van het hoger onderwijs in Nederland en Vlaanderen. In deze begroting is de bijdrage opgenomen die de Nederlandse overheid rechtstreeks aan de NVAO vergoedt voor de uitvoering van haar reguliere taken en voor haar taken in het kader van de kwaliteitsafspraken.

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

Europees Universitair Instituut Florence (EUI) en United Nations University (UNU)

Het betreft hier de (structurele) bijdrage aan een tweetal internationale organisaties die taken uitvoeren die voortkomen uit verdragsrechtelijke verplichtingen.

Ontvangsten

Bij de ontvangsten is een raming opgenomen voor terugvorderingen bij instellingen en andere subsidieontvangers, bijvoorbeeld als gevolg van eindafrekeningen op in eerdere jaren toegekende subsidies.

3.5 Artikel 8. Internationaal beleid

  • A. 
    Algemene doelstelling

Bevorderen van internationale samenwerking en uitwisseling ter ondersteuning en versterking van de kwaliteit van onderwijs, cultuur en wetenschap en ter verdere ontwikkeling van internationale competenties van lerenden, docenten, kunstenaars en wetenschappers.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

Stimuleren

Bij het uitvoeren van de algemene doelstelling ligt de nadruk op het zoveel mogelijk stimuleren en ondersteunen van instellingen en burgers om zich op een internationale omgeving te oriënteren. Daartoe zorgt de Minister vanuit haar stelselverantwoordelijkheid voor de benodigde internationaalbestuurlijke randvoorwaarden, bijvoorbeeld door afspraken te maken over wederzijdse beroepserkenning, kwaliteitszorg en grensverkeer en door de uitwisseling van best practices. De Minister opereert hierbij binnen multilaterale kaders als de Europese Unie, OESO en de Unesco en andere - vaak daarbij aangesloten - organisaties, alsmede via bilaterale contacten, verdragen, Memorandums of Understanding, etcetera. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van stimuleringsmaatregelen in de vorm van fondsen en beurzen en worden faciliterende en uitvoerende instanties gefinancierd, zoals Stichting Nuffic, Neth-ER en het Duitsland Instituut Amsterdam. De bevordering van internationale samenwerking is ondersteunend aan de beleidsdoelstellingen van het Ministerie van OCW. De voorgenomen activiteiten zijn dan ook voor een belangrijk deel opgenomen in de betreffende beleidsartikelen.

Indicatoren/kengetallen

Internationale - ondersteunende - maatregelen laten zich moeilijk vangen in «harde» cijfers en beleidsconclusies. In gevallen waar dit wel mogelijk is, bijvoorbeeld bij de bevordering van in- en uitgaande studiemobiliteit of bij de bevordering van culturele activiteiten in het buitenland, zijn relevante cijfers te volgen op Onderwijs in Cijfers.

  • C. 
    Beleidswijzigingen

Er zijn voor dit artikel geen beleidswijzigingen voorzien.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 44 Budgettaire gevolgen van beleid art. 8 (bedragen x € 1.000)

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

12.426

12.969

11.455

11.212

11.214

10.847

10.847

waarvan garantieverplichtingen

waarvan overig

Totale uitgaven

12.678

12.989

11.855

11.212

11.212

11.215

11.215

waarvan juridisch verplicht (%)

   

79,5%

       
 

Subsidies (regelingen)

4.833

4.993

5.683

5.043

5.043

5.043

5.043

Stichting Ons Erfdeel

185

185

185

185

185

185

185

Stichting Nuffic

0

0

807

807

807

807

807

 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Nationaal Agentschap Erasmus+ Onderwijs & Training

3.066

3.154

2.111

2.111

2.111

2.111

2.111

Internationalisering onderwijs

0

0

1.000

1.000

1.000

1.000

1.000

Duitsland Instituut Amsterdam

803

803

744

744

744

744

744

Netherlands house for Education and

Research (Neth-ER)

600

600

600

0

0

0

0

Incidentele subsidies voor het uitwisselen van cultuur

114

126

126

126

126

126

126

Overige incidentele subsidies

65

125

110

70

70

70

70

Opdrachten

105

207

2.224

2.222

2.222

2.223

2.223

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

7.229

7.278

3.437

3.436

3.436

3.438

3.438

Nederlandse Taalunie

2.762

2.850

2.883

2.882

2.882

2.884

2.884

Stichting Nuffic

3.858

3.904

0

0

0

0

0

Europa College Brugge

30

30

30

30

30

30

30

Unesco

130

20

50

50

50

50

50

OESO CERI

81

86

86

86

86

86

86

Fulbright Center

368

368

368

368

368

368

368

EU-programma's en activiteiten

0

20

20

20

20

20

20

Bijdragen aan (andere) begrotingshoofdstukken

511

511

511

511

511

511

511

Vlaams-Nederlandshuis DeBuren (Hoofdstuk 5 BuZa)

511

511

511

511

511

511

511

Ontvangsten

121

99

99

99

99

99

99

Wijzigingen structuur budgettabel

Met ingang van 2021 wijzigt de indeling van deze budgettabel. Er heeft een heroverweging plaatsgevonden van de instrumentkeuze bij de instellingen Stichting Ons Erfdeel, Stichting Nuffic, Nationaal Agentschap Erasmus+ Onderwijs & Training, het Duitsland Instituut Amsterdam en Netherlands house for Education and Research (Neth-ER).

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 8 is voor 2020 79,5 procent juridisch verplicht.

Subsidies

Van het budget voor subsidies is 96,7 procent juridisch verplicht. Het niet verplichte deel bestaat uit gereserveerde middelen voor incidentele subsides.

Opdrachten

Van het budget voor opdrachten is 3,8 procent juridisch verplicht. Het betreft hier de uitvoeringskosten van de regeling Internationalisering Funderend Onderwijs.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Van het budget voor de bijdragen aan (inter)nationale organisaties is 97,0 procent juridisch verplicht. Een deel is verplicht op basis van internationale verdragen. Dit geldt voor de Nederlandse Taalunie en het Fulbright Center.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Het budget voor de bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken is 100 procent juridisch verplicht. De subsidiëring van de periode 2018-2021 vindt plaats via begrotingshoofdstuk V (Buitenlandse Zaken). De middelen worden in het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar verplicht. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op de instrumenten.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

Subsidies

Stichting Ons Erfdeel

De Vlaams-Nederlandse vereniging Ons Erfdeel wil de cultuur van Vlaanderen en Nederland in het buitenland bekend maken en de culturele samenwerking tussen de Nederlandssprekenden bevorderen, onder meer met behulp van de websites de-lage-landen.com, the-low-countries.com en binnenkort les-pays-bas.com en het tijdschrift Ons Erfdeel.

Stichting Nuffic

De Stichting Nuffic zet zich samen met nationale en internationale partners in voor de versterking van het onderwijs en Nederland als kennisland.

Nationaal Agentschap Erasmus+

Het Agentschap is belast met het beheer en de uitvoering in Nederland van het EU programma Erasmus+. De (financiële) onderhandelingen over het toekomstige EU programma Erasmus+, dat op 1 januari 2021 start, lopen nog. Zodra het budget en de geschatte uitvoeringskosten van het toekomstige programma Erasmus+ bekend zijn, zal het budget voor de verplichte cofinanciering van de uitvoeringskosten aangepast worden. De verwachting is dat de budgetten zullen stijgen.

Internationalisering onderwijs

Dit budget wordt ingezet ten behoeve van de introductie, verankering en verdere ontwikkeling van internationalisering in het instellingsbeleid van scholen in het primair en voortgezet onderwijs middels de subsidieregeling internationalisering funderend onderwijs.

Duitsland Instituut Amsterdam

Het Duitsland Instituut Amsterdam (DIA) genereert en verspreidt kennis in Nederland over Duitsland op het raakvlak van onderwijs, wetenschap en maatschappij. Het doet dat onder meer met behulp van wetenschappelijk onderzoek, onderwijsprojecten en voorlichtingsactiviteiten (cofinanciering met Universiteit van Amsterdam en Deutsche Akademische Austausch Dienst (DAAD)).

Neth-ER

Neth-ER is opgericht in 2006 door acht Nederlandse veldorganisaties werkzaam op de gebieden onderzoek, onderwijs en innovatie (onder andere TNO, KNAW, VSNU, MBO-Raad, NWO). Hun gezamenlijke doel is om de Nederlandse participatie aan de Europese programma's te vergroten.

Incidentele subsidies voor het uitwisselen van cultuur

Dit betreft middelen gereserveerd voor incidentele activiteiten ter bevordering van de samenwerking op het gebied van cultuur.

Overige incidentele subsidies

Dit betreft middelen gereserveerd voor incidentele activiteiten ter bevordering van internationale samenwerking op het gebied van onderwijs, cultuur of wetenschap.

Opdrachten

Dit betreft middelen voor diverse beleidsgerichte activiteiten en onderzoeken en uitvoeringskosten Dienst Uitvoering Subsidies Instellingen (DUS-I).

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Nederlandse Taalunie

De Nederlandse Taalunie ondersteunt de betrokken overheden in hun taalbeleid voor het Nederlands en maakt samenwerking, afstemming en uitwisseling mogelijk. Ook verzamelt, ontwikkelt en ontsluit de Nederlandse Taalunie kennis en informatie over het Nederlands, met het oog op advies en dienstverlening aan sectoren, doelgroepen en individuele taalgebruiker. Verder stimuleert de Taalunie de optimale benutting van de hedendaagse (digitale) infrastructuur voor het Nederlands.

Europa College Brugge

Europa College te Brugge is een postuniversitaire opleiding voor onderzoek naar Europese eenwording, gefinancierd door de EU en EU-Lidstaten.

Unesco

Dit betreft middelen gereserveerd voor deelname aan diverse projecten in het kader van Unesco.

OESO CERI

OESO CERI betreft de deelname aan diverse onderwijsprojecten en -onderzoeken in het kader van het Centre for Educational Research and Innovation (CERI), onderdeel van de OESO.

Fulbright Center

Het Fulbright Center verzorgt voorlichtingsactiviteiten en mobiliteitsprogramma's voor het hoger onderwijs via beurzen voor uitwisseling met de Verenigde Staten (met bijdragen van de Amerikaanse regering).

Incidentele EU-programma's en activiteiten

Dit betreft middelen gereserveerd voor incidentele activiteiten en verplichtingen in het kader van de EU en deelname aan EU-programma's, welke bij het opstellen van de begroting nog niet concreet zijn.

Bijdragen aan andere begrotingshoofdstukken

Vlaams-Nederlands Huis De Buren

Het Vlaams-Nederlands Huis De Buren is in 2004 opgericht door de Nederlandse en Vlaamse regering als een culturele organisatie en als ruimte voor debat en reflectie (subsidiëring vindt plaats via begrotingshoofdstuk V (Buitenlandse Zaken)).

Tabel Homogene Groep Internationale Samenwerking

Tabel 45 Homogene Groep Internationale Samenwerking (bedragen x € 1.000)

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Hoger beroepsonderwijs (artikel 6)

2.873

2.873

2.873

2.873

2.873

2.873

2.873

Wetenschappelijk onderwijs (artikel 7)

52.770

54.299

54.299

54.299

54.299

54.299

54.299

Internationaal beleid (artikel 8)

825

822

822

822

822

822

822

Cultuur (artikel 14)

4.617

4.617

4.617

4.617

4.617

4.617

4.617

Onderzoek en wetenschappen (artikel 16)

454

454

454

454

454

454

454

Apparaat kerndepartement (artikel 95)

144

276

401

401

401

148

148

Totaal

61.683

63.341

63.466

63.466

63.466

63.213

63.213

Toelichting

De Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) is sinds 1997 een budgettaire constructie binnen de rijksbegroting. In de HGIS worden de uitgaven van de verschillende ministeries op het gebied van het buitenlandbeleid gebundeld, waarmee de onderlinge samenhang geïllustreerd wordt. Dit bevordert de samenwerking en de afstemming tussen de betrokken ministeries. Bovenstaande tabel geeft een onderverdeling van de HGIS middelen van het Ministerie van OCW per artikel.

3.6 Artikel 9. Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

  • A. 
    Algemene doelstelling

De kwaliteit van het onderwijs wordt gewaarborgd door de beschikbaarheid van voldoende personeel van voldoende kwaliteit voor alle onderwijsdeelnemers.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor een onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele leerlingen/studenten en bij de behoefte van de maatschappij. De leraar en de schoolleider zijn daarbij cruciaal.

Financieren

De Minister draagt bij aan het lerarenbeleid op scholen door het (mee)finan-cieren van (mogelijkheden tot) professionalisering. Dit gebeurt via aanvullende bekostiging en subsidies.

Stimuleren

De Minister is verantwoordelijk voor de uitvoering van directe stimuleringsmaatregelen ten behoeve van de ontwikkeling van de kwaliteit en professionaliteit van docenten en het bijdragen aan een aantrekkelijk beroep. Dit door middel van de versterking van de leraar (Kamerstukken II 2018/19, 27923, nr. 345), naar een aantrekkelijke onderwijsarbeidsmarkt (Kamerstukken II 2018/19, 27923, nr. 369), de aanpak van het lerarentekort (Kamerstukken II 2019/20, 27923, nr. 381 en Kamerstukken II 2019/20, 27923, nr. 382) en het op basis daarvan met belanghebbenden afgesloten convenant.

Regisseren

De Minister draagt verantwoordelijkheid voor het borgen van de onderwijskwaliteit van scholen. Om deze verantwoordelijkheid waar te maken wordt een bijdrage geleverd aan het zorgen voor voldoende docenten van voldoende kwaliteit. Dit gebeurt door wetten en regels uit te vaardigen voor goed bestuur, door een dialoog te voeren met en toezicht te houden op belanghebbenden, en zo nodig actief regie te voeren.

Indicatoren/kengetallen

De indicatoren/kengetallen voor het arbeidsmarkt- en personeelsbeleid worden beschreven in het beleidsverslag en op OCW in Cijfers.

  • C. 
    Beleidswijzigingen

De belangrijkste wijzigingen op het gebied van leraren worden toegelicht in de beleidsagenda.

Via Samen Opleiden werken lerarenopleidingen en scholen intensief samen om leraren op te leiden. Deze opleidingsvorm bereidt leraren beter voor op de praktijk en vergroot de aantrekkelijkheid van de opleiding. Het is de ambitie om in 2025 Samen Opleiden de norm te laten zijn. Om dit te bereiken, worden de komende jaren nieuwe plaatsen voor aspirant-oplei-dingsscholen gecreëerd.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 46 Budgettaire gevolgen van beleid art. 9 (bedragen x € 1.000)

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

178.784

171.966

163.803

170.723

167.926

170.735

170.735

waarvan garantieverplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

waarvan overig

178.784

171.966

163.803

170.723

167.926

170.735

170.735

Totale uitgaven

172.073

171.966

163.803

170.723

167.926

170.735

170.735

waarvan juridisch verplicht (%)

   

55,5%

       
 

Bekostiging

29.242

41.052

43.848

48.362

40.847

43.847

43.847

Tegemoetkoming kosten opleidingsscholen

29.242

41.052

43.848

48.362

40.847

43.847

43.847

Subsidies (regelingen)

136.960

124.678

113.338

115.673

120.273

120.023

120.023

Lerarenbeurs

77.559

49.560

46.819

46.219

50.819

53.319

53.319

Zij-instroom

42.540

53.146

46.846

46.346

46.346

43.596

43.596

Wet Beroep leraar en Lerarenregister

738

2.945

2.945

2.945

2.945

2.945

2.945

Aanpak lerarentekort

0

17.800

15.000

19.000

19.000

19.000

19.000

Overige subsidies

16.123

1.227

1.728

1.163

1.163

1.163

1.163

Opdrachten

2.289

3.219

3.565

3.610

3.715

3.715

3.715

Bijdragen aan agentschappen

3.582

3.017

3.052

3.078

3.091

3.150

3.150

Dienst Uitvoering Onderwijs

3.582

3.017

3.052

3.078

3.091

3.150

3.150

Ontvangsten

8.307

9.000

9.000

9.000

9.000

9.000

9.000

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 9 is in 2021 55,5 procent juridisch verplicht. Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2021 is 100 procent juridisch verplicht op grond van een gepubliceerde bekostigingsregeling en bestemd voor betalingen aan samenwerkingsverbanden. De bekostigingsregeling loopt per schooljaar.

Subsidies

Van het beschikbare budget voor 2021 is 37 procent juridisch verplicht, waarvan het grootste deel van het juridisch verplichte budget voor de lerarenbeurs bestemd is. Verder betreft dit subsidies die worden verstrekt op grond van gepubliceerde subsidieregelingen en individuele subsidies die voorafgaand aan het jaar worden verleend.

Opdrachten

Van het beschikbare budget voor 2021 is 53 procent juridisch verplicht op grond van in 2020 of eerder gesloten overeenkomsten voor onderzoek en communicatie. Dit betreft divers onderzoek in het kader van de arbeidsmarkt. Het resterende deel is niet-juridisch verplicht budget bestemd om beleidsprioriteiten van het kabinet op het terrein van leraren (professionalisering onderwijspersoneel en aansluiting onderwijs op behoefte arbeidsmarkt) verder te ondersteunen.

Bijdrage aan agentschappen

Het budget voor 2021 is 100 procent juridisch verplicht op basis van managementafspraken tussen het bestuursdepartement en de uitvoeringsorganisatie Dienst Uitvoering Onderwijs voor dat jaar.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Aanvullende bekostiging

Tegemoetkoming kosten opleidingsscholen

Om de samenwerking tussen lerarenopleidingen en scholen op het gebied van opleiden en professionaliseren te verbeteren zijn er opleidingsscholen (samenwerkingsverbanden van één of meer lerarenopleidingen met één of meer scholen voor primair onderwijs (po), voortgezet onderwijs (vo), middenbaar beroepsonderwijs (mbo)) erkend. Zij ontvangen jaarlijks bekostiging om gezamenlijk leraren op de werkplek op te leiden.

Subsidies

Lerarenbeurs

Voor 2021 is € 46,8 miljoen beschikbaar voor de subsidieregeling lerarenbeurs. Deze subsidie - voor zowel studiekosten als studieverlof - kan worden aangevraagd door leraren in het po, vo, mbo en hoger beroepsonderwijs (hbo) voor het volgen van een geaccrediteerde bachelor- of master-opleiding.

Zij-instroom

Onder dit budget vallen vier verschillende subsidieregelingen:

  • 1. 
    de regeling zij-instroom: voor 2021 is € 39,7 miljoen beschikbaar voor een subsidie voor de opleiding en begeleiding van zij-instromers in het po, vo en mbo via het traject zij-instroom in het beroep;
  • 2. 
    de regeling korte scholingstrajecten vo: een (toekomstig) leraar in het vo heeft de mogelijkheid om de juiste bevoegdheid te behalen om les te mogen geven in het vo;
  • 3. 
    de regeling MBO-instructeursbeurs: de subsidie - voor zowel studiekosten als studieverlof - kan worden aangevraagd door instructeurs in het mbo voor het volgen van een associate degree of een bachelorop-leiding;
  • 4. 
    de regeling Onderwijsassistenten: de subsidieregeling heeft als doel om het lerarentekort te verminderen door te bevorderen dat meer onderwijsassistenten de opleiding tot leraar gaan doen.

Regionale aanpak personeelstekort

Voor 2021 is € 15,0 miljoen beschikbaar voor de subsidieregeling regionale aanpak personeelstekort. Deze subsidieregeling kan worden gebruikt om partijen in de regio te ondersteunen om het lerarentekort in het po, vo en mbo gezamenlijk aan te pakken.

Wet Beroep Leraar en lerarenregister

Voor 2021 is € 2,9 miljoen beschikbaar voor het versterken van het beroep leraar. Dit budget wordt ingezet voor onder meer Leraar24, de ondersteuning van beroepsgroepvorming, de implementatie van het professioneel statuut van de leraar en een monitor op de Wet Beroep Leraar.

Opdrachten

Ter ondersteuning, monitoring en evaluatie van het beleid wordt expertise ingehuurd op het terrein van communicatie, onderzoek en het maken van ramingen.

Bijdrage aan agentschappen

Dienst Uitvoering Onderwijs

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW. DUO levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

3.7 Artikel 11. Studiefinanciering

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het stelsel van studiefinanciering biedt studenten in het hoger onderwijs en deelnemers in de beroepsopleidende leerweg de financiële mogelijkheden om in Nederland en daarbuiten onderwijs te kunnen volgen.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor de doeltreffende en doelmatige werking van het stelsel van studiefinanciering, zoals geregeld in de Wet studiefinanciering 2000.

Financieren

De Minister financiert het stelsel waarbij de financiële toegankelijkheid is gewaarborgd; er zijn geen onoverkomelijke financiële belemmeringen om te gaan studeren. Tegelijkertijd wordt recht gedaan aan het principe dat studeren ook een investering van de student zelf is. Tevens wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders daaraan kunnen leveren.

Kengetallen

Voor indicatoren/kengetallen over studiefinanciering wordt verwezen naar OCW in Cijfers.

 

Tabel 47 Normbedragen studiefinanciering 2020 per maand in euro's1

Normbedragen ho

   

Normbedragen mbo/bol

   
 

Uitwonend

Thuiswonend

Studie-voorschot

Uitwonend

Thuiswonend

Basisbeurs

€ 300,69

€ 108,00

n.v.t. Basisbeurs

€ 277,84

€ 85,13

Aanvullende beurs

€ 287,95

€ 265,42

€ 403,17 Aanvullende

€ 373,94

€ 351,46

     

beurs

   
     

Maximaal

   

Maximaal leenbedrag

€ 308,92

€ 308,92

€ 494,39

leenbedrag

€ 185,46

€ 185,46

Collegegeldkrediet

€ 178,58

€ 178,58

€ 178,58 Collegegeldkrediet

n.v.t

n.v.t.

Totaal

€ 1.076,14

€ 860,92

€ 1.076,14 Totaal

€ 837,24

€ 622,05

1 Peildatum 1 september 2020

  • C. 
    Beleidswijzigingen

Er zijn voor dit artikel geen beleidswijzigingen voorzien.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 48 Budgettaire gevolgen van beleid art. 11 (bedragen x € 1.000)

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

5.317.390

5.323.744

4.767.938

5.501.405

5.575.672

5.631.684

5.680.018

Totale uitgaven

5.317.390

5.323.744

4.767.938

5.501.405

5.575.672

5.631.684

5.680.018

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
 

Inkomensoverdracht

2.651.162

2.383.397

1.583.740

2.118.641

2.127.278

2.163.098

2.186.211

Basisbeurs gift (R)

1.099.286

861.592

594.397

412.517

371.855

364.850

357.732

Aanvullende beurs gift (R)

665.431

691.913

713.061

736.205

749.457

760.098

764.463

Reisvoorziening gift (R)

790.046

692.420

27.293

853.376

882.099

907.884

927.882

Caribisch Nederland gift (R)

3.340

3.366

3.363

3.374

3.375

3.375

3.375

 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Overige uitgaven (R)

93.059

134.106

245.626

113.169

120.492

126.891

132.759

Leningen

2.543.858

2.811.665

3.051.863

3.256.492

3.320.032

3.336.405

3.356.420

Basisbeurs prestatiebeurs (NR)

  • 760.632
  • 622.265
  • 368.918
  • 202.540
  • 173.915
  • 183.793
  • 175.340

Aanvullende beurs prestatiebeurs (NR)

144.946

110.244

89.366

69.590

53.230

36.439

29.262

Reisvoorziening (NR)

175.475

130.999

107.360

106.206

92.729

81.792

81.008

Rentedragende lening (NR)

2.587.047

2.791.035

2.807.246

2.852.458

2.906.292

2.950.910

2.962.331

Collegegeldkrediet (NR)

332.520

327.402

333.365

339.584

345.062

349.410

352.747

Leven lang leren krediet (NR)

27.108

36.653

42.771

44.808

46.843

48.876

50.909

Overige uitgaven (NR)

37.395

37.597

40.673

46.386

49.791

52.771

55.503

Bijdrage aan agentschappen

122.370

128.682

132.335

126.272

128.362

132.181

137.387

Dienst Uitvoering Onderwijs

122.370

128.682

132.335

126.272

128.362

132.181

137.387

Ontvangsten

914.341

945.676

1.005.737

1.062.958

1.112.207

1.168.825

1.227.432

Ontvangsten (R)

119.190

95.705

98.882

99.751

102.795

115.759

129.649

Ontvangen rente (R)

76.887

59.204

68.453

75.391

80.480

93.486

107.515

Overige ontvangsten

(R)

42.303

36.501

30.429

24.360

22.315

22.273

22.134

Ontvangsten (NR)

795.151

849.971

906.855

963.207

1.009.412

1.053.066

1.097.783

Terugontvangen lening (NR)

795.151

849.971

906.855

963.207

1.009.412

1.053.066

1.097.783

 

Tabel 49 Indeling Budgettaire gevolgen van beleid naar Relevant en

Niet-relevant (bedragen x € 1.000)

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

relevante uitgaven:

2.773.532

2.512.079

1.716.076

2.244.913

2.255.640

2.295.279

2.323.598

niet relevante uitgaven:

2.543.858

2.811.665

3.051.862

3.256.492

3.320.032

3.336.405

3.356.420

relevante ontvangsten:

119.190

95.705

98.882

99.751

102.795

115.759

129.649

niet relevante ontvangsten:

795.151

849.971

906.855

963.207

1.009.412

1.053.066

1.097.783

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 11 is voor 2021 100 procent juridisch verplicht op basis van de Wet studiefinanciering 2000. Alternatieve aanwending vereist wijziging van wet- en regelgeving. De geraamde uitgaven Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) zijn volledig benodigd voor de uitvoering van de Wet.

Toelichting

Zowel voor de uitgaven als de ontvangsten wordt een onderscheid gemaakt tussen relevant en niet-relevant. Relevant betekent: relevant voor het EMU-saldo en daarmee relevant voor het uitgavenplafond. De relevante uitgaven worden hoofdzakelijk gevormd door studiefinanciering die meteen als gift wordt toegekend en uitgekeerde prestatiebeurs die wordt omgezet in een gift (na het behalen van het diploma binnen tien jaar). Onder de niet-relevante uitgaven vallen vooral de prestatiebeursuitgaven (zolang die nog niet zijn omgezet in een gift) en de rentedragende leningen. Deze uitgaven zijn niet-relevant voor het uitgavenplafond, maar worden wel meegerekend in de EMU-schuld. De relevante ontvangsten worden vooral gevormd door de ontvangen rente op leningen. De niet-relevante ontvangsten betreffen hoofdzakelijk aflossingen op de hoofdsom van de rentedragende leningen.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

Inkomensoverdrachten

Basisbeurs

Sinds het studiejaar 2015/2016 geldt voor nieuwe studenten in het hoger onderwijs (ho) het studievoorschot. De basisbeurs in het ho is vervangen door de mogelijkheid om gebruik te maken van een leenvoorziening tegen sociale terugbetaalvoorwaarden. Studenten die voordien zijn ingestroomd, vallen voor hun bachelor of master nog onder het oude stelsel en ontvangen in enkele gevallen nog een basisbeurs. Voor mbo-studenten van achttien jaar en ouder in de beroepsopleidende leerweg (bol) is de basisbeurs onveranderd gebleven. Om voor deze groep de financiële toegankelijkheid tot het onderwijs te garanderen, ontvangen zij een bijdrage in de vorm van een basisbeurs. Voor studenten in de bol niveau 1 en 2 is de basisbeurs direct een gift. Studenten in de bol niveau 1 en 2 vallen niet onder het prestatiebeursregime omdat studenten op deze niveaus nog niet over een startkwalificatie beschikken. Voor wie er niet in slaagt een startkwalificatie te halen, wordt het terugbetalen van de prestatiebeurs al snel problematisch. Door het beschikbaar stellen van de basisbeurs in de vorm van een gift, draagt dit bij aan het wegnemen van financiële belemmeringen voor studenten in de bol niveau 1 en 2.

Studenten in de bol niveau 3 en 4 hebben recht op een basisbeurs onder het prestatiebeursregime. Het prestatiebeursregime geeft hen een prikkel om de opleiding binnen 10 jaar na de eerst opgenomen studiefinanciering met succes af te ronden.

Tabel 50 Totaal aantal studenten met studiefinanciering (vanaf 2020 afgeronde raming)1

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Studenten met basisbeurs

230.111

215.200

210.900

212.700

213.500

213.300

213.900

bol

213.388

210.000

208.300

211.300

212.700

213.300

213.900

hbo

15.235

4.200

2.100

1.100

600

0

0

wo

1.488

1.000

500

300

200

0

0

Studenten zonder basisbeurs

547.147

551.800

558.500

564.000

566.300

565.900

562.980

bol

16.873

16.600

16.500

16.700

16.800

16.900

16.900

hbo

321.903

324.800

323.600

321.700

318.700

314.800

309.351

wo

208.371

210.400

218.400

225.600

230.800

234.200

236.729

Totaal

777.258

767.000

769.400

776.700

779.800

779.200

776.880

1 Bron 2019: realisatiegegevens DUO; Bron 2020 - 2025: ramingsmodel SF

Toelichting

Deze gegevens laten het verwachte gebruik zien van de regeling. Het aantal studenten met studiefinanciering volgt het aantal voltijds studenten in het ho en de bol, maar ligt lager omdat niet iedere student die ingeschreven is ook daadwerkelijk aanspraak maakt op studiefinanciering.

Naast de groep studenten met een basisbeurs is er een groep die geen aanspraak meer kan maken op de basisbeurs (omdat de maximale duur is verbruikt of omdat ze onder het studievoorschot vallen), maar (nog) wel recht heeft op een lening en eventueel de reisvoorziening en de aanvullende beurs. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot vond een verschuiving plaats van het aantal studenten met een basisbeurs naar het aantal studenten zonder basisbeurs.

De gegevens zijn inclusief aantallen studenten die met een meeneembare studiefinanciering een volledige opleiding in het buitenland volgen.

Tabel 51 Uitgaven basisbeurs gift (bedragen x € 1.000)1

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Uitbetaalde basisbeurs gift

83.145

89.623

83.471

84.475

88.677

89.654

90.334

bol

80.205

86.746

83.471

84.475

88.677

89.654

90.334

hbo

1.516

1.619

0

0

0

0

0

wo

1.424

1.258

0

0

0

0

0

Naar gift omgezette basisbeurs prestatiebeurs

1.016.141

771.969

510.926

328.042

283.178

275.196

267.398

bol

223.108

210.287

206.750

203.485

209.509

211.227

213.229

hbo

508.966

302.705

186.327

56.245

38.533

33.683

28.783

wo

284.067

258.977

117.849

68.312

35.136

30.286

25.386

Totaal

1.099.286

861.592

594.397

412.517

371.855

364.850

357.732

1 Bron 2019: realisatiegegevens DUO; Bron 2020 - 2025: ramingsmodel SF

Toelichting

In tabel 51 worden de geraamde relevante uitgaven voor de basisbeurs gepresenteerd. De hoogte van de basisbeurs is genormeerd en wordt verstrekt gedurende de nominale studieduur. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot dalen de omzettingen van prestatiebeurs naar gift in het ho.

Aanvullende beurs

In de studiefinanciering wordt recht gedaan aan de bijdrage die ouders kunnen leveren aan de opleiding van hun kinderen. Daarom wordt rekening gehouden met een zogenoemde ouderlijke bijdrage. In het geval dat ouders onvoldoende inkomen hebben om die bijdrage te leveren, hebben studenten een extra financiële belemmering. Om deze belemmering weg te nemen wordt aan hen een aanvullende beurs verstrekt die afhankelijk is van het ouderlijk inkomen.

Studenten in de bol niveau 1 en 2 met recht op aanvullende beurs krijgen dit direct als gift, aangezien zij nog geen startkwalificatie hebben bereikt.

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en in het ho met recht op aanvullende beurs vallen onder het prestatiebeursregime. De eerste 5 maanden krijgen de studenten in het ho de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Studenten in de bol niveau 3 en 4 krijgen de eerste 12 maanden de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Na deze periode wordt de aanvullende beurs uitgekeerd onder het prestatiebeursregime.

Voor studenten die onder het studievoorschot vallen is de maximale aanvullende beurs hoger dan voor studenten die hier (nog) niet onder vallen.

Tabel 52 Totaal aantal studenten met een aanvullende beurs (vanaf 2020 afgeronde raming)1

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

bol

108.074

106.400

105.400

107.000

107.700

107.900

108.200

hbo

88.969

88.900

88.000

87.200

86.200

85.000

83.600

wo

31.295

32.400

33.100

33.900

34.500

35.000

35.400

Totaal

228.338

227.700

226.500

228.100

228.400

227.900

227.200

1 Bron 2019: realisatiegegevens DUO; Bron 2020 - 2025: ramingsmodel SF

Toelichting

Deze tabel laat het aantal studenten met een aanvullende beurs zien. In de bol wordt vaker een beroep gedaan op de aanvullende beurs dan in het hbo en in het hbo vaker dan in het wo.

Tabel 53 Uitgaven aanvullende beurs gift (bedragen x € 1.000)1

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Uitbetaalde aanvullende beurs gift

282.850

285.177

285.270

290.745

292.105

292.365

292.458

bol

229.322

230.238

230.106

235.205

236.751

237.391

238.030

hbo

41.841

42.603

42.485

42.470

42.032

41.454

40.750

wo

11.687

12.336

12.679

13.070

13.322

13.520

13.678

Naar gift omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

382.581

406.736

427.791

445.460

457.352

467.733

472.005

bol

151.285

141.357

141.155

139.483

137.736

138.360

138.331

hbo

167.652

193.802

209.834

224.404

235.286

242.711

245.127

wo

63.644

71.577

76.802

81.573

84.330

86.662

88.547

Totaal

665.431

691.913

713.061

736.205

749.457

760.098

764.463

1 Bron 2019: realisatiegegevens DUO; Bron 2020 - 2025: ramingsmodel SF

Toelichting

In de tabel 53 worden de geraamde relevante uitgaven voor de aanvullende beurs gepresenteerd. De hoogte van de aanvullende beurs is genormeerd.

Voor studenten in het hoger onderwijs die niet onder het studievoorschot vallen, is de aanvullende beurs naast het inkomen van de ouders onder andere afhankelijk van de woonsituatie van de studerende; thuis- of uitwonend, maximaal respectievelijk € 265,42 of € 287,95 (zie tabel 47).

De hoogte van de maximale aanvullende beurs voor studenten die onder het studievoorschot vallen is € 403,17. De woonsituatie van de studerende (thuis- of uitwonend) is dan niet langer bepalend voor de hoogte van de aanvullende beurs.

Het verloop van deze uitgaven is voor een groot deel afhankelijk van de prijsontwikkeling. Daarnaast is de ontwikkeling in het aantal studenten met minder draagkrachtige ouders en de deelname aan het onderwijs hier van invloed, en spelen exogene factoren een rol, zoals de ontwikkeling van de conjunctuur en de daarmee samenhangende inkomensontwikkeling.

Reisvoorziening

Als onderdeel van het stelsel van studiefinanciering, draagt een reisvoorziening bij aan de toegankelijkheid van het onderwijs. Meer in het bijzonder is het doel van de reisvoorziening om studenten te faciliteren in het reizen van huis naar de onderwijsinstelling en van huis naar de stageplaatsen.

Tabel 54 Totaal aantal studenten met reisvoorziening (vanaf 2020 afgeronde raming)1

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Aantal gebruikers van het reisrecht

792.104

795.000

793.200

796.600

797.800

797.900

798.000

bol minderjarig

111.281

111.900

110.100

108.200

106.900

106.900

108.100

bol

216.548

215.600

213.800

216.900

218.300

218.900

219.600

ho

464.275

467.500

469.300

471.500

472.600

472.100

470.300

Aantal RBS

17.250

16.300

16.400

16.600

16.700

16.700

16.700

bol

2.605

2.400

2.400

2.500

2.500

2.500

2.500

ho

14.645

13.900

14.000

14.100

14.200

14.200

14.200

Totaal

809.354

811.300

809.600

813.200

814.500

814.600

814.700

1 Bron 2019: realisatiegegevens DUO; Bron 2020 - 2025: ramingsmodel SF

Toelichting

De reisvoorziening kan in twee vormen worden toegekend: een reisproduct op een persoonlijke ov-chipkaart (week- of weekendabonnement) of een financiële vergoeding voor studenten die studeren in het buitenland (reisvergoeding buitenland studerenden, RBS).

Voltijdstudenten in het ho kunnen gebruik maken van de reisvoorziening voor de duur van de nominale studie en één uitloopjaar. Studenten in de bol kunnen gebruik maken van de reisvoorziening voor de duur van de nominale studie en drie uitloopjaren. Sinds 1 januari 2017 hebben ook minderjarige studenten in de bol recht op de reisvoorziening.

De reisvoorziening is onderdeel van de prestatiebeurs voor studenten in de bol niveau 3 en 4 en voor studenten in het ho. Voor studenten in de bol niveau 1 en 2 wordt de reisvoorziening direct als gift verstrekt.

Tabel 55 Uitgaven reisvoorziening (bedragen x € 1.000)1

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Uitbetaalde reisvoorziening gift

89.552

92.148

93.227

95.533

97.598

99.832

102.452

bol

79.372

81.381

82.052

83.934

85.594

87.457

89.732

ho

10.179

10.767

11.175

11.600

12.004

12.375

12.720

Naar gift omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

654.992

684.566

723.284

739.190

765.354

787.786

805.339

bol

184.301

218.557

255.845

269.320

282.229

289.065

294.076

ho

470.691

466.009

467.439

469.870

483.125

498.721

511.263

Bijdrage studerenden aan OV-contract

  • - 
    912.229
  • - 
    945.603
  • - 
    960.920
  • - 
    983.437
  • - 
    1.003.652
  • - 
    1.022.849
  • - 
    1.042.207

bol

  • 378.130
  • 387.505
  • 390.818
  • 400.241
  • 408.439
  • 417.371
  • 428.105

ho

  • 534.098
  • 558.098
  • 570.102
  • 583.196
  • 595.213
  • 605.477
  • 614.102

Kosten contract OV-bedrijven

957.731

861.308

171.702

1.002.089

1.022.799

1.043.114

1.062.298

Totaal reisvoorziening

790.046

692.420

27.293

853.376

882.099

907.884

927.882

1 Bron 2019: realisatiegegevens DUO; Bron 2020 - 2025: ramingsmodel SF

Toelichting

Bij de kosten contract OV-bedrijven zal in 2021 een veel lager bedrag uitgegeven worden dan in de andere jaren. Dit heeft te maken met verschillende kasschuiven ter hoogte van in totaal € 825,0 miljoen. Het betreft allereerst een kasschuif van € 425,0 miljoen van 2021 naar 2018. Daarnaast zijn er twee kasschuiven van € 200,0 miljoen van 2021 naar 2020. Contractueel is vastgelegd dat het Ministerie van OCW de vergoeding voor de OV-studentenkaart uiterlijk medio januari van het betreffende jaar aan de vervoerbedrijven betaalt. Door de betaling aan de vervoerbedrijven (gedeeltelijk) al aan het eind van het voorafgaande jaar in plaats van aan het begin van het betreffende jaar te doen, kan zonder af te wijken van de afspraken met de vervoerbedrijven een bijdrage worden geleverd aan de optimalisering van de kasritmes van de Staat over de jaren heen.

Overige uitgaven

De geraamde overige uitgaven omvatten voornamelijk technische posten, waaronder achterstallige rechten en boekingen tussen relevante en niet-relevante uitgaven en kwijtscheldingen. De totale kosten voor de tegemoetkoming studenten mbo en ho als gevolg van de coronamaatregelen zijn opgenomen onder de post overige uitgaven, hierdoor vallen 2020 en 2021 hoger uit.

Leningen

Onder de niet-relevante uitgaven vallen de uitgaven die niet relevant zijn voor het EMU-saldo, maar wel doorwerken op de EMU-schuld. Het betreft hier de prestatiebeurzen, de rentedragende leningen, het collegegeldkrediet en het leven lang leren krediet.

Basisbeurs

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en in het ho hebben recht op een basisbeurs onder het prestatiebeursregime. Sinds het studiejaar 2015/2016 geldt voor nieuwe studenten in het hoger onderwijs het studievoorschot.

Tabel 56 Uitgaven basisbeurs prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)1

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Uitbetaalde basisbeurs

287.270

261.773

251.768

250.942

250.383

248.201

248.858

bol

234.729

239.308

237.611

241.199

242.890

243.482

244.203

hbo

47.396

18.324

11.522

7.924

6.083

4.105

4.034

wo

5.145

4.141

2.635

1.819

1.410

614

621

Naar gift omgezette basisbeurs prestatiebeurs

  • - 
    1.016.143
  • - 
    771.969
  • - 
    510.926
  • - 
    328.042
  • - 
    283.178
  • - 
    275.195
  • - 
    267.398

bol

  • 223.110
  • 210.287
  • 206.750
  • 203.485
  • 209.509
  • 211.226
  • 213.229

hbo

  • 508.966
  • 302.705
  • 186.327
  • 56.245
  • 38.533
  • 33.683
  • 28.783

wo

  • 284.067
  • 258.977
  • 117.849
  • 68.312
  • 35.136
  • 30.286
  • 25.386

Naar lening omgezette basisbeurs prestatiebeurs

  • - 
    31.759
  • - 
    112.070
  • - 
    109.760
  • - 
    125.440
  • - 
    141.120
  • - 
    156.800
  • - 
    156.800

bol

  • 3.348
  • 9.148
  • 8.960
  • 10.240
  • 11.520
  • 12.800
  • 12.800

hbo

  • 15.119
  • 71.473
  • 70.000
  • 80.000
  • 90.000
  • 100.000
  • 100.000

wo

  • 13.292
  • 31.449
  • 30.800
  • 35.200
  • 39.600
  • 44.000
  • 44.000

Totaal

  • - 
    760.632
  • - 
    622.265
  • - 
    368.918
  • - 
    202.540
  • - 
    173.915
  • - 
    183.794
  • - 
    175.340

1 Bron 2019: realisatiegegevens DUO; Bron 2020 - 2025: ramingsmodel SF

Toelichting

In tabel 56 worden de geraamde niet-relevante uitgaven voor de basisbeurs gepresenteerd. Als gevolg van de invoering van het studievoorschot daalde het aantal toekenningen in het hbo en wo vanaf 2015. Met de invoering van het Programma Vernieuwing Studiefinanciering (PVS) vindt de omzetting van prestatiebeurs naar lening op een later moment plaats. Voorheen werd een prestatiebeurs naar lening omgezet als een student gestopt was met de studie. Nu wordt een prestatiebeurs naar lening omgezet als een student uit de diplomatermijn van 10 jaar loopt, zodat er later bij het behalen van een diploma niet alsnog hoeft te worden omgezet en moet worden verrekend met eventueel betaalde termijnen. Dit zorgt ervoor dat er een oplopende trend zit in de omzettingen van prestatiebeurs naar lening, die ook terug te zien is bij de aanvullende beurs en de reisvoorziening.

Aanvullende beurs

Studenten in de bol niveau 3 en 4 en het ho met recht op aanvullende beurs vallen onder het prestatiebeursregime. De eerste 5 maanden krijgen de studenten in het ho de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Studenten in de bol niveau 3 en 4 krijgen de eerste 12 maanden de aanvullende beurs als gift uitgekeerd. Na deze periode wordt de aanvullende beurs uitgekeerd onder het prestatiebeursregime.

Tabel 57 Uitgaven aanvullende beurs prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)1

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Uitbetaalde aanvullende beurs

538.180

552.477

551.757

554.449

554.781

553.173

550.267

bol

160.014

160.299

159.220

161.620

162.726

163.191

163.700

 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

hbo

276.478

284.838

282.620

280.460

277.586

273.730

269.003

wo

101.688

107.340

109.917

112.369

114.469

116.252

117.564

Naar gift omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

  • - 
    382.581
  • - 
    406.736
  • - 
    427.791
  • - 
    445.459
  • - 
    457.351
  • - 
    467.733
  • - 
    472.005

bol

  • 151.285
  • 141.357
  • 141.155
  • 139.482
  • 137.735
  • 138.360
  • 138.331

hbo

  • 167.652
  • 193.802
  • 209.834
  • 224.404
  • 235.286
  • 242.711
  • 245.127

wo

  • 63.644
  • 71.577
  • 76.802
  • 81.573
  • 84.330
  • 86.662
  • 88.547

Naar lening omgezette aanvullende beurs prestatiebeurs

  • - 
    10.653
  • - 
    35.497
  • - 
    34.600
  • - 
    39.400
  • - 
    44.200
  • - 
    49.000
  • - 
    49.000

bol

  • 2.058
  • 14.494
  • 14.168
  • 16.168
  • 18.168
  • 20.168
  • 20.168

hbo

  • 4.536
  • 15.303
  • 14.847
  • 16.847
  • 18.847
  • 20.847
  • 20.847

wo

  • 4.059
  • 5.700
  • 5.585
  • 6.385
  • 7.185
  • 7.985
  • 7.985

Totaal

144.946

110.244

89.366

69.590

53.230

36.440

29.262

1 Bron 2019: realisatiegegevens DUO; Bron 2020 - 2025: ramingsmodel SF

Toelichting

In tabel 57 worden de geraamde niet-relevante uitgaven voor de aanvullende beurs gepresenteerd. Het verloop van deze uitgaven is voor een groot deel afhankelijk van de prijsontwikkeling. Daarnaast is de ontwikkeling in het aantal studenten met minder draagkrachtige ouders en de deelname aan het onderwijs hier van invloed, en spelen exogene factoren een rol, zoals de ontwikkeling van de conjunctuur en de daarmee samenhangende inkomensontwikkeling.

Reisvoorziening

Tabel 58 Uitgaven reisvoorziening prestatiebeurs (bedragen x € 1.000)1

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Uitbetaalde reisvoorziening

843.509

854.874

869.144

889.396

907.583

924.578

941.347

bol

302.056

306.576

309.223

316.779

323.327

330.407

338.876

ho

541.453

548.298

559.921

572.617

584.256

594.171

602.471

Naar gift omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

  • - 
    654.992
  • - 
    684.566
  • - 
    723.284
  • - 
    739.190
  • - 
    765.354
  • - 
    787.786
  • - 
    805.339

bol

  • 184.301
  • 218.557
  • 255.845
  • 269.320
  • 282.229
  • 289.065
  • 294.076

ho

  • 470.691
  • 466.009
  • 467.439
  • 469.870
  • 483.125
  • 498.721
  • 511.263

Naar lening omgezette reisvoorziening prestatiebeurs

  • - 
    13.042
  • - 
    39.309
  • - 
    38.500
  • - 
    44.000
  • - 
    49.500
  • - 
    55.000
  • - 
    55.000

bol

  • 1.514
  • 3.573
  • 3.500
  • 4.000
  • 4.500
  • 5.000
  • 5.000

ho

  • 11.527
  • 35.736
  • 35.000
  • 40.000
  • 45.000
  • 50.000
  • 50.000

Totaal reisvoorziening

175.475

130.999

107.360

106.206

92.729

81.792

81.008

1 Bron 2019: realisatiegegevens DUO; Bron 2020 - 2025: ramingsmodel SF

Toelichting

In tabel 58 worden de geraamde niet-relevante uitgaven voor de reisvoorziening gepresenteerd.

Tabel 59 Niet-relevante uitgaven leenfaciliteit (bedragen x € 1.000)1

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Rentedragende lening

2.587.047

2.791.035

2.807.246

2.852.458

2.906.292

2.950.910

2.962.331

Collegegeldkrediet

332.520

327.402

333.365

339.584

345.062

349.410

352.747

Leven lang leren krediet

27.108

36.653

42.771

44.808

46.843

48.876

50.909

Totaal

2.946.677

3.155.090

3.183.382

3.236.848

3.298.197

3.349.196

3.365.989

1 Bron 2019: realisatiegegevens DUO; Bron 2020 - 2025: ramingsmodel SF

Toelichting

Het totale bedrag dat wordt geleend stijgt jaarlijks vanwege onder andere hogere studentenaantallen en hogere gerealiseerde leningen. Het college-geldkrediet loopt in 2020 iets terug vanwege de wetsaanpassing collegegeld halvering. Het maximaal aan te vragen collegegeldkrediet voor eerstejaarsstudenten is per collegejaar 2020-2021 ook gehalveerd.

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Ontvangsten

Leningen worden terugbetaald naar draagkracht. Wie gelet op zijn of haar inkomen niet kan terugbetalen, hoeft niet of minder terug te betalen. Voor wie bewust leent, is de studielening hiermee een veilig instrument voor de financiering van onderwijs.

Tabel 60 Relevante ontvangsten (bedragen x € 1.000)1

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Ontvangen rente

76.887

59.204

68.453

75.391

80.480

93.486

107.515

Overige ontvangsten

42.303

36.501

30.429

24.360

22.315

22.273

22.134

Renteloos voorschot en relevante

1.212

1.155

1.083

1.014

969

927

788

rentedragende lening

 

Kortlopende vorderingen

41.091

35.346

29.346

23.346

21.346

21.346

21.346

Totaal relevante ontvangsten

119.190

95.705

98.882

99.751

102.795

115.759

129.649

1 Bron 2019: realisatiegegevens DUO; Bron 2020 - 2025: ramingsmodel SF

Toelichting

De relevante ontvangsten bestaan uit verschillende posten, waarvan de ontvangen rente de grootste is. De overige relevante ontvangsten bestaan voor het grootste deel uit kortlopende vorderingen, die ontstaan doordat onterecht ontvangen studiefinanciering wordt teruggevorderd. De relevante rentedragende lening betreft leningen van vóór 1992; het renteloze voorschot betreft voornamelijk studieleningen die zijn verstrekt vóór 1986 en waarover geen rente verschuldigd is.

De niet-relevante ontvangsten ontstaan door terugbetaling van de hoofdsom op studieleningen. De ontvangsten nemen de komende jaren toe, omdat er in eerdere jaren meer is geleend.

3.8 Artikel 12. Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

  • A. 
    Algemene doelstelling

De tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten zorgt ervoor dat leerlingen vanaf 18 jaar in het voortgezet onderwijs (vo) en studenten aan een lerarenopleiding de financiële mogelijkheden hebben om onderwijs te volgen.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs in Nederland.

Financieren

De Minister financiert het stelsel waarbij de financiële toegankelijkheid is gewaarborgd. De leerling (voortgezet onderwijs) of student (lerarenopleiding) kan in aanmerking komen voor een tegemoetkoming bestaande uit een maandelijkse basistoelage, een eventuele bijdrage in de schoolkosten en een eventuele bijdrage in het les- of cursusgeld.

Kengetallen

Voor indicatoren/kengetallen over de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage Schoolkosten (WTOS) wordt verwezen naar OCW in Cijfers.

Tabel 61 Normbedragen WTOS in euro's (per maand, tenzij anders vermeld)1

 
 

Schoolkosten Les-

of cursusgeld

Basistoelage thuiswonend

Basistoelage uitwonend

Leerlingen in het vo vanaf 18 jaar

vo onderbouw

82,64

     

niet bekostigd vo onderbouw

113,14

100,17

117,2

273,26

vo bovenbouw

90,47

 

117,2

273,26

niet bekostigd vo bovenbouw

121,02

100,17

117,2

273,26

vso

54,89

 

117,2

273,26

vavo

121,02

100,17

117,2

273,26

Tegemoetkoming studenten 18+ deeltijd en vavo 18+ deeltijd2

bij 540 of meer lesminuten per week

325,71

379,2

   

tussen 270 en 540 minuten per week

219,44

252,8

   

Lerarenopleidingen2

761,23

567,23

   

1    Peildatum schooljaar 2020/2021

2    Bedragen per schooljaar

Toelichting

De normbedragen zijn gedifferentieerd naar schoolsoort en naar fase (boven- en onderbouw) op basis van kostenverschillen. Havo 4 en 5 en vwo 4, 5 en 6 worden tot de vo bovenbouw gerekend, de andere schoolsoorten in het vo tot de onderbouw.

  • C. 
    Beleidswijzigingen

Er zijn voor dit artikel geen beleidswijzigingen voorzien.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 62 Budgettaire gevolgen van beleid art. 12 (bedragen x € 1.000)

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

76.013

74.876

72.432

71.040

69.323

68.153

67.401

Totale uitgaven

76.013

74.876

72.432

71.040

69.323

68.153

67.401

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
 

Inkomensoverdracht

73.608

72.382

69.903

68.485

66.756

65.552

64.817

Minderjarige deelnemers bol (R )

12

0

0

0

0

0

0

Tegemoetkoming lerarenopleiding (tlo) (R)

3.847

3.909

3.909

3.909

3.909

3.909

3.909

Deeltijd vo (R)

2.558

2.597

2.597

2.597

2.597

2.597

2.597

Volwassenenonderwijs (vavo) (R)

4.920

4.912

4.758

4.649

4.533

4.416

4.328

Meerderjarige scholieren vo (R)

58.759

57.502

55.235

53.933

52.309

51.205

50.576

Meerderjarige scholieren vso (R)

3.510

3.462

3.404

3.397

3.408

3.425

3.407

Leningen

0

0

0

0

0

0

0

STOEB/ALR (NR)

0

0

0

0

0

0

0

Bijdrage aan agentschappen

2.405

2.494

2.529

2.555

2.567

2.601

2.584

Dienst Uitvoering Onderwijs

2.405

2.494

2.529

2.555

2.567

2.601

2.584

Ontvangsten

3.463

3.279

3.167

3.103

3.025

2.971

2.938

Minderjarige deelnemers bol (R)

71

0

0

0

0

0

0

Tegemoetkoming lerarenopleiding en deeltijd vo (R)

327

327

327

327

327

327

327

Meerderjarige scholieren v(s)o en vavo (R)

3.065

2.952

2.840

2.776

2.698

2.644

2.611

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 12 is voor 2021 100 procent juridisch verplicht op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS). Alternatieve aanwending vereist wijziging van weten regelgeving. De geraamde uitgaven Dienst Uitvoerings Onderwijs (DUO) zijn volledig benodigd voor de uitvoering van de Wet.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

Inkomensoverdracht

Onderstaande aantallen geven een indicatie van het gebruik van de diverse regelingen. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld. Uitgangspunt is dat de WTOS wordt benut naar gelang er behoefte is vanuit de groepen voor wie deze bedoeld is.

Tabel 63 Aantal gebruikers per regeling 1

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Aantal gebruikers tegemoetkoming lerarenopleiding en deeltijd vo

7.273

7.300

7.300

7.300

7.300

7.300

7.300

Aantal meerderjarige gebruikers v(s)o en vavo

34.573

32.800

31.600

30.900

30.000

29.400

29.000

1 Bron 2019: realisatiegegevens DUO; Bron 2020-2025: ramingsmodel SF

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Het betreft het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Ontvangsten

De geraamde ontvangsten hebben betrekking op te veel of ten onrechte uitgekeerde WTOS-uitkeringen.

3.9 Artikel 13. Lesgelden

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het genereren van inkomsten voor de financiering van het onderwijs.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

Financieren

De Minister financiert een groot deel van de kosten voor het volgen van kwalitatief goed onderwijs, omdat de maatschappij baat heeft bij geschoolde burgers. Het individu heeft echter ook profijt van scholing en betaalt daarom lesgeld.

Kengetallen

In de Les- en cursusgeldwet is vastgelegd voor wie, wanneer en op welke wijze het lesgeld wordt vastgesteld. De hoogte van het lesgeld wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de algemene prijsontwikkeling. In onderstaande tabel staan de lesgeldbedragen aangegevens (vastgesteld tot en met schooljaar 2019-20).

Tabel 64 Lesgeldbedrag (bedragen x € 1)

2019/20    2020/21    2021/22    2022/23    2023/24    2024/25    2025/26

Lesgeld    1.168    1.202    1.202    1.202    1.202    1.202    1.202

  • C. 
    Beleidswijzigingen

Er zijn voor dit artikel geen beleidswijzigingen voorzien.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 65 Budgettaire gevolgen van beleid art. 13 (bedragen x € 1.000)

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

12.831

13.780

13.997

14.149

14.221

14.562

14.556

Totale uitgaven

12.831

13.780

13.997

14.149

14.221

14.562

14.556

waarvan juridisch verplicht (%)

   

100%

       
 

Bijdrage aan agentschappen

12.831

13.780

13.997

14.149

14.221

14.562

14.556

Dienst Uitvoering Onderwijs

12.831

13.780

13.997

14.149

14.221

14.562

14.556

Ontvangsten

245.727

244.236

247.018

254.513

260.287

265.335

270.104

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 13 is voor 2021 100 procent juridisch verplicht. De geraamde uitgaven Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) zijn volledig benodigd voor de uitvoering van de Les- en cursusgeldwet.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

Bijdrage aan agentschappen

De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van OCW en levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, studiefinanciering en informatievoorziening. De geraamde uitgaven betreffen het aandeel in de uitvoeringskosten van DUO voor dit begrotingsartikel.

Ontvangsten

Door het betalen van lesgeld leveren deelnemers en leerlingen van 18 jaar en ouder een bijdrage in de kosten van het onderwijs.

Tabel 66 Aantal lesgeldplichtigen 1

2019    2020    2021    2022    2023    2024    2025

bol/vo    214.336    211.000    209.200    212.300    213.700    214.200    214.900

1 Bron 2019: realisatiegegevens DUO; Bron 2020-2025: ramingsmodel SF

Toelichting

Bovenstaande tabel geeft een beeld van het bereik van de regeling. Er zijn geen basiswaarden en streefwaarden vastgesteld, omdat het aantal lesgeldplichtigen een afgeleide is van de demografische ontwikkelingen en de keuze van opleiding door de deelnemers/leerlingen.

3.10 Artikel 14. Cultuur

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het bevorderen van een sterke, pluriforme, toegankelijke en kwalitatief hoogwaardige cultuursector en het zorgen voor het erfgoed.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De verantwoordelijkheid van de Minister is in de Wet op het specifiek cultuurbeleid verankerd. De Minister is verantwoordelijk voor het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen en sociaal en geografisch spreiden van cultuuruitingen. Overwegingen van kwaliteit en verscheidenheid zijn daarbij leidend. Dit is aanvullend op het cultuuraanbod dat zonder betrokkenheid van de overheid tot stand komt. De Minister is ook verantwoordelijk voor de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, de Erfgoedwet en de Archiefwet.

Financieren

De Minister heeft een financierende rol door het bekostigen van de basisinfrastructuur cultuur en subsidiëring van specifieke (wettelijke) programma's en regelingen op de terreinen erfgoed, kunsten, letteren en bibliotheken.

Stimuleren

De Minister heeft een stimulerende rol bij het versterken van de cultuursector door programma's als cultuureducatie, leesbevordering, cultuurparticipatie, ondernemerschap, historisch-democratisch bewustzijn en internationaal cultuurbeleid.

Regisseren

De Minister heeft een regisserende rol bij de uitvoering van en toezicht op het behoud en beheer van het erfgoed en (digitale) archieven. Dit betreft onder meer de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, de Erfgoedwet en de Archiefwet. Toezicht op naleving van de laatste twee wetten ligt bij de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed. De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en de rijksgesubsidieerde musea zijn onder andere belast met de uitvoering van de Erfgoedwet. Het Nationaal Archief geeft uitvoering aan de Archiefwet.

Kengetallen

 

Tabel 67 Kengetallen

Kengetal

2015

2016

2017

2018

1 Percentage van de bevolking van 6 jaar en ouder dat voorstellingen, musea en bibliotheken heeft bezocht1

 

89%

 

89%

2 Percentage bevolking 6 jaar en ouder dat erfgoed heeft bezocht1

 

59%

 

63%

3 Percentage kinderen en jongeren tussen 6 en 19 jaar dat voorstellingen, musea en bibliotheken heeft bezocht2

 

99% (6-11 jaar)

99% (12-19 jaar)

 

98%

(6-11 jaar) 100% (12-19 jaar)

1    Bron: SCP/CBS (Vrijetijdsomnibus 2012-2018), maatwerktabel, op verzoek door SCP geleverd.

2    Bron: SCP/CBS (Vrijetijdsomnibus 2012-2018), maatwerktabel, op verzoek door SCP geleverd. De Vrijetijdsomnibus (VTO) is een tweejaarlijks onderzoek naar cultuur- en sportparticipatie van de Nederlandse bevolking. Het onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) wordt eens in de twee jaar uitgevoerd. De gegevens over 2018 zijn de meest recente. De VTO2018 peiling verschilde van de eerdere peilingen. Voortschrijdend inzicht bij het CBS leidde tot een andere 'waarnemingsstrategie'. Dit is echter niet zonder consequenties voor de vergelijkbaarheid met eerdere jaren. Er is voor gekozen om de data van eerdere VTO's met terugwerkende kracht te herwegen, zodat het net is of destijds ook al de 2018 gehanteerde waarnemingsstrategie was gebruikt. De vergelijkbaarheid van 2018 is hersteld met de eerdere jaren, en heeft als consequentie dat de cijfers over die eerdere jaren wat anders kunnen uitvallen dan eerder is gepubliceerd. In de regel leidde dit overigens niet tot grote verschillen.

Toelichting

Cultuurbereik

Deze kengetallen geven inzicht in het cultuurbereik en zijn daarmee in lijn met de algemene doelstelling voor artikel 14; het bevorderen van de deelname aan cultuur.

In 2018 bezochten negen op de tien mensen van 6 jaar en ouder jaarlijks ten minste één keer een culturele voorstelling, tentoonstelling, evenement of culturele instelling.

Erfgoed (archieven, opgravingen, historische plekken en historische evenementen) werd door 63% van de mensen bezocht.

Op basis van deze gegevens blijkt dat bijna alle kinderen en jongeren tot en met 19 jaar in 2018 minstens één keer een voorstelling, een museum of bibliotheek bezochten.

De cijfers over 2016 verschillen van wat eerder is gepubliceerd als gevolg van een methodologische wijziging die met terugwerkende kracht is doorgevoerd. In de regel leidde dit overigens niet tot grote verschillen. Meer kengetallen en indicatoren rondom de doelen en functies van het cultuurstelsel worden in woord, beeld en cijfers gepresenteerd in OCW in cijfers.

  • C. 
    Beleidswijzigingen

Vanaf 2021 start de nieuwe basisinfrastructuur (BIS), met ruimte voor nieuwe genres en spelers met aandacht voor de jeugd en samenwerking met de stedelijke regio's. Al met al wordt er € 27,3 miljoen extra ingezet in de BIS en € 17,1 miljoen bij de cultuurfondsen.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 68 Budgettaire gevolgen van beleid art. 14 (bedragen x € 1.000)

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

564.102

2.926.808

331.519

322.374

334.677

1.990.457

451.593

waarvan garantieverplichtingen

8.404

  • 31.130

0

0

0

0

0

waarvan overig

555.698

2.957.938

331.519

322.374

334.677

1.990.457

451.593

Totale uitgaven

960.734

1.269.733

1.001.772

973.450

982.955

980.442

975.877

waarvan juridisch verplicht (%)

   

96,1%

       
 

Bekostiging

829.903

1.069.795

890.951

868.226

878.119

878.384

875.191

Culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse instellingen

246.119

361.777

220.817

222.512

222.552

222.717

222.267

Culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse fondsen

202.722

313.075

193.121

192.143

192.143

192.143

191.800

Huisvesting erfgoed

87.088

88.645

0

0

0

0

0

Beheer en onderhoud collecties erfgoed

46.898

42.664

0

0

0

0

0

Museale instellingen met een wettelijke taak

0

0

217.302

202.902

202.902

202.902

200.502

Stelseltaken openbare bibliotheekvoorzieningen

0

682

23.637

23.616

23.616

23.616

23.616

Digitale openbare bibliotheek

0

341

16.536

16.536

16.536

16.536

16.536

Bibliotheekvoorziening leesgehandicapten

0

279

12.290

12.290

12.290

12.290

12.290

Monumentenzorg

205.974

218.304

159.340

140.056

135.543

135.643

135.643

Archieven incl. Regionale Historische Centra

25.860

26.550

27.180

27.180

27.180

27.180

27.180

Flankerend beleid huisvesting

5.024

6.681

6.681

6.681

6.681

6.681

6.681

Cultuureducatie met Kwaliteit

10.218

10.797

14.047

24.310

38.676

38.676

38.676

Subsidies (regelingen)

71.099

133.774

42.916

41.578

42.215

42.509

43.842

Verbreden inzet cultuur

14.233

14.179

7.454

9.144

10.166

11.641

13.706

Internationaal cultuurbeleid (incl. HGIS)

8.319

9.005

7.399

7.399

7.399

7.399

8.142

Programma leesbevordering

3.427

3.850

3.850

3.850

3.350

3.350

3.350

 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Creatieve Industrie

2.397

1.850

2.085

2.085

2.085

2.085

1.975

Monumentenzorg

5.603

3.177

135

0

0

0

0

Erfgoed en fysieke leefomgeving

258

825

0

0

0

0

0

Specifiek cultuurbeleid

36.862

100.888

20.169

17.476

17.876

16.695

15.330

Subsidies Rijksdienst voor het Cultureel

Erfgoed

0

0

1.824

1.624

1.339

1.339

1.339

Opdrachten

14.308

17.855

22.692

18.434

17.409

14.359

11.654

Beleidsonderzoek, evaluaties en kennisbasis

1.139

1.734

2.091

2.026

1.901

1.901

1.901

Monumentenzorg

6.850

5.581

0

0

0

0

0

Archeologie

3.493

4.005

0

0

0

0

0

Erfgoed en fysieke leefomgeving

276

2.370

0

0

0

0

0

Opdrachten Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

0

0

8.004

7.349

6.516

6.416

5.916

Overige opdrachten

2.550

4.165

12.597

9.059

8.992

6.042

3.837

Bijdragen aan agentschappen

42.496

45.390

42.315

42.314

42.314

42.317

42.317

Nationaal Archief

42.496

45.390

42.315

42.314

42.314

42.317

42.317

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

2.928

2.919

2.898

2.898

2.898

2.873

2.873

Ontvangsten

4.376

494

494

494

494

494

494

Wijzigingen structuur budgettabel

Met ingang van 2021 wijzigt de indeling van deze budgettabel.

Het nieuwe budget 'Museale instellingen met een wettelijke taak' bestaat uit de budgetten die voorheen waren vermeld bij de regels 'huisvesting' en 'beheer en onderhoud collecties' plus het budget voor de publieksactiviteiten van musea, dat voorheen onderdeel was van de regel 'vierjaarlijkse instellingen'. Hiermee wordt inzichtelijker hoeveel in totaal wordt uitgegeven aan de museale instellingen met een wettelijke taak.

Met de nieuwe budgetten 'Subsidies Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE)' en 'Opdrachten Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed' worden de uitgaven gebundeld, aan respectievelijk subsidies en opdrachten, die via de RCE verlopen. Voorheen waren deze uitgaven onderdeel van verschillende budgetten binnen de instrumenten subsidies en opdrachten. Met deze wijziging wordt inzichtelijker hoeveel programmabudget wordt uitgegeven door de RCE.

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 14 is in 2021 96,1 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2021 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op betalingen aan culturele instellingen, cultuurfondsen en monumenteneigenaren. Hieraan ten grondslag liggen de Wet op het specifiek cultuurbeleid, de Erfgoedwet, de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen en onderliggende besluiten en regelingen. Het moment van juridisch verplichten gaat vooraf aan het kalenderjaar waarop de bekostiging betrekking heeft.

Subsidies

Van het beschikbare budget is 52,1 procent juridisch verplicht voor 2021. Dit betreft het deel van de subsidies waarvoor al voor de start van 2021 een beschikking is verstuurd.

Opdrachten

Van het beschikbare budget is 58,7 procent juridisch verplicht.

Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de rijksbijdrage aan het Nationaal Archief. Het budget voor 2021 is 100 procent juridisch verplicht.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Dit betreft de contributies voor (inter)nationale verdragen en lidmaatschappen. Deze contributies lopen door tot wederopzegging en dragen bij aan de uitvoering van internationale afspraken. Het budget voor 2021 is 100 procent juridisch verplicht. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op de instrumenten.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse instellingen In de culturele basisinfrastructuur worden instellingen voor een periode van vier jaar bekostigd. De Regeling op het specifiek cultuurbeleid regelt welke instellingen voor de periode 2021-2024 in aanmerking komen voor deze bekostiging. De Raad voor Cultuur heeft op 4 juni 2020 advies uitgebracht over de aanvragen voor de periode 2021-2024. In de brief die tegelijk met de Rijksbegroting aan de Tweede Kamer wordt aangeboden, is tevens het besluit over deze aanvragen opgenomen. De culturele basisinfrastructuur bestaat vanaf 2021 uit instellingen op het gebied van podiumkunsten (theater, dans, muziek en muziektheater, festivals en jeugdpodiumkunsten), regionale musea en sectorcollecties, beeldende kunst (presentatie-instel-lingen en postacademische instellingen), film (festivals en ondersteunende instelling), letteren (festival en ondersteunende instellingen), ontwerp (ondersteunende instelling, future lab design en technologie, festivals), ontwikkelinstellingen en een aantal bovensectorale ondersteunende instellingen.

Culturele basisinfrastructuur vierjaarlijkse fondsen

Naast de vierjaarlijkse instellingen zijn er zes cultuurfondsen, die sectoraal zijn georganiseerd. De cultuurfondsen spelen een belangrijke rol in het cultuurstelsel. Door middel van flexibele en kortlopende subsidieregelingen kunnen zij de dynamiek en de vernieuwing in de sector op de voet volgen en zijn zij in staat snel op sectorale ontwikkelingen te reageren.

Museale instellingen met een wettelijke taak

Op basis van de Erfgoedwet zijn museale instellingen belast met de zorg voor het beheer van de museale cultuurgoederen van de Staat of andere cultuurgoederen of verzamelingen. Hiervoor ontvangen deze instellingen met een wettelijke taak een structurele vergoeding. Voor de subsidiëring van deze taak worden op grond van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen middelen beschikbaar gesteld waarbij onderscheid wordt gemaakt in enerzijds beheer en onderhoud van collecties en anderzijds huisvesting. Daarnaast ontvangen museale instellingen, op grond van dezelfde Regeling, middelen voor hun publieksactiviteiten.

Stelseltaken openbare bibliotheekvoorzieningen, digitale openbare bibliotheek en bibliotheekvoorziening leesgehandicapten Per 1 januari 2015 is de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob) in werking getreden. De wet organiseert het openbare bibliotheekwerk als een netwerk van samenwerkende lokale en provinciale openbare bibliotheekvoorzieningen, waarbij de Koninklijke Bibliotheek (KB) een coördinerende rol vervult. In het netwerk verricht de KB als nationale bibliotheek van Nederland taken voor het stelsel als geheel, waaronder het beheer en de doorontwikkeling van de landelijke digitale openbare bibliotheek en de bibliotheekvoorziening voor personen met een leeshan-dicap. Activiteiten richten zich in 2021 op de aandachtspunten uit de evaluatie van de Wsob, waaronder de rol van de openbare bibliotheek bij het Leesoffensief. Daarnaast op de doorontwikkeling de digitale openbare bibliotheek, met name voor de jeugd, en in vervolg op de Motie van het lid Asscher c.s. op de spreiding en bereikbaarheid van de fysieke bibliotheek.

Monumentenzorg

De Erfgoedwet is sinds 1 juli 2016 het juridisch kader voor de financiering van de monumentenzorg. Wat betreft de financiering van de instandhouding van rijksmonumenten is de brief Erfgoed Telt het beleidskader. Zo krijgen in 2021 onderwerpen als de verbindende waarde van erfgoed en de verduurzaming van rijksmonumenten aandacht. Ook wordt er geïnvesteerd in de implementatie van het Verdrag van Faro. Ten slotte wordt er in 2021 in monumentenzorg geïnvesteerd via onder andere de Subsidieregeling instandhouding monumenten en de Woonhuisregeling.

Archieven inclusief Regionale Historische Centra Het Ministerie van OCW draagt bij aan de kosten van bewaring en presentatie van de rijksarchieven uit de provincie door de Regionale Historische Centra, die in elke provinciehoofdstad met uitzondering van Zuid-Holland zijn gevestigd. Een wetsvoorstel tot modernisering van de Archiefwet 1995, zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 11 juni 2018, zal naar verwachting in 2021 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

Flankerend beleid huisvesting

Deze middelen zijn gereserveerd voor het Garantiefonds rijksmusea. Ze zijn bedoeld als garantstelling voor leningen aangegaan door rijksmusea voor huisvesting en voor eventuele knelpunten die samenhangen met de invoering van de Erfgoedwet.

Cultuureducatie met kwaliteit

In de periode 2021-2024 komt een vervolg op het programma Cultuureducatie met kwaliteit. Er komt meer ruimte om in te spelen op lokale wensen, zoals aandacht voor het voortgezet onderwijs, gelijke kansen en de relatie binnenschools-buitenschools. Het bedrag dat andere gemeenten dan de G9 ontvangen wordt verhoogd: zij ontvangen in de nieuwe periode hetzelfde bedrag als de G9 eerder al ontvingen, namelijk € 0,79 per leerling. Cultuureducatie met kwaliteit wordt toegankelijk voor aanvragers in Caribisch Nederland.

Subsidies

Verbreden inzet cultuur

In de periode 2021-2024 stimuleert het Ministerie van OCW toegankelijkheid met een programma cultuurparticipatie. Dit programma heeft als doel de cultuurdeelname van zoveel mogelijk verschillende groepen te bevorderen. Het programma verbindt zorg en sociaal werk met professionele culturele instellingen, amateur- en erfgoedverenigingen en kunstenaarsinitiatieven.

Het gaat om actieve participatie: zelf dansen, filmen, vloggen, toneel spelen, schrijven of verhalen vertellen. Het Fonds voor Cultuurparticipatie voert het programma uit. Het Landelijk Kennisinstituut Cultuureducatie en Amateurkunst ondersteunt het programma met expertise en kennisdeling. Voorts worden met de uitvoering van de Nationale Strategie Digitaal Erfgoed de digitale toegankelijkheid en het gebruik van erfgoed, archieven en collecties vergroot.

Internationaal cultuurbeleid (inclusief HGIS)

Het internationaal cultuurbeleid is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de bewindspersonen van OCW en Buitenlandse Zaken. In de periode 2021-2024 gelden voor het internationaal cultuurbeleid drie doelen:

  • 1. 
    een sterke positie van de Nederlandse culturele sector in het buitenland door zichtbaarheid, uitwisseling en duurzame samenwerking;
  • 2. 
    het met Nederlandse cultuuruitingen ondersteunen van de bilaterale relaties met andere landen;
  • 3. 
    het benutten van de kracht van de culturele sector en creatieve industrie voor de Sustainable Development Goals (SDG's), met name in de verbinding met de Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS)-agenda in de focusregio's.

Voor de verwezenlijking van zojuist genoemde doelen wordt gekozen voor een meerjarige strategische inzet op 23 landen. Per land worden nadere afspraken gemaakt tussen betrokken spelers (o.a. diplomatieke posten, fondsen en Dutch Culture) over samenwerking en uitvoering. Door maatwerk per land worden cultuur en buitenlandprioriteiten met elkaar verbonden.

Programma leesbevordering

Het leesbevorderingsprogramma Kunst van Lezen is onderdeel van het Actieprogramma Tel mee met Taal 2020-2024. Tel mee met Taal is een gezamenlijke aanpak samen met het Ministerie van SZW, het Ministerie van BZK en het Ministerie van VWS om laaggeletterdheid te voorkomen en tegen te gaan. Zoals in de brief aan de Tweede Kamer van 18 maart 2019 is aangekondigd, is het leesbevorderingsprogramma Kunst van Lezen de afgelopen jaren bewezen effectief geweest en wordt het daarom voortgezet.

Creatieve industrie

Ten laste van dit budget worden uitgaven gedaan ten behoeve van de Creatieve Industrie. Dit gebeurt in samenwerking met het Ministerie van EZK. Daarnaast zijn middelen beschikbaar voor de ontwerpdisciplines zoals architectuur, vormgeving en digitale cultuur. In samenwerking met het Ministerie van BZK wordt een architectuurprogramma gefinancierd.

Specifiek cultuurbeleid

Onder specifiek cultuurbeleid zijn verschillende kleinere subsidiebudgetten opgenomen, die grotendeels besteed worden aan projectsubsidies op basis van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. De middelen voor 2021 zijn bestemd voor diverse onderwerpen, zoals de arbeidsmarktagenda, beleids-innovatie bibliotheken, een matchingsregeling verbreding en vernieuwing, een revolverend productiefonds, archeologie, erfgoed en fysieke leefomgeving, het Holocaustmuseum en de Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog.

Subsidies Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed

De middelen zijn bestemd voor subsidies voor ondersteuning van het erfgoedveld in de domeinen archeologie, gebouwd erfgoed, roerend erfgoed, cultuurlandschap en leefomgeving. Er wordt geïnvesteerd in kennis- en onderzoeksprogramma's, de ondersteuning en infrastructuur voor erfgoed en informatie- en communicatietechniek. In 2021 wordt vanuit Erfgoed Telt extra geïnvesteerd in (maritieme) archeologie, verduurzaming, curricula voor bouwspecialismen, kwaliteitsnormen, het ondersteunen van vrijwilligers en de implementatie van het Verdrag van Faro.

Opdrachten

Beleidsonderzoek, evaluaties en kennisbasis

Dit budget is bestemd voor opdrachten die bestaan uit het inhuren van bureaus voor beleidsonderzoek, evaluaties, visitatie/monitoring van versterking van de kennisbasis in de cultuursector.

Opdrachten Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed

De middelen zijn bestemd voor dezelfde onderwerpen als vermeld onder de kop 'Subsidies Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed', maar dan voor uitgaven aan opdrachten. Ook is budget beschikbaar voor monumenten in het aardbevingsgebied in Groningen.

Overige opdrachten

Dit budget is bestemd voor opdrachten die verbonden zijn aan diverse beleidsterreinen en wordt in 2021 grotendeels besteed aan de Cultuurkaart, archeologie en erfgoed en fysieke leefomgeving.

De Cultuurkaart voor het voortgezet onderwijs komt vanaf 2021 ook beschikbaar voor het voortgezet speciaal onderwijs. Het huidige contract voor de Cultuurkaart loopt nog tot en met het schooljaar 2023-2024.

Vanuit de tijdelijke extra erfgoedmiddelen uit het Regeerakkoord is voor 2021 archeologiebudget beschikbaar voor investeringen in instandhouding van archeologische rijksmonumenten, maritieme archeologie, wetenschappelijke innovatie en publieksbereik.

De middelen voor erfgoed en fysieke leefomgeving zijn bestemd voor werkzaamheden op het terrein van gebiedsgericht erfgoedbeleid en uitvoe-ringsprogramma's. Het kabinet wil het erfgoed beschermen en benutten bij actuele ruimtelijke opgaven in steden en in het landelijk gebied en versterkt deze relatie in trajecten als de Omgevingswet en de Nationale Omgevings-visie.

Bijdragen aan agentschappen

Deze middelen betreffen de rijksbijdrage aan het Nationaal Archief.

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

Naast prioriteiten die onder het financieel instrument Internationaal cultuurbeleid zijn genoemd, is Nederland aan een aantal verplichtingen gebonden en draagt Nederland bij aan de uitvoering van internationale verdragen. Dit geldt voor UNESCO erfgoedverdragen voor het werelderfgoed, het immaterieel erfgoed, de bescherming van cultureel erfgoed bij gewapend conflict, de bestrijding van illegale handel in cultuurgoederen en het cultuur-verdrag voor de diversiteit van cultuuruitingen. Ook wordt bijgedragen aan het Europees filmprogramma (Eurimages) en de Nederlandse Taalunie.

Ontvangsten

Er zijn ontvangsten geraamd als gevolg van het definitief vaststellen van subsidies.

Extracomptabele fiscale regelingen

Naast de in dit begrotingsartikel genoemde instrumenten, zijn er fiscale regelingen die betrekking hebben op dit beleidsterrein. De Miniser van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de wetgeving en uitvoering van deze regelingen en voor de budgettaire middelen. In onderstaande tabel is ter informatie het budgettaire belang van deze regelingen vermeld. De cijfers zijn ontleend aan de corresponderende bijlage 'Fiscale regelingen' in de Miljoenennota. De fiscale regelingen die niet in onderstaande tabel zijn opgenomen, maar wel op dit beleidsartikel betrekking hebben, zijn:

  • Vrijstelling voorwerpen van kunst en wetenschap box 3
  • BTW Vrijstelling componisten, schrijvers en journalisen

Voor een beschrijving van de regelingen, de doelstelling, de ramingsgrond, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie en het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie, wordt verwezen naar de bijlage bij de Miljoenennota 'Toelichting op de fiscale regelingen'.

 

Tabel 69 Fiscale regelingen 2019-2021, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)

 
 

2019    2020

2021

Aftrek uitgaven monumentenpanden

- -

-

BTW Verlaagd tarief culturele goederen en diensten

984    719

870

1: [-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

3.11 Artikel 15. Media

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het waarborgen van een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogwaardig media-aanbod, dat toegankelijk blijft voor alle lagen van de bevolking.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

Media hebben een prominente rol in onze democratie en cultuur. Wat we zien, horen en lezen, beïnvloedt ons beeld van de wereld en onze opvattingen. Daarom borgt de Minister vier publieke belangen in het mediabeleid waar hij verantwoordelijk voor is: onafhankelijkheid, verscheidenheid, kwaliteit en toegankelijkheid. De Minister heeft specifieke zorg voor het stelsel van landelijke, regionale en lokale publieke omroepen en de daarvoor relevante wet- en regelgeving. De Minister heeft naast een financierende rol vooral ook een regisserende rol.

Financieren

De Minister financiert de landelijke en regionale publieke omroep en enkele andere aan de omroep verbonden instellingen. De taakopdracht is wettelijk bepaald en het budget van de publieke omroep is vastgesteld met behoud van afstand tot de uitvoering en inhoud. Op basis van het concessiebe-leidsplan (Kamerstukken II 2014/15, 32827, nr. 74) sluit de Minister elke vijf jaar een prestatieovereenkomst met de publieke omroep.

Stimuleren

Verder is de Minister verantwoordelijk voor instrumenten ter bevordering van culturele producties, documentaires, drama, kunst- en kinderprogramma's, het steunen en stimuleren van een onafhankelijke en kwalitatief goede journalistieke infrastructuur (Stichting Stimuleringsfonds voor de Journalistiek) en voor het bevorderen van mediawijsheid (NICAM en Media-wijzer.net).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de wetgeving ten aanzien van de taak en organisatie van de publieke omroep en voor wetgeving voor commerciële media. De regels voor commerciële omroepen vloeien voornamelijk voort uit Europese richtlijnen voor audiovisuele mediadiensten. Verder is de Minister als regisseur verantwoordelijk voor wetgeving met betrekking tot omroepdistributie. Het doel daarvan is de toegang tot een gevarieerd media-aanbod te bevorderen en te verzekeren.

Kengetallen

 

Tabel 70 Kengetal

Kengetal

2015

2016

2017

2018

2019

1 Integraal bereik NPO (radio, tv, internet; Nederlanders 13+)1

87%

86%

85%

84%

84%

1 Bron: NPO, o.b.v. GfK / CMI

  • C. 
    Beleidswijzigingen

Op 14 juni 2019 is de visiebrief toekomst publiek omroepbestel van dit kabinet verschenen. In de mediabegrotingsbrief 2020 is ingegaan op alle maatregelen uit deze visiebrief met een uitgebreid overzicht, het zogenoemde 'spoorboekje'. Deze maatregelen zijn vertaald in een nieuw wetsvoorstel tot wijziging van de Mediawet 2008. Het merendeel van de maatregelen uit de visiebrief is onderdeel van dit wetsvoorstel. Het is de verwachting dat dit wetsvoorstel in het derde kwartaal van 2020 bij de Tweede Kamer ingediend wordt. Het streven is om het grootste deel van de maatregelen uit deze visiebrief vanaf 1 januari 2021 in te laten gaan, zodat deze maatregelen, met het uitstel van de nieuwe concessie- en erkennings-periode, voor de nieuwe periode hun effect kunnen hebben.

Via een spoedwetsvoorstel is de huidige concessie- en erkenningsduur met één jaar tot 1 januari 2022 verlengd. Dit betekent dat de indiening van het concessiebeleidsplan door de NPO vóór 1 november 2020 is, de peildatum voor ledenaantallen voor de omroepverenigingen op 31 december 2020 en de indiening van erkenningsaanvragen 1 februari 2021. Onze Minister besluit vóór 1 augustus 2021 over het verlenen van een erkenning of voorlopige erkenning. De Raad voor cultuur, het Commissariaat voor de Media en de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) adviseren over een aanvraag.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 71 Budgettaire gevolgen van beleid art. 15 (bedragen x € 1.000)

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

1.126.387

1.093.700

1.033.170

1.054.914

1.054.973

1.063.797

1.072.554

Totale uitgaven

1.038.789

1.093.700

1.033.170

1.054.914

1.054.973

1.063.797

1.072.554

waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,9%

       
 

Bekostiging

1.019.890

1.041.853

1.017.199

1.043.456

1.043.514

1.052.338

1.061.095

Landelijke publieke omroep

731.822

804.708

792.424

795.041

798.139

801.126

811.084

Regionale omroep

149.798

150.067

150.848

150.508

150.508

150.508

150.508

Stichting Omroep Muziek

16.766

16.708

16.795

16.758

16.758

16.758

16.758

Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG)

23.546

23.715

23.838

23.785

23.785

23.785

23.785

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

2.272

2.220

2.231

2.226

2.226

2.226

2.226

Filmfonds van de omroep en Telefilm (CoBO)

8.335

8.596

8.564

8.544

8.544

8.544

8.544

Mediawijsheid Expertisecentrum (Bewust mediagebruik)

1.561

1.581

1.588

1.584

1.584

1.584

1.584

Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen (NLPO)

1.613

1.632

1.640

1.636

1.636

1.636

1.636

Dotatie/onttrekking Algemene Mediareserve

83.808

31.618

18.476

42.581

39.541

45.378

44.177

Overige bekostiging media

369

1.008

795

793

793

793

793

Subsidies (regelingen)

13.935

46.562

10.661

6.159

6.160

6.160

6.160

Subsidies (regelingen)

13.935

11.562

10.661

6.159

6.160

6.160

6.160

Steunfonds Lokale Informatievoorziening

0

35.000

0

0

0

0

0

Opdrachten

167

440

440

440

440

440

440

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

4.736

4.782

4.807

4.796

4.796

4.796

4.796

Commissariaat voor de Media

4.736

4.782

4.807

4.796

4.796

4.796

4.796

Bijdragen aan (inter)nationale organisaties

61

63

63

63

63

63

63

European Audiovisual Observatory

61

63

63

63

63

63

63

Ontvangsten

172.003

160.200

155.700

160.200

155.700

160.200

155.700

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 15 is in 2021 99,9 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2021 is 99,9 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben voornamelijk betrekking op de landelijke en de regionale publieke omroep. Hieraan ten grondslag ligt de Mediawet 2008.

Subsidies

Van het beschikbare budget is 91,5 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben voornamelijk betrekking op journalistiek en de regionale, lokale en streekomroepen. Hieraan ten grondslag liggen het Regeerakkoord en de visiebrief.

Opdrachten

Van het beschikbare budget is nul procent juridisch verplicht. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op de instrumenten.

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

Het beschikbare budget voor 2021 is volledig juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op het Commissariaat voor de Media (CvdM). Hieraan ten grondslag ligt de Mediawet 2008.

Bijdragen aan internationale organisaties

Het beschikbare budget voor 2021 is volledig juridisch verplicht. Het betreft een jaarlijkse contributie aan het European Audiovisual Observatory.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Landelijke en regionale publieke omroep

De publieke omroep waarborgt een hoogstaand en pluriform media-aanbod, dat toegankelijk en betaalbaar is voor alle lagen van de bevolking. Daarom bekostigt het Ministerie van OCW de landelijke en regionale publieke omroep. Mede vanwege Europese regels op het gebied van staatssteun, houdt de overheid greep op de aard en omvang van het takenpakket van de landelijke en regionale publieke omroep en bepaalt de overheid het budget van de publieke omroep.

Vanaf 2020 is de rijksmediabijdrage structureel met € 40 miljoen verhoogd. Deze middelen zijn toegevoegd aan de landelijke publieke omroep.

Stichting Omroep Muziek (SOM)

Deze bekostiging is bestemd voor de door het Ministerie van OCW aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren.

Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid (NIBG)

Deze bekostiging is bestemd voor de door het Ministerie van OCW aangewezen instelling voor het in stand houden en exploiteren van een media-archief.

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

Het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek is binnen het mediabeleid het instrument om de pluriformiteit van het journalistieke media-aanbod te stimuleren, zowel binnen pers en omroep als via het internet. De activiteiten van het fonds dragen bij aan innovatie van de journalistiek en aan stimulering van de journalistieke functie van de media in onze samenleving.

Filmfonds van de Omroep en Telefilm (CoBO)

Het CoBO-fonds ondersteunt de film- en documentairesector en participeert in audiovisuele coproductieprojecten waarin wordt deelgenomen door een of meer van de publieke instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep en de Vlaamse publieke omroep (VRT) en/of Duitse publieke omroepen en/of onafhankelijke filmproducenten en/of instellingen werkzaam op het gebied van de podiumkunsten.

Mediawijsheid Expertisecentrum (Bewust mediagebruik)

Het Mediawijsheid Expertisecentrum (Mediawijzer.net) bevordert een bewuste, kritische en actieve houding van burgers en instellingen in de samenleving waar media alom zijn. Bij het huidige programma zijn de Koninklijke Bibliotheek, ECP-EPN, de publieke omroep (NTR), Kennisnet en het NIBG betrokken.

Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen (NLPO)

NLPO ondersteunt lokale publieke omroepen op diverse terreinen om de sector verder te professionaliseren en om de kwaliteit van de producties van lokale omroepen te verbeteren.

Dotatie / onttrekking Algemene Mediareserve

Op basis van de verwachte uitgaven op de mediabegroting en de verwachte reclameopbrengsten van de Ster worden middelen toegevoegd of onttrokken aan de Algemene Mediareserve (AMr). De AMr kan op grond van de Mediawet worden gebruikt voor de opvang van dalende Ster-inkomsten, bijdragen aan de bekostiging van reorganisatiekosten als gevolg van overheidsbesluiten en voor de financiering van de door het CvdM aan te houden rekening-courantverhouding voor betalingen aan instellingen.

Overige bekostiging Media

Te laste van dit budget wordt onder meer het Nederlands Instituut voor de Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM) betaald voor de uitvoering van de activiteiten welke nodig zijn voor het continueren en verbeteren van de kwaliteit van Kijkwijzer.

Subsidies

Ten laste van dit budget wordt de jaarlijkse subsidie aan het European Journalism Centre voor diverse internationale journalistiekprojecten betaald. Daarnaast worden nog incidentele subsidies op het gebied van de media betaald.

Vanaf 2020 zijn de Regeerakkoordmiddelen voor onderzoeksjournalistiek toegevoegd aan het budget van subsidies. Deze middelen worden ingezet om journalistieke projecten, innovaties en talentontwikkeling en professionalisering te ondersteunen. Voor 2021 is het budget € 5,2 miljoen.

Daarnaast is voor 2019 tot en met 2021 € 15,0 miljoen voor de regionale, lokale en streekomroepen uit de visiebrief onder de subsidies toegevoegd. Voor 2021 is het budget € 4,5 miljoen.

Opdrachten

Te laste van dit budget worden onder meer de kosten van de Landsadvocaat betaald. Daarnaast worden nog incidentele opdrachten op het gebied van Media betaald.

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

De kerntaak van het Commissariaat voor de Media (CvdM) bestaat uit het uitoefenen van onafhankelijk toezicht op het handelen van de media-instel-lingen in Nederland en uit handhavend optreden ingeval de toepasselijke regelgeving niet in acht wordt genomen. De bevoegdheid om toezicht en handhaving uit te oefenen heeft betrekking op alle media-instellingen: publieke media-instellingen op landelijk, regionaal en lokaal niveau en commerciële media-instellingen op landelijk en niet-landelijk niveau. Het CvdM is tevens verantwoordelijk voor het metatoezicht op het NICAM. Daarnaast heeft het CvdM tot taak erop toe te zien dat kabelexploitanten hun wettelijke verplichtingen nakomen tot doorgifte van de must carry-zenders.

Ontvangsten

Dit betreft de raming van de reclameopbrengsten van de Ster zoals opgenomen in de Kamerbrief mediabegroting 2020.

3.12 Artikel 16. Onderzoek en wetenschapsbeleid

  • A. 
    Algemene doelstelling

De algemene doelstelling is het scheppen van een internationaal concurrerende onderzoeksomgeving die onderzoekers uitdaagt tot optimale wetenschappelijke prestaties en die goed aansluit op maatschappelijke behoeften.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor het stelsel van onderzoek en wetenschap.

Financieren

De Minister bekostigt het onderzoeks- en wetenschapsbestel.

Stimuleren

De Minister stimuleert in het wetenschappelijk onderzoek:

  • • 
    kwaliteit en excellentie;
  • • 
    zwaartepuntvorming en profilering. De afspraken die hierover gemaakt zijn met de universiteiten staan vermeld in het hoofdlijnenakkoord;
  • • 
    samenwerking in de gouden driehoek van bedrijven, kennisinstellingen en overheid. In het innovatiebeleid, waarvoor de Minister van EZK verantwoordelijk is, is hiervoor de topsectorenaanpak nieuwe stijl ontwikkeld.

Regisseren

De Minister schept voorwaarden voor:

  • • 
    een klimaat voor universiteiten en kennisinstellingen voor het doen van excellent onderzoek;
  • • 
    de borging van het vernieuwend vermogen en de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek;
  • • 
    het doelmatig functioneren van wetenschappelijke instellingen die, zowel zelfstandig als in relatie tot universiteiten en bedrijven, een belangrijke plaats innemen;
  • • 
    de Nederlandse en internationale onderzoeksfaciliteiten;
  • • 
    de coördinatie en positionering van het wetenschapsbeleid op nationaal en internationaal niveau.

De Minister is verantwoordelijk voor het toezicht op een efficiënte besteding van publieke middelen en op voldoende verspreiding van kennis naar de maatschappij.

Kengetallen

 

Tabel 72 Kengetallen

Kengetal

2015

2016

2017

2018

2019

1 Top 5-positie qua budget kaderprogramma dat naar Nederland gaat1

5

6

6

6

6

2 Publieke investering in R&D als % bbp2

0,71

0,70

0,67

0,71

0,70

3 R&D personeel (FTE) als%o van de totale beroepsbevolking3

15,6

16,2

16,7

17,1

 

1    Bron: H2020 Database, bewerking Rathenau Instituut.

2    Bron: Eurostat en TWIN-overzicht 2017-2023, Rathenau Instituut. Cijfers van 2018 en 2019 zijn voorlopig en kunnen nog worden bijgesteld. In 2019 zijn de R&D-statistieken gereviseerd door het CBS, naar aanleiding van de publicatie van de nieuwe OESO Frascati Manual. De bron die voorgaande jaren werd gebruikt voor het berekenen van dit kengetal baseert zich mede op deze R&D-statistieken, echter zijn voor dit kengetal de gevolgen van de revisie nog niet voor alle afgelopen jaren doorberekend. Er is daarom dit jaar gekozen voor een bron die hier geen gebruik van maakt en die daarmee een vergelijking over jaren mogelijk maakt.

3    Bron: CBS Statline, berekening Rathenau Instituut. Cijfers voor 2018 zijn voorlopig en kunnen nog worden bijgesteld, cijfers over 2019 zijn in november 2020 beschikbaar. In 2019 zijn de R&D-statistieken gereviseerd door het CBS, naar aanleiding van de publicatie van de nieuwe OESO Frascati Manual. Als gevolg hiervan zijn de R&D-statistieken, ook voor eerdere jaren, naar boven bijgesteld.

  • C. 
    Beleidswijzigingen

In de beleidsagenda zijn de belangrijkste beleidswijzigingen over 2021 opgenomen. Aanvullend zal de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) in 2021, naar aanleiding van de inzet van de Commissie Weckhuysen op ongebonden onderzoek, inzichtelijk maken welke NWO-programma's ongebonden of strategisch van aard zijn, en welke programma's een hybride karakter kennen, waarbij natuurlijk niet uit het oog verloren mag worden dat het ongebonden- en strategisch onderzoek onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

Verder steunt het Ministerie van OCW de ambitie van de Vereniging van Universiteitein (VNSU), de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU), de NWO, de Nederlandse organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie (ZonMW) en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) om te streven naar nieuwe criteria die meer zeggen over de kwaliteit en maatschappelijke impact van onderzoek. Hierin is een belangrijke rol weggelegd voor de waardering van onderwijs, leiderschap, open science en teamscience. Het Ministerie van OCW draagt in deze context financieel bij aan het programmaplan 'erkennen en waarderen' onder leiding van de VSNU. Dit plan, met een looptijd 2020-2021 verenigt diverse initiatieven van de instellingen die gericht zijn op het realiseren van een verandering in de manier van erkennen en waarderen. Daarnaast maakt het Ministerie van OCW zich in internationale context hard om deze transitie ook te agenderen op Europees niveau.

Daarnaast is het verankeren van wetenschapscommunicatie in de academische wereld een ijkpunt voor het Ministerie van OCW. Wetenschapscommunicatie maakt wetenschap begrijpelijk en benaderbaar. Onderzoekers die zich inzetten voor deze dialoog krijgen nog niet altijd de ondersteuning en waardering die ze verdienen. Het Ministerie van OCW investeert vanaf 2020 in een 2-jarige pilot 'Wetenschapscommunicatie gewaardeerd' waarin de wetenschapscommunicatieprojecten van onderzoeksteams worden beloond, zichtbaar gemaakt en gewaardeerd. Verder worden er individuele onderzoekers als ambassadeurs aangesteld die met hun werk de impact van goede wetenschapscommunicatie illustreren en stimuleren we via het KNAW-initiatief 'Sense about Science' jonge onderzoekers om al in een vroeg stadium het publiek te betrekken bij het vormgeven van hun onderzoek.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 73 Budgettaire gevolgen van beleid art. 16 (bedragen x € 1.000)

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

1.154.701

1.214.772

1.134.046

1.129.723

1.126.994

1.126.365

1.126.200

waarvan garantieverplichtingen

  • 981

0

         

waarvan overig

1.155.682

1.214.772

1.134.046

1.129.723

1.126.994

1.126.365

1.126.200

Totale uitgaven

1.250.760

1.173.948

1.134.749

1.129.340

1.126.994

1.126.365

1.126.200

waarvan juridisch verplicht (%)

   

99,7%

       
 

Bekostiging

1.131.218

1.049.054

1.009.062

1.003.214

1.000.868

1.000.239

1.000.074

NWO

528.488

454.404

478.941

480.116

479.145

479.046

479.892

KNAW

92.728

93.505

91.757

91.560

91.887

91.887

91.573

KB

98.339

100.845

49.800

49.244

49.874

49.874

49.262

NWO Talentenontwikkeling

170.885

165.885

165.885

165.885

165.885

165.885

165.885

NWO STW

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

8.000

NWO Grootschalige researchinfrastructuur

85.380

55.380

55.380

55.380

55.380

55.380

55.380

Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek

33.751

31.418

21.737

18.114

16.582

16.082

16.082

Poolonderzoek

3.147

3.147

3.147

1.500

1.500

1.500

1.500

Caribisch Nederland

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

2.500

NWO NWA

108.000

133.970

131.915

130.915

130.115

130.085

130.000

Subsidies (regelingen)

21.918

24.560

26.928

27.328

27.367

27.367

27.367

Stichting NLBIF

550

566

566

566

566

566

566

Naturalis Biodiversity Center

6.265

6.513

6.514

6.514

6.514

6.514

6.514

BPRC

9.608

9.956

9.957

9.957

9.957

9.957

9.957

NCWT/NEMO

3.366

3.460

3.460

3.460

3.460

3.460

3.460

STT

221

221

226

226

226

226

226

Stichting AAP

1.032

1.032

1.061

1.061

1.061

1.061

1.061

Nationale coördinatie

876

2.812

5.144

5.544

5.583

5.583

5.583

Opdrachten

248

340

340

379

340

340

340

Bijdrage aan agentschappen

918

1.038

863

863

863

863

863

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

918

1038

863

863

863

863

863

Bijdrage aan (inter)nationale organisaties

96.458

98.956

97.556

97.556

97.556

97.556

97.556

EMBC

941

1110

1210

1240

1241

1316

941

EMBL

5.227

5.227

5.227

5.227

5.227

5.227

5.227

ESA

32.783

31.146

32.746

32.746

32.746

32.746

32.746

CERN

46.278

49.707

46.427

46.212

46.211

46.168

46.168

ESO

8.626

9.081

9.261

9.446

9.446

9.446

9.902

NTU/INL

2.603

2.685

2.685

2.685

2.685

2.653

2.572

Ontvangsten

1.375

101

101

101

101

101

101

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 16 is in 2021 99,7 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2021 is 100 procent juridisch verplicht. De verplichtingen hebben betrekking op de betalingen aan de nationale onderzoeksinstellingen NWO, KNAW en Koninklijke Bibliotheek (KB) alsmede een aantal bijdragen met een structureel karakter. De wettelijke grondslag van de bekostiging is vastgelegd in de NWO-weten en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW).

Subsidies

Van het beschikbare budget voor 2020 is 80,1 procent juridisch verplicht. Het betreft hier subsidies aan stichtingen en centra met een specifieke rol in de kennisinfrastructuur zoals Naturalis Biodiversity Center, Biomedical Primate Research Centre (BPRC) en Nationaal Centrum voor Wetenschap en Technologie/NEMO.

Opdrachten

Van het beschikbare budget voor 2020 is 66,7 procent juridisch verplicht op grond van een in 2015 aangegane overeenkomst.

Bijdrage aan agentschappen, aan medeoverheden en aan (inter-)nationale organisaties

Het beschikbare budget is voor 100 procent juridisch verplicht.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten Bekostiging

Het Ministerie van OCW bekostigt de nationale onderzoeksinstellingen NWO, KNAW en KB. Hiermee stelt de Minister deze organisaties in staat om binnen de wettelijke kaders en in lijn met de vierjaarlijkse strategische agenda en strategische plannen van de instellingen hun missie en doelstellingen te realiseren. Die zijn gericht op het bevorderen van de kwaliteit van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland en het initiëren en stimuleren van nieuwe ontwikkelingen daarin.

Het Ministerie van OCW draagt met een structureel karakter bij aan:

  • • 
    NWO voor grote infrastructurele onderzoeksvoorzieningen voor de uitvoering van projecten die geselecteerd zijn op grond van de resultaten van de nationale roadmap commissie grootschalige researchinfra-structuur. Met de inzet van deze middelen worden Nederlandse onderzoekers in de gelegenheid gesteld om te kunnen werken met onderzoeksfaciliteiten van wereldniveau;
  • • 
    NWO voor het uitvoeren van een integraal persoonsgebonden talent-programma waarin naast de «Vernieuwingsimpuls» ook de voormalige middelen voor de specifieke doelgroepen zijn opgegaan. Doelen zijn om via competitie op basis van wetenschappelijke kwaliteit voldoende ruimte te geven aan (jonge) veel belovende onderzoekers, excellentie in het onderzoek te bevorderen, en te zorgen voor een adequate in- en doorstroom van onderzoekers zodat er verbetering optreedt in hun loopbaanperspectieven;
  • • 
    aanvullende bekostiging voor NWO voor het Nationaal Regieorgaan Onderwijs Onderzoek;
  • • 
    aanvullende bekostiging voor NWO voor een onderzoeksprogramma 'Wetenschap op de Cariben';
  • • 
    in het kader van talentontwikkeling zet het Ministerie van OCW via NWO € 5,1 miljoen euro in voor talent. Deze middelen worden ingezet om onderzoekers met een migratieachtergrond en vrouwen in bèta en techniek te stimuleren;
  • • 
    NWO-programma voor het uitvoeren van vernieuwend en maatschappelijk relevant onderzoek via de Nationale Wetenschapsagenda (NWA). De NWA is gericht op wetenschappelijke en maatschappelijke doorbraken. Belangrijk daarbij is de breedte, de multidisciplinaire aanpak en samenwerking tussen de kennisketen en maatschappelijke partners uit publieke en semipublieke sectoren en uit het bedrijfsleven.

Subsidies

Voor het stimuleren en realiseren van de centrale doelstellingen van het Onderzoek en Wetenschapsbeleid (OWB) worden diverse subsidies verstrekt aan stichtingen en centra met een specifieke rol in de kennisinfrastructuur. Het gaat hier onder andere om bijdragen aan:

  • • 
    Naturalis Biodiversity Center voor onderzoek naar de biodiversiteit en instandhouding van de nationale grootschalige infrastructuur voor biodiversiteitsonderzoek;
  • • 
    het BPRC voor primatenonderzoek en de huisvestiging van primaten, en subsidie aan de Stichting AAP voor het verzorgen van de opvang van de BPRC chimpansees;
  • • 
    Stichting Nationaal Centrum voor Wetenschap- en Techniekpromotie (NCWT) voor het beheren en ontwikkelen van NEMO Science Museum en NEMO Kennislink, het organiseren van het landelijke festival Weekend van de Wetenschap en het ondersteunen van overige gerelateerde landelijke activiteiten op het gebeid van wetenschaps- en techno-logiecommunicatie en -educatie.

Opdrachten

Voor beleidsontwikkeling worden opdrachten verstrekt voor het uitvoeren van diensten. Het gaat hierbij met name om opdrachten voor het beleidsgericht onderzoek.

Bijdrage aan agentschappen

Opdracht aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voor het ondersteunen en stimuleren van een zo groot mogelijk Nederlandse participatie in het EU-Kaderprogramma voor Onderzoek en Innovatie 'Horizon 2020'. Team Internationale Research- en Innovatiesamenwerking (IRIS) bij RVO is het Nationaal Contactpunt Kaderprogramma in Nederland.

Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties

Contributies aan grote internationale onderzoeksorganisaties Engineering in Medicine and Biology Society (EMBC), Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie (EMBL), European Space agency (ESA), Conseil Européen pour la Recherche Nucléaire (CERN) en European Southern Observatory (ESO). Door deelname van Nederland aan deze intergouvernementele organisaties krijgen de Nederlandse wetenschappelijke onderzoekers toegang tot unieke grootschalige onderzoeksfaciliteiten en internationale netwerken van toponderzoekers. Deze deelname is mede van groot belang voor het functioneren van Nederlands nationale onderzoeksbestek

3.13 Artikel 25. Emancipatie

  • A. 
    Algemene doelstelling

Het realiseren van gendergelijkheid en gelijkheid wat betreft seksuele oriëntatie, genderidentiteit en geslacht in de Nederlandse samenleving. Dit dient te geschieden op in ieder geval de terreinen: onderwijs, veiligheid, gezondheid, arbeidsmarkt, media, politiek, recht en leefvormen.

  • B. 
    Rol en verantwoordelijkheid

De rol van de Minister is primair het wegnemen van belemmeringen voor gender- en LHBTI-gelijkheid (lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgender personen en intersekse personen) en het bevorderen dat relevante wet- en regelgeving waar nodig wordt aangepast. Daarnaast heeft de Minister, vaak samen met de maatschappelijke instellingen, een rol in het agenderen, coördineren, aanjagen en in het ontsluiten van kennis en expertise.

Financieren

De Minister biedt financiële ondersteuning aan maatschappelijke instellingen voor gender- en LHBTI-gelijkheid en het monitoren van ontwikkelingen in de samenleving.

Stimuleren

Het instrument dat de Minister ter beschikking heeft, is wet- en regelgeving, zoals de Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017-2022 die vanaf 1 januari 2017 in werking is getreden. Deze regeling voorziet in het verstrekken van subsidies aan acht strategische partnerschappen voor de realisering van de doelstellingen op gender- en LHBTI-gelijkheid, die lopen van 2018 tot en met 2022. Daarnaast verstrekt de Minister projectsubsidies aan het maatschappelijk middenveld.

Regisseren

Gemeenten ontvangen via decentralisatie-uitkeringen een bijdrage voor de uitvoering van de samenwerkingsafspraken over versterking en uitvoering van het lokale beleid op het gebied van gendergelijkheid en LHBTI-gelijkheid. Samen met gemeenten is in een intentieverklaring vastgelegd wat de aandachtspunten van het LHBTI-beleid zijn. Verder vult de Minister de regisserende rol in door halfjaarlijkse bestuursgesprekken met instellingen over gender- en LHBTI gelijkheid. Daarnaast draagt de Minister bij aan internationale samenwerking met organisaties als Europese Unie, de Raad van Europa en de Verenigde Naties.

Kengetallen

 

Tabel 74 Kengetallen

Kengetal

2015

2016

2017

2018

1 Economische zelfstandigheid van vrouwen1

 

59,3%

60,7%

62,3%

2 Financiële onafhankelijkheid van vrouwen2

 

48,5%

50,0%

51,5%

1    Bron: CBS. De cijfers van 2016 en 2017 zijn gecorrigeerd, omdat de definitieve cijfers afwijken van de eerder gepubliceerde voorlopige cijfers. Het cijfer van 2018 is een voorlopig cijfer.

2    Bron: CBS. Het cijfer van 2016 is gecorrigeerd, omdat het definitieve cijfer afwijkt van het eerder gepubliceerde voorlopige cijfer. Het cijfer van 2018 is een voorlopig cijfer.

  • C. 
    Beleidswijzigingen

De belangrijkste wijzigingen op het terrein van emancipatie worden beschreven in de beleidsagenda. Het Ministerie van OCW zet zich in op drie samenhangende thema's waarop zich stevige knelpunten voordoen: arbeid, sociale veiligheid en genderdiversiteit en gelijke behandeling. Het bestaande beleid daarop wordt voortgezet.

Arbeid

Voor de financiële onafhankelijkheid van vrouwen werkt het Ministerie van OCW in overleg met het Ministerie van SZW aan een aanpak voor vrouwen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Onderdeel hiervan is het ZonMw Kennisprogramma Vakkundig aan het Werk». De 6e ronde 'economische zelfstandigheid' van dit ZonMw-programma gaat eind 2020 van start. De Minister ondersteunt gemeenten hierbij met een gendersensitieve uitvoering van het re-integratiebeleid. De call voor het programma 'economische veerkracht' (Nationale Wetenschapsagenda)is inmiddels opengesteld.

Een eerdere studie naar de mogelijkheden om arbeidstekorten in de zorg terug te brengen door de deeltijdfactor3 te verhogen, leverde interessante resultaten op. Een nieuwe verkenning wordt gestart naar de potentie van het verhogen van de deeltijdfactor1 in het onderwijs om zo de arbeidstekorten in het onderwijs terug te brengen.

Sociale veiligheid

Vanaf 2020 gaat «Bi+ Nederland» zich met steun van het Ministerie van OCW inzetten voor een bi-inclusieve samenleving via gemeenschapsvorming, onderzoek en lobby.

De Minister werkt samen met gemeenten aan het vergroten van de sociale veiligheid van lhbti-personen en vrouwen. Zo ondersteunt de Minister de regenbooggemeenten (Dordrecht en Zwolle) in de Biblebelt bij een regionale aanpak om LHBTI in levensbeschouwelijke kringen bespreekbaar te maken. Ook kunnen gemeenten zich nog voor de komende twee jaar aansluiten bij het programma Veilige Steden. Doel is het verbeteren van de veiligheid van vrouwen in de openbare ruimte (straat en uitgaansleven).

Genderdiversiteit en gelijke behandeling

Het programma Iedereen in Beeld zet interdepartementaal in op bewustwording en kennisontwikkeling van inclusieve beeldvorming. Inzet is de beeldbank van het Rijk diverser te maken. Ook start een onderzoek naar hoe burgers de beeldcommunicatie van het Rijk ervaren.

Samenwerking maatschappelijke organisaties

Een belangrijk onderdeel van het emancipatiebeleid is de samenwerking met allianties van organisaties in het maatschappelijk middenveld. Deze samenwerking is in 2020 onderwerp van een procesevaluatie. Aan de hand van de resultaten van die evaluatie wordt in 2021 de nieuwe subsidieregeling uitgewerkt.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 75 Budgettaire gevolgen van beleid art. 25 (bedragen x € 1.000)

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

4.305

4.305

4.601

7.304

15.205

15.951

16.659

Uitgaven

12.540

13.967

14.147

14.610

15.862

15.951

16.659

waarvan juridisch verplicht (%)

   

71,3%

       
 

Bekostiging

8.447

8.713

8.507

8.610

8.713

8.713

8.713

Kennisinfrastructuur: Gender- en LHBTI-gelijkheid

8.447

8.713

8.507

8.610

8.713

8.713

8.713

Subsidies (regelingen)

3.278

3.079

3.322

3.241

3.071

3.071

3.571

Vrouwenemancipatie

234

0

0

0

0

0

0

LHBTI

366

78

0

0

0

0

0

Gender- en LHBTI- gelijkheid 2017-2022

2.678

3.001

3.322

3.241

3.071

3.071

3.571

Opdrachten

815

1.055

1.204

1.205

1.205

1.205

1.205

Bijdrage aan medeoverheden

0

1.120

1.114

1.554

2.873

2.962

3.170

Gemeentefonds gender- en LHBTI-gelijkheid

0

1.120

1.114

1.554

2.873

2.962

3.170

Ontvangsten

150

0

0

0

0

0

0

Budgetflexibiliteit

Van het totale budget voor artikel 25 is in 2021 70,8 procent juridisch verplicht.

Bekostiging

Het beschikbare budget voor 2021 is voor 96,9 procent juridisch verplicht. Subsidies

Het beschikbare budget in 2021 is voor 52,1 procent juridisch verplicht. Dit betreft meerjarige projectsubsidies. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de subsidiebijlage.

Opdrachten

Het beschikbare budget in 2020 is voor 3,0 procent juridisch verplicht op grond van een eerder aangegane overeenkomsten.

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

Bekostiging

Op basis van de Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017-2022 zijn in 2017 acht allianties voor vijf jaar verplicht. De acht strategisch partners (Kamerstukken II 2016/17, 30420, nr. 258) zijn merendeel allianties; in totaal vijftien organisaties. Het doel is om met de activiteiten waarvoor subsidie is verleend gender- en LHBTI-gelijkheid te realiseren.

Subsidies

Projectsubsidies worden verleend op basis van de Subsidieregeling genderen LHBTI-gelijkheid 2017-2022.

Opdrachten

De middelen voor opdrachten voor zowel gender- als LHBTI-gelijkheid worden besteed aan onderzoeken en symposia.

Bijdrage aan medeoverheden

Gemeenten actief op het gebied van gender- en LHBTI-gelijkheid ontvangen via een decentralisatie-uitkering een bijdrage. De verantwoordelijkheid voor de besteding van deze middelen is belegd bij de gemeenten zelf.

  • 4. 
    Niet-beleidsartikelen

4.1 Artikel 91 Nog Onverdeeld

Doel van dit artikel is het tijdelijk boeken van sector overschrijdende middelen. Zodra een exacte verdeling over de betrokken beleidsartikelen bekend is, worden de middelen naar deze artikelen overgeboekt. Het betreft:

  • • 
    loonbijstelling;
  • • 
    prijsbijstelling;
  • • 
    onvoorzien.

Op deze onderdelen worden dus geen feitelijke uitgaven verantwoord.

  • D. 
    Budgettaire gevolgen
 

Tabel 76 Budgettaire gevolgen art.

91 (bedragen x € 1.000)

         
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

0

0

0

0

0

0

0

Uitgaven

0

0

0

0

0

0

0

 

Loonbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

waarvan programma

0

0

0

0

0

0

0

waarvan apparaat

0

0

0

0

0

0

0

Prijsbijstelling

0

0

0

0

0

0

0

waarvan programma

0

0

0

0

0

0

0

waarvan apparaat

0

0

0

0

0

0

0

Onvoorzien

0

0

0

0

0

0

0

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

  • E. 
    Toelichting op de financiële instrumenten

Op het onderdeel Onvoorzien staan onder andere middelen die een budgettair effect hebben op meer dan één beleidsartikel en waarvan de verdeling over deze artikelen nog niet bekend is.

Dit onderdeel bevat geen middelen meer. De middelen voor problematiek van de Dienst Uitvoering Onderwijs zijn vanaf dit begrotingsjaar op het instrument «bijdrage aan agentschappen» van de beleidsartikelen gezet.

4.2 Artikel 95 Apparaat Kerndepartement

  • D. 
    Budgettaire gevolgen

Tabel 77 Budgettaire gevolgen art. 95 (bedragen x € 1.000)

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Verplichtingen

266.515

288.670

277.179

272.376

272.684

269.451

269.228

Uitgaven

266.317

288.670

277.179

272.376

272.684

269.451

269.228

 

Personele uitgaven

197.662

220.544

210.845

209.593

209.899

207.461

207.132

waarvan eigen personeel

188.890

209.697

200.744

199.497

199.804

197.428

197.090

waarvan externe inhuur

5.614

6.619

5.930

5.940

5.940

5.940

5.940

waarvan overige personele uitgaven

3.158

4.228

4.171

4.156

4.155

4.093

4.102

Materiële uitgaven

67.336

66.720

66.334

62.783

62.785

61.990

62.096

waarvan ICT

23.719

24.413

20.547

20.530

20.518

20.147

20.198

waarvan bijdrage aan SSO's

15.926

16.692

16.303

16.354

16.355

16.355

16.356

waarvan overige materiële uitgaven

27.691

25.615

29.484

25.899

25.912

25.488

25.542

Begrotingsreserve schatkistbankieren

1.319

1.406

0

0

0

0

0

Ontvangsten

1.980

1.973

567

567

567

567

567

Toelichting

Op het artikel Apparaat Kerndepartement staan de apparaatsuitgaven van de directies van het kerndepartement, zowel die van de beleidsdirecties als die van de niet-beleidsdirecties, de Rijksdienst Cultureel Erfgoed, de inspecties en de adviesraden van het Ministerie. Daarnaast worden hier de centrale uitgaven voor onder andere huisvesting, automatisering en bijdragen aan Shared Service Organisaties (SSO's) geraamd.

Op dit artikel worden tevens de mutaties op de begrotingsreserve schat-kistbankieren geraamd. Het Ministerie van OCW staat garant voor het in gebreke blijven van aan het Ministerie van OCW verbonden instellingen die gebruik maken van de regeling schatkistbankieren. Gegeven de omvang van het budget is er om doelmatigheidsredenen voor gekozen om niet per relevant beleidsartikel een reeks op te nemen, maar dit te doen op het artikel 95 (apparaat kerndepartement). De ontvangen premies van aan het Ministerie van OCW verbonden instellingen worden jaarlijks via het Ministerie van Financiën aan het Ministerie van OCW overgemaakt en dit wordt in de begroting en in de saldibalans in het jaarverslag (toevoeging premie aan gegroeide reserve) verwerkt.

In onderstaande tabel zijn de apparaatsuitgaven van het Ministerie van OCW onderverdeeld naar kerndepartement, Rijksdienst Cultureel Erfgoed, Inspectie van het Onderwijs, Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed, Onderwijsraad, Raad voor Cultuur en de Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie. Daarnaast zijn de apparaatskosten van de baten-lastenagentschappen en Zelfstandigen Bestuursorganen (ZBO's) weergegeven.

Tabel 78 Totaaloverzicht apparaatsuitgaven/kosten inclusief agentschappen en ZBO's (bedragen x € 1.000)

 
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Totaal apparaatsuitgaven ministerie1

266.317

288.670

277.179

272.376

272.684

269.451

269.228

Kerndepartement2

154.733

167.690

166.077

161.698

161.767

157.852

157.629

Rijksdienst Cultureel Erfgoed

36.843

41.206

36.980

36.572

36.700

37.048

37.048

Inspectie van het Onderwijs

66.518

68.825

66.539

66.394

66.538

66.957

66.957

Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed

2.470

3.608

2.418

2.416

2.413

2.413

2.413

 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Onderwijsraad

2.417

2.494

2.447

2.446

2.445

2.444

2.444

Raad voor Cultuur

2.165

3.486

2.141

2.274

2.245

2.162

2.162

Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie

1.171

1.361

577

576

576

575

575

 

Totaal apparaatskosten agentschappen3

359.952

345.803

337.516

333.674

329.662

329.713

329.648

Dients Uitvoering Onderwijs

318.561

302.776

295.358

292.923

289.031

289.100

289.009

Nationaal Archief

41.391

43.027

42.158

40.751

40.631

40.613

40.639

 

Totaal apparaatskosten zbo's

403.530

389.521

377.288

367.536

365.214

359.792

359.792

Stichting Nederlans Fonds voor Podiumkunsten+

7.931

6.300

7.931

7.931

7.931

7.931

7.931

Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie

3.505

3.100

3.505

3.505

3.505

3.505

3.505

Stichting Nederlands Fonds voor de Film

4.543

3.500

4.543

4.543

4.543

4.543

4.543

Stichting Stimuleringsfonds Creatieve

Industrie

2.555

2.000

2.555

2.555

2.555

2.555

2.555

Stichting Mondriaan Fonds

3.227

3.600

3.227

3.227

3.227

3.227

3.227

Stichting Nederlands Letterenfonds

3.138

2.600

3.138

3.138

3.138

3.138

3.138

Bureau Architectentregister4

Commissariaat voor de Media

5.062

5.076

5.076

5.076

5.076

5.076

5.076

Nederlands Vlaamse Accreditatie

Organisatie

4.932

4.937

4.476

4.576

4.715

4.715

4.715

Koninklijke Bibliotheek

52.448

50.324

50.840

51.645

52.461

53.020

53.020

Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek

218.883

210.348

205.401

194.333

191.695

185.386

185.386

Stichting Participatiefonds (PF)

1.971,8

1.971,8

1.971,8

1.971,8

1.971,8

1.971,8

1.971,8

Stichting Vervangingsfonds (VF)

2.730,2

2.730,2

2.730,2

2.730,2

2.730,2

2.730,2

2.730,2

Stimuleringsfonds voor de Journalistiek

700

700

700

700

700

700

700

College voor Toetsen en Examens

11.619

12.790

4.380

4.380

4.380

4.380

4.380

Nederlandse Publieke Omroep

2.300

2.500

2.300

2.300

2.300

2.300

2.300

Regionale Publieke Omroep

1.100

1.100

1.100

1.100

1.100

1.100

1.100

Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen

61.585

60.644

58.114

58.525

57.886

58.214

58.214

Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB)

15.300

15.300

15.300

15.300

15.300

15.300

15.300

1    De cijfers in de tabel zijn niet met elkaar te consolideren aangezien het zowel uitgaven als kosten betreft.

2    Het personeel van het CvTE bestaat uit rijksambtenaren, de apparaatskosten van het CvTE zijn dan ook opgenomen in het apparaatsuitgaven van het kerndepartement.

3    De apparaatskosten bij de baten-lastendiensten betreffen naast de apparaatskosten in verband met werkzaamheden voor OCW ook de kosten die verband houden met werkzaamheden die voor tweeden en derden worden uigevoerd.

4    Het bedrag (exclusief inkomsten uit inschrijving), dat is geraamd voor het Bureau Architectenregister valt weg in de afronding.

Toelichting

In bovenstaande tabel zijn rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT's) waarbij een individuele uitvraag in het veld nodig is, niet opgenomen. Dit betreft ondermeer alle onderwijsinstellingen, academische ziekenhuizen en musea. ZBO's waarbij de gegevens met betrekking tot de apparaatsuitgaven uit hoofde van reguliere bestaande informatiestromen beschikbaar zijn, zijn wel opgenomen.

In onderstaande tabel zijn de apparaatsuitgaven van het kerndepartement weergegeven zoals deze direct toe te rekenen zijn aan de verschillende beleidsterreinen.

 

Tabel 79 C. Tabel apparaatsuitgaven per beleidsartikel budgettaire

 

gevolgen (bedragen x € 1.000)

 

Beleidsartikel

2021

Totaal apparaat beleidsartikelen

47.407

Primair onderwijs

7.195

Voortgezet onderwijs

7.892

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

6.588

Hoger onderwijs en Studiefinanciering

7.029

Internationaal beleid

3.026

Cultuur

9.938

Onderzoek en wetenschapsbeleid

3.361

Emancipatie

2.378

  • 5. 
    Begroting agentschappen

5.1 Agentschap Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)

In deze paragraaf is de begroting opgenomen van de Dienst Uitvoering Onderwijs. De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is de uitvoeringsorganisatie van de Rijksoverheid voor het onderwijs. DUO levert producten en diensten op het terrein van bekostiging van instellingen, financiering van studenten en informatievoorziening. Daarnaast verricht DUO werkzaamheden voor overige departementen en derden.

In de onderstaande tabel is een meerjarige raming van de baten en lasten voor de DUO-begroting opgenomen.

 

Tabel 80 Begroting van baten-lastenagentschap voor het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)

 

Slotwet 2019

Vastgestelde begroting 2020

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

Omzet waarvan omzet moederdepartement

269.790

243.030

242.776

245.389

247.484

253.720

259.796

waarvan omzet overige departementen

58.663

72.623

70.302

70.302

70.302

70.302

70.302

waarvan omzet derden

6.180

6.423

5.857

5.857

5.857

5.857

5.857

Vrijval voorzieningen

669

-

-

-

-

-

-

Bijzondere baten

1.708

-

-

-

-

-

-

Rentebaten

-

-

-

-

-

-

-

Totaal baten

337.010

322.076

318.935

321.548

323.643

329.879

335.955

Lasten

             

Apparaatskosten

318.561

302.776

295.358

292.923

289.031

289.100

289.009

  • Personele kosten

224.694

213.776

204.358

201.923

198.031

198.100

198.009

waarvan eigen personeel

167.336

173.017

170.583

170.485

170.462

170.462

170.462

waarvan inhuur externen

46.813

34.759

26.775

24.438

20.569

20.638

20.547

waarvan overige personele kosten

10.545

6.000

7.000

7.000

7.000

7.000

7.000

  • Materiële kosten

93.867

89.000

91.000

91.000

91.000

91.000

91.000

waarvan apparaat ICT

22.975

22.000

23.000

23.000

23.000

23.000

23.000

waarvan bijdrage aan SSO's

24.236

23.000

24.000

24.000

24.000

24.000

24.000

waarvan overige materiële kosten

46.656

44.000

44.000

44.000

44.000

44.000

44.000

Afschrijvingskosten

15.423

17.200

21.277

26.225

32.012

38.079

44.146

  • Materieel

10.656

12.000

12.000

12.000

12.000

12.000

12.000

waarvan apparaat ICT

10.353

11.500

11.500

11.500

11.500

11.500

11.500

  • Immaterieel

4.767

5.200

9.277

14.225

20.012

26.079

32.146

Dotaties voorzieningen

2.000

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

1.500

Overige kosten

-

-

-

-

-

-

-

Bijzondere lasten

-

-

-

-

-

-

-

Rentelasten

91

500

700

800

1.000

1.100

1.200

Totaal lasten

336.075

321.976

318.835

321.448

323.543

329.779

335.855

Saldo van baten en lasten gewone bedrijfsuitoefening

935

100

100

100

100

100

100

Agentschapsdeel Vpb-lasten

50

100

100

100

100

100

100

Totaal saldo van baten en lasten

885

0

0

0

0

0

0

Toelichting

Baten

Omzet moederdepartement

De omzet moederdepartement (€ 242,8 miljoen) betreft de inkomsten voor geleverde diensten en producten aan de opdrachtgever het Ministerie van OCW. Van de omzet moederdepartement 2020 is € 182,2 miljoen gerelateerd aan de vijf hoofdproducten, te weten Bekostiging (€ 33,0 miljoen, zijnde 18 procent), Studiefinanciering (€ 86,9 miljoen, zijnde 48 procent), Examens (€ 22,7 miljoen, zijnde 12 procent), Registers (€ 33,0 miljoen, zijnde 18 procent), Informatiediensten (€ 6,6 miljoen, zijnde 4 procent). Daarnaast zijn middelen toegewezen ten behoeve van het niet activeerbare gedeelte van de vervangingen van het systeemlandschap (€ 17 miljoen), voor de afschrijvingslasten van het immaterieel vast actief (€ 9,3 miljoen) en voor de implementatie informatie voorziening (IV)-strategie (€ 5,0 miljoen).

Tevens is in de begroting € 12,0 miljoen opgenomen voor de implementatie van beleidswijzigingen en € 17,3 miljoen voor nieuwe taken welke nog geen onderdeel zijn van de lumpsum financiering van het basiscontract. De stijgende lijn in de opbrengst moederdepartement hangt samen met de toegekende middelen in de Voorjaarsnota 2019 voor de noodzakelijke vervanging en onderhoud van het systeemlandschap en is in lijn met de aanbeveling uit de doorlichting vanuit het Ministerie van Financiën om incidentele financiering in het lopende begrotingsjaar zoveel mogelijk te beperken.

Uitgangs- en markeringspunten van belang voor exploitatie DUO De digitale infrastructuur onderwijs bij DUO is van essentieel belang voor de uitvoering van wet- en regelgeving, voor de daarbij behorende dienstverlening en communicatie aan studenten, instellingen en ouders/burgers. Om continuïteitsrisico's én issues op het gebied van privacy en security te voorkomen is er meerjarig bij Voorjaarsnota 2019 nieuw budget toegevoegd voor onderhoud en vervanging van het ICT-landschap.

De IV-strategie van DUO is de basis voor de vervanging van het ICT-landschap. De bijbehorende IV-roadmap geeft aan hoe dit de komende jaren gestalte moet krijgen. In stappen worden oude applicaties vervangen door pakket-software, nieuwe systemen of Cloud-oplossingen. Op middellange termijn kunnen alle oude systemen en platformen daarna worden uitgefaseerd. De hiervoor benodigde middelen zijn inmiddels toegekend en opgenomen in deze begroting.

Omzet overige departementen

De omzet Overige departementen (€ 70,3 miljoen) betreft opbrengsten in verband met uitvoering inburgeringstaken (€ 31,8 miljoen) en uitvoering landelijk register kinderopvang (€ 6,8 miljoen) voor het Ministerie van SZW, werkzaamheden ten behoeve van het examen Wet financieel toezicht (€ 1,9 miljoen) in opdracht van het Ministerie van Financiën, print- en couverteerwerkzaamheden ten behoeve van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) van het Ministerie van JenV (€ 1,2 miljoen) en compensatie van loonkosten voor gedetacheerde medewerkers (€ 0,8 miljoen). Daarnaast is € 27,8 miljoen aan omzet opgenomen in verband met werkzaamheden uitgevoerd binnen de Shared Service Organisatie welke onder DUO valt. Het betreft hier werkzaamheden voor het Ministerie van JenV (€ 8,3 miljoen), het Ministerie van IenW (€ 2,4 miljoen), het Ministerie van EZK (€ 3,5 miljoen), het Ministerie van BZK (€ 3,8 miljoen), het Ministerie van VWS (€ 2,9 miljoen) en het Ministerie van Financiën (€ 0,2 miljoen). Daarnaast is onder de omzet tweeden voor € 6,7 miljoen aan omzet opgenomen voor werkzaamheden ten behoeve van het Bestuursdepartement OCW, Inspectie van het Onderwijs, Nationaal Archief en Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Omzet derden

Bij omzet derden (€ 5,9 miljoen) gaat het met name om te innen leges voor OCW examens (€ 3,3 miljoen), leges voortvloeiende uit diverse overige OCW taken (€ 0,8 miljoen) en opbrengsten voor het uitvoeren van (bekostiging gerelateerde) werkzaamheden voor het Participatiefonds (€ 0,8 miljoen) alsmede werkzaamheden uitgevoerd binnen de Shared Service Organisatie (SSO) Noord (€ 1,0 miljoen).

 

Tabel 81 Omzet moederdepartement (bedragen x € 1 miljoen)

Direct gerelateerd aan geleverde producten/diensten

€ 242,8

o

Waarvan productgroep/dienstengroep Bekostiging

€ 33,0

o

Waarvan productgroep/dienstengroep Studiefinanciering

€ 86,9

o

Waarvan productgroep/dienstengroep Examendiensten

€ 22,7

o

Waarvan productgroep/dienstengroep Basisregister

€ 33,0

o

Waarvan productgroep/dienstengroep Informatiediensten

€ 6,6

o

Waarvan productgroep/dienstengroep Overige taken

€ 17,3

o

Waarvan productgroep/dienstengroep Opdrachten

€ 43,3

Lasten

Personele kosten

De personele kosten betreffen de kosten van eigen personeel (€ 170,6 miljoen) op basis van de gemiddelde loonkosten, de begrote kosten voor externe inhuur (€ 26,8 miljoen) en een reële inschatting van de overige personele kosten zoals opleidingsbudget en reiskosten (€ 7,0 miljoen). DUO is bezig met het verambtelijken van relatief dure externen op het gebied van automatisering naar «goedkopere» ambtenaren om zodoende meer eigen kennisopbouw en kostenreductie te realiseren. Dit is ook zichtbaar in de afname van de post externe inhuur vanaf 2022 en verder.

Materiële kosten

De materiële kosten bestaan onder meer uit vaste lasten, zoals kosten informatievoorziening en automatisering (€ 23,0 miljoen), externe diensten (zoals deurwaarderskosten, detachering en vergoeding examinatoren en surveillanten) en drukwerk (€ 44,0 miljoen) en de bijdrage aan SSO's (€ 24,0 miljoen) welke met name betrekking heeft op de huisvestingskosten.

Afschrijvingskosten

De afschrijvingskosten betreffen materiële en immateriële vaste activa. De stijging in 2021 en verder hangt samen met de geplande investeringen in immateriële vaste activa (vervanging ICT-landschap) voor de komende jaren.

 

Tabel 82 Kasstroomoverzicht over het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)

       

Omschrijving

Slotwet 2019

Vastgestelde begroting

2020

2021

2022

2023

2024

2025

I.Rekening-courant RHB 1 januari + depositorekeningen

6.432

14.194

14.794

46.171

77.496

108.608

139.587

+/+ totaal ontvangsten operationele kasstroom

358.067

322.076

0

0

0

0

0

-/- totaal uitgaven operationele kasstroom

  • 337.779
  • 303.376

52.677

57.525

63.112

69.079

75.046

2.Totaal operationele kasstroom

20.288

18.700

52.677

57.525

63.112

69.079

75.046

-/- totaal investeringen

  • 31.187
  • 39.500
  • 45.200
  • 50.800
  • 52.700
  • 52.700
  • 52.700

Omschrijving

Slotwet 2019

Vastgestelde begroting

2020

2021

2022

2023

2024

2025

+/+totaal boekwaarde desinvesteringen

115

           

Totaal investeringskasstroom

  • - 
    31.072
  • - 
    39.500
  • - 
    45.200
  • - 
    50.800
  • - 
    52.700
  • - 
    52.700
  • - 
    52.700

3.-/- eenmalige uitkering aan moederdepartement

-

           

+/+ eenmalige storting door het moederdepartement

-

           

-/- aflossingen op leningen

  • 3.032
  • 6.100
  • 9.300
  • 14.200
  • 20.000
  • 26.100
  • 32.100

+/+ beroep op leenfaciliteit

22.010

27.500

33.200

38.800

40.700

40.700

40.700

4.Totaal financieringskasstroom

18.978

21.400

23.900

24.600

20.700

14.600

8.600

5.Rekening courant RHB 31 december + stand depositorekeningen (+1+2+3+4)

14.626

14.794

46.171

77.496

108.608

139.587

170.534

Toelichting

De operationele kasstroom is het saldo ontvangsten moederdepartement, overige departementen en Derden waar uitgaven tegen overstaan aan crediteuren en personeel. Het totaal van investeringen (onder andere apparatuur voor het rekencentrum: aanschaf servers en storageapparatuur en investeringen in immateriële vaste activa) is gelijk aan de zogenoemde vervangingsinvesteringen voor de materiële vaste activa en uitbreidingsin-vesteringen voor het ICT-landschap. De investering in immateriële vaste activa is gedekt middels een beroep op de leenfaciliteit. Onder de «aflossingen op leningen» is de aflossing opgenomen voor de leningen welke ten behoeve van de vervanging van het systeemlandschap zijn opgenomen. De stijging van het beroep op de leenfaciliteit hangt samen met de investeringen in het ICT-landschap. Voor 2021 is in de Voorjaarsnota de leenfaciliteit uitgebreid met € 68,0 miljoen waarvan € 35,5 miljoen ten behoeve van de investeringen in zelfontwikkelde software ten behoeve van het ICT-landschap en overige € 32,5 miljoen ten behoeve van computerhardware en -software.

Kapitaaluitgaven

 

Tabel 83 Specificatie kapitaaluitgaven agentschap DUO 2021 (bedragen x € 1.000)

Investeringen gebouw

0

Kantoormeubilair

0

Kantoormachines

0

Automatiseringsapparatuur

12.000

Depotinrichting

0

App. conservering & restauratie

0

Inrichting studiezaal

0

Zelfontwikkelde software

33.200

Totaal investeringen

45.200

Eenmalige uitkering aan moederdepartement

0

Aflossing op leningen

9.300

Beroep op leenfaciliteit

Totaal financieringskasstroom

9.300

Kapitaaluitgaven

54.500

Doelmatigheid

DUO heeft, mede naar aanleiding van de doorlichting in het eerste kwartaal van 2019, haar doelmatigheidsparagraaf herzien. In deze paragraaf worden de nieuwe indicatoren nader toegelicht.

Basisindicatoren zijn de kostprijs en kwaliteit per product of dienst. DUO streeft naar gelijkblijvende kosten bij een verbeterde dienstverlening zichtbaar in de klanttevredenheid van het digitale kanaal. Dit is zichtbaar in de gelijkblijvende indexgetallen in de tabel in combinatie met de kwaliteitsindicatoren. DUO bevindt zich namelijk in een transitie van een organisatie met een complex systeemlandschap gebaseerd op ad hoc financiering, naar een wendbare ICT-gedreven organisatie waarin onderhoud en vervanging structureel gefinancierd worden via Life Cycle Management (LCM). Met de invoering van deze LCM-systematiek gaat DUO van grote eenmalige project investeringen naar structurele investeringen die over langere tijd afgeschreven worden. Dit is zichtbaar gemaakt door de toevoeging van de post «vervangingskosten», zijnde de niet activeerbare ontwikkelkosten van de vervangingen en de post «immateriële vaste activa» welke de omvang van het ICT-landschap weerspiegelt.

DUO wil doelmatig zijn in het gebruik van ICT-systemen, door te sturen op een stabilisering en uiteindelijke daling van de omvang van haar ICT-landschap. Dit wil DUO bereiken door «slim» te vervangen en daarmee te komen tot een onder architectuur ontwikkeld modern, simpel en kleiner ICT-landschap. Ook wil DUO sturen op de stabilisering van de kosten van onderhoud. Onder onderhoud wordt verstaan datgene wat nodig is voor instandhouding van de geautomatiseerde uitvoeringsprocessen. DUO wil dit gaan bereiken door (verouderde) systemen tijdig te vervangen. Daarnaast heeft DUO een nieuwe indicator opgenomen voor het aantonen van doelmatigheid bij overhead. Daar waar in het verleden een percentage van 21% is gerealiseerd wil DUO voor de komende jaren dalen naar 20% overhead ten opzichte van de totale kosten.

Tabel 84 Overzicht doelmatigheidsindicatoren

 
 

Slotwet 2019

Vastgestelde begroting

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Omschrijving Generiek Deel

Omzet Bekostiging Instellingen1

18%

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Omzet Studiefinanciering1

48%

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Omzet Examendiensten1

12%

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Omzet Basisregisters1

18%

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Omzet Informatiediensten1

4%

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Totaal basiscontract excl. LCM1

 

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Vervangingskosten1

n.v.t.

126,1

121,4

142,1

149,3

149,3

149,3

Kosten met betrekking tot onderhoud en beheer1

n.v.t.

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

100,0

Immateriële vaste activa (x1 mln)

n.v.t.

64,5

€ 88,4

€ 113,0

€ 133,6

€ 148,2

€ 156,7

Overheadkosten t.o.v. de totale kosten (%)

n.v.t.

20%

20%

20%

20%

20%

20%

FTE

FTE-ARAR

2.331

2.614

2.544

2.575

2.586

2.586

2.586

FTE-Extern

n.v.t.

252

198

186

161

162

161

Tarieven/uur

ICT gerelateerd

€ 114,00

€ 114,00

€ 115,00

€ 115,00

€ 115,00

€ 115,00

€ 115,00

Overige uren

€ 77,50

€ 77,50

€ 78,50

€ 78,50

€ 78,50

€ 78,50

€ 78,50

Saldo baten en lasten (%)

0,26%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

0,00%

 

Slotwet 2019 Vastgestelde begroting

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Kwaliteitsindicatoren

             

Klantcontact digitaal

7,0

6,5

6,5

6,5

6,5

6,5

6,5

Klantcontact traditioneel

8,0

7,0

7,0

7,0

7,0

7,0

7,0

1 Index 2019 is gelijk aan 100.

Toelichting doelmatigheidsindicatoren

Omzet/kostprijs per product

DUO aggregeert haar werkzaamheden in de going concern (basiscontract) naar vijf producten, te weten Bekostiging, Studiefinanciering, Examens, Registers en Informatiediensten. Zoals blijkt uit de tabel streeft DUO voor de komende jaren naar gelijkblijvende prijzen bij een verbeterde dienstverlening zichtbaar in de klanttevredenheid van het digitale kanaal en uiteindelijk tevens een kwaliteitsverbetering door de investeringen in het ICT-landschap.

Daarnaast heeft DUO de effecten van Life Cycle Management inzichtelijk gemaakt door de niet activeerbare ontwikkelkosten van de vervangingen (vervangingskosten) van de immateriële vaste activa (IMVA) op te nemen. Ook is in de tabel de balanspost «immateriële vaste activa» opgenomen om de omvang van het ICT-landschap weer te geven. Doelmatigheid wordt bereikt door de omvang van het ICT-landschap uiteindelijk af te vlakken en te stabiliseren (daar waar in het verleden een autonome groei van zes procent normaal was, hetgeen in lijn is met observaties binnen de Rijksoverheid en lager dan in de algemene markt conform onderzoek Gartner 2018) en de onderhouds- en beheerkosten niet verder te laten stijgen. In 2023 zit DUO op het gewenste investeringsniveau per jaar waarbij na 2027 de afschrijvingslasten gelijk zijn aan het investeringsniveau en de balanspost immateriële vaste activa niet verder toeneemt.

Immateriële vaste activa

Om de omvang van het ICT-landschap te meten wordt de balanspost immateriële vaste activa opgenomen als indicator. Hierin zijn alle zelf ontwikkelde en aangekochte software opgenomen. Deze post zal de eerste jaren een stijging laten zien en vanaf 2027 een vlakke lijn waarbij de autonome groei van het systeemlandschap is ondervangen en deze post zal stabiliseren rond de € 161,0 miljoen exclusief uitbreidingsinvesteringen als gevolg van nieuw beleid of afwaardering van bestaande systemen. Ook moet deze post worden gezien in relatie tot de indicator «kosten met betrekking tot onderhoud en beheer<<.

Kosten met betrekking tot onderhoud en beheer

Door het tijdig en slim vervangen van het systeemlandschap streeft DUO (daar waar, volgens onderzoek Gartner 2018, normaliter sprake is van een autonome groei van circa zes procent) naar een gelijkblijvend onderhoud en beheer wat zichtbaar is in het gelijkblijvende indexgetal van 100 .

Overheadkosten t.o.v. de totale kosten (%)

De nieuwe indicator drukt de overhead uit als percentage van de totale kosten. Daar waar in het verleden een percentage van 21% is gerealiseerd, wil DUO voor de komende jaren dalen naar 20% overhead ten opzichte van de totale kosten.

FTE totaal

De stijging van het personeel ten opzichte van 2019 hangt samen met de toekenning van de structurele middelen voor onderhoud en vervanging van het systeemlandschap en uitbreiding van de basisdienstverlening en werkzaamheden voor overige departementen. Daarnaast is DUO bezig met het verambtelijken van relatief dure externen op het gebied van automatisering naar «goedkopere» ambtenaren om zodoende meer kennisopbouw en kostenreductie te realiseren en op de lange termijn te kunnen voldoen aan de rijksbrede norm van 10 procent inhuur extern personeel . Daarnaast is deze verambtelijking passend op het rijksbrede beleid voor flexwerk. In de gepresenteerde FTE's is ook dat deel van de bezetting opgenomen wat werkzaam is ten behoeve van de ontwikkeling van software in eigen beheer, welke financieel gezien worden aangemerkt als een investering in immateriële vaste activa.

Projecttarief per uur

Het projecttarief per uur (€ 115,00) is een gemiddeld uurtarief ten behoeve van systeem- en procesaanpassingen.

Meerwerktarief per uur

Voor niet ICT-gerelateerde inzet geldt een lager tarief van € 78,50 per uur. De tarieven laten een stijging zien ten opzichte van het voorgaande jaar passend in de loon- en prijsontwikkeling.

Klanttevredenheid Klantcontact digitaal norm 6,5 en Klanttevredenheid klantcontact traditioneel norm 7,0

Het betreft hier respectievelijk de tevredenheid van individuele klanten op de kanalen Mijn DUO en de website (digitaal) en tevredenheid op de kanalen telefonie, email en balie (traditioneel), op een schaal van 1 tot en met 10.

5.2 Agentschap Nationaal Archief (NA)

5.2.1. Algemene toelichting

Het Nationaal Archief beheert de archieven van de Rijksoverheid en archieven van maatschappelijke organisaties en individuele personen die van nationaal belang zijn (geweest). In de depots ligt bijna duizend jaar geschiedenis van Nederland opgeslagen in archieven en in duizenden kaarten, tekeningen en foto's.

De missie van het Nationaal Archief is het dienen van ieders recht op informatie en het geven van inzicht in het verleden van ons land door inzet voor een sterk archiefbestel, een afgewogen beleid voor archiefwaardering en selectie en optimale zorg voor alle rijksarchieven en de nationale archiefcollectie in Den Haag te beheren en onsite en online te presenteren.

Nationaal Archief en Regionale Historische Centra

Op basis van de Archiefwet 1995 heeft de Minister van OCW een specifiek e verantwoordelijkheid voor alle rijksarchiefbewaarplaatsen, zijnde het Nationaal Archief in Den Haag en elf rijksarchiefbewaarplaatsen in de provinciehoofdsteden. De archiefbewaarplaatsen in de provinciehoofdsteden maken deel uit van de Regionale Historische Centra (RHC's). De RHC's zijn zelfstandige openbare lichamen, die vanuit het Rijk en andere partners een financiële bijdrage ontvangen. Deze begroting handelt alleen om de baten en lasten van het Nationaal Archief. De rijksbijdragen aan de afzonderlijke RHC's zijn onderdeel van artikel 14 (cultuur) van de begroting van het Ministerie van OCW.

Tabel 85 Begroting van baten-lastenagentschap voor het jaar 2021 (bedragen x € 1.000)

 
 

Stand Slotwet 2019

Vastgestelde begroting

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Baten

Omzet

41.235

41.959

44.221

42.719

42.448

42.371

42.263

waarvan omzet moederdepartement

40.017

40.819

42.920

41.418

41.147

41.070

40.962

waarvan omzet overige departementen

400

400

400

400

400

400

400

waarvan omzet derden

818

740

901

901

901

901

901

Vrijval voorzieningen

20

27

0

0

0

0

0

Mutatie projectgelden

2.070

3.167

0

0

0

0

0

Bijzondere baten

0

0

0

0

0

0

0

Rentebaten

0

0

0

0

0

0

0

Totaal baten

43.325

45.153

44.221

42.719

42.448

42.371

42.263

 

Lasten

Apparaatskosten

Personele kosten

19.158

19.347

19.988

19.837

19.932

20.014

20.014

waarvan eigen personeel

15.721

16.873

17.470

17.422

17.442

17.449

17.449

waarvan inhuur externen

2.461

1.421

1.411

1.311

1.386

1.461

1.461

waarvan overige personele kosten

976

1.053

1.107

1.104

1.104

1.104

1.104

Materiële kosten

22.233

23.680

22.170

20.914

20.699

20.599

20.625

waarvan apparaat ICT

676

1.100

1.140

1.142

1.142

1.142

1.142

waarvan bijdrage aan SSO's

4.819

6.361

6.128

6.080

6.484

6.484

6.447

waarvan overige materiële kosten

16.738

16.219

14.902

13.692

13.073

12.973

13.036

Afschrijvingskosten

1.672

2.119

2.058

1.965

1.815

1.757

1.623

Materieel

1.672

2.119

2.058

1.965

1.815

1.757

1.623

waarvan apparaat ICT

97

77

104

148

129

4

0

Immaterieel

0

0

0

0

0

0

0

 

Stand Slotwet 2019

Vastgestelde begroting

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Dotaties voorzieningen

54

0

0

0

0

0

0

Overige kosten

0

0