Artikel III-167: Materieel strafrecht

III-166
Artikel III-167
III-168
  • 1. 
    Bij Europese kaderwet kunnen minimumvoorschriften worden vastgesteld betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties in verband met vormen van bijzonder zware criminaliteit die een grensoverschrijdende dimensie hebben die voortvloeit uit de aard of de effecten van deze inbreuken of uit een bijzondere noodzaak om deze op gemeenschappelijke basis te bestrijden.

    Deze criminaliteitsvormen zijn de volgende: terrorisme, mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, illegale drugshandel, illegale wapenhandel, witwassen van geld, corruptie, namaak van betaalmiddelen, computercriminaliteit, en de georganiseerde criminaliteit.

    Afhankelijk van de ontwikkelingen van de criminaliteit kan de Raad een Europees besluit vaststellen waarin andere vormen van criminaliteit worden vermeld die voldoen aan de in dit lid genoemde criteria. Hij besluit met eenparigheid van stemmen na goedkeuring door het Europees Parlement.

  • 2. 
    Wanneer onderlinge aanpassing van het strafrecht noodzakelijk blijkt voor een doeltreffende uitvoering van beleid van de Unie op een gebied waarop harmonisatie maatregelen zijn vastgesteld, kunnen bij Europese kaderwet minimumvoorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de bepaling van strafbare feiten en sancties op het betrokken gebied. Onverminderd artikel [III-160] wordt deze kaderwet vastgesteld volgens dezelfde procedure als de in de voorgaande alinea bedoelde harmonisatiemaatregelen.

1.

Ontwikkeling artikel

2003

Het Europees Parlement en de Raad kunnen overeenkomstig de wetgevingsprocedure kaderwetten aannemen met minimumvoorschriften betreffende de definitie van strafbaarstelling en sancties:

  • in verband met vormen van bijzonder zware criminaliteit die tevens een grensoverschrijdende dimensie hebben die voortvloeit uit de aard of de effecten van de inbreuken of uit een bijzondere noodzaak om deze gezamenlijk te vervolgen. Deze criminaliteitsvormen zijn de volgende: terrorisme, mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, illegale drugshandel, illegale wapenhandel, witwassen van geld, corruptie, namaak van betaalmiddelen, computercriminaliteit, en de georganiseerde criminaliteit. Afhankelijk van de ontwikkelingen van de criminaliteit kan de Raad met eenparigheid van stemmen en met instemming van het Europees Parlement andere vormen van criminaliteit aanwijzen die voldoen aan de criteria in het voorgaande streepje;
  • in verband met vormen van criminaliteit die inbreuk maken op een gemeenschappelijk belang ten aanzien waarvan de Unie een beleid voert, wanneer strafrechtelijke sancties onvoldoende blijken te zijn om een doeltreffende uitvoering van dit beleid te garanderen.

2.

Opmerkingen

Met dit ontwerp-artikel wordt gevolg gegeven aan een cruciale aanbeveling van de werkgroep, gericht op een nauwkeuriger definitie van de bevoegdheid van de Unie op het gebied van de onderlinge aanpassing van de nationale voorschriften van het materieel strafrecht. Een nauwkeuriger afbakening van de bevoegdheden lijkt immers noodzakelijk om de algemene regels van de besluitvorming (gekwalificeerde meerderheid en medebeslissing) ook hier te kunnen toepassen.

Overeenkomstig het verslag zorgt de ontwerptekst voor een betere afbakening van de bevoegdheden door de twee fundamentele criteria op bladzijde 10 van dat verslag (de punten "aa" - vormen van bijzonder zware criminaliteit die tevens een grensoverschrijdende dimensie hebben en "bb" - vormen van criminaliteit die inbreuk maken op een gemeenschappelijk belang ten aanzien waarvan de Unie een beleid voert), en door een lijst van vormen van criminaliteit. Zoals in het verslag wordt voorgesteld, bevat deze lijst een beperkende lijst van vormen van bijzonder zware en grensoverschrijdende criminaliteit in de zin van criterium "aa" van het verslag, maar afhankelijk van de ontwikkelingen kan de Raad met eenparigheid van stemmen en met instemming van het Parlement andere vormen van criminaliteit aanwijzen die aan dit criterium voldoen, zodat de Unie op dergelijke ontwikkelingen kan reageren zonder het verdrag te hoeven wijzigen.

De bovenstaande lijst is geïnspireerd op de artikelen 29 en 31, onder e), van het huidige VEU en de conclusies van de Europese Raad van Tampere (zie punt 48). Sommige vormen van criminaliteit, zoals met name terrorisme, hebben hoe dan ook een grensoverschrijdende dimensie als bedoeld in dit artikel, zelfs al is er slechts één enkele lidstaat bij betrokken, omdat er ontegensprekelijk sprake is van een " bijzondere noodzaak om deze gezamenlijk te vervolgen ". Voorts zij erop gewezen dat deze lijst, overeenkomstig het verslag van de werkgroep (zie blz. 12), alleen van toepassing is in het kader van de onderlinge aanpassing van de nationale wetgevingen; de politiële en justitiële samenwerking, inclusief het optreden van Europol en Eurojust (zie bladzijden 13-15, 19) kan andere vormen van criminaliteit bestrijken. Het tweede streepje ("criminaliteit die inbreuk maakt op een gemeenschappelijk belang ten aanzien waarvan de Unie een beleid voert") beslaat vooral verscheidene gebieden waarvoor reeds op grond van artikel 31 VEU vastgesteld acquis bestaat , of waarover wordt onderhandeld of waarvoor projecten voor de nabije toekomst bestaan. Dit is met name het geval voor: fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt, het namaken van de euro, het bieden van hulp bij binnenkomst en bij illegaal verblijf, het namaken van producten en productpiraterij, milieudelicten en ook racisme en vreemdelingenhaat (volgens artikel 13 VEG kan de Gemeenschap immers passende maatregelen nemen om discriminatie op grond van ras of etnische afstamming te bestrijden). Omdat dit tweede criterium bestaat, is het niet nodig al die vormen van criminaliteit niet aan de lijst in het eerste streepje worden toegevoegd. Bovendien houdt het tweede streepje er rekening mee dat de Unie voor bepaalde misdrijven hoe dan ook minimumvoorschriften moet vaststellen, los van de vraag of zij grensoverschrijdend zijn of niet. Dat is bijvoorbeeld het geval voor het namaken van de euro of voor fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt.

2003
  • 1. 
    Bij Europese kaderwet kunnen minimumvoorschriften worden vastgesteld betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties in verband met vormen van bijzonder zware criminaliteit die een grensoverschrijdende dimensie hebben die voortvloeit uit de aard of de effecten van deze inbreuken of uit een bijzondere noodzaak om deze op gemeenschappelijke basis te bestrijden.

    Deze criminaliteitsvormen zijn de volgende: terrorisme, mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, illegale drugshandel, illegale wapenhandel, witwassen van geld, corruptie, namaak van betaalmiddelen, computercriminaliteit, en de georganiseerde criminaliteit.

    Afhankelijk van de ontwikkelingen van de criminaliteit kan de Raad een Europees besluit vaststellen waarin andere vormen van criminaliteit worden vermeld die voldoen aan de in dit lid genoemde criteria. Hij besluit met eenparigheid van stemmen na goedkeuring door het Europees Parlement.

  • 2. 
    Wanneer onderlinge aanpassing van het strafrecht noodzakelijk blijkt voor een doeltreffende uitvoering van beleid van de Unie op een gebied waarop harmonisatie maatregelen zijn vastgesteld, kunnen bij Europese kaderwet minimumvoorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de bepaling van strafbare feiten en sancties op het betrokken gebied. Onverminderd artikel [III-160] wordt deze kaderwet vastgesteld volgens dezelfde procedure als de in de voorgaande alinea bedoelde harmonisatiemaatregelen.
2003
  • 1. 
    Bij Europese kaderwet kunnen minimumvoorschriften worden vastgesteld betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties in verband met vormen van bijzonder zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie die voortvloeit uit de aard of de gevolgen van deze inbreuken of uit een bijzondere noodzaak om deze op gemeenschappelijke basis te bestrijden.

    Het betreft de volgende vormen van criminaliteit: terrorisme, mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, illegale drugshandel, illegale wapenhandel, het witwassen van geld, corruptie, de namaak van betaalmiddelen, computercriminaliteit en de georganiseerde criminaliteit.

    Afhankelijk van de ontwikkelingen in de criminaliteit kan de Raad van Ministers bij Europees besluit vaststellen, welke andere vormen van criminaliteit aan de in dit lid genoemde criteria voldoen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement.

  • 2. 
    Indien onderlinge aanpassing van het strafrecht nodig blijkt voor een doeltreffende uitvoering van beleid van de Unie op een gebied waarop harmonisatiemaatregelen zijn vastgesteld, kunnen bij Europese kaderwet minimumvoorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de bepaling van strafbare feiten en de sancties op het betrokken gebied.

    Onverminderd artikel III-165 i, wordt deze kaderwet vastgesteld volgens dezelfde procedure als de in de voorgaande alinea bedoelde harmonisatiemaatregelen.

2003
  • 1. 
    Bij Europese kaderwet kunnen minimumvoorschriften worden vastgesteld betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties in verband met vormen van bijzonder zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie die voortvloeit uit de aard of de gevolgen van deze inbreuken of uit een bijzondere noodzaak om deze op gemeenschappelijke basis te bestrijden.

    Het betreft de volgende vormen van criminaliteit: terrorisme, mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, illegale drugshandel, illegale wapenhandel, het witwassen van geld, corruptie, de namaak van betaalmiddelen, computercriminaliteit en de georganiseerde criminaliteit.

    Afhankelijk van de ontwikkelingen in de criminaliteit kan de Raad bij Europees besluit vaststellen, welke andere vormen van criminaliteit aan de in dit lid genoemde criteria voldoen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement.

  • 2. 
    Indien onderlinge aanpassing van het strafrecht nodig blijkt voor een doeltreffende uitvoering van beleid van de Unie op een gebied waarop harmonisatiemaatregelen zijn vastgesteld, kunnen bij Europese kaderwet minimumvoorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de bepaling van strafbare feiten en de sancties op het betrokken gebied. Onverminderd artikel III-165 i, wordt deze kaderwet vastgesteld volgens dezelfde procedure als de betrokken harmonisatiemaatregelen.
  • 3. 
    Wanneer een lid van de Raad van oordeel is dat een in de leden 1 en 2 bedoeld ontwerp van Europese kaderwet afbreuk zou doen aan fundamentele aspecten van zijn strafrechtsstelsel [*], kan hij verzoeken dat het ontwerp aan de Europese Raad wordt voorgelegd. In dat geval wordt, indien de in artikel III-302 i bedoelde procedure van toepassing is, deze procedure opgeschort.

    Na bespreking zal de Europese Raad, binnen vier maanden na die schorsing: [*]

    • a) 
      het ontwerp van Europese kaderwet opnieuw aan de Raad voorleggen, waardoor de schorsing van de in artikel III-302 bedoelde procedure, indien deze van toepassing is, beëindigd wordt, of
    • b) 
      de Commissie of de groep van lidstaten die het initiatief voor de Europese kaderwet heeft genomen, verzoeken een nieuw ontwerp voor te leggen; in dat geval wordt de aanvankelijk voorgestelde ontwerp-wet geacht niet te zijn aangenomen.
  • 4. 
    Indien de Europese Raad na afloop van de in lid 3 bedoelde periode geen maatregelen heeft genomen, of indien 12 maanden na de indiening van een nieuw ontwerp op grond van lid 3, onder b), de Europese kaderwet nog niet is aangenomen, en ten minste een derde van de lidstaten nauwere samenwerking wenst aan te gaan op basis van de betrokken ontwerp-kaderwet, stellen zij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie daarvan op de hoogte.

    In dat geval wordt de in de artikelen I-43 i, lid 2), en III-325 i, lid 1, bedoelde machtiging tot nauwere samenwerking geacht te zijn verleend en zijn de bepalingen betreffende nauwere samenwerking van toepassing. [**]

Noot PDC [*] bij het nieuwe lid 3:

Lid 3 is toegevoegd tijdens het ministerieel conclaaf in Napels (november 2003, document CIG 60/03 ADD 1).

De termijn van vier maanden is toegevoegd in document CIG 80/04 (voorbereiding op de IGC-Raad van 14 juni 2004).

In voorbereiding op de afsluitende Europese Raad van 17-18 juni 2004 (document CIG 81/04) is de zinsnede is "grondbeginselen van zijn rechtsstelsels" vervangen door "fundamentele aspecten van zijn strafrechtsstelsel". Dezelfde wijziging is doorgevoerd in Artikel III 171.

Noot PDC [**] bij het nieuwe lid 4:

Lid 4 is toegevoegd in document CIG 80/04 (voorbereiding op de IGC-Raad van 14 juni 2004).

2004
  • 1. 
    Bij Europese kaderwet kunnen minimumvoorschriften worden vastgesteld betreffende de bepaling van strafbare feiten en sancties in verband met vormen van bijzonder zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie die voortvloeit uit de aard of de gevolgen van deze strafbare feiten of uit een bijzondere noodzaak om deze op gemeenschappelijke basis te bestrijden.

    Het betreft de volgende vormen van criminaliteit: terrorisme, mensenhandel en seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, illegale drugshandel, illegale wapenhandel, het witwassen van geld, corruptie, de vervalsing van betaalmiddelen, computercriminaliteit en de georganiseerde criminaliteit.

    Afhankelijk van de ontwikkelingen in de criminaliteit kan de Raad bij Europees besluit vaststellen, welke andere vormen van criminaliteit aan de in dit lid genoemde criteria voldoen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na goedkeuring door het Europees Parlement.

  • 2. 
    Indien onderlinge aanpassing de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten op het gebied van het strafrecht nodig blijkt voor een doeltreffende uitvoering van beleid van de Unie op een gebied waarop harmonisatiemaatregelen zijn vastgesteld, kunnen bij Europese kaderwet minimumvoorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de bepaling van strafbare feiten en de sancties op het betrokken gebied. Onverminderd artikel III-264 i wordt deze kaderwet vastgesteld volgens dezelfde procedure als de betrokken harmonisatiemaatregelen.
  • 3. 
    Wanneer een lid van de Raad van oordeel is dat een in de leden 1 en 2 bedoeld ontwerp van Europese kaderwet afbreuk zou doen aan fundamentele aspecten van zijn strafrechtstelsel, kan hij verzoeken dat het ontwerp aan de Europese Raad wordt voorgelegd. In dat geval wordt, indien de in artikel III-396 i bedoelde procedure van toepassing is, deze procedure geschorst. Na bespreking zal de Europese Raad, binnen vier maanden na die schorsing:
    • a) 
      het ontwerp opnieuw aan de Raad voorleggen, waardoor de schorsing van de in artikel III-396 i bedoelde procedure, indien deze van toepassing is, beëindigd wordt, of
    • b) 
      de Commissie of de groep lidstaten die het initiatief heeft genomen, verzoeken een nieuw ontwerp voor te leggen; in dat geval wordt de aanvankelijk voorgestelde handeling geacht niet te zijn vastgesteld.
  • 4. 
    Indien de Europese Raad na afloop van de in lid 3 bedoelde periode niet heeft gehandeld, of indien 12 maanden na de indiening van een nieuw ontwerp op grond van lid 3, onder b), de Europese kaderwet nog niet is vastgesteld, en ten minste eenderde van de lidstaten nauwere samenwerking wenst aan te gaan op basis van het betrokken ontwerp voor een kaderwet, stellen zij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie daarvan op de hoogte.

    In dat geval wordt de in artikelen I-44, lid 2 i, en in artikel III-419, lid 1 i, bedoelde machtiging tot nauwere samenwerking geacht te zijn verleend en zijn de bepalingen betreffende nauwere samenwerking van toepassing.