Toelichting bij COM(2017)93 - Boete voor Oostenrijk wegens manipulatie van gegevens over schulden in de deelstaat Salzburg - EU monitor

EU monitor
Dinsdag 27 oktober 2020
kalender

Toelichting bij COM(2017)93 - Boete voor Oostenrijk wegens manipulatie van gegevens over schulden in de deelstaat Salzburg

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

1. Achtergrond van de aanbeveling

Overeenkomstig artikel 126, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) moeten de lidstaten buitensporige overheidstekorten vermijden. Gegevens over overheidstekorten en overheidsschulden die van belang zijn voor de toepassing van de artikelen 121 en 126 VWEU en voor de toepassing van het Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten zijn essentieel voor de coördinatie van economisch beleid in de Unie.

Verordening (EU) nr. 1173/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied 1 stelt een sanctieregeling in om de handhaving van begrotingstoezicht in het eurogebied te verbeteren. Om een met opzet of door ernstige nalatigheid veroorzaakte verkeerde voorstelling van gegevens over overheidstekorten en overheidsschulden tegen te gaan, bepaalt artikel 8, lid 1, van de verordening dat de Raad, op grond van een aanbeveling van de Commissie, kan besluiten een boete op te leggen aan de verantwoordelijke lidstaat.

Als de Commissie meent dat er serieuze indicaties zijn voor het bestaan van feiten die een verkeerde voorstelling van gegevens over overheidstekorten en overheidsschulden kunnen vormen, is zij krachtens artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1173/2011 bevoegd alle nodige onderzoeken uit te voeren. De Commissie heeft op 3 mei 2016 een onderzoek ingesteld in verband met de manipulatie van statistieken in Oostenrijk.

De voorlopige bevindingen van het onderzoek naar de manipulatie van statistieken in Oostenrijk zijn op 20 december 2016 aan Oostenrijk toegezonden, zoals vereist bij artikel 6 van Gedelegeerd Besluit nr. 2012/678 van de Commissie. De Commissie heeft Oostenrijk verzocht schriftelijke opmerkingen op de voorlopige bevindingen uiterlijk 19 januari 2017 in te dienen. Oostenrijk heeft zijn schriftelijke opmerkingen op 25 januari 2017 ingediend.

Op 22 februari 2017 heeft de Commissie haar onderzoeksverslag in verband met de manipulatie van statistieken in Oostenrijk zoals bedoeld in Verordening (EU) nr. 1173/2011 2 ("het verslag") goedgekeurd, rekening houdend met de opmerkingen van Oostenrijk.

De conclusie van het verslag luidt dat de Landesrechnungshof (LRH), de administratie en de regering van de deelstaat Salzburg – dit zijn entiteiten binnen de overheidssector van de Republiek Oostenrijk – ernstig nalatig waren door niet te voorzien in adequate compilatiecontroles en rapportageprocedures. Daardoor maakten de entiteiten het voor de afdeling Begroting van de administratie van de deelstaat Salzburg gemakkelijker om financiële transacties verkeerd voor te stellen en te verhullen, hetgeen leidde tot de verkeerde voorstelling in 2012 en 2013 van de gegevens over de schulden van Oostenrijk in de jaren 2008-2012 3 aan Eurostat, dat wil zeggen na de inwerkingtreding van Verordening (EU) nr. 1173/2011.

Bovendien wordt in het verslag geconcludeerd dat het Oostenrijkse bureau voor de statistiek (hierna 'STAT' genoemd) minstens sinds 6 december 2012 op de hoogte was van een mogelijke verkeerde voorstelling van de rekeningen van de deelstaat Salzburg, maar dat dat bureau de Commissie (Eurostat) hiervan pas op 10 oktober 2013 in kennis had gesteld.

Er is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1173/2011 om de Raad aan te bevelen een boete op te leggen voor de verkeerde voorstelling van de gegevens over schulden: de incorrecte gegevens zijn in maart en september 2012 en in maart en september 2013— dus na de inwerkingtreding van de verordening op 13 december 2011 — door Oostenrijk aan Eurostat doorgegeven.

1.

2. Berekening van de boete


Op grond van artikel 14 van Gedelegeerd Besluit nr. 2012/678/EU van de Commissie van 29 juni 2012 betreffende onderzoeken en boeten in verband met de manipulatie van statistieken als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1173/2011 4 moet de Commissie erop toezien dat de aan te bevelen boete doeltreffend, evenredig en afschrikkend is. De boete wordt in twee stappen vastgesteld. Eerst bepaalt de Commissie het referentiebedrag. Vervolgens kan dit referentiebedrag naar boven of naar beneden worden bijgesteld naargelang de specifieke omstandigheden van de zaak.

Op grond van artikel 14, lid 2, van Gedelegeerd Besluit nr. 2012/678/EU is het referentiebedrag gelijk aan 5 % van het effect van de verkeerde voorstelling op het niveau van het overheidstekort of, indien groter, op het niveau van de overheidsschuld van Oostenrijk voor de jaren die bij de kennisgeving in het kader van de procedure bij buitensporige tekorten in aanmerking worden genomen. De herziening van de schuld voor het jaar 2012 zoals opgegeven door de Republiek Oostenrijk in de kennisgeving in het kader van de procedure bij buitensporige tekorten voor april 2014 bedroeg 1 192 miljoen EUR. Het referentiebedrag bedraagt dus 59,6 miljoen EUR.

Rekening houdend met de criteria van artikel 14, lid 3, onder d), van Gedelegeerd Besluit nr. 2012/678/EU van de Commissie wordt ervan uitgegaan dat het referentiebedrag het hoogste waargenomen bedrag moet zijn, vermenigvuldigd met het aantal jaren waarvoor gedurende de voor de laatste kennisgeving in aanmerking genomen vier jaar de feiten verkeerd zijn voorgesteld. Het hoogste waargenomen bedrag, zoals hierboven vermeld, was 1 192 miljoen euro in 2012. Bovendien was de laatste kennisgeving waarin de desbetreffende verkeerde voorstelling was opgenomen die van oktober 2013, met betrekking tot de jaren 2009-2012. Aangezien Verordening (EU) nr. 1173/2011 pas op 13 december 2011 in werking is getreden en er voor die datum geen sancties stonden op een verkeerde voorstelling van overheidstekorten en -schulden, is alleen de verkeerde voorstelling voor de jaren 2011 en 2012, zoals opgenomen in de kennisgevingen van respectievelijk 2012 en 2013, relevant. In deze zin moet het referentiebedrag worden vermenigvuldigd met twee, wat resulteert in een bedrag van 119,2 miljoen EUR.

Rekening houdend met de criteria zoals uiteengezet in artikel 14, lid 3, onder a), van Gedelegeerd Besluit nr. 2012/678/EU concludeert de Commissie in haar verslag dat de verkeerde voorstelling van gegevens geen significante gevolgen heeft gehad voor de werking van het versterkt economisch beheer van de Unie, gezien het beperkte effect ervan op de totale schuld van de Republiek Oostenrijk. In dit verband is de Commissie van mening dat de Republiek Oostenrijk, gelet op de concrete omstandigheden, daarom in aanmerking komt voor een verlaging van de geldboete.

Rekening houdend met de criteria van artikel 14, lid 3, onder b), van Gedelegeerd Besluit nr. 2012/678/EU wordt in het verslag aangegeven dat de verkeerde voorstelling te wijten was aan ernstige nalatigheid. In het verslag wordt niet geconcludeerd dat de verkeerde voorstelling opzettelijk in de context van een procedure bij buitensporige tekorten gebeurde (zie met name deel 4 van het verslag). Daarom wordt onder de gegeven omstandigheden geen bijstelling toegepast.

Rekening houdend met de criteria van artikel 14, lid 3, onder c), van Gedelegeerd Besluit nr. 2012/678/EU van de Commissie wordt in het verslag aangegeven dat de verkeerde voorstelling van gegevens werd vergemakkelijkt door het feit dat drie entiteiten van de overheid van de Republiek Oostenrijk ernstig nalatig waren door niet te voorzien in adequate compilatiecontroles en rapportageprocedures (zie met name de delen 3 en 4 van het verslag). De Commissie ziet dit niet als een gecoördineerde actie van die entiteiten, en daarom komt de Republiek Oostenrijk, gelet op de concrete omstandigheden, in aanmerking voor een verlaging van de geldboete.

Rekening houdend met de criteria van artikel 14, lid 3, onder e), van Gedelegeerd Besluit nr. 2012/678/EU wordt in het verslag geconcludeerd dat STAT en alle betrokken entiteiten in de loop van het onderzoek veel medewerking verleenden. In dit verband heeft de Commissie zich deels laten leiden door het beleid dat zij gewoonlijk toepast op het gebied van mededinging, waar boetes aanzienlijk worden verminderd bij het verlenen van medewerking aan de Commissie tijdens het onderzoek.

Gebleken is echter dat STAT door de administratie van de deelstaat ten minste sinds 22 januari 2013 volledig en rechtstreeks in kennis was gesteld van de verkeerde voorstelling in de rekeningen van de deelstaat Salzburg, maar heeft verzuimd de Commissie (Eurostat) daarvan onmiddellijk in kennis te stellen. Dit element zou normaalgesproken een verhoging van de boete rechtvaardigen. Door een combinatie van de twee bovengenoemde elementen is de Commissie van mening dat de Republiek Oostenrijk nog steeds in aanmerking komt voor een zekere verlaging van de geldboete.

Daarom beveelt de Commissie de Raad aan om de aan de Republiek Oostenrijk op te leggen geldboete vast te stellen op 29,8 miljoen EUR, wat overeenkomt met 25 % van het dubbele referentiebedrag.

Overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1173/2011 mag het totale bedrag van de boete maximaal 0,2 % bedragen van het meest recente bruto binnenlands product van de Republiek Oostenrijk. De aanbevolen boete bedraagt niet meer dan 0,2 % van het bbp van Oostenrijk voor 2015.

2.

3. Conclusie en aanbeveling


Concluderend wordt in het verslag van de Commissie vastgesteld dat drie entiteiten binnen de overheidssector van de Republiek Oostenrijk ernstig nalatig zijn geweest door niet te voorzien in adequate compilatiecontroles en rapportageprocedures en dat een sub-entiteit van een van deze entiteiten financiële transacties verkeerd had voorgesteld en verhuld, hetgeen leidde tot een onjuiste rapportering van de gegevens over tekorten en schulden aan Eurostat in 2012 en 2013, voor de jaren 2008-2012, dat wil zeggen na de inwerkingtreding van Verordening (EU) nr. 1173/2011. Op basis van deze bevindingen doet de Commissie de aanbeveling dat de Raad een boete aan de Republiek Oostenrijk oplegt van 29,8 miljoen EUR.