Overwegingen bij COM(2005)81 - Europees Genderinstituut - EU monitor

EU monitor
Maandag 22 april 2019
kalender

Dit is een beperkte versie

U kijkt naar een beperkte versie van dit dossier in de EU Monitor.

 
dossier COM(2005)81 - Europees Genderinstituut.
document COM(2005)81 NLEN
datum 20 december 2006
 
(1) Gelijkheid van vrouwen en mannen is een grondbeginsel van de Europese Unie. De artikelen 21 en 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verbieden discriminatie op grond van geslacht en bepalen dat de gelijkheid van vrouwen en mannen op alle gebieden moet worden gewaarborgd.

(2) In artikel 2 van het Verdrag wordt het bevorderen van gelijkheid van vrouwen en mannen een van de hoofdtaken van de Gemeenschap genoemd. Voorts bepaalt artikel 3, lid 2, van het Verdrag dat de Gemeenschap bij elk optreden ernaar moet streven ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen, zodat de dimensie van gendergelijkheid in al het communautaire beleid wordt geïntegreerd.

(3) Artikel 13 van het Verdrag geeft de Raad de bevoegdheid passende maatregelen te nemen om discriminatie, onder andere op grond van geslacht, op alle gebieden waarop de Gemeenschap bevoegd is, te bestrijden.

(4) Het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van vrouwen en mannen in werkgelegenheid en beroep is verankerd in artikel 141 van het Verdrag en er bestaat al uitgebreide wetgeving voor de gelijke behandeling van vrouwen en mannen wat betreft toegang tot het arbeidsproces en arbeidsvoorwaarden, waaronder gelijke beloning.

(5) In het eerste aan de voorjaarsbijeenkomst van de Raad van 2004 gerichte jaarverslag van de Commissie over de gelijkheid van vrouwen en mannen werd geconcludeerd dat er op de meeste beleidsterreinen grote genderverschillen bestaan, dat ongelijkheid van vrouwen en mannen een multidimensionaal verschijnsel is dat moet worden aangepakt door een combinatie van veel verschillende beleidsmaatregelen, en dat er meer inspanning vereist is om de doelen van de strategie van Lissabon te verwezenlijken.

(6) De Europese Raad van Nice van 7-9 december 2000 verklaarde dat er moest worden gewerkt aan „verbetering van de kennis, aan bundeling van de middelen en aan uitwisseling van de ervaringen, met name door een Europees Instituut voor gendergelijkheid tot stand te brengen”.

(7) Uit de haalbaarheidsstudie (3) die in opdracht van de Commissie is uitgevoerd, kwam naar voren dat er een duidelijke rol is weggelegd voor een Europees instituut voor gendergelijkheid wat betreft de uitvoering van sommige van de taken die de bestaande instellingen thans niet verrichten, met name op het gebied van de coördinatie, centralisatie en verspreiding van onderzoeksgegevens en informatie, de opbouw van netwerken, het zichtbaarder maken van de gelijkheid van vrouwen en mannen, het belichten van het genderperspectief en de ontwikkeling van hulpmiddelen voor een betere integratie van gendergelijkheid in al het communautaire beleid.

(8) Het Europees Parlement riep de Commissie in zijn resolutie van 10 maart 2004 over het beleid van de Europese Unie inzake de gelijkheid van vrouwen en mannen (4) op sneller werk te maken van de oprichting van een instituut.

(9) De Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken van 1-2 juni 2004 en de Europese Raad van 17-18 juni 2004 steunden de oprichting van een Europees Instituut voor gendergelijkheid en de Europese Raad verzocht de Commissie een specifiek voorstel in te dienen.

(10) Het verzamelen, analyseren en verspreiden van objectieve, betrouwbare en vergelijkbare informatie en gegevens over gelijkheid van vrouwen en mannen, het ontwikkelen van geschikte hulpmiddelen om alle vormen van discriminatie op grond van geslacht uit te bannen en de genderdimensie in alle beleidsgebieden te integreren, het stimuleren van een dialoog tussen de belanghebbenden en een grotere bewustwording van EU-burgers zijn noodzakelijk om de Gemeenschap in staat te stellen een beleid inzake gendergelijkheid effectief te bevorderen en uit te voeren, met name in een uitgebreide Unie. Daarom is het wenselijk een Europees Instituut voor gendergelijkheid op te richten, dat de instellingen van de Gemeenschap en de lidstaten kan bijstaan in de uitvoering van deze taken.

(11) Gendergelijkheid kan niet door een antidiscriminatiebeleid alleen worden bereikt, maar vereist maatregelen ter bevordering van een harmonieus samenleven en een evenwichtige deelneming van vrouwen en mannen in de samenleving; het Instituut moet bijdragen tot het verwezenlijken van dat doel.

(12) Gezien het belang van het wegwerken van genderspecifieke stereotypen in alle facetten van het leven binnen de Europese samenleving, alsook van het geven van positieve voorbeelden waaraan vrouwen en mannen zich kunnen spiegelen, moeten acties om die doelen te bereiken ook in het takenpakket van het Instituut worden opgenomen.

(13) Samenwerking met de betrokken autoriteiten van de lidstaten en de ter zake bevoegde statistische autoriteiten, met name Eurostat, is essentieel om de verzameling van vergelijkbare en betrouwbare gegevens op Europees niveau te bevorderen; informatie over de gelijkheid van vrouwen en mannen is relevant voor alle niveaus binnen de Gemeenschap — lokaal, regionaal, nationaal en communautair — en daarom is het voor de autoriteiten van de lidstaten nuttig over dergelijke informatie te beschikken bij het formuleren van beleid en maatregelen op lokaal, regionaal en nationaal niveau die onder hun eigen bevoegdheid vallen.

(14) Om dubbel werk te voorkomen en optimaal gebruik van middelen te garanderen, moet het Instituut zo nauw mogelijk samenwerken met alle communautaire programma's en organen, met name met de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (5), het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk (6), het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (7) en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (8).

(15) Het Instituut moet gaan samenwerken en overleg plegen met niet-gouvernementele organisaties en organisaties die actief zijn op het gebied van gelijke kansen, onderzoekscentra, sociale partners en andere aanverwante organisaties die op nationaal en Europees niveau en in derde landen actief streven naar gelijkheid. Om efficiëntieredenen dient het Instituut met deze entiteiten en de deskundigen in de lidstaten een elektronisch Europees netwerk voor gendergelijkheid op te zetten en te coördineren.

(16) Met het oog op het nodige evenwicht tussen de lidstaten en de continuïteit van de leden van de raad van bestuur worden de vertegenwoordigers van de Raad voor elke ambtstermijn benoemd volgens de toerbeurtvolgorde van de voorzitterschappen van de Raad, met 2007 als beginpunt.

(17) Gelet op artikel 3, lid 2, van het Verdrag is het passend een evenwichtige deelname van vrouwen en mannen in de raad van bestuur na te streven.

(18) Het Instituut moet bij het uitvoeren van zijn taken de grootst mogelijke onafhankelijkheid genieten.

(19) Inzake toegang van het publiek tot documenten zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1049/2001 (9) en de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 45/2001 (10) dient het Instituut de desbetreffende Gemeenschapswetgeving toe te passen.

(20) Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (11) is van toepassing op het Instituut.

(21) Voor de contractuele aansprakelijkheid van het Instituut, waarvoor het recht geldt dat van toepassing is op de door het Instituut gesloten overeenkomsten, moet het Hof van Justitie bevoegd zijn uitspraak te doen overeenkomstig eventuele arbitragebedingen in de overeenkomst. Het Hof van Justitie moet eveneens bevoegd zijn in geschillen met betrekking tot de vergoeding van eventuele schade die uit de niet-contractuele aansprakelijkheid van het Instituut voortvloeit.

(22) Er moet een onafhankelijke externe evaluatie plaatsvinden om de uitwerking van het Instituut te beoordelen, de eventuele behoefte aan aanpassing of uitbreiding van zijn taken vast te stellen en het moment te bepalen waarop deze onderzoeken worden uitgevoerd.

(23) Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk het bijdragen tot en het versterken van de bevordering van gendergelijkheid, waaronder de integratie van de genderdimensie in het gehele communautaire beleid en het daaruit voortvloeiende nationale beleid, en tot de bestrijding van discriminatie op basis van geslacht, alsmede een grotere bewustwording van gendergelijkheid onder de burgers van de Unie bewerkstelligen, door technische bijstand te verlenen aan de communautaire instellingen en de autoriteiten van de lidstaten niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden, beter door de Gemeenschap worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap maatregelen treffen, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel als genoemd in dat artikel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(24) Artikel 13, lid 2, biedt de mogelijkheid communautaire maatregelen aan te nemen om discriminatie op grond van geslacht op andere terreinen dan de werkgelegenheid te bestrijden. Artikel 141, lid 3, is de specifieke rechtsgrond voor maatregelen die beogen de toepassing te waarborgen van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van vrouwen en mannen in werkgelegenheid en beroep. Artikel 13, lid 2, en artikel 141, lid 3, vormen tezamen daarom een passende rechtsgrond voor dit voorstel.