Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie

1.

Tekst

30.12.2006 NL Publicatieblad van de Europese Unie L 396/1

I

(Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing)

Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad

van 18 december 2006

inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95, Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comite1,

Gezien het advies van het Comite van de Regio's2,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag3,

PB C 112 van 30.4.2004, blz. 92 en PB C 294 van 25.11.2005, blz. 38.

PB C 164 van 5.7.2005, blz. 78.

Advies van het Europees Parlement van 17 november2005 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 27 juni 2006 (PB C 276E van 14.11.2006, blz. 1) en standpunt van het Europees Parlement van 13 december 2006 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt). Besluit van de Raad van 18 december 2006.

Overwegende hetgeen volgt:

  • (1) 
    Deze verordening dient een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu te waarborgen, alsmede het vrije verkeer van stoffen als zodanig, in preparaten of voorwerpen en tegelijkertijd het concurrentievermogen en de innovatie te vergroten. Deze verordening dient ook de ontwikkeling van alternatieve beoordelings-methoden voor gevaren van stoffen te bevorderen.
  • (2) 
    De interne markt voor stoffen kan alleen efficient werken als de eisen voor stoffen niet wezenlijk verschillen van lidstaat tot lidstaat.
  • (3) 
    Om een duurzame ontwikkeling te bereiken moet bij de onderlinge aanpassing van de stoffenwetgeving voor een hoog beschermingsniveau voor de gezondheid van de mens en milieu worden gezorgd. Deze wetgeving moet niet-discriminerend worden toegepast, ongeacht of de stoffen op de interne markt of internationaal overeenkomstig de internationale verplichtingen van de Gemeenschap worden verhandeld.
  • (4) 
    Conform het uitvoeringsplan dat op 4 september 2002 tijdens de Wereldtop voor duurzame ontwikkeling te Johannesburg is aangenomen, streeft de Europese Unie ernaar dat chemische stoffen uiterlijk in 2020 worden geproduceerd en gebruikt met zo weinig mogelijk negatieve gevolgen voor de gezondheid van de mens en het milieu.
  • (5) 
    Deze verordening is van toepassing onverminderd de communautaire wetgeving inzake de werkplek en het milieu.
  • (6) 
    De strategische aanpak voor het international beheer van chemische stoffen (SAICM) werd op 6 februari 2006 in Dubai aangenomen en deze verordening moet bijdragen tot de verwezenlijking ervan.
  • (7) 
    Met het oog op de integriteit van de interne markt en een hoog beschermingsniveau voor de gezondheid van de mens, en met name van werknemers, en voor het milieu, moet ervoor worden gezorgd dat bij de vervaardiging van stoffen in de Gemeenschap aan de communautaire wetgeving wordt voldaan, ook als die stoffen worden uitgevoerd.
  • (8) 
    Er moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de mogelijke gevolgen van de verordening voor de kleine en middelgrote ondernemingen en elke discriminatie jegens deze bedrijven moet worden vermeden.
  • (9) 
    Bij de evaluatie van de werking van de vier voornaamste rechtsinstrumenten inzake

chemische stoffen in de Gemeenschap, namelijk Richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen1, Richtlijn 76/769/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten2, Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparatenen Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad van 23 maart 1993 inzake de beoordeling en de beperking van de risico's van bestaande stoffen4, zijn een aantal problemen met de werking van de communautaire stoffenwetgeving vastgesteld die leiden tot verschillen tussen de lidstaten in wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, met directe gevolgen voor de werking van de interne markt op dit gebied, en is gebleken dat meer moet worden gedaan ter bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu, overeenkomstig het voorzorgsbeginsel.

PB 196 van 16.8.1967, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/73/EG van de Commissie (PB L 152 van 30.4.2004, blz. 1). Gerectificeerd in PB L 216 van 16.6.2004, blz. 3.

PB L 262 van 27.9.1976, blz. 201. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/90/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 33 van 4.2.2006, blz. 28).

PB L 200 van 30.7.1999, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/8/EG van de Commissie (PB L 19 van 24.1.2006, blz. 12).

PB L 84 van 5.4.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

Stoffen onder douanetoezicht die in tijdelijke opslag zijn, die met het oog op wederuitvoer in vrije zones of vrije entrepots zijn opgeslagen of die in transito zijn, worden niet gebruikt in de zin van deze verordening en moeten dus buiten het toepassingsgebied ervan worden gehouden. Het vervoer van gevaarlijke stoffen en gevaarlijke preparaten over het spoor, de weg, de binnenwateren, zee en door de lucht moet eveneens buiten de werkingssfeer van de verordening blijven, aangezien er reeds specifieke wetgeving op dat vervoer van toepassing is.

(10)

(11)

(12)

Om de werkbaarheid te garanderen en de stimulansen voor recycling van afval en terugwinning in stand te houden, mogen afvalstoffen niet worden beschouwd als stoffen, preparaten of voorwerpen in de zin van deze verordening.

Een belangrijk doel van het bij deze verordening op te richten nieuwe systeem is te bevorderen en in sommige gevallen ervoor te zorgen dat risicovolle stoffen uiteindelijk worden vervangen door minder gevaarlijke stoffen of technieken wanneer geschikte economisch en technisch haalbare alternatieven voorhanden zijn. Deze verordening heeft geen invloed op de toepassing van de richtlijnen voor de bescherming van de werknemers en het milieu, met name Richtlijn 2004/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van bloot-stelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk (zesde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)1 en Richtlijn 98/24/EG van de Raad van 7 april 1998 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico's van chemische agentia op het werk (14e bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)2, die bepalen dat werkgevers gevaarlijke stoffen moeten uitschakelen, waar dat technisch mogelijk is, of door minder gevaarlijke stoffen moeten vervangen.

PB L 158 van 30.4.2004, blz. 50. Gerectificeerd in PB L 229 van 29.6.2004, blz. 23. PB L 131 van 5.5.1998, blz. 11.

Deze verordening is van toepassing onverminderd de verboden en beperkingen die zijn vastgelegd in Richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten1, voor zover stoffen worden gebruikt en in de handel gebracht als cosmetische ingredienten en onder de werkingssfeer van deze verordening vallen. Ten aanzien van het gebruik van deze stoffen in cosmetica moeten proeven op gewervelde dieren ten behoeve van de bescherming van de menselijke gezondheid overeenkomstig Richtlijn 76/768/EEG geleidelijk worden verboden.

(13)

(14)

Deze verordening zal informatie over stoffen en het gebruik daarvan opleveren. Beschikbare informatie, ook die welke is voortgekomen uit deze verordening, moet door de belanghebbenden worden aangewend bij de toepassing en tenuitvoerlegging van de desbetreffende communautaire wetgeving, bijvoorbeeld inzake producten, en van vrijwillige instrumenten van de Gemeenschap, zoals de regeling betreffende ecolabeling. Bij de herziening en ontwikkeling van relevante Gemeenschapswetgeving en van vrijwillige instrumenten, moet de Commissie de vraag stellen hoe de uit deze verordening voortgekomen informatie gebruikt moet worden en moet zij zoeken naar mogelijkheden om tot een Europees kwaliteitsmerk te komen.

PB L 262 van 27.9.1976, blz. 169. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/80/EG van de Commissie (PB L 303 van 21.11.2005, blz. 32).

  • (15) 
    De technische, wetenschappelijke en administratieve aspecten van deze verordening moeten op communautair niveau doeltreffend worden beheerd. Hiervoor moet een centraal orgaan worden opgericht. Uit een haalbaarheidsstudie naar de voor een centraal orgaan nodige middelen bleek dat een onafhankelijk centraal orgaan op termijn een aantal voor-delen heeft ten opzichte van andere opties. Daarom moet een Europees Agentschap voor chemische stoffen worden opgericht ("het Agentschap").
  • (16) 
    Deze verordening bevat specifieke eisen en verplichtingen voor producenten, importeurs en downstreamgebruikers van stoffen als zodanig, in preparaten of voorwerpen. Deze verordening stoelt op het beginsel dat de industrie stoffen met zoveel verantwoordelijk-heidsgevoel en zorg produceert, importeert of gebruikt of op de markt brengt als nodig is om ervoor te zorgen dat onder redelijkerwijs te verwachten omstandigheden de menselijke gezondheid en het milieu niet worden geschaad.
  • (17) 
    Alle beschikbare en relevante informatie over stoffen als zodanig, in preparaten of voorwerpen moet bijeen worden gebracht om te helpen bij het in kaart brengen van gevaarlijke eigenschappen, en aanbevelingen betreffende risicobeheersmaatregelen moeten stelselmatig via toeleveringsketens worden doorgegeven, als redelijkerwijs noodzakelijk, om negatieve gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu te voorkomen. Daarnaast moet, waar passend, technisch advies ter ondersteuning van risicobeheer worden bevorderd in de toeleveringsketen.
  • (18) 
    De verantwoordelijkheid voor het beheer van de risico's van stoffen moet liggen bij de natuurlijke of rechtspersonen die deze stoffen vervaardigen, invoeren, in de handel brengen of gebruiken. Informatie over de uitvoering van deze verordening moet gemakkelijk toegankelijk zijn, met name voor de kleine en middelgrote ondernemingen.
  • (19) 
    Om deze redenen verplichten de registratiebepalingen de fabrikanten en importeurs ertoe gegevens te verzamelen over de stoffen die zij vervaardigen of invoeren, deze gegevens te gebruiken om de risico's van deze stoffen te beoordelen en geschikte risicobeheersmaat-regelen op te stellen en aan te bevelen. Om te zorgen dat zij deze verplichting ook nakomen, en omwille van de transparantie, moeten zij voor de registratie bij het Europees Agentschap voor chemische stoffen een dossier met al deze informatie indienen. Geregistreerde stoffen moeten op de interne markt kunnen circuleren.
  • (20) 
    De beoordelingsbepalingen voorzien in follow-up van de registratie, doordat kan worden nagegaan of de registraties aan de eisen van deze verordening voldoen en indien nodig door erin te voorzien dat meer informatie over de eigenschappen van stoffen wordt verzameld. Indien het Agentschap in samenwerking met de lidstaten meent dat er reden is om aan te nemen dat een stof een risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu oplevert, moet het Agentschap, na de invoering ervan in het communautaire voort-schrijdende actieplan, ervoor zorgen dat deze stoffen worden geevalueerd, waartoe zij een beroep doen op de bevoegde autoriteiten van de lidstaten.
  • (21) 
    Hoewel de informatie over stoffen uit een beoordeling allereerst moet worden gebruikt door fabrikanten en importeurs om de risico's van hun stoffen te beoordelen, kan zij ook worden gebruikt om een autorisatie- of beperkingsprocedure volgens deze verordening of een risicobeheersprocedure volgens andere communautaire wetgeving in te leiden; daarom moet ervoor worden gezorgd dat de bevoegde instanties over deze informatie beschikken en deze voor die procedures kunnen gebruiken.
  • (22) 
    Doel van de autorisatiebepalingen is te zorgen voor de goede werking van de interne markt, en tegelijk te voorzien in een degelijke controle van de risico's van zeer risicovolle stoffen. De Commissie verleent autorisaties voor het in de handel brengen en gebruiken als de risico's van het gebruik ervan afdoende beheerst zijn, wanneer dit mogelijk is, of als het gebruik uit sociaal-economisch oogpunt gerechtvaardigd kan worden en er geen geschikte economisch en technisch haalbare alternatieven beschikbaar zijn.
  • (23) 
    Volgens de bepalingen inzake beperking kan het vervaardigen, in de handel brengen of gebruiken van stoffen met risico's die moeten worden aangepakt, op basis van een beoordeling van deze risico's geheel of gedeeltelijk verboden of anderszins beperkt worden.
  • (24) 
    Ter voorbereiding op deze verordening heeft de Commissie REACH-uitvoeringsprojecten gestart, met deelname van experts uit groepen belanghebbenden. Sommige projecten zijn gericht op het opstellen van ontwerprichtsnoeren en het ontwikkelen van instrumenten die de Commissie, het Agentschap, de lidstaten, de fabrikanten, de importeurs en downstream-gebruikers van stoffen moeten helpen om concreet te voldoen aan de verplichtingen krachtens de nieuwe verordening. Door die werkzaamheden moeten de Commissie en het Agentschap in staat zijn te gelegener tijd passende technische richtsnoeren beschikbaar te stellen met betrekking tot de door deze verordening bepaalde termijnen.
  • (25) 
    De taak, de risico's en gevaren van stoffen te beoordelen moet daarom in de eerste plaats worden toegewezen aan de natuurlijke of rechtspersonen die stoffen vervaardigen of invoeren, maar alleen als zij dit doen in hoeveelheden boven een bepaald minimum, zodat zij de lasten van deze taak kunnen dragen. De natuurlijke of rechtspersonen die met chemische stoffen omgaan moeten, overeenkomstig de beoordeling van de risico's van hun stoffen, de nodige risicobeheersmaatregelen nemen en relevante aanbevelingen doorgeven in de toeleveringsketen. Dit houdt in dat risico's in verband met de productie, het gebruik en de verwijdering van elke stof op passende en transparante wijze worden beschreven, gedocumenteerd en gemeld.
  • (26) 
    Om de chemische veiligheid van stoffen doeltreffend te beoordelen moeten de fabrikanten en importeurs van stoffen informatie over deze stoffen verzamelen, zo nodig door nieuwe proeven uit te voeren.
  • (27) 
    Met het oog op de handhaving, beoordeling en transparantie moet de informatie over deze stoffen, evenals gerelateerde informatie, onder meer over risicobeheersmaatregelen, normaliter bij de instanties worden ingediend.
  • (28) 
    Voor wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke ontwikkeling worden doorgaans hoeveelheden van minder dan 1 ton per jaar gebruikt; hiervoor hoeft geen vrijstelling te worden verleend, omdat stoffen in die hoeveelheden in geen geval registratieplichtig zijn. Om innovatie aan te moedigen moeten onderzoek en ontwikkeling gericht op producten en procedes echter voor een bepaalde periode van registratie worden vrijgesteld als de stof nog niet dient om aan een onbepaald aantal afnemers in de handel aangeboden te worden omdat voor het gebruik ervan in preparaten of voorwerpen meer onderzoek en ontwikkeling door de potentiele registrant zelf of in samenwerking met een beperkt aantal bekende afnemers nodig is. Daarnaast is het gepast om te voorzien in een soortgelijke vrijstelling aan de downstreamgebruiker die de stof gebruikt voor onderzoek en ontwikkeling gericht op producten en procedes, mits de risico's voor de gezondheid van de mens of voor het milieu afdoende worden beheerst, overeenkomstig de wettelijke voorschriften inzake de bescherming van werknemers en het milieu.
  • (29) 
    Daar de fabrikanten en importeurs van voorwerpen aansprakelijk moeten zijn voor hun voorwerpen, is het passend stoffen die uit voorwerpen moeten worden vrijgemaakt en daartoe niet geregistreerd zijn registratieplichtig te maken. Wanneer er sprake is van zeer risicovolle stoffen die boven de toegestane hoeveelheids- en concentratiedrempelwaarde in voorwerpen aanwezig zijn terwijl blootstelling aan de stof niet kan worden uitgesloten en de stof voor het desbetreffende gebruik nog door niemand is geregistreerd, moet het Agentschap worden ingelicht. Het Agentschap moet tevens de bevoegdheid hebben te vragen dat een registratie wordt ingediend als het redenen heeft om te vermoeden dat het vrijkomen van een stof uit het voorwerp een risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu kan inhouden en de stof aanwezig is in het voorwerp in een hoeveelheid van in totaal meer dan 1 ton per fabrikant of importeur per jaar. Het Agentschap moet nagaan of een voorstel voor een beperking noodzakelijk is wanneer het van oordeel is dat het gebruik van deze stoffen in voorwerpen een risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu met zich meebrengt dat niet afdoende wordt beheerst.
  • (30) 
    De eisen voor de beoordeling van de chemische veiligheid door fabrikanten en importeurs moeten in detail in een technische bijlage worden vastgesteld, om hen in staat te stellen aan hun verplichtingen te voldoen. Met het oog op een billijke lastendeling met de afnemers moet de chemische veiligheidsbeoordeling door de fabrikanten en importeurs niet alleen het eigen gebruik en dat waarvoor zij de stof in de handel brengen, maar op verzoek van de afnemers ook elk ander gebruik bestrijken.
  • (31) 
    De Commissie moet in nauwe samenwerking met de sector, de lidstaten en andere belanghebbenden richtsnoeren opstellen om te voldoen aan de eisen vastgelegd in deze verordening met betrekking tot preparaten (met name met betrekking tot veiligheidsinformatiebladen met blootstellingsscenario's), met inbegrip van de beoordeling van in bepaalde preparaten gebruikte stoffen - zoals in legeringen gebruikte metalen. Daarbij moet de Commissie ten volle rekening houden met de in het kader van de REACH-uitvoeringsprojecten verrichte werkzaamheden en de nodige richtsnoeren in het algemene REACH-sturingspakket opnemen. Deze richtsnoeren dienen voor de inwerkingtreding van de verordening beschikbaar te zijn.
  • (32) 
    Een chemische veiligheidsbeoordeling is niet nodig voor stoffen die zich in bepaalde zeer kleine, niet risicovol geachte concentraties in preparaten bevinden. Stoffen die in zulke lage concentraties in preparaten aanwezig zijn, moeten ook van de autorisatieplicht worden vrijgesteld. Deze bepalingen moeten evenzeer gelden voor preparaten die vaste mengsels zijn van stoffen totdat aan de preparaten een specifieke vorm wordt gegeven waardoor zij voorwerpen worden.
  • (33) 
    Gezorgd moet worden voor gezamenlijke indiening en het delen van informatie over stoffen, om het registratiesysteem efficienter te maken en de kosten en het aantal proeven met gewervelde dieren te beperken Bij groepsgewijze registratie moet een registrant namens de anderen informatie indienen volgens regels die waarborgen dat alle vereiste informatie wordt ingediend en die kostendeling mogelijk maken. Een registrant moet in bepaalde specifieke gevallen informatie rechtstreeks bij het Agentschap kunnen indienen.
  • (34) 
    De eisen inzake de verzameling van informatie over een stof moeten afhangen van de vervaardigde of ingevoerde hoeveelheden, daar deze een idee geven van de mogelijke blootstelling van mens en milieu aan de stof, en deze eisen moeten in detail worden uiteengezet. Om de mogelijke gevolgen voor stoffen die in kleine hoeveelheden in de handel worden gebracht te beperken, mag ecotoxicologische en toxicologische informatie alleen worden vereist voor prioritaire stoffen tussen 1 en 10 ton; voor andere stoffen binnen die hoeveelheidsklasse in moeten de fabrikanten en de importeurs worden aangespoord om informatie te verstrekken.
  • (35) 
    De lidstaten, het Agentschap en alle belanghebbende partijen dienen de resultaten van de REACH-uitvoeringsprojecten volledig in aanmerking te nemen, met name voor de registratie van stoffen die in de natuur voorkomen.
  • (36) 
    Er moet worden overwogen artikel 2, lid 7, punten a) en b), en bijlage XI toe te passen op stoffen die zijn verkregen met mineralogische processen en bij de herziening van de bijlagen IV en V dient daar ten volle rekening mee te worden gehouden.
  • (37) 
    Eventuele tests moeten voldoen aan de toepasselijke eisen inzake de bescherming van proefdieren in Richtlijn 86/609/EEG van de Raad van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappe-lijke doeleinden worden gebruikt1 en, in het geval van ecotoxicologische en toxicologische tests, aan de goede laboratoriumpraktijken in Richtlijn 2004/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de toepassing van de beginselen van goede laboratoriumpraktijken en het toezicht op de toepassing ervan voor tests op chemische stoffen2.
  • (38) 
    Daarnaast moet ook informatie kunnen worden verzameld met middelen die gelijkwaardig zijn aan de voorgeschreven test en testmethoden, bijvoorbeeld als het gaat om informatie uit geldige kwalitatieve of kwantitatieve structuur-activiteitsmodellen of over structureel verwante stoffen. Het Agentschap moet daartoe samen met de lidstaten en de betrokkenen passende richtsnoeren opstellen. Het moet ook mogelijk zijn bepaalde informatie niet in te dienen als dit gerechtvaardigd kan worden. Op basis van ervaringen uit de REACH-uitvoeringsprojecten moeten criteria voor een dergelijke rechtvaardiging worden opgesteld.
  • (39) 
    Om bedrijven, met name kleine en middelgrote ondernemingen, te helpen om te voldoen aan de vereisten van deze richtlijn, moeten de lidstaten, naast de door het Agentschap verstrekte documenten voor operationele sturing, nationale helpdesks instellen.

PB L 358 van 18.12.1986, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/65/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 230 van 16.9.2003, blz. 32).

PB L 50 van 22.2.2004, blz. 44.

  • (40) 
    De Commissie, de lidstaten, de industrie en de andere belanghebbenden moeten op internationaal en nationaal niveau blijven bijdragen aan de bevordering van alternatieve testmethodes, met inbegrip van computergesteunde methoden, in-vitromethoden, zoals passend, die welke stoelen op toxicogenomics en andere geeigende methoden. De strategie van de Gemeenschap voor het bevorderen van alternatieve testmethoden is een prioriteit en de Commissie moet ervoor zorgen dat dit binnen haar toekomstige kaderprogramma's voor onderzoek en binnen initiatieven zoals het communautair Actieplan inzake de bescherming en het welzijn van dieren 2006-2010 een prioritair onderwerp blijft. Er moet gestreefd worden naar participatie van de belanghebbenden en naar initiatieven met deelname van alle betrokken partijen.
  • (41) 
    Voor de werkbaarheid en wegens hun bijzondere aard moeten specifieke registratie-eisen worden vastgesteld voor tussenproducten; polymeren moeten van registratie en beoordeling worden vrijgesteld totdat op basis van goede technische en valabele weten-schappelijke criteria op een praktische en efficiente wijze kan worden bepaald welke polymeren wegens de risico's voor de gezondheid van de mens of voor het milieu moeten worden geregistreerd.
  • (42) 
    Om de instanties en de natuurlijke of rechtspersonen niet te overladen met werk voor de registratie van geleidelijk gei'ntegreerde stoffen die al op de interne markt zijn, moet die registratie over een passende periode worden gespreid, zonder dat dit tot onnodige vertraging leidt. Voor de registratie van deze stoffen moeten daarom termijnen worden gesteld.
  • (43) 
    De gegevens voor stoffen die al volgens Richtlijn 67/548/EEG zijn aangemeld, moeten geleidelijk in het systeem worden geintegreerd en worden aangevuld wanneer de volgende hoeveelheidsdrempelwaarde wordt bereikt.
  • (44) 
    Om tot een geharmoniseerd, eenvoudig systeem te komen moeten alle registraties bij het Agentschap worden ingediend. Omwille van de samenhang en een efficient gebruik van middelen moet dit alle registraties op volledigheid controleren en moet elke definitieve afwijzing van een registratie onder zijn verantwoordelijkheid vallen.
  • (45) 
    Aangezien in de Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen (EINECS) bepaalde samengestelde stoffen onder een code zijn opgenomen, kunnen UVCB-stoffen (stoffen van onbekende of wisselende samenstelling, complexe reactieproducten en biologische stoffen) in het kader van deze verordening ondanks hun wisselende samenstelling als een enkele stof geregistreerd zijn, mits de gevaarlijke eigenschappen niet aanzienlijk verschillen en eenzelfde indeling rechtvaardigen.
  • (46) 
    Om ervoor te zorgen dat de informatie die bij de registratie wordt verzameld actueel is, moet de registrant worden verplicht het Agentschap over bepaalde veranderingen van de informatie in te lichten.
  • (47) 
    Overeenkomstig Richtlijn 86/609/EEG moeten proeven met gewervelde dieren worden vervangen, beperkt of verfijnd. De uitvoering van deze verordening moet, waar mogelijk, stoelen op het gebruik van alternatieve testmethoden die geschikt zijn voor het vaststellen van de gevaren van chemische stoffen voor de gezondheid en het milieu. Het gebruik van dieren moet worden vermeden door te kiezen voor alternatieve methoden die zijn goedgekeurd door de Commissie of internationale organisaties of die, indien van toepassing, zijn erkend door de Commissie of het Agentschap omdat ze voldoen aan de informatievereisten in deze verordening. Hiertoe doet de Commissie, na raadpleging van de ter zake doende belanghebbenden, een voorstel voor het wijzigen van de toekomstige verordening van de Commissie betreffende testmethoden of, indien van toepassing, van deze verordening voor het vervangen, beperken of verfijnen van proeven met dieren. De Commissie en het Agentschap moeten ervoor zorgen dat het beperken van proeven met dieren een van de belangrijkste overwegingen is bij het ontwikkelen en beheren van richtsnoeren aan de belanghebbenden en in de eigen procedures van het Agentschap.
  • (48) 
    Deze verordening dient de volledige toepassing van de communautaire mededingings-regels onverlet te laten.
  • (49) 
    Om dubbel werk te voorkomen en in het bijzonder het aantal proeven met gewervelde dieren te beperken, moet in de bepalingen inzake voorbereiding en indiening van registraties en updates daarvan het gezamenlijk gebruik van informatie verplicht worden gesteld als een registrant daarom verzoekt. Indien de informatie betrekking heeft op gewervelde dieren, is de registrant verplicht daarom te verzoeken.
  • (50) 
    Het is in het algemeen belang dat testresultaten betreffende de gevaren van stoffen voor de gezondheid van de mens of voor het milieu zo snel mogelijk worden verspreid onder de natuurlijke of rechtspersonen die deze stoffen gebruiken, om eventuele gebruiksrisico's te beperken. Informatie moet gezamenlijk worden gebruikt wanneer een registrant daarom verzoekt, met name informatie waarvoor proeven met gewervelde dieren nodig zijn, onder voorwaarden die zorgen voor een billijke compensatie van het bedrijf dat de tests heeft uitgevoerd.
  • (51) 
    Om het concurrentievermogen van de industrie in de Gemeenschap te versterken en ervoor te zorgen dat deze verordening zo efficient mogelijk wordt toegepast, is het dienstig te voorzien in gegevensdeling tussen registranten op basis van een billijke vergoeding.
  • (52) 
    Ter vrijwaring van de legitieme eigendom van de eigenaar van die testgegevens, moeten dezen gedurende twaalf jaar compensatie kunnen vorderen van registranten die van deze gegevens profiteren.
  • (53) 
    Om registratie mogelijk te maken voor een potentiele registrant van een geleidelijk gei'ntegreerde stof die met een vorige registrant geen overeenstemming kan bereiken, moet het Agentschap op verzoek het gebruik van reeds ingediende samenvattingen of uitgebreide onderzoekssamenvattingen van proeven toestaan. Registranten die deze gegevens ontvangen, moeten worden verplicht de eigenaar van de gegevens een bijdrage in de kosten te betalen. Voor niet-geleidelijk gei'ntegreerde stoffen kan het Agentschap de potentiele registrant verzoeken om een bewijs van betaling aan de eigenaar van het onderzoeksrapport, alvorens het Agentschap toestemming geeft aan de potentiele registrant om die informatie aan te wenden bij de registratie van die stoffen.
  • (54) 
    Om dubbel werk en met name het herhalen van tests te voorkomen moeten registranten van geleidelijk gei'ntegreerde stoffen deze zo vroeg mogelijk preregistreren in een door het Agentschap beheerde databank. Er moet een systeem komen om informatie-uitwisselings-forum voor stoffen (SIEF) in te stellen om de uitwisseling van informatie over de geregistreerde stoffen te verbeteren. Deelname aan een SIEF omvat alle betrokken partijen die bij het Agentschap informatie over dezelfde geleidelijk gei'ntegreerde stof hebben ingediend. Hierbij moet worden gedacht aan zowel potentiele registranten, die alle voor de registratie van hun stoffen relevante informatie moeten leveren en ontvangen, als aan andere deelnemers, die financiele compensatie kunnen ontvangen voor studies waarover zij beschikken, maar niet het recht hebben informatie te vragen. Om dit vlot te laten werken moeten de registranten aan bepaalde verplichtingen voldoen. Leden van een informatie-uitwisselingsforum voor stoffen die niet aan hun verplichtingen voldoen, moeten dienovereenkomstig worden gestraft, terwijl de overige leden in staat moeten worden gesteld hun eigen registratie te blijven voorbereiden. Indien een stof niet gepreregistreerd is, moeten maatregelen worden genomen om downstreamgebruikers te helpen alternatieve leveringsbronnen te vinden.
  • (55) 
    Producenten en importeurs van stoffen als zodanig of in preparaten moeten worden aangemoedigd de downstreamgebruikers van de stof op de hoogte te brengen van hun voornemen de stof al dan niet te registreren. Dergelijke informatie moet, indien de producent of importeur niet van plan is de stof te registreren, ruim voor de desbetreffende uiterste termijn voor registratie aan de downstreamgebruiker worden meegedeeld om deze in de gelegenheid te stellen alternatieve leveringsbronnen te vinden.
  • (56) 
    De verantwoordelijkheid van fabrikanten of importeurs voor de beheersing van de risico's van stoffen houdt onder meer in dat informatie over deze stoffen aan andere beroeps-gebruikers, zoals downstreamgebruikers of distributeurs wordt verstrekt. Bijkomend dienen producenten en importeurs van voorwerpen informatie te verstrekken over het veilig gebruik van voorwerpen, aan industriele en professionele gebruikers, en op verzoek, aan consumenten. Deze belangrijke taak geldt in de hele toeleveringsketen zodat alle actoren hun eigen verantwoordelijkheid kunnen nemen met betrekking tot de beheersing van de aan het gebruik van stoffen verbonden risico's.
  • (57) 
    Aangezien het veiligheidsinformatieblad een bestaand communicatiemiddel in de toeleveringsketen van stoffen en preparaten is, is het nuttig dit verder te ontwikkelen en er een integraal onderdeel van het bij deze verordening opgerichte systeem van te maken.
  • (58) 
    Om tot een verantwoordelijkheidsketen te komen moeten de downstreamgebruikers belast zijn met de beoordeling van de risico's die voortvloeien uit eigen gebruik van een stof dat niet is behandeld in een door de leverancier verstrekt veiligheidsinformatieblad, tenzij de betrokken downstreamgebruiker meer beschermende maatregelen neemt dan door de leverancier aanbevolen is of de leverancier niet verplicht was deze risico's te beoordelen of hem er informatie over te geven; om dezelfde reden moeten downstreamgebruikers de risico's van hun gebruik van stoffen beheren. Voorts dient elke producent of importeur van een voorwerp dat een zeer zorgwekkende stof bevat, voldoende informatie te verstrekken om een veilig gebruik van dat voorwerp mogelijk te maken.
  • (59) 
    De voorschriften voor chemische-veiligheidsbeoordelingen door downstreamgebruikers moeten in detail worden vastgesteld, zodat de downstreamgebruikers aan hun verplich-tingen kunnen voldoen. Deze vereisten dienen alleen te gelden voor een totale hoeveelheid van meer dan 1 ton van een stof of preparaat. In ieder geval moeten downstreamgebruikers overwegen risicobeheersmaatregelen te gebruiken en bepalen welke van die maatregelen nodig zijn en ze toepassen. Downstreamgebruikers moeten bepaalde essentiele informatie over het gebruik aan het Agentschap melden.
  • (60) 
    Voor handhavings- en beoordelingsdoeleinden moeten downstreamgebruikers van stoffen worden verplicht bepaalde essentiele informatie te melden aan het Agentschap en actueel te houden als hun gebruik niet beantwoordt aan de voorwaarden van het blootstellings-scenario in het veiligheidsinformatieblad dat de oorspronkelijke fabrikant of importeur heeft verstrekt.
  • (61) 
    Voor de vlotte werking en omwille van de evenredigheid is het wenselijk downstreamgebruikers van kleine hoeveelheden van een stof vrij te stellen van deze meldingsplicht.
  • (62) 
    De communicatie tussen de verschillende schakels van de toeleveringsketen moet worden vergemakkelijkt; de Commissie zal een systeem ontwikkelen voor de indeling van de beknopte algemene beschrijvingen van het gebruik, rekening houdend met de resultaten van de REACH-uitvoeringsprojecten.
  • (63) 
    De verzameling van informatie moet ook afgestemd worden op de reele informatie-behoefte; daarom moet het Agentschap in het kader van de beoordeling beslissen over de door de fabrikanten en importeurs voorgestelde testprogramma's. Het Agentschap moet in samenwerking met de lidstaten prioriteit geven aan bepaalde stoffen, bijvoorbeeld mogelijk zeer risicovolle stoffen.
  • (64) 
    Teneinde onnodige dierproeven te voorkomen, dienen belanghebbenden 45 dagen de tijd te hebben om wetenschappelijk geldige informatie en studies in te dienen over de betreffende stof en het gevaarseindpunt waarop testvoorstellen betrekking hebben. Met de door het Agentschap ontvangen wetenschappelijk geldige informatie en studies moet rekening worden gehouden bij beslissingen over testvoorstellen.
  • (65) 
    Er moet bovendien worden gezorgd voor vertrouwen in de algemene kwaliteit van de registraties, waarbij het brede publiek en alle betrokkenen uit de chemische industrie erop moeten kunnen vertrouwen dat de natuurlijke of rechtspersonen aan hun verplichtingen voldoen. Daartoe is het passend te registreren welke informatie is getoetst door een beoordelaar die over de nodige ervaring beschikt, en te voorzien in een percentage registraties waarop het Agentschap een nalevingscontrole moet uitvoeren.
  • (66) 
    Het Agentschap moet ook de bevoegdheid krijgen fabrikanten, importeurs of downstream-gebruikers om nadere informatie te vragen over stoffen waarvan wordt vermoed, afgaande op de beoordelingen, dat zij een risico voor de gezondheid of het milieu vormen, bijvoor-beeld omdat zij in grote hoeveelheden op de interne markt zijn. Op basis van door het Agentschap ontwikkelde criteria voor de prioriteitstelling voor stoffen moet een commu-nautair voortschrijdend actieplan voor de beoordeling van stoffen worden opgesteld, en er moet een beroep worden gedaan op de bevoegde instanties van de lidstaten om de in dit plan opgenomen stoffen te beoordelen. De bevoegde instanties van de lidstaten moeten, als dat gerechtvaardigd is, ook nadere informatie kunnen vragen als het risico van het gebruik van locatiegebonden gei'soleerde tussenproducten even risicovol is als dat van het gebruik van autorisatieplichtige stoffen.
  • (67) 
    Overeenstemming in het Comite van de lidstaten van het Agentschap over de ontwerp-besluiten is de basis voor een efficient systeem dat strookt met het subsidiariteitsbeginsel en de interne markt in stand houdt. Als een of meer lidstaten of het Agentschap niet akkoord gaan met een ontwerpbesluit, moet hiervoor een centrale procedure worden gevolgd. Indien het Comite van de lidstaten niet tot een unaniem akkoord komt, moet de Commissie een besluit nemen volgens de comitologieprocedure.
  • (68) 
    Uit een beoordeling kan blijken dat maatregelen overeenkomstig de beperkings- of autorisatieprocedure nodig zijn of dat risicobeheersmaatregelen in het kader van andere wetgeving moeten worden overwogen. Daarom moet informatie over het verloop van de beoordelingsprocedures openbaar worden gemaakt.
  • (69) 
    Teneinde een voldoende hoog beschermingsniveau voor de gezondheid van de mens, met aandacht voor relevante bevolkingsgroepen en mogelijk voor bepaalde kwetsbare deel-populaties, alsmede voor het milieu te waarborgen, moet conform het voorzorgbeginsel zorgvuldig aandacht besteed worden aan zeer risicovolle stoffen. Een autorisatie moet worden verleend wanneer de natuurlijke of rechtspersonen die de autorisatie aanvragen aantonen dat de risico's voor de gezondheid van de mens en voor het milieu dat de risico's van het gebruik van de stof afdoende wordt beheerst. Zo niet, dan kan het gebruik nog altijd worden toegestaan indien wordt aangetoond dat de sociaal-economische voordelen van dit gebruik zwaarder wegen dan de risico's ervan of dat er geen geschikte economisch en technisch haalbare alternatieve stoffen of technieken zijn. Gelet op de goede werking van de interne markt is het passend dat de Commissie de autorisatie-instantie is.
  • (70) 
    Negatieve gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu van stoffen van zeer ernstige zorg moeten worden voorkomen door het toepassen van gepaste risicobeheers-maatregelen om te bewerkstelligen dat alle risico's bij het gebruik van een stof op adequate wijze worden beheerd, en om deze stoffen geleidelijk door een geschikte veiligere stof te vervangen. Risicobeheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat bij het produceren, op de markt brengen en het toepassen van stoffen de blootstelling aan deze stoffen, met inbegrip van lozingen, emissies en verliezen, gedurende de hele levens-cyclus onder de drempel ligt, waarboven nadelige effecten kunnen optreden. Voor alle stoffen waarvoor een vergunning is verstrekt, en voor elke andere stof waarvoor het niet mogelijk is een veilig blootstellingsniveau vast te stellen, moeten altijd maatregelen worden genomen om, voor zover technisch en praktisch mogelijk, de blootstelling en de emissies tot een minimum te beperken om de kans op nadelige effecten te minimaliseren. Elk chemisch veiligheidsrapport moet maatregelen voor afdoende beheersing bevatten. Deze maatregelen moeten worden uitgevoerd en, waar passend, worden aanbevolen aan andere partijen verderop in de toeleveringsketen.
  • (71) 
    Er kunnen methodes voor de vaststelling van drempelwaarden voor kankerverwekkende en mutagene stoffen worden ontwikkeld, rekening houdend met de resultaten van de REACH-uitvoeringsprojecten. Op basis van die methoden kan de betreffende bijlage worden gewijzigd opdat, met waarborging van een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu, waar passend drempelwaarden kunnen worden toegepast.
  • (72) 
    Ter ondersteuning van de beoogde uiteindelijke vervanging van zeer risicovolle stoffen door geschikte alternatieve stoffen of technologies, moeten alle autorisatieaanvragers een analyse verstrekken van alternatieven, waarin wordt ingegaan op hun risico's en de technische en economische haalbaarheid van hun vervanging, met inbegrip van informatie over elk onderzoek en ontwikkeling waarmee de aanvrager bezig is of van plan is te starten. Autorisaties moeten voorts gebonden zijn aan herbeoordeling binnen een bepaalde termijn, die per geval moet worden bepaald en normaliter afhankelijk gesteld moet zijn van voorwaarden, waaronder monitoring.
  • (73) 
    Vervanging van een stof als zodanig, in een preparaat of een voorwerp is noodzakelijk indien het produceren, gebruiken of op de markt brengen van die stof een onaanvaardbaar risico voor de menselijke gezondheid of het milieu oplevert, rekening houdend met de beschikbaarheid van geschikte veiligere alternatieve stoffen en technologies, en met de sociaal-economische voordelen van het gebruik van de stof met een onaanvaardbaar risico.
  • (74) 
    Vervanging van een stof van zeer ernstige zorg door geschikte veiliger alternatieve stoffen of technologies moet worden overwogen door alle aanvragers van vergunningen voor gebruik van dergelijke stoffen als zodanig, in preparaten of voorwerpen middels het opstellen van een analyse van alternatieven, de risico's van het gebruik van de alternatieven en de technische en economische haalbaarheid van vervanging.
  • (75) 
    De mogelijkheid van het introduceren van beperkingen betreffende het produceren, op de markt brengen en het gebruik van gevaarlijke stoffen, preparaten en voorwerpen geldt, met een klein aantal uitzonderingen, voor alle stoffen die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen. Beperkingen betreffende het op de markt brengen en het gebruik van carcinogene, mutagene en reproductietoxische stoffen, categorie 1 of 2, voor gebruik ervan door consumenten als zodanig of in preparaten moeten blijven worden vastgesteld.
  • (76) 
    De internationale ervaring leert dat stoffen met eigenschappen die hen persistent, bioaccumulerend en toxisch, of zeer persistent en sterk bioaccumulerend maken, zeer risicovol zijn, en er zijn criteria opgesteld om zulke stoffen op te sporen. Bepaalde andere stoffen zijn risicovol genoeg om deze per geval op dezelfde manier te behandelen. De criteria in bijlage XIII moeten worden herzien met inachtneming van de huidige en eventuele nieuwe ervaring met het identificeren van dergelijke stoffen en, waar passend, worden gewijzigd om te zorgen voor een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu.
  • (77) 
    Omwille van de werkbaarheid en de uitvoerbaarheid voor zowel de natuurlijke of rechts-personen, die de dossiers voor de aanvragen moeten opstellen en passende risicobeheers-maatregelen moeten nemen, als de instanties, die de autorisatieaanvragen moeten behandelen, is het beter slechts een beperkt aantal stoffen tegelijk aan de autorisatie-procedure te onderwerpen, realistische termijnen voor de aanvragen te stellen en bepaalde soorten gebruik vrij te stellen. Stoffen waarvan is vastgesteld dat zij aan de autorisatie-criteria voldoen, moeten worden opgenomen in een lijst van stoffen die in aanmerking komen om uiteindelijk in de autorisatieprocedure te worden opgenomen. Binnen deze lijst moeten de stoffen die op het werkprogramma van het Agentschap staan duidelijk zijn vermeld.
  • (78) 
    Het Agentschap moet advies verlenen over de prioriteitstelling voor de stoffen die aan de autorisatieprocedure moeten worden onderworpen, zodat de besluiten stroken met de maatschappelijke behoeften en met de wetenschappelijke inzichten en ontwikkelingen.
  • (79) 
    Een volledig verbod op een stof betekent dat geen enkel gebruik ervan kan worden toegestaan. Het heeft in dat geval geen zin autorisatieaanvragen toe te staan en de stof moet worden geschrapt van de lijst van stoffen waarvoor aanvragen kunnen worden ingediend en toegevoegd aan de lijst van aan beperkingen onderworpen stoffen.
  • (80) 
    Er moet worden gezorgd voor een goede interactie tussen autorisatie en beperking, met het oog op de efficiente werking van de interne markt en de bescherming van de gezondheid van de mens, de veiligheid en het milieu. Wanneer de betreffende stof wordt toegevoegd aan de lijst van stoffen waarvoor aanvragen kunnen worden ingediend, moeten bestaande beperkingen voor die stof worden gehandhaafd. Het Agentschap moet nagaan of het risico van stoffen in voorwerpen voldoende wordt beheerst, en zo neen, een dossier aanleggen over de invoering van verdere beperkingen voor stoffen waarvan het gebruik aan een autorisatie onderworpen is.
  • (81) 
    Met het oog op een geharmoniseerde verlening van autorisaties voor het gebruik van bepaalde stoffen moet het Agentschap adviseren over de risico's van elk gebruik, inclusief of de stof al dan niet afdoende wordt beheerst, en over de eventueel door derden ingediende sociaal-economische analyses. De Commissie houdt met deze adviezen rekening om al dan niet een autorisatie te verlenen.
  • (82) 
    Voor een effectief toezicht op en de handhaving van de autorisatieplicht is het nodig dat downstreamgebruikers die profiteren van een aan hun leverancier verleende autorisatie, het Agentschap inlichten over hun gebruik van de stof.
  • (83) 
    In deze omstandigheden, moeten de definitieve beslissingen betreffende het toekennen of weigeren van vergunningen door de Commissie worden genomen volgens een regelgevingsprocedure zodat een onderzoek kan worden gedaan naar de verdere gevolgen in de lidstaten en om de laatsten nauwer bij de beslissingen te betrekken.
  • (84) 
    Om het huidige systeem te versnellen moet de beperkingsprocedure worden geherstruc-tureerd en richtlijn 76/769/EEG, die bij herhaling ingrijpend is gewijzigd en aangepast, dient vervangen. Alle beperkingen die in het kader van die richtlijn zijn ontwikkeld, moeten ter wille van de duidelijkheid en als uitgangspunt voor deze nieuwe versnelde beperkingsprocedure in deze verordening worden opgenomen. Indien gepast, moet de toepassing van bijlage XVII van deze verordening worden vergemakkelijkt door richtsnoeren die door de Commissie worden ontwikkeld.
  • (85) 
    Met betrekking tot bijlage XVII kunnen de lidstaten gedurende een overgangsperiode strengere beperkingen handhaven, mits conform het Verdrag van die beperkingen kennis is gegeven. Dit betreft afzonderlijke stoffen, stoffen in preparaten en stoffen in voorwerpen, waarvan het vervaardigen, in de handel brengen of gebruiken aan beperkingen onderhevig is. De Commissie moet een overzicht van die beperkingen opstellen en publiceren. Dit zal de Commissie in staat stellen de maatregelen met het oog op eventuele harmonisatie opnieuw te bezien.
  • (86) 
    Het is de taak van de fabrikanten, importeurs en downstreamgebruikers om te bepalen welke risicobeheersmaatregelen nodig zijn om bij het vervaardigen, in de handel brengen of gebruiken van een stof als zodanig, in een preparaat of in een voorwerp, een hoog beschermingsniveau voor de gezondheid van de mens en voor het milieu te waarborgen. Wanneer dit echter ontoereikend wordt geacht en communautaire wetgeving gerecht-vaardigd is, moeten passende beperkingen worden opgelegd.
  • (87) 
    Ter bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu kunnen beperkingen op het vervaardigen, in de handel brengen of gebruiken van een stof als zodanig, in een preparaat of in een voorwerp gepaard gaan met voorwaarden voor of een verbod op dit vervaardigen, in de handel brengen of gebruiken. Daarom moeten zulke beperkingen en eventuele wijzigingen ervan worden opgesomd.
  • (88) 
    Voor de opstelling van een voorstel tot beperking en voor de doeltreffende werking van dergelijke wetgeving is goede samenwerking, coordinate en communicate tussen de lidstaten, het Agentschap, andere communautaire organen, de Commissie en de belang-hebbenden nodig.
  • (89) 
    Als lidstaten voorstellen willen indienen om een specifiek risico voor de gezondheid van de mens en voor het milieu aan te pakken, moeten zij een dossier opstellen dat voldoet aan specifieke eisen. Uit het dossier moet blijken waarom maatregelen voor de hele Gemeenschap nodig zijn.
  • (90) 
    Om tot een geharmoniseerde benadering van de beperkingen te komen, moet het Agentschap bij deze procedure coordinerend optreden, bijvoorbeeld door de betrokken rapporteurs te benoemen en na te gaan of aan de eisen in de bijlagen ter zake is voldaan. Het Agentschap moet een lijst bijhouden van stoffen waarvoor een beperkingsdossier wordt voorbereid.
  • (91) 
    Om de Commissie in staat te stellen specifieke risico's voor de gezondheid van de mens en het milieu in de gehele Gemeenschap te kunnen aanpakken, moet zij de opstelling van een beperkingsdossier aan het Agentschap kunnen toevertrouwen.
  • (92) 
    Omwille van de transparantie moet het Agentschap dit dossier met de voorgestelde beperkingen openbaar maken en om opmerkingen verzoeken.
  • (93) 
    Om de procedure op tijd af te ronden, moet het Agentschap zijn advies over de voorgestelde actie en de gevolgen ervan stoelen op een door een rapporteur opgesteld ontwerpadvies.
  • (94) 
    Om de beperkingsprocedure te versnellen, moet de Commissie haar ontwerpwijziging opstellen binnen een bepaalde termijn na ontvangst van het advies van het Agentschap.
  • (95) 
    Een centrale rol van het Agentschap moet zijn, ervoor te zorgen dat de stoffenwetgeving en de onderliggende besluitvorming en wetenschappelijke basis geloofwaardig zijn voor alle betrokkenen en het publiek. Het Agentschap moet ook een centrale rol vervullen bij de coordinatie van de voorlichting over deze verordening en de tenuitvoerlegging ervan. Het is dus van essentieel belang dat de communautaire instellingen, de lidstaten, het publiek en de marktdeelnemers vertrouwen hebben in het Agentschap. Daarom moeten de onafhankelijkheid, het hoge niveau van wetenschappelijke, technische en regelgevings-capaciteit, de transparantie en de efficientie ervan gewaarborgd zijn.
  • (96) 
    De structuur van het Agentschap moet op de taken ervan afgestemd zijn. Hiervoor biedt de ervaring met vergelijkbare communautaire bureaus enig houvast, maar de structuur moet worden aangepast aan de specifieke behoeften van deze verordening.
  • (97) 
    Efficiente bekendmaking van informatie over chemische risico's en hoe deze te beheren, is een essentieel onderdeel van de bij deze verordening vastgestelde regeling. Beste praktijken uit de chemische en andere sectoren moeten bij de opstelling door het Agentschap van richtsnoeren voor alle belanghebbenden in aanmerking worden genomen.
  • (98) 
    In het belang van de efficientie moet het personeel van het secretariaat van het Agentschap hoofdzakelijk technisch-administratieve en wetenschappelijke taken uitvoeren, zonder een beroep te doen op de wetenschappelijke en technische middelen van de lidstaten; de uitvoerend directeur moet ervoor zorgen dat het Agentschap zijn taken efficient en onafhankelijk uitvoert. Om te waarborgen dat het Agentschap zijn rol vervult, moet de raad van bestuur zo zijn samengesteld dat elke lidstaat, de Commissie en de door de Commissie aangewezen andere betrokken partijen zijn vertegenwoordigd, opdat de inschakeling van belanghebbenden en het Europees Parlement wordt gewaarborgd, en moet worden gestreefd naar maximale deskundigheid en ruime toepasselijke expertise op het gebied van chemische veiligheid en regelgeving en moet tevens worden gezorgd voor toepasselijke expertise op algemeen financieel en juridisch gebied.
  • (99) 
    Het Agentschap moet de middelen hebben om al zijn taken uit te voeren.

(100)    Een verordening van de Commissie moet de samenstelling en het bedrag van de vergoedingen bepalen, en moet ook aangeven in welke omstandigheden een deel van de vergoedingen zal worden overgedragen aan de bevoegde instantie in de lidstaat.

(101)    De raad van bestuur moet de bevoegdheid hebben de begroting op te stellen, de uitvoering ervan te controleren, interne regels op te stellen, een financiele regeling goed te keuren en de uitvoerend directeur aan te stellen.

(102)    Het Agentschap moet via het Comite risicobeoordeling en het Comite sociaal-economische analyse op zijn bevoegdheidsgebied wetenschappelijke adviezen geven om de taak van de aan de Commissie verbonden wetenschappelijke comites over te nemen.

(103)    Het Agentschap moet via het Comite van de lidstaten zoeken naar overeenstemming tussen de instanties van de lidstaten over specifieke punten die een geharmoniseerde aanpak vereisen.

(104)    Er moet worden gezorgd voor nauwe samenwerking tussen het Agentschap en de bevoegde instanties in de lidstaten, zodat de wetenschappelijke adviezen van het Comite risico-beoordeling en het Comite sociaal-economische analyse op een zo ruim mogelijke wetenschappelijke en technische expertise in de Gemeenschap stoelen; om dezelfde reden moeten de comites een beroep kunnen doen op aanvullende specifieke expertise.

(105)    Gelet op de toegenomen verantwoordelijkheid van natuurlijke of rechtspersonen voor het veilige gebruik van chemische stoffen, moet de handhaving worden versterkt. Het Agentschap moet de lidstaten daarom een forum bieden waarop zij informatie kunnen uitwisselen en hun activiteiten voor de handhaving van de stoffenwetgeving kunnen coordineren. De huidige informele samenwerking tussen de lidstaten op dit gebied zou gebaat zijn met een formeler kader.

(106)    Binnen het Agentschap moet een kamer van beroep worden opgericht die de beroeps-procedures van natuurlijke of rechtspersonen die gevolgen ondervinden van de besluiten van het Agentschap behandelt.

(107)    Het Agentschap moet deels met vergoedingen van natuurlijke of rechtspersonen en deels uit de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen worden gefinancierd. Voor subsidies uit de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen moet de commu-nautaire begrotingsprocedure blijven gelden. Bovendien moet de Rekenkamer, overeen-komstig artikel 91 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 23 december 2002 houdende de financiele kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen1, de rekeningen onderzoeken.

(108)    Vertegenwoordigers van derde landen moeten aan de activiteiten van het Agentschap kunnen deelnemen wanneer de Commissie en het Agentschap dat wenselijk achten.

(109)    Door samenwerking met andere belanghebbende organisaties moet het Agentschap de rol van de Gemeenschap en de lidstaten bij de harmonisatie van internationale regels onder-steunen. Ter bevordering van een brede internationale consensus moet het Agentschap rekening houden met bestaande en nieuwe internationale normen voor de regulering van chemische stoffen, zoals het mondiaal geharmoniseerd classificatie- en etiketteringsysteem (GHS) voor chemische stoffen.

(110)    Het Agentschap moet natuurlijke en rechtspersonen de infrastructuur bieden om hun verplichtingen ingevolge de bepalingen over het gezamenlijk gebruik van informatie na te komen.

PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.

(111)    Het is belangrijk verwarring te voorkomen tussen de taken van het Agentschap en die van het Europees Geneesmiddelenagentschap (EMEA), opgericht bij Verordening (EG)

nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van autorisaties en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenagentschap1, de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA), opgericht bij Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedsel-veiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden2, en het Raadgevend Comite voor veiligheid, hygiene en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats, opgericht bij het besluit van de Raad van 22 juli 20033. Daarom moet het Agentschap procedureregels opstellen voor de gebieden waarop samenwerking met de EFSA of het Raadgevend Comite voor de veiligheid, de hygiene en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats nodig is. Deze verordening laat de bij Gemeenschaps-wetgeving toegekende bevoegdheden van het EMEA, de EFSA en het Raadgevend Comite voor de veiligheid, de hygiene en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats verder onverlet.

(112)    Teneinde de interne markt voor stoffen als zodanig of in preparaten te verwezenlijken en tezelfdertijd een hoog beschermingsniveau voor de gezondheid van de mens en het milieu te waarborgen moeten er regels voor een inventaris van indelingen en etiketteringen worden opgesteld.

(113)    De indeling en etikettering van stoffen die registratieplichtig zijn of onder artikel 1 van Richtlijn 67/548/EEG vallen en in de handel worden gebracht, moet daarom aan het Agentschap worden gemeld en in het overzicht worden opgenomen.

PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1.

PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1642/2003 (PB L 245 van 29.9.2003, blz. 4).

PB C 218 van 13.9.2003, blz. 1.

(114)    Met het oog op een geharmoniseerde bescherming van het publiek, en met name degenen die met bepaalde stoffen in aanraking komen, en de goede werking van andere commu-nautaire wetgeving die gebaseerd is op de indeling en etikettering, moeten de indeling die de fabrikanten en importeurs van een zelfde stof overeenkomstig de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG, zijn overeengekomen en, indien mogelijk, de besluiten op communautair niveau om de indeling en etikettering van bepaalde stoffen te harmoniseren, in een inventaris worden opgenomen. Daarbij moet ten volle rekening worden gehouden met het werk en de ervaring in verband met Richtlijn 67/548/EEG, onder meer in verband met de indeling en etikettering van specifieke stoffen of groepen stoffen die in bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG zijn opgenomen.

(115)    De middelen moeten vooral gericht zijn op de meest risicovolle stoffen. Daarom moet een stof in bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG worden opgenomen als zij voldoet aan de criteria voor indeling als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting (categorieen 1, 2 of 3), als inhalatieallergeen, of wanneer er sprake is van andere effecten die per geval worden beoordeeld. De bevoegde instanties moeten in staat worden gesteld bij het Agentschap voorstellen in te dienen. Het Agentschap moet over het voorstel advies uitbrengen en de betrokkenen moeten daarop kunnen reageren. De Commissie moet daarna een besluit nemen.

(116)    Periodieke verslagen van de lidstaten en het Agentschap over de werking van deze verordening zijn onmisbaar om de uitvoering van de stoffenwetgeving en de trends op dit gebied te volgen. De conclusies uit de verslagen zullen nuttig en praktisch zijn om deze verordening te evalueren en waar nodig wijzigingen voor te stellen.

De burgers van de Europese Unie moeten toegang hebben tot informatie over de chemische stoffen waaraan zij kunnen worden blootgesteld, zodat zij met kennis van zaken over het gebruik ervan kunnen beslissen. Dit kan op transparante wijze worden bereikt door hen gratis en eenvoudig toegang te verlenen tot basisgegevens in de databank van het Agentschap, zoals een kort profiel van de gevaarlijke eigenschappen, de etikettering-voorschriften en de communautaire wetgeving ter zake, onder meer over het toegestane gebruik en de risicobeheersmaatregelen. Het Agentschap en de lidstaten moeten toegang verlenen tot informatie overeenkomstig Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie1, Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie2, en het UNECE-Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden waarbij de Europese Gemeenschap partij is.

(117)

(118)

Op openbaarmaking van informatie onder deze verordening zijn de specifieke eisen van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van toepassing. Deze verordening bevat bindende termijnen voor het openbaar maken van informatie, alsmede procedurele garanties, met inbegrip van het recht van beroep. De raad van bestuur moet praktische regelingen treffen voor het toepassen van deze eisen op het Agentschap.

PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26. PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.

(119)    De bevoegde instanties in de lidstaten nemen niet alleen deel aan de uitvoering van de Gemeenschapswetgeving, maar moeten, daar zij dicht bij de betrokkenen in de lidstaten staan, ook een rol spelen bij de informatie-uitwisseling over de risico's van stoffen en de verplichtingen van natuurlijke en rechtspersonen ingevolge de stoffenwetgeving; tegelijk is voor de samenhang en efficientie van de communicatie in het algemeen een nauwe samenwerking tussen het Agentschap, de Commissie en de bevoegde instanties in de lidstaten nodig.

(120)    Voor de doeltreffende werking van het bij deze verordening opgerichte systeem is bij de handhaving een goede samenwerking en coordinatie en informatie-uitwisseling tussen de lidstaten, het Agentschap en de Commissie nodig.

(121)    Om ervoor te zorgen dat deze verordening wordt nageleefd, moeten de lidstaten doeltreffende toezichts- en controlemaatregelen nemen. De nodige inspecties moeten worden gepland en uitgevoerd en over het resultaat ervan moet verslag worden uitgebracht.

(122)    Met het oog op transparantie, onpartijdigheid en samenhang van de handhavings-activiteiten van de lidstaten moeten de lidstaten een geschikt kader instellen voor sancties nodig om bij niet-naleving doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties op te leggen, daar niet-naleving tot schade voor de gezondheid van de mens en voor het milieu kan leiden.

(123)

(124)

(125)

De voor de uitvoering van deze verordening en voor bepaalde wijzigingen ervan vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden1.

De Commissie moet in het bijzonder de bevoegdheid worden verleend om de bijlagen in bepaalde gevallen te wijzigen, regels voor testmethoden vast te stellen, het percentage aan te passen van de dossiers die worden geselecteerd voor controle op de naleving alsmede de selectiecriteria te wijzigen, en de criteria vast te stellen op basis waarvan kan worden gerechtvaardigd dat testen technisch gezien niet mogelijk zijn. Omdat het hierbij gaat om algemene maatregelen voor het wijzigen van niet-essentiele onderdelen van deze verordening of voor het aanvullen van deze verordening met nieuwe niet-essentiele onderdelen, moeten zij worden aangenomen overeenkomstig de regelgevingsprocedure met toetsing, zoals bedoeld in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG.

Het is van essentieel belang dat chemische stoffen doeltreffend en tijdig worden geregu-leerd in de overgangsperiode totdat deze verordening volledig van toepassing is, en met name tijdens de startperiode van het Agentschap. Derhalve moet de Commissie de nodige steun verlenen bij de oprichting van het Agentschap en onder andere contracten sluiten en een uitvoerend directeur ad interim aanstellen tot de raad van bestuur van het Agentschap zelf een uitvoerend directeur kan benoemen.

PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG van de Raad (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).

(126)    Om het overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 793/93 en Richtlijn 76/769/EEG gedane werk volledig te benutten en te voorkomen dat dit verloren gaat, moet de Commissie in de startperiode beperkingen op basis van dit werk kunnen inleiden zonder de gehele beperkingsprocedure in deze verordening te volgen. Zodra deze verordening in werking treedt moeten al die elementen worden gebruikt ter ondersteuning van risicobeperkende maatregelen.

(127)    Voor de vlotte overgang naar het nieuwe systeem is het nuttig dat deze verordening gespreid in werking treedt. Een geleidelijke inwerkingtreding van de bepalingen moet alle betrokkenen (instanties, natuurlijke en rechtspersonen, belanghebbenden) in staat stellen om bij de voorbereiding op nieuwe taken de middelen op het juiste moment aan te wenden.

(128)    Deze verordening vervangt Richtlijn 76/769/EEG, Richtlijn 91/155/EEG1 van de Commissie, Richtlijn 93/67/EEG van de Commissie2, Richtlijn 93/105/EEG3 van de Commissie, Richtlijn 2000/21/EG4 van de Commissie, Verordening (EEG) nr. 793/93 en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie5. Deze richtlijnen en verordeningen worden derhalve ingetrokken.

Richtlijn 91/155/EEG van de Commissie van 5 maart 1991 houdende beschrijving en vaststelling van de wijze van uitvoering van het systeem voor specifieke informatie inzake gevaarlijke preparaten krachtens artikel 10 van Richtlijn 88/379/EEG (PB L 76 van 22.3.1991, blz. 35). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2001/58/EG (PB L 212 van 7.8.2001, blz. 24).

Richtlijn 93/67/EEG van de Commissie van 20 juli 1993 tot vaststelling van de beginselen die gelden bij de beoordeling van de risico's voor mens en milieu van stoffen die zijn aangegeven krachtens Richtlijn 67/548/EEG van de Raad (PB L 227 van 8.9.1993, blz. 9). Richtlijn 93/105/EG van de Commissie van 25 november 1993 houdende vaststelling van bijlage VII D inzake de informatie die in het in artikel 12 van Richtlijn 67/548/EEG van de Raad bedoelde technisch dossier moet worden opgenomen (PB L 294 van 30.11.1993, blz. 21).

Richtlijn 2000/21/EG van de Commissie van 25 april 2000 betreffende de lijst van Gemeenschapswetgeving, bedoeld in artikel 13, lid 1, vijfde streepje, van Richtlijn 67/548/EEG van de Raad (PB L 103 van 28.4.2000, blz. 70).

Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie van 28 juni 1994 tot vaststelling van de beginselen voor de beoordeling van de risico's voor mens en milieu van bestaande stoffen krachtens Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad (PB L 161 van 29.6.1994, blz. 3).

(129)    Omwille van de samenhang moet Richtlijn 1999/45/EG, die al punten bestrijkt die ook door deze verordening worden bestreken, worden gewijzigd.

(130)    Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk regels voor stoffen vast te stellen en een Europees Agentschap voor chemische stoffen op te richten, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, vanwege de omvang en de gevolgen ervan, beter op het niveau van de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap maatregelen nemen, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel als genoemd in hetzelfde artikel, gaat deze verordening niet verder dan nodig is om de beoogde doelstellingen te bereiken.

(131)    De verordening respecteert de grondrechten en beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend1. In het bijzonder streeft zij naar een volledige naleving van de beginselen van milieubescherming en duurzame ontwikke-ling die bij artikel 37 van genoemd Handvest ervan zijn gewaarborgd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

PB C 364 van 18.12.2000, blz. 1.

INHOUDSOPGAVE

TITEL I

Hoofdstuk 1 Hoofdstuk 2 TITEL II

Hoofdstuk 1 Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 5

ALGEMENE ASPECTEN

Doel, toepassingsgebied en toepassing

Definities en algemene bepaling

REGISTRATIE VAN STOFFEN

Algemene registratieplicht en informatievereisten

Als geregistreerd beschouwde stoffen

Registratieplicht en informatie-eisen voor bepaalde soorten gei'soleerde tussenproducten

Gemeenschappelijke bepalingen voor alle registraties

Overgangsbepalingen van toepassing op geleidelijk gei'ntegreerde stoffen en aangemelde stoffen

 

TITEL III

GEZAMENLIJK GEBRUIK VAN GEGEVENS EN VOORKOMING

VAN ONNODIGE PROEVEN

Hoofdstuk 1

Doelstellingen en algemene regels

Hoofdstuk 2

Voorschriften voor niet-geleidelijk gei'ntegreerde stoffen en voor

registranten van geleidelijk gei'ntegreerde stoffen die geen preregistratie hebben verricht

Hoofdstuk 3

Regels voor geleidelijk gei'ntegreerde stoffen

TITEL IV

INFORMATIE IN DE TOELEVERINGSKETEN

TITEL V

DOWNSTREAMGEBRUIKERS

TITEL VI

BEOORDELING

Hoofdstuk 1

Dossierbeoordeling

Hoofdstuk 2

Stoffenbeoordeling

Hoofdstuk 3

Beoordeling van tussenproducten

Hoofdstuk 4

Gemeenschappelijke bepalingen

TITEL VII

AUTORISATIES

Hoofdstuk 1

Autorisatieplicht

Hoofdstuk 2

Verlening van autorisaties

Hoofdstuk 3

Autorisaties in de toeleveringsketen

TITEL VIII

BEPERKINGEN OP DE VERVAARDIGING, HET IN DE HANDEL BRENGEN EN HET GEBRUIK VAN BEPAALDE GEVAARLIJKE STOFFEN EN PREPARATEN

Hoofdstuk 1

Algemene aspecten

Hoofdstuk 2

Procedure voor beperkingen

TITEL IX

VERGOEDINGEN

TITEL X

AGENTSCHAP

TITEL XI

INVENTARIS VAN INDELINGEN EN ETIKETTERING

TITEL XII

INFORMATIE

TITEL XIII

BEVOEGDE INSTANTIES

TITEL XIV

HANDHAVING

TITEL XV

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

BIJLAGE I

ALGEMENE BEPALINGEN VOOR DE BEOORDELING VAN

STOFFEN EN DE OPSTELLING VAN CHEMISCHE VEILIGHEIDSRAPPORTEN

BIJLAGE II

RICHTSNOEREN VOOR DE SAMENSTELLING VAN

VEILIGHEIDSINFORMATIEBLADEN

BIJLAGE III

CRITERIA VOOR STOFFEN DIE IN HOEVEELHEDEN TUSSEN 1 EN

10 TON ZIJN GEREGISTREERD

BIJLAGE IV

VRIJSTELLINGEN VAN DE REGISTRATIEPLICHT OVEREEN-

KOMSTIG ARTIKEL 2, LID 7, ONDER a)

BIJLAGE V

VRIJSTELLINGEN VAN DE REGISTRATIEPLICHT OVEREEN-KOMSTIG ARTIKEL 2, LID 7, ONDER b)

BIJLAGE VI

IN ARTIKEL 10 BEDOELDE IN TE DIENEN INFORMATIE

BIJLAGE VII

STANDAARDINFORMATIE VOOR STOFFEN DIE IN HOEVEELHEDEN VAN 1 TON OF MEER WORDEN VERVAARDIGD OF INGEVOERD

BIJLAGE VIII

STANDAARDINFORMATIE VOOR STOFFEN DIE IN

HOEVEELHEDEN VAN 10 TON OF MEER WORDEN

VERVAARDIGD OF INGEVOERD

BIJLAGE IX

STANDAARDINFORMATIE VOOR STOFFEN DIE IN

HOEVEELHEDEN VAN 100 TON OF MEER WORDEN

VERVAARDIGD OF INGEVOERD

BIJLAGE X

STANDAARDINFORMATIE VOOR STOFFEN DIE IN

HOEVEELHEDEN VAN 1000 TON OF MEER WORDEN

VERVAARDIGD OF INGEVOERD

BIJLAGE XI

ALGEMENE REGELS VOOR DE AANPASSING VAN DE

STANDAARDTESTREGELING VAN DE BIJLAGEN VII TOT EN

MET X

BIJLAGE XII

ALGEMENE REGELS VOOR DE BEOORDELING VAN STOFFEN EN

DE OPSTELLING VAN CHEMISCHE VEILIGHEIDSRAPPORTEN

DOOR DOWNSTREAMGEBRUIKERS

BIJLAGE XIII

CRITERIA TER IDENTIFICATIE VAN PERSISTENTE,

BIOACCUMULERENDE EN TOXISCHE STOFFEN EN ZEER

PERSISTENTE EN STERK BIOACCUMULERENDE STOFFEN

BIJLAGE XIV

LIJST VAN AUTORISATIEPLICHTIGE STOFFEN

BIJLAGE XV

DOSSIERS

BIJLAGE XVI

SOCIAAL-ECONOMISCHE ANALYSE

BIJLAGE XVII

BEPERKINGEN OP DE VERVAARDIGING, HET IN DE HANDEL

BRENGEN EN HET GEBRUIK VAN BEPAALDE GEVAARLIJKE

STOFFEN, PREPARATEN EN VOORWERPEN

TITEL I

ALGEMENE ASPECTEN

2.

Hoofdstuk 1

3.

Doel, toepassingsgebied en toepassing

Artikel 1

Doel en toepassingsgebied

  • 1. 
    Het doel van deze verordening is een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu, inclusief de bevordering van alternatieve beoordelingsmethoden voor gevaren van stoffen, alsmede het vrije verkeer van stoffen op de interne markt te waarborgen en tegelijkertijd het concurrentievermogen en de innovatie te vergroten.
  • 2. 
    In deze verordening worden bepalingen vastgesteld voor stoffen en preparaten in de zin van artikel 3. Deze bepalingen zijn van toepassing op de vervaardiging, het in de handel brengen of het gebruik van die stoffen als zodanig of in preparaten of voorwerpen, alsmede op het in de handel brengen van preparaten.
  • 3. 
    Deze verordening is gebaseerd op het beginsel dat fabrikanten, importeurs en downstreamgebruikers ervoor moeten zorgen dat zij stoffen vervaardigen, in de handel brengen of gebruiken die niet schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens of voor het milieu. Zij is gebaseerd op het voorzorgsbeginsel.

Artikel 2 Toepassing

  • 1. 
    Deze verordening is niet van toepassing op:
  • a) 
    radioactieve stoffen die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren1 vallen;
  • b) 
    stoffen, als zodanig of in een preparaat of voorwerp, die onder douanetoezicht vallen, tenzij zij worden bewerkt of verwerkt, en stoffen die in tijdelijke opslag zijn, zich in een vrije zone of een vrij entrepot bevinden met het oog op wederuitvoer, of in transito zijn;
  • c) 
    niet-gei'soleerde tussenproducten;
  • d) 
    het vervoer van gevaarlijke stoffen en gevaarlijke stoffen in gevaarlijke preparaten per spoor, over de weg, over de binnenwateren, over zee of door de lucht.
  • 2. 
    Afvalstoffen, als omschreven in Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad2, zijn geen stof, preparaat of voorwerp in de zin van artikel 3 van deze verordening.
  • 3. 
    De lidstaten kunnen in specifieke gevallen bepaalde stoffen, als zodanig of in een preparaat of voorwerp, van de toepassing van deze verordening vrijstellen wanneer zulks nood-zakelijk is in het belang van de defensie.

PB L 159, 29.6.1996, blz. 1.

PB L 114 van 27.4.2006, blz. 9.

  • 4. 
    Deze verordening is van toepassing onverminderd:
  • a) 
    de communautaire wetgeving inzake de arbeidsplaats en het milieu, met inbegrip van Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk1, Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake gei'ntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging2, Richtlijn 98/24/EG, Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid3 en Richtlijn 2004/37/EG;
  • b) 
    Richtlijn 76/768/EEG ten aanzien van proeven met gewervelde dieren die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen.
  • 5. 
    De bepalingen van de titels II, V, VI en VII zijn niet van toepassing voor zover een stof

wordt gebruikt:

  • a) 
    in geneesmiddelen voor menselijk of diergeneeskundig gebruik die binnen het

toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 726/2004, Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruiken Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik5 vallen;

1

2

3

4

5

PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

PB L 257 van 10.10.1996, blz. 26. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 33 van 4.2.2006, blz. 1).

PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Beschikking nr. 2455/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 331 van 15.12.2001, blz. 1).

PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/28/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 58).

PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/27/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 34).

  • b) 
    in levensmiddelen of diervoeder overeenkomstig Verordening (EG) nr. 178/2002,

mede bij gebruik:

  • i) 
    als levensmiddelenadditief in voor menselijke voeding bestemde waren die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 89/107/EEG van de Raad van

21    december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake levensmiddelenadditieven die in voor menselijke voeding bestemde waren mogen worden gebruikt1 vallen;

  • ii) 
    als aromastof in levensmiddelen die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 88/388/EEG van de Raad van 22 juni 1988 betreffende de onderlinge aanpas-sing van de wetgevingen der lidstaten inzake aroma's voor gebruik in levensmiddelen en de uitgangsmaterialen voor de bereiding van die aroma's2 en Beschikking 1999/217/EG van de Commissie van 23 februari 1999 tot vast-stelling van een repertorium van in levensmiddelen gebruikte aromastoffen, dat is samengesteld in toepassing van Verordening (EG) nr. 2232/96 van het Europees Parlement en de Raad3 vallen;
  • iii) 
    als toevoegingsmiddel in veevoeding die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van

22    september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding4 valt;

  • iv) 
    in diervoeding die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 82/471/EEG van de Raad van 30 juni 1982 betreffende bepaalde in diervoeding gebruikte producten5 valt.

1

2

3

4

5

PB L 40 van 11.2.1989, blz. 27. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

PB L 184 van 15.7.1988, blz. 61. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

PB L 84 van 27.3.1999, blz. 1. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2004/357/EG (PB L 113 van 20.4.2004, blz. 28).

PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 378/2005 van de Commissie (PB L 59 van 5.3.2005, blz. 8).

PB L 213 van 21.7.1982, blz. 8. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/116/EG van de Commissie (PB L 379 van 24.12.2004, blz. 81).

  • 6. 
    Het bepaalde in titel IV is niet van toepassing op de volgende voor de eindgebruiker bestemde preparaten in afgewerkte vorm:
  • a) 
    geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 726/2004, Richtlijn 2001/82/EG vallen en die gedefinieerd zijn in Richtlijn 2001/83/EG;
  • b) 
    cosmetische producten, als gedefinieerd in Richtlijn 76/768/EEG;
  • c) 
    medische hulpmiddelen die binnendringend zijn of in direct contact komen met het lichaam, voor zover er communautaire voorschriften voor de indeling en kenmerking van gevaarlijke stoffen en preparaten voorhanden zijn die eenzelfde niveau van informatie en bescherming verzekeren als Richtlijn 1999/45/EG;
  • d) 
    in levensmiddelen of veevoeder overeenkomstig Verordening (EG) nr. 178/2002, mede bij gebruik:
  • i) 
    als levensmiddelenadditief in voor menselijke voeding bestemde waren die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 89/107/EEG vallen;
  • ii) 
    als aroma in levensmiddelen die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 88/388/EEG en Beschikking 1999/217/EG vallen;
  • iii) 
    als toevoegingsmiddel voor diervoeding die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1831/2003 valt;
  • iv) 
    in diervoeding die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 82/471/EEG valt.

Vrijgesteld van de titels II, V en VI zijn:

7.

  • a) 
    de in bijlage IV opgenomen stoffen, omdat vanwege hun intrinsieke eigenschappen de risico's die ze veroorzaken op grond van toereikende informatie minimaal worden geacht;
  • b) 
    de onder bijlage V vallende stoffen, omdat registratie van deze stoffen ongeschikt of onnodig wordt geacht en omdat het feit dat zij van deze titels zijn vrijgesteld, de doelstellingen van deze verordening onverlet laat;
  • c) 
    overeenkomstig titel II geregistreerde stoffen, als zodanig of in preparaten, die uit de Gemeenschap worden uitgevoerd door een actor in de toeleveringsketen en in de Gemeenschap worden wederingevoerd door dezelfde of een andere actor in dezelfde toeleveringsketen die aantoont:
  • i) 
    dat de wederingevoerde stof dezelfde is als de uitgevoerde stof;
  • ii) 
    dat hij overeenkomstig de artikelen 31 of 32 informatie over de uitgevoerde stof heeft ontvangen;
  • d) 
    stoffen, als zodanig, in preparaten of in voorwerpen, die zijn geregistreerd overeenkomstig titel II en die in de Gemeenschap worden teruggewonnen indien:
  • i) 
    de stof die resulteert uit het terugwinningsproces dezelfde is als de stof die is

geregistreerd overeenkomstig titel II; en

  • ii) 
    bij de inrichting die de terugwinning verricht, de krachtens artikelen 31 en 32 vereiste informatie over de overeenkomstig titel II geregistreerde stof beschikbaar is;
  • 8. 
    Locatiegebonden gei'soleerde tussenproducten en vervoerde gei'soleerde tussenproducten zijn vrijgesteld van:
  • a) 
    titel II, hoofdstuk 1, uitgezonderd de artikelen 8 en 9; en
  • b) 
    titel VII.
  • 9. 
    De bepalingen van titel II en titel VI zijn niet van toepassing op polymeren.

4.

Hoofdstuk 2

5.

Definities en algemene bepaling

Artikel 3 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • 1) 
    "stof": een chemisch element en de verbindingen ervan, zoals zij voorkomen in natuurlijke toestand of bij de vervaardiging ontstaan, met inbegrip van alle additieven die nodig zijn voor het behoud van de stabiliteit ervan en alle onzuiverheden ten gevolge van het toege-paste procede, doch met uitzondering van elk oplosmiddel dat kan worden afgescheiden zonder dat de stabiliteit van de stof wordt aangetast of de samenstelling ervan wordt gewijzigd;
  • 2) 
    "preparaat": een mengsel of oplossing bestaande uit twee of meer stoffen;
  • 3) 
    "voorwerp": een object waaraan tijdens de productie een speciale vorm, oppervlak of patroon wordt gegeven waardoor zijn functie in hogere mate wordt bepaald dan door de chemische samenstelling;
  • 4) 
    "producent van een voorwerp": elke natuurlijke of rechtspersoon die een voorwerp in de Gemeenschap produceert of assembleert;
  • 5) 
    "polymeer": een stof die bestaat uit moleculen die worden gekenmerkt door een opeen-volging van een of meer soorten monomeereenheden. Die moleculen moeten over een reeks molecuulgewichten verdeeld zijn, waarbij de verschillen in molecuulgewicht in de eerste plaats het gevolg zijn van verschillen in het aantal monomeereenheden. Een polymeer bevat het volgende:
  • a) 
    een gewichtsmeerderheid van moleculen die bestaan uit ten minste drie monomeereenheden die op covalente wijze aan ten minste een andere monomeereenheid of andere reactieve stof zijn gebonden;
  • b) 
    minder dan een gewichtsmeerderheid aan moleculen van hetzelfde molecuulgewicht.

In deze definitie betekent "monomeereenheid" de gereageerde vorm van een monomeer in een polymeer;

  • 6) 
    "monomeer": een stof die covalente bindingen kan vormen door herhaalde koppeling van soortgelijke of ongelijke moleculen onder de voorwaarden van de voor dat proces gebruikte polymerisatiereactie;
  • 7) 
    "registrant": de fabrikant, of importeur van een stof, dan wel de producent of importeur van een voorwerp, die een registratie voor een stof indient;
  • 8) 
    "vervaardiging": productie of extractie van stoffen in natuurlijke toestand;
  • 9) 
    "fabrikant": een in de Gemeenschap gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de Gemeenschap een stof vervaardigt;
  • 10) 
    "invoer": het binnen het douanegebied van de Gemeenschap brengen;
  • 11) 
    "importeur": een in de Gemeenschap gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon die voor de invoer verantwoordelijk is;
  • 12) 
    "in de handel brengen": het aan een derde leveren of beschikbaar stellen, ongeacht of dit tegen betaling dan wel om niet geschiedt. Invoer wordt beschouwd als in de handel brengen;
  • 13) 
    "downstreamgebruiker": elke in de Gemeenschap gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een fabrikant of importeur, die een stof, hetzij als zodanig, hetzij in een preparaat, gebruikt bij zijn industriele activiteiten of beroepsactiviteiten. Distributeurs en consumenten zijn geen downstreamgebruikers. Wederimporteurs die krachtens artikel 2, lid 7, onder c), zijn vrijgesteld, worden als downstreamgebruikers beschouwd;
  • 14) 
    "distributeur": elke in de Gemeenschap gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon, met inbegrip van detailhandelaren, die een stof, als zodanig of in een preparaat, uitsluitend bewaart en in de handel brengt ten behoeve van derden;
  • 15) 
    "tussenproduct": een stof die vervaardigd wordt voor en verbruikt wordt in of gebruikt wordt voor een chemische reactie, om omgezet te worden in een andere stof (hierna "synthese" genoemd):
  • a) 
    "niet-gei'soleerd tussenproduct": een tussenproduct dat tijdens de synthese niet opzettelijk wordt verwijderd (behalve voor bemonstering) uit de apparatuur waarin de synthese plaatsvindt. Deze apparatuur omvat het reactievat, de bijbehorende apparatuur en alle apparatuur waar de stof of stoffen tijdens een continue stroming of een batchprocede doorheen gaan alsook het buizenstelsel voor de overbrenging van het ene vat naar het andere ten behoeve van de volgende reactiestap, maar omvat niet de tanks of andere vaten waarin de stof of stoffen na de vervaardiging worden bewaard;
  • b) 
    "locatiegebonden geisoleerd tussenproduct": een tussenproduct dat niet aan de criteria van een niet-geisoleerd tussenproduct voldoet en dat wordt vervaardigd op de locatie waar een of meer andere stoffen uit dat tussenproduct worden gesynthetiseerd, door een of meer rechtspersonen;
  • c) 
    "vervoerd geisoleerd tussenproduct": een tussenproduct dat niet aan de criteria van een niet-geisoleerd tussenproduct voldoet en dat wordt vervoerd tussen of wordt geleverd aan andere locaties;
  • 16) 
    "locatie": een plaats waar, indien er meer dan een fabrikant is van een of meer stoffen, bepaalde infrastructuur en faciliteiten worden gedeeld;
  • 17) 
    "actoren in de toeleveringsketen": alle fabrikanten en/of importeurs en/of downstream-gebruikers in een toeleveringsketen;
  • 18) 
    "Agentschap": het bij deze verordening opgerichte Europees Agentschap;
  • 19) 
    "bevoegde instantie": de instantie, instanties of organen die de lidstaten hebben aangewezen om de uit deze verordening voortvloeiende verplichtingen uit te voeren;
  • 20) 
    "geleidelijk gei'ntegreerde stof": een stof die ten minste aan een van de volgende criteria voldoet:
  • a) 
    de stof is in de Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen (EINECS) opgenomen;
  • b) 
    de stof is vervaardigd in de Gemeenschap, of in de landen die op 1 januari 1995 of 1 mei 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden, maar is niet door de fabrikant of importeur ten minste eenmaal in de handel gebracht in de 15 jaar voor de inwerkingtreding van deze verordening, mits dit door de fabrikant of importeur met schriftelijke bewijsstukken kan worden gestaafd;
  • c) 
    de stof is in de Gemeenschap, of in de landen die op 1 januari 1995 of 1 mei 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden, in de handel gebracht en voor de inwerking-treding van deze verordening eveneens door de fabrikant of importeur in de handel gebracht en is een stof waarvan overeenkomstig het eerste streepje van artikel 8, lid 1, van Richtlijn 67/548/EEG, wordt geacht kennisgeving te zijn gedaan, maar de stof voldoet niet aan de definitie van een polymeer van de onderhavige verordening, mits dit door de fabrikant of importeur met schriftelijke bewijsstukken kan worden gestaafd.
  • 21) 
    "aangemelde stof": een stof waarvan kennisgeving is gedaan en die in de handel kan worden gebracht overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG;
  • 22) 
    "onderzoek en ontwikkeling gericht op producten en procedes": elke wetenschappelijke ontwikkeling in verband met de ontwikkeling van een product, de verdere ontwikkeling van een stof, als zodanig, in preparaten of in voorwerpen, waarbij proefinstallaties of productie-experimenten worden gebruikt om het productieprocede te ontwikkelen en/of de toepassingsgebieden van de stof te testen;
  • 23) 
    "wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke ontwikkeling": elke wetenschappelijke proefneming, analyse of chemisch onderzoek uitgevoerd onder gecontroleerde omstandigheden in een hoeveelheid van minder dan 1 ton per jaar;
  • 24) 
    "gebruik": elke vorm van verwerking, formulering, verbruik, opslag, bewaring, behandeling, overbrenging in recipienten, overbrenging van de ene recipient naar de andere, vermenging, vervaardiging van een voorwerp of elke andere gebruikmaking;
  • 25) 
    "eigen gebruik van de registrant": industrieel of beroepsmatig gebruik door de registrant;
  • 26) 
    "geidentificeerd gebruik": gebruik van een stof als zodanig of in een preparaat, of gebruik van een preparaat, dat door een actor in de toeleveringsketen wordt beoogd, met inbegrip van zijn eigen gebruik, of waarvan hij door een directe downstreamgebruiker schriftelijk op de hoogte is gesteld;
  • 27) 
    "volledig onderzoeksverslag": een volledige, alomvattende beschrijving van de wijze waarop de gegevens zijn verkregen. Dit omvat het volledige wetenschappelijke artikel, zoals in de literatuur gepubliceerd, waarin het uitgevoerde onderzoek wordt beschreven, of het volledige door het testlaboratorium opgestelde verslag waarin het uitgevoerde onderzoek wordt beschreven;
  • 28) 
    "uitgebreide onderzoekssamenvatting": een gedetailleerde samenvatting van de doelstellingen, methoden, resultaten en conclusies van een volledig onderzoeksverslag waarin voldoende informatie wordt gegeven om een onafhankelijke beoordeling van de studie mogelijk te maken, waarbij de noodzaak om het volledige onderzoeksverslag te raadplegen tot een minimum wordt beperkt;
  • 29) 
    "onderzoekssamenvatting": een samenvatting van de doelstellingen, methoden, resultaten en conclusies van een volledig onderzoeksverslag die voldoende informatie verstrekt voor beoordeling van de relevantie van de bij het onderzoek behorende studie;
  • 30) 
    "per jaar": per kalenderjaar, tenzij anders is bepaald. Voor geleidelijk geintegreerde stoffen die al ten minste drie opeenvolgende jaren zijn geimporteerd of gefabriceerd, worden de hoeveelheden per jaar berekend op basis van de gemiddelde productie- of invoervolumes gedurende de drie voorafgaande kalenderjaren;
  • 31) 
    "beperking": elke voorwaarde voor of elk verbod op de vervaardiging, het gebruik of het in de handel brengen;
  • 32) 
    "leverancier van een stof of een preparaat": fabrikant, importeur, downstreamgebruiker of distributeur die een stof, als zodanig of in een preparaat, of een preparaat in de handel brengt;
  • 33) 
    "leverancier van een voorwerp": een producent of importeur van een voorwerp, een distributeur of andere actor in de toeleveringsketen die een voorwerp op de markt brengt;
  • 34) 
    "afnemer van een stof of een preparaat": downstreamgebruiker of distributeur aan wie een stof of een preparaat geleverd wordt;
  • 35) 
    "afnemer van een voorwerp": industrieel of beroepsmatig gebruiker, of distributeur, aan wie een voorwerp wordt geleverd; consumenten zijn geen afnemers van een voorwerp;
  • 36) 
    "kleine en middelgrote ondernemingen": kleine en middelgrote ondernemingen volgens de definitie in de Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen1;
  • 37) 
    "blootstellingsscenario": de reeks voorwaarden, met inbegrip van operationele voorwaarden en risicobeheersmaatregelen, waarin wordt beschreven hoe de stof wordt vervaardigd of gedurende de levenscyclus wordt gebruikt en hoe de fabrikant of importeur de blootstelling van mens en milieu beheerst of downstreamgebruikers aanbeveelt deze te beheersen. Deze blootstellingsscenario's kunnen, naargelang het geval, een specifiek proces of gebruik, dan wel meerdere processen of gebruiken betreffen;

PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36.

  • 38) 
    "gebruiks- en blootstellingscategorie": blootstellingsscenario dat een groot aantal verschillende processen of gebruiken omvat, waarbij tenminste een korte, algemene gebruiksbeschrijving van de processen of toepassingen wordt gegeven;
  • 39) 
    "stof die in de natuur voorkomt": van nature voorkomende stof als zodanig, onbewerkt of enkel bewerkt met de hand, met mechanische hulpmiddelen of met behulp van de zwaartekracht; door oplossing in water, door extractie met water, door stoomdistillatie, door flotatie of door verhitting uitsluitend om water te onttrekken, of die met enig hulpmiddel aan de lucht wordt onttrokken;
  • 40) 
    "niet chemisch gewijzigde stof": stof waarvan de chemische structuur ongewijzigd blijft ook al heeft hij een chemisch proces, een chemische behandeling of een fysische mineralogische transformatie ondergaan, bijvoorbeeld ter verwijdering van onzuiverheden;
  • 41) 
    "metaallegering": een macroscopisch homogeen metaal dat bestaat uit twee of meer chemische elementen die dusdanig met elkaar zijn verbonden dat zij niet vlot via mechanische middelen kunnen worden gescheiden.

Artikel 4

Algemene bepaling

Iedere fabrikant, importeur, of, in voorkomend geval, downstreamgebruiker kan, terwijl hij volledig verantwoordelijk blijft voor het voldoen aan zijn verplichtingen in het kader van deze verordening, een derde vertegenwoordiger aanwijzen voor alle handelingen overeenkomstig de artikelen 11 en 19, titel III en artikel 52 waarvoor besprekingen moeten worden gehouden met andere fabrikanten, importeurs of, in voorkomend geval downstreamgebruikers. In deze gevallen wordt de identiteit van de fabrikant of importeur of downstreamgebruiker die een vertegenwoordiger heeft aangewezen normaliter niet door het Agentschap aan andere fabrikanten, importeurs of, in voorkomend geval, downstreamgebruikers bekendgemaakt.

TITEL II

REGISTRATIE VAN STOFFEN

6.

Hoofdstuk 1

7.

Algemene registratieplicht en informatievereisten

Artikel 5

Zonder gegevens geen handel

Behoudens de artikelen 6, 7, 21 en 23 mogen stoffen als zodanig en stoffen in preparaten of in voorwerpen die, in de gevallen waarin dit vereist is, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van deze titel zijn geregistreerd, niet in de Gemeenschap worden vervaardigd of in de handel

gebracht.

Artikel 6

Algemene registratieplicht voor stoffen als zodanig of in preparaten

  • 1. 
    Behalve wanneer in deze verordening anders is bepaald, dient elke fabrikant of importeur die een stof, als zodanig of in een of meer preparaten, in hoeveelheden van 1 ton of meer per jaar vervaardigt of invoert, een registratie bij het Agentschap in.
  • 2. 
    Op monomeren die als locatiegebonden gei'soleerd tussenproduct of als vervoerd gei'soleerd tussenproduct worden gebruikt, zijn de artikelen 17 en 18 niet van toepassing.
  • 3. 
    De fabrikant of importeur van een polymeer dient voor de monomeren of andere stoffen die nog niet zijn geregistreerd door een actor hogerop in de toeleveringsketen, een registratie bij het Agentschap in indien aan beide onderstaande voorwaarden is voldaan:
  • a) 
    het polymeer bestaat uit minimaal 2 gewichtsprocent (g/g) van die monomeren of andere stoffen in de vorm van monomeereenheden en chemisch gebonden stoffen;
  • b) 
    de totale hoeveelheid van die monomeren of andere stoffen bedraagt 1 ton of meer per jaar.
  • 4. 
    Bij de indiening van een registratie wordt de overeenkomstig titel IX vereiste vergoeding betaald.

Artikel 7

Registratie en mededeling van stoffen in voorwerpen

  • 1. 
    De producent of importeur van voorwerpen dient voor elke in die voorwerpen opgenomen stof een registratie bij het Agentschap in indien aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:
  • a) 
    de stof is in hoeveelheden van in totaal meer dan 1 ton per jaar per producent of importeur in die voorwerpen aanwezig;
  • b) 
    de stof is bedoeld om bij normale of redelijkerwijs te voorziene gebruiksomstandig-heden vrij te komen.

Bij de indiening van een registratie wordt de overeenkomstig titel IX vereiste vergoeding betaald.

  • 2. 
    Een producent of importeur van voorwerpen dient overeenkomstig lid 4 van dit artikel aan het Agentschap informatie te doen toekomen indien een stof voldoet aan de criteria van artikel 57 en wordt gei'dentificeerd overeenkomstig artikel 59, lid 1, en indien aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:
  • a) 
    de stof is in hoeveelheden van in totaal meer dan 1 ton per jaar per producent of importeur in die voorwerpen aanwezig;
  • b) 
    de stof is in een concentratie van meer dan 0,1 gewichtsprocent (g/g) in die voorwerpen aanwezig.
  • 3. 
    Lid 2 is niet van toepassing wanneer de producent of importeur blootstelling van de mens of het milieu bij normale of redelijkerwijs te voorziene gebruiksomstandigheden, inclusief verwijdering, kan uitsluiten. In dat geval verstrekt de producent of importeur de afnemer van het voorwerp passende instructies.
  • 4. 
    De volgende informatie wordt meegedeeld:
  • a) 
    de identiteit en de contactgegevens van de producent of importeur overeenkomstig punt 1 van bijlage VI, met uitzondering van hun eigen gebruikslocaties;
  • b) 
    de in artikel 20, lid 1, bedoelde registratienummers, indien beschikbaar;
  • c) 
    de identiteit van de stoffen overeenkomstig de punten 2.1 tot en met 2.3.4. van bijlage VI;
  • d) 
    de indeling en etikettering van de stoffen overeenkomstig de punten 4.1 en 4.2 van bijlage VI;
  • e) 
    een beknopte beschrijving van de vorm(en) van gebruik van de stof in het voorwerp overeenkomstig punt 3.5 van bijlage VI, alsook van de vormen van gebruik van het voorwerp of de voorwerpen;
  • f) 
    de hoeveelheidsklasse van de stof, bijvoorbeeld 1-10 ton, 10-100 ton enz.
  • 5. 
    Het Agentschap kan besluiten dat de producent of importeur van voorwerpen wordt verplicht voor elke in die voorwerpen opgenomen stof een registratie overeenkomstig deze titel in te dienen indien aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:
  • a) 
    de stof is in hoeveelheden van in totaal meer dan 1 ton per jaar per producent of importeur in die voorwerpen aanwezig;
  • b) 
    het Agentschap heeft redenen om te vermoeden dat:
  • i) 
    de stof vrijkomt uit de voorwerpen; en
  • ii) 
    het vrijkomen van de stof uit de voorwerpen een gevaar vormt voor de gezondheid van de mens of voor het milieu;
  • c) 
    de stof valt niet onder lid 1.

Bij de indiening van een registratie wordt de overeenkomstig titel IX vereiste vergoeding betaald.

  • 6. 
    De leden 1 tot en met 5 zijn niet van toepassing op stoffen die reeds voor dat gebruik zijn geregistreerd.
  • 7. 
    De leden 2, 3 en 4 zijn zes maanden na de identificatie van een stof overeenkomstig artikel 59, lid 1, van toepassing, vanaf 1 juni 2011.
  • 8. 
    Maatregelen ter uitvoering van de leden 1 tot en met 7, worden vastgesteld volgens de in artikel 133, lid 3, bedoelde procedure.

Artikel 8

Enige vertegenwoordiger van een buiten de Gemeenschap gevestigde fabrikant

  • 1. 
    Een buiten de Gemeenschap gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon die een stof als zodanig dan wel in preparaten of in voorwerpen vervaardigt, een preparaat formuleert of een voorwerp vervaardigt dat in de Gemeenschap wordt ingevoerd, kan met wederzijdse instemming een in de Gemeenschap gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon aan-wijzen om als zijn enige vertegenwoordiger de verplichtingen voor importeurs overeenkomstig deze titel te vervullen.
  • 2. 
    De vertegenwoordiger voldoet tevens aan alle andere verplichtingen voor importeurs overeenkomstig deze verordening. Hij moet daarom voldoende kennis hebben van de praktische hantering van stoffen en van de informatie over die stoffen en hij moet, onverminderd artikel 36, actuele informatie beschikbaar houden over de ingevoerde hoeveelheden en de afnemers aan wie stoffen zijn verkocht, alsmede over de verstrekking van de recentste versie van het veiligheidsinformatieblad bedoeld in artikel 31.
  • 3. 
    Indien overeenkomstig de leden 1 en 2, een vertegenwoordiger wordt aangewezen, stelt de buiten de Gemeenschap gevestigde fabrikant de importeurs in dezelfde toeleveringsketen daarvan op de hoogte. Deze importeurs worden voor de toepassing van deze verordening als downstreamgebruikers beschouwd.

Artikel 9

Vrijstelling van de algemene registratieplicht voor onderzoek en ontwikkeling gericht op producten en procedes

  • 1. 
    De artikelen 5, 6, 7, 17, 18 en 21 zijn gedurende vijf jaar niet van toepassing op stoffen die in de Gemeenschap worden vervaardigd of ingevoerd in een hoeveelheid die beperkt is tot de doeleinden van op producten en procedes gericht(e) onderzoek en ontwikkeling die door een fabrikant of importeur of producent van voorwerpen zelf of in samenwerking met vermelde afnemers worden verricht.
  • 2. 
    Voor de toepassing van lid 1 stelt de fabrikant of importeur of producent van voorwerpen het Agentschap op de hoogte van de volgende informatie:
  • a) 
    de identiteit van de fabrikant of importeur of producent van voorwerpen overeenkomstig punt 1 van bijlage VI;
  • b) 
    de identiteit van de stof overeenkomstig punt 2 van bijlage VI;
  • c) 
    de eventuele indeling van de stof overeenkomstig punt 4 van bijlage VI;
  • d) 
    de geschatte hoeveelheid overeenkomstig punt 3.1 van bijlage VI;
  • e) 
    de in lid 1 bedoelde lijst van vermelde afnemers, met inbegrip van hun namen en adressen.

Bij het op de hoogte stellen wordt de overeenkomstig titel IX vereiste vergoeding betaald.

De in lid 1 vermelde termijn gaat in op het moment waarop het Agentschap op de hoogte wordt gesteld.

  • 3. 
    Het Agentschap controleert de informatie waarvan het op de hoogte is gesteld op volledigheid, en artikel 20, lid 2, is van overeenkomstige toepassing. Het Agentschap kent een nummer toe aan de informatie waarvan het op de hoogte is gesteld , stelt de datum vast waarop het op de hoogte is gesteld, die overeenkomt met de datum waarop de informatie bij het Agentschap is ontvangen, en deelt dat nummer en die datum terstond aan de betrokken fabrikant of importeur of producent van voorwerpen mee. Het Agentschap deelt deze informatie tevens mee aan de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat (lidstaten).
  • 4. 
    Het Agentschap kan voorwaarden stellen om te waarborgen dat de stof, of het preparaat of voorwerp waarin de stof wordt opgenomen, uitsluitend door personeel van de in lid 2, onder e), bedoelde vermelde afnemers onder redelijkerwijs gecontroleerde omstandig-heden, overeenkomstig de wettelijke voorschriften inzake de bescherming van werknemers en het milieu, wordt behandeld en op geen enkel moment, als zodanig of in een preparaat of voorwerp, aan het publiek ter beschikking wordt gesteld en dat resterende hoeveelheden na de vrijstellingsperiode weer worden verzameld voor verwijdering.

In die gevallen kan het Agentschap degene die het Agentschap op de hoogte heeft gesteld om de noodzakelijke aanvullende informatie verzoeken.

  • 5. 
    Tenzij anders wordt bepaald, mag de fabrikant of importeur of de producent of importeur van voorwerpen de stof niet eerder vervaardigen of invoeren of de artikelen niet eerder produceren of invoeren dan twee weken nadat hij het Agentschap op de hoogte heeft gesteld.
  • 6. 
    De fabrikant of importeur of producent van voorwerpen moet voldoen aan de eventueel door het Agentschap overeenkomstig lid 4 gestelde voorwaarden.
  • 7. 
    Wanneer daartoe een verzoek wordt ingediend, kan het Agentschap besluiten de vrijstellingsperiode van vijf jaar met maximaal vijf jaar, of in het geval van stoffen die uitsluitend worden gebruikt bij de ontwikkeling van geneesmiddelen voor menselijk of diergeneeskundig gebruik, of in het geval van stoffen die niet op de markt worden gebracht, met maximaal tien jaar, te verlengen indien de fabrikant of importeur of producent van voorwerpen kan aantonen dat die verlenging door het programma voor onderzoek en ontwikkeling wordt gerechtvaardigd.
  • 8. 
    Het Agentschap deelt zijn ontwerpbesluiten terstond mee aan de bevoegde instanties van elke lidstaat waar vervaardiging, invoer, productie of onderzoek gericht op productie en proces plaatsvindt.

Bij zijn besluiten als bedoeld in de leden 4 en 7 houdt het Agentschap rekening met eventuele opmerkingen van die bevoegde instanties.

  • 9. 
    Het Agentschap en de bevoegde instanties van de desbetreffende lidstaten zorgen ervoor dat de overeenkomstig de leden 1 tot en met 8 ingediende informatie steeds vertrouwelijk blijft.
  • 10. 
    Tegen de besluiten van het Agentschap overeenkomstig de leden 4 en 7 van dit artikel kan overeenkomstig de artikelen 91, 92 en 93, beroep worden ingesteld.

Artikel 10

Voor registratie in te dienen informatie

Voor registratie als vereist bij artikel 6 of artikel 7, lid 1 of 5, moet de volgende informatie worden ingediend:

  • a) 
    een technisch dossier dat het volgende omvat:
  • i) 
    de identiteit van de fabrikant(en) of importeur(s) overeenkomstig punt 1 van bijlage VI;
  • ii) 
    de identiteit van de stof overeenkomstig punt 2 van bijlage VI;
  • iii) 
    informatie over de vervaardiging en het gebruik van de stof overeenkomstig punt 3 van bijlage VI; deze informatie betreft elk gei'dentificeerd gebruik van de registrant. Indien de registrant zulks passend acht, kan deze informatie ook betrekking hebben op de relevante gebruiks- en blootstellingscategorieen;
  • iv) 
    de indeling en etikettering van de stof overeenkomstig punt 4 van bijlage VI;
  • v) 
    richtsnoeren voor een veilig gebruik van de stof overeenkomstig punt 5 van bijlage VI;
  • vi) 
    onderzoekssamenvattingen van de informatie die voortvloeit uit de toepassing van de bijlagen VII tot en met XI;
  • vii) 
    uitgebreide onderzoekssamenvattingen van de informatie die voortvloeit uit de toepassing van de bijlagen VII tot en met XI, indien vereist overeenkomstig bijlage I;
  • viii) 
    gegevens waaruit blijkt welke van de overeenkomstig de punten iii), iv), vi) of vii), of onder b), ingediende informatie is beoordeeld door een door de fabrikant of importeur gekozen beoordelaar die over de noodzakelijke ervaring beschikt;
  • ix) 
    de in de lijsten van bijlagen IX en X opgenomen testvoorstellen;
  • x) 
    voor stoffen in hoeveelheden van 1 tot 10 ton, blootstellingsinformatie overeen-komstig punt 6 van bijlage VI;
  • xi) 
    een verzoek betreffende bepaalde in artikel 119, lid 2, bedoelde informatie die volgens de fabrikant of importeur niet op het internet openbaar mag worden gemaakt overeenkomstig artikel 77, lid 2, onder e), met inbegrip van een verantwoording waarom openbaarmaking schadelijk zou kunnen zijn voor zijn belangen of die van enige andere betrokken partij.

Behoudens de gevallen bedoeld in artikel 25, lid 3, artikel 27, lid 6 en artikel 30, lid 3, is de registrant in het rechtmatige bezit van, of heeft hij toestemming om voor de registratie te verwijzen naar, het krachtens de punten vi) en vii) samengevatte volledige onderzoeks-verslag;

  • b) 
    een chemisch veiligheidsrapport wanneer dat krachtens artikel 14 vereist is, volgens de indeling aangegeven in bijlage I. Indien de registrant zulks passend acht, kunnen de relevante paragrafen van dat rapport ook betrekking hebben op de relevante gebruiks- en blootstellingscategorieen.

Artikel 11

Gezamenlijke indiening van gegevens door meerdere registranten

1.

Wanneer een stof in de Gemeenschap door twee of meer fabrikanten zal worden vervaardigd en/of door twee of meer importeurs zal worden ingevoerd en/of registratieplichtig is in de zin van artikel 7, is het volgende van toepassing.

Behoudens lid 3, wordt de in artikel 10, onder a), punten iv), vi), vii) en ix), en in artikel 10, onder a), punt viii), vermelde informatie in eerste instantie ingediend door een registrant, die met de goedkeuring van de andere instemmende registrant(en) optreedt ("de hoofdregistrant").

Elke registrant dient daarna afzonderlijk de in artikel 10, onder a), punten i), ii), iii) en x), vermelde informatie in, alsmede een relevante opgave overeenkomstig artikel 10, onder a), punt viii).

De registranten kunnen zelf beslissen of zij de in artikel 10, onder a), punt v), en artikel 10, onder b), vermelde informatie en eventuele gegevens overeenkomstig artikel 10, onder a), punt viii), afzonderlijk indienen, dan wel een registrant deze informatie namens de anderen laten indienen.

Elke registrant hoeft enkel aan lid 1 te voldoen voor in artikel 10, onder a), punten iv), vi), vii) en ix), vermelde gegevens die vereist zijn voor de registratie binnen zijn hoeveelheids-klasse overeenkomstig artikel 12.

  • 3. 
    Een registrant kan de in artikel 10, onder a), punten iv), vi), vii) of ix), bedoelde informatie afzonderlijk indienen indien:
  • a) 
    het gezamenlijk indienen van deze informatie onevenredig duur zou uitvallen; of
  • b) 
    het gezamenlijk indienen zou leiden tot de vrijgave van informatie die hij als commercieel gevoelig beschouwt en er een grote kans bestaat dat deze vrijgave hem aanzienlijke commerciele schade berokkent; of
  • c) 
    hij met de hoofdregistrant van mening verschilt over de keuze van de informatie.

Indien de punten a), b) of c) van toepassing zijn, licht de registrant bij de indiening van het dossier toe waarom de kosten onevenredig zijn, waarom er een grote kans bestaat dat de vrijgave van informatie aanzienlijke commerciele schade berokkent dan wel de redenen voor het meningsverschil, naargelang het geval.

  • 4. 
    Bij de indiening van een registratie wordt de overeenkomstig titel IX vereiste vergoeding betaald.

Artikel 12

Hoeveelheidgebonden informatieverplichting

  • 1. 
    Het in artikel 10, onder a), bedoelde technisch dossier omvat krachtens de punten vi)

en vii) van die bepaling alle relevante en voor de registrant beschikbare fysisch-chemische, toxicologische en ecotoxicologische informatie, alsook ten minste het volgende:

  • a) 
    de in bijlage VII vermelde informatie voor niet geleidelijk gei'ntegreerde stoffen, en voor geleidelijk gei'ntegreerde stoffen die aan een of beide criteria van bijlage III voldoen en in hoeveelheden van 1 ton of meer per jaar per fabrikant of importeur worden vervaardigd of ingevoerd;
  • b) 
    de informatie over de fysisch-chemische eigenschappen die in bijlage VII, paragraaf 7, is opgenomen voor geleidelijk gei'ntegreerde stoffen die in hoeveelheden van 1 ton of meer per jaar per fabrikant of importeur worden vervaardigd of ingevoerd en niet aan een van de in bijlage III genoemde criteria voldoen;
  • c) 
    de in de bijlagen VII en VIII vermelde informatie voor stoffen die in hoeveelheden van 10 ton of meer per jaar per fabrikant of importeur worden vervaardigd of ingevoerd;
  • d) 
    de in de bijlagen VII en VIII vermelde informatie en testvoorstellen ten behoeve van de verstrekking van de in bijlage IX vermelde informatie voor stoffen die in hoeveelheden van 100 ton of meer per jaar per fabrikant of importeur worden vervaardigd of ingevoerd;
  • e) 
    de in de bijlagen VII en VIII vermelde informatie en voorstellen voor proeven ten behoeve van de verstrekking van de in de bijlagen IX en X vermelde informatie voor stoffen die in hoeveelheden van 1000 ton of meer per jaar per fabrikant of importeur worden vervaardigd of ingevoerd.
  • 2. 
    Zodra de hoeveelheid van een reeds geregistreerde stof per fabrikant of importeur de volgende drempelwaarde bereikt, informeert de fabrikant of importeur het Agentschap onverwijld omtrent de krachtens lid 1 vereiste aanvullende informatie die hij daartoe nodig heeft. Artikel 26, leden 3 tot en met 4, zijn, zo nodig in aangepaste vorm, van toepassing.
  • 3. 
    Dit artikel is, met de nodige aanpassingen, ook van toepassing op producenten van voorwerpen.

Artikel 13

Algemene voorschriften voor het verkrijgen van informatie over de intrinsieke eigenschappen van stoffen

  • 1. 
    Informatie over de intrinsieke eigenschappen van stoffen kan met andere middelen dan proeven worden verkregen, op voorwaarde dat voldaan wordt aan de voorwaarden in bijlage XI. In het bijzonder voor humane toxiciteit zal, indien mogelijk, informatie worden verzameld op andere wijzen dan via proeven met gewervelde dieren, maar via het gebruik van alternatieve methoden, zoals in-vitromethoden of kwalitatieve of kwantitatieve structuuractiviteitsrelaties of op grond van informatie over qua structuur verwante stoffen (groeperen of read across). Proeven overeenkomstig bijlage VIII, paragrafen 8.6 en 8.7, bijlage IX en bijlage X mogen achterwege worden gelaten wanneer zulks gerechtvaardigd wordt door informatie over blootstelling en uitgevoerde risicobeheersmaatregelen overeenkomstig bijlage XI, punt 3.
  • 2. 
    Deze methoden moeten regelmatig worden herzien en verbeterd om het aantal proeven op gewervelde dieren en het aantal betrokken dieren te verminderen. Indien nodig zal de Commissie na raadpleging van de belanghebbenden zo spoedig mogelijk een voorstel indienen tot wijziging van de volgens de in artikel 133, lid 4, bedoelde procedure aangenomen verordening van de Commissie betreffende testmethoden en, indien van toepassing, de bijlagen bij deze verordening om dierproeven te vervangen, in aantal te verminderen of te verfijnen. Wijzigingen op deze verordening van de Commissie worden vastgesteld volgens de in lid 3 beschreven procedure en wijzigingen op de bijlagen bij deze verordening worden vastgesteld volgens de in artikel 131 genoemde procedure.
  • 3. 
    Indien proeven op stoffen nodig zijn om informatie over de intrinsieke eigenschappen van stoffen te verkrijgen, worden die uitgevoerd overeenkomstig de testmethoden die zijn vastgesteld in een verordening van de Commissie of overeenkomstig andere international testmethoden die door de Commissie of het Agentschap als passend zijn erkend. De Commissie neemt deze verordening, bedoeld om de niet-essentiele onderdelen van deze verordening te wijzigen door deze aan te vullen, aan volgens de procedure, bedoeld in artikel 133, lid 4.

Informatie over de intrinsieke eigenschappen van stoffen kan overeenkomstig andere testmethoden worden verkregen, mits aan de voorwaarden van bijlage XI wordt voldaan.

  • 4. 
    Ecotoxicologische en toxicologische proeven worden uitgevoerd met inachtneming van de in Richtlijn 2004/10/EG vastgestelde beginselen van goede laboratoriumpraktijken of andere internationale door de Commissie of het Agentschap als gelijkwaardig erkende normen alsmede de bepalingen van Richtlijn 86/609/EEG, indien van toepassing.
  • 5. 
    Indien een stof reeds is geregistreerd, kan een nieuwe registrant verwijzen naar de eerder voor die stof ingediende onderzoekssamenvattingen of uitgebreide onderzoekssamen-vattingen, mits hij kan aantonen dat de stof die hij registreert dezelfde is als de eerder geregistreerde stof, ook wat de zuiverheidsgraad en de aard van de onzuiverheden betreft, en de eerdere registrant(en) toestemming heeft/hebben gegeven voor het verwijzen naar de volledig onderzoeksverslagen met het oog op de registratie.

Voor de verstrekking van de informatie van punt 2 van bijlage VI mag een nieuwe registrant echter niet naar dergelijke onderzoeken verwijzen.

Artikel 14

Chemisch veiligheidsrapport en verplichting om risicobeperkende maatregelen

toe te passen en aan te bevelen

  • 1. 
    Onverminderd artikel 4 van Richtlijn 98/24/EG moet voor elke volgens dit hoofdstuk registratieplichtige stof in hoeveelheden van 10 ton of meer per jaar per registrant een chemische veiligheidsbeoordeling worden uitgevoerd en een chemisch veiligheidsrapport worden opgesteld.

In het chemisch veiligheidsrapport wordt de chemische veiligheidsbeoordeling gedocumenteerd die overeenkomstig de leden 2 tot en met 7 en bijlage I wordt uitgevoerd voor hetzij elke stof als zodanig, hetzij elke stof in een preparaat, een voorwerp of groep stoffen.

  • 2. 
    De chemische veiligheidsbeoordeling overeenkomstig lid 1 is niet verplicht voor een stof die deel uitmaakt van een preparaat indien de concentratie van die stof in het preparaat lager is dan de laagste van de volgende waarden:
  • a) 
    de toepasselijke grenswaarden in de tabel van artikel 3, lid 3, van Richtlijn 1999/45/EG;
  • b) 
    de concentratiegrenzen van bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG;

c)

de concentratiegrenzen in deel B van bijlage II bij Richtlijn 1999/45/EG;

  • d) 
    de concentratiegrenzen in deel B van bijlage III bij Richtlijn 1999/45/EG;
  • e) 
    de concentratiegrenzen in een overeengekomen vermelding in de krachtens titel XI van deze verordening vastgestelde inventaris van indelingen en etiketteringen;
  • f) 
    0,1 gewichtsprocent (g/g) indien de stof aan de criteria in bijlage XIII van deze verordening voldoet.
  • 3. 
    De chemische veiligheidsbeoordeling van een stof omvat de volgende stappen:
  • a) 
    een beoordeling van het gevaar voor de gezondheid van de mens;
  • b) 
    een beoordeling van fysisch-chemische gevaarsaspecten;
  • c) 
    een beoordeling van het gevaar voor het milieu;
  • d) 
    een beoordeling van de mate waarin de stof persistent, bioaccumulerend en toxisch is (PBT) en een beoordeling van de mate waarin de stof zeer persistent en zeer bioaccumulerend is (zPzB).
  • 4. 
    Indien de registrant als gevolg van de uitvoering van de stappen a) tot en met d) van lid 3 de conclusie trekt dat de stof overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG aan de criteria voor indeling als gevaarlijk voldoet of als PBT of zPzB moet worden beschouwd, moet de chemische veiligheidsbeoordeling tevens de volgende aanvullende stappen omvatten:
  • a) 
    beoordeling van de blootstelling, inclusief de ontwikkeling van het (de)

blootstellingsscenario('s) (of, in voorkomend geval, de vaststelling van de betrokken gebruiks- en blootstellingscategorie) en schatting van de blootstelling;

  • b) 
    een risicokarakterisering.

De blootstellingsscenario's (in voorkomend geval, de gebruiks- en de blootstellings-categorieen), de beoordeling van de blootstelling en de risicokarakterisering moeten betrekking hebben op elk gei'dentificeerd gebruik van de registrant.

  • 5. 
    Het chemisch veiligheidsrapport hoeft geen betrekking te hebben op de risico's voor de gezondheid van de mens die voortvloeien uit het volgende eindgebruik:
  • a) 
    in met levensmiddelen in aanraking komende materialen die binnen het toepassings-gebied van Verordening (EG) nr. 1935/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 inzake materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen1 vallen;
  • b) 
    in cosmetische producten die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 76/768/EEG vallen.
  • 6. 
    De registrant stelt passende maatregelen vast om de bij de chemische veiligheidsbeoordeling geconstateerde risico's afdoende te beheersen en past die maatregelen toe en beveelt die aan, indien dat passend is, in de veiligheidsinformatiebladen die hij overeenkomstig artikel 31 verstrekt.
  • 7. 
    Registranten die een chemische veiligheidsbeoordeling moeten uitvoeren, zorgen ervoor dat hun chemische veiligheidsrapporten steeds beschikbaar en actueel zijn.

PB L 338 van 13.11.2004, blz. 4.

8.

Hoofdstuk 2

9.

Als geregistreerd beschouwde stoffen

Artikel 15

Stoffen in gewasbeschermingsmiddelen en biociden

  • 1. 
    Werkzame stoffen en co-formulanten die uitsluitend voor gebruik in gewasbeschermingsmiddelen worden vervaardigd of ingevoerd en hetzij in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG1, hetzij in Verordening (EEG) nr. 3 600/922, Verordening (EG) nr. 703/20013, Verordening (EG) nr. 1490/20024 of Beschikking 2003/565/EG5 zijn opgenomen, alsmede alle stoffen waarvoor een besluit van de Commissie inzake de volledigheid van het dossier overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 91/414/EEG is genomen, worden als geregistreerd beschouwd, en de registratie ervan wordt als volledig beschouwd, voor vervaardiging of invoer ten behoeve van het gebruik als gewasbeschermingsmiddel en worden bijgevolg geacht aan de voorschriften van de hoofdstukken 1en 5 van deze titel te voldoen.

Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/19/EG van de Commissie (PB L 44 van 15.2.2006, blz. 15). Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10).Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2266/2000 van de Commissie (PB L 259 van 13.10.2000, blz. 27).

Verordening (EG) nr. 703/2001 van de Commissie van 6 april 2001 houdende vaststelling van de in de tweede fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad te beoordelen werkzame stoffen van gewasbeschermingsmiddelen en houdende herziening van de lijst van voor die stoffen als rapporteur aangewezen lidstaten (PB L 98 van 7.4.2001, blz. 6).

Verordening (EG) nr. 1490/2002 van de Commissie van 14 augustus 2002 houdende bepalingen voor de uitvoering van de derde fase van het werkprogramma zoals bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (PB L 224 van 21.8.2002, blz. 23). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1744/2004 van de Commissie (PB L 311 van 8.10.2004, blz. 23).

Beschikking 2003/565/EG van de Commissie van 25 juli 2003 houdende verlenging van de in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad vastgestelde periode (PB L 192 van 31.7.2003, blz. 40).

  • 2. 
    Werkzame stoffen die uitsluitend voor gebruik in biociden worden vervaardigd of

ingevoerd en in bijlage I, IA of IB bij Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden1 of in Verordening (EG) nr. 2032/2003 van de Commissie van 4 november 2003 inzake de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG2 zijn opgenomen, worden tot de datum van het in de tweede alinea van artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG bedoelde besluit als geregistreerd beschouwd, en de registratie ervan wordt als volledig beschouwd, voor de vervaardiging of invoer ten behoeve van het gebruik in een biocide en worden bijgevolg geacht aan de voorschriften van de hoofdstukken 1 en 5 van deze titel te voldoen.

Artikel 16

Verplichtingen van de Commissie, het Agentschap en registranten van als geregistreerd beschouwde stoffen

  • 1. 
    De Commissie of het bevoegde communautaire orgaan stelt voor stoffen die worden beschouwd als geregistreerd overeenkomstig artikel 15 aan het Agentschap informatie beschikbaar die gelijkwaardig is aan de krachtens artikel 10 vereiste informatie. Het Agentschap neemt deze informatie of een verwijzing ernaar in zijn gegevensbestanden op, en stelt de bevoegde instanties daarvan op de hoogte voor 1 december 2008.
  • 2. 
    De artikelen 21, 22, 25, tot en met 28 zijn niet van toepassing op enigerlei gebruik van stoffen die worden beschouwd als geregistreerd overeenkomstig artikel 15.

PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003. PB L 307 van 24.11.2003, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1048/2005 (PB L 178 van 9.7.2005, blz. 1).

10.

Hoofdstuk 3

11.

Registratieplicht en informatie-eisen voor bepaalde soorten geisoleerde tussenproducten

Artikel 17

Registratie van locatiegebonden geisoleerde tussenproducten

1.

2.

Elke fabrikant die een locatiegebonden gei'soleerd tussenproduct in hoeveelheden van 1 ton of meer per jaar vervaardigt, dient voor dat tussenproduct een registratie bij het Agentschap in.

Voor de registratie van een locatiegebonden gei'soleerd tussenproduct wordt de volgende informatie ingediend, voor zover de fabrikant die informatie kan indienen zonder aanvullende proef:

  • a) 
    de identiteit van de fabrikant overeenkomstig punt 1 van bijlage VI;
  • b) 
    de identiteit van het tussenproduct overeenkomstig de punten 2.1 tot en met 2.3.4. van bijlage VI;
  • c) 
    de indeling van het tussenproduct overeenkomstig punt 4 van bijlage VI;
  • d) 
    alle beschikbare bestaande informatie over de fysisch-chemische eigenschappen, de gevolgen voor de gezondheid van de mens en de milieueigenschappen van het tussenproduct. Wanneer er een volledig onderzoeksverslag beschikbaar is, wordt er een onderzoekssamenvatting ingediend;
  • e) 
    een beknopte algemene beschrijving van het gebruik overeenkomstig punt 3.5 van bijlage VI;
  • f) 
    nadere gegevens over de toegepaste risicobeheersmaatregelen.

Behoudens in de gevallen genoemd in artikel 25, lid 3, artikel 27, lid 6 en artikel 30 is de registrant in het rechtmatige bezit van, of heeft hij toestemming om voor de registratie te verwijzen naar, het krachtens punt d) samengevatte volledige onderzoeksverslag.

Bij de registratie wordt de overeenkomstig titel IX vereiste vergoeding betaald.

  • 3. 
    Lid 2 is alleen op locatiegebonden gei'soleerde tussenproducten van toepassing indien de fabrikant bevestigt dat de stof uitsluitend onder strikt gecontroleerde voorwaarden wordt vervaardigd en gebruikt doordat hij tijdens zijn hele levenscyclus met technische middelen strikt wordt ingeperkt. Er worden controle- en proceduretechnieken gebruikt om emissies en eventuele daaruit voortvloeiende blootstelling tot een minimum te beperken.

Indien niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, bevat de registratie de in artikel 10 vermelde informatie.

Artikel 18

Registratie van vervoerde gei'soleerde tussenproducten

  • 1. 
    Elke fabrikant of importeur die een vervoerd geisoleerd tussenproduct in hoeveelheden van 1 ton of meer per jaar vervaardigt of invoert, dient voor dat tussenproduct een registratie bij het Agentschap in.

Voor de registratie van een vervoerd gei'soleerd tussenproduct wordt de volgende informatie ingediend:

2.

  • a) 
    de identiteit van de fabrikant of importeur overeenkomstig punt 1 van bijlage VI;
  • b) 
    de identiteit van het tussenproduct overeenkomstig de punten 2.1 tot en met 2.3.4. van bijlage VI;
  • c) 
    de indeling van het tussenproduct overeenkomstig punt 4 van bijlage VI;
  • d) 
    alle beschikbare bestaande informatie over de fysisch-chemische eigenschappen, de gevolgen voor de gezondheid van de mens en de milieueigenschappen van het tussenproduct. Wanneer er een volledig onderzoeksverslag beschikbaar is, wordt er een onderzoekssamenvatting ingediend;
  • e) 
    een beknopte algemene beschrijving van het gebruik overeenkomstig punt 3.5 van bijlage VI;
  • f) 
    informatie over de overeenkomstig lid 4 toegepaste en aan de gebruiker aanbevolen risicobeheersmaatregelen.

Behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 25, lid 3, artikel 27, lid 6, of artikel 30, lid 3, is de registrant in het rechtmatige bezit van, of heeft hij toestemming om voor de registratie te verwijzen naar, het krachtens punt d) samengevatte volledige onderzoeksverslag.

Bij de registratie wordt de overeenkomstig titel IX vereiste vergoeding betaald.

Voor de registratie van een vervoerd gei'soleerd tussenproduct in hoeveelheden van meer dan 1000 ton per jaar per fabrikant of importeur, moet naast de overeenkomstig lid 2 vereiste informatie de in bijlage VII vermelde informatie worden ingediend.

Artikel 13 is van toepassing op het verkrijgen van deze informatie.

  • 4. 
    De leden 2 en 3 zijn alleen op vervoerde gei'soleerde tussenproducten van toepassing indien de fabrikant of de importeur zelf bevestigt of verklaart dat de gebruiker heeft bevestigd dat een of meer andere stoffen uit dat tussenproduct op andere locaties worden gesynthetiseerd onder de volgende strikt gecontroleerde voorwaarden:
  • a) 
    de stof wordt tijdens zijn hele levenscyclus, met inbegrip van vervaardiging, zuivering, reiniging en onderhoud van apparatuur, bemonstering, analyse, laden en lossen van apparatuur of vaten, verwijdering of zuivering van afval, en opslag, met technische middelen strikt ingeperkt;
  • b) 
    er worden procedure- en controletechnieken gebruikt om emissies en de eventuele daaruit voortvloeiende blootstelling tot een minimum te beperken;
  • c) 
    de stof wordt uitsluitend behandeld door naar behoren opgeleid en bevoegd personeel;
  • d) 
    bij reinigings- en onderhoudswerkzaamheden worden speciale procedures als ontluchten en spoelen gebruikt alvorens het systeem wordt geopend en binnen-gegaan;
  • e) 
    bij ongevallen en wanneer afval ontstaat worden procedure- en/of controletechnieken gebruikt om de emissies en de daaruit voortvloeiende blootstelling bij zuiverings- of reinigings- en onderhoudsprocedures tot een minimum te beperken;
  • f) 
    de procedures voor de hantering van de stoffen worden naar behoren gedocumen-teerd en staan onder strikt toezicht van de exploitant van de locatie.

Indien niet aan de voorwaarden van de eerste alinea wordt voldaan, bevat de registratie de in artikel 10 vermelde informatie.

Artikel 19

Gezamenlijke indiening van gegevens over geisoleerde tussenproducten door meerdere registranten

  • 1. 
    Wanneer een locatiegebonden gei'soleerd tussenproduct of een vervoerd gei'soleerd tussen-product in de Gemeenschap door een of meer fabrikanten zal worden vervaardigd en/of door een of meer importeurs zal worden ingevoerd, geldt het volgende.

Behoudens lid 2 wordt de in artikel 17, lid 2, onder c) en d), en in artikel 18, lid 2, onder c) en d), vermelde informatie eerst ingediend door een fabrikant of importeur, die met de goedkeuring van de andere instemmende fabrikant(en) of importeur(s) optreedt ("de hoofd-registrant").

Elke registrant dient daarna afzonderlijk de in artikel 17, lid 2, onder a), b), e) en f), en artikel 18, lid 2, onder a), b), e) en f), vermelde informatie in.

  • 2. 
    Een fabrikant of importeur kan de in artikel 17, lid 2, onder c) of d), en in artikel 18, lid 2, onder c) of d), bedoelde informatie afzonderlijk indienen indien:
  • a) 
    de gezamenlijke indiening daarvan onevenredig duur zou uitvallen; of
  • b) 
    de gezamenlijke indiening zou leiden tot de vrijgave van informatie die hij als commercieel gevoelig beschouwt en er een grote kans bestaat dat deze vrijgave hem aanzienlijke commerciele schade berokkent; of
  • c) 
    hij met de hoofdregistrant van mening verschilt over de keuze van de informatie.

Indien de punten a), b) of c) van toepassing zijn, licht de fabrikant of importeur bij de indiening van het dossier toe waarom de kosten onevenredig zijn, waarom er een grote kans bestaat dat de vrijgave van informatie aanzienlijke commerciele schade berokkent dan wel de redenen voor het meningsverschil, naargelang het geval.

  • 3. 
    Bij de indiening van een registratie wordt de overeenkomstig titel IX vereiste vergoeding betaald.

12.

Hoofdstuk 4

13.

Gemeenschappelijke bepalingen voor alle registraties

Artikel 20

Verplichtingen van het Agentschap

  • 1. 
    Het Agentschap kent aan elke registratie een indieningsnummer toe dat in alle correspondentie over de registratie wordt vermeld totdat de registratie als volledig wordt beschouwd, en stelt een indieningsdatum vast, die overeenkomt met de datum waarop het Agentschap de registratie ontvangt.
  • 2. 
    Het Agentschap controleert elke registratie op volledigheid, om zich ervan te vergewissen dat alle ingevolge de artikelen 10 en 12 dan wel artikel 17 of 18 vereiste elementen, alsmede de in artikel 6, lid 4, artikel 7, lid 1 of 5, artikel 17, lid 2, of artikel 18, lid 2, bedoelde registratievergoeding, zijn verstrekt. De controle op volledigheid omvat geen beoordeling van de kwaliteit of de geschiktheid van de ingediende gegevens of motiveringen.

Het Agentschap voert de controle op volledigheid uit binnen drie weken na de indienings-datum, of binnen drie maanden na de toepasselijke uiterste termijn van artikel 23 voor registraties van geleidelijk gei'ntegreerde stoffen die worden ingediend in de periode van twee maanden die onmiddellijk aan die termijn voorafgaat.

Indien een registratie onvolledig is, deelt het Agentschap de registrant voor het verstrijken van de in de tweede alinea bedoelde termijn van drie weken of drie maanden mee welke nadere informatie vereist is om de registratie aan te vullen, waarbij een redelijke uiterste termijn wordt vermeld. De registrant past zijn registratie aan en dient deze binnen de gestelde termijn bij het Agentschap in. Het Agentschap stuurt de registrant een bevestiging van de datum van indiening van de nadere informatie. Het Agentschap voert opnieuw een controle op volledigheid uit, waarbij de ingediende nadere informatie in aanmerking wordt genomen.

Het Agentschap wijst de registratie af indien de registrant zijn registratie niet binnen de gestelde termijn aanvult. De registratievergoeding wordt in dergelijke gevallen niet terugbetaald.

  • 3. 
    Zodra de registratie volledig is, kent het Agentschap aan de betrokken stof een registratie-nummer en een registratiedatum toe, die overeenkomt met de datum van indiening. Het Agentschap deelt de betrokken registrant onverwijld het registratienummer en de registratiedatum mede. Het registratienummer dient te worden vermeld in alle verdere correspondentie over de registratie.
  • 4. 
    Het Agentschap deelt de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat binnen 30 dagen na de indieningsdatum mede dat in de databank van het Agentschap de volgende informatie beschikbaar is:
  • a) 
    het registratiedossier samen met het indienings- of registratienummer,
  • b) 
    de indienings- of registratiedatum,
  • c) 
    het resultaat van de controle op volledigheid en
  • d) 
    het eventuele verzoek om nadere informatie en de gestelde termijn overeenkomstig de derde alinea van lid 2.

De betrokken lidstaat is de lidstaat waar de vervaardiging plaatsvindt of waar de importeur is gevestigd.

Indien de fabrikant productielocaties in meer dan een lidstaat heeft, is de betrokken lidstaat de staat waar de statutaire zetel van de fabrikant gevestigd is. Ook de andere lidstaten waar de productielocaties gevestigd zijn, worden gei'nformeerd.

Het Agentschap deelt terstond aan de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat/lidstaten mede wanneer eventuele nadere door de registrant ingediende informatie, in de databank van het Agentschap beschikbaar is.

  • 5. 
    Tegen de besluiten van het Agentschap overeenkomstig lid 2 van dit artikel kan overeen-komstig de artikelen 91, 92 en 93 beroep worden ingesteld.
  • 6. 
    Wanneer door een nieuwe registrant bij het Agentschap aanvullende informatie voor een bepaalde stof wordt ingediend, deelt het Agentschap de bestaande registranten mede dat deze informatie voor de toepassing van artikel 22 in de databank beschikbaar is.

Artikel 21

Vervaardiging en invoer van stoffen

  • 1. 
    Onverminderd artikel 27, lid 8, mag een registrant met de vervaardiging of invoer van een stof of voorwerp aanvangen of doorgaan, tenzij het Agentschap overeenkomstig artikel 20, lid 2, binnen drie weken na de datum van indiening anders bepaalt.

In het geval van registraties van geleidelijk gei'ntegreerde stoffen mag deze registrant, onverminderd artikel 27, lid 8, de stof of het voorwerp blijven vervaardigen of invoeren, tenzij het Agentschap overeenkomstig artikel 20, lid 2, anders bepaalt binnen drie weken na de datum van indiening, of, indien de registratie wordt ingediend in de periode van twee maanden voor de toepasselijke uiterste termijn van artikel 23, tenzij het Agentschap overeenkomstig artikel 20, lid 2, anders bepaalt binnen drie maanden vanaf die uiterste termijn, onverminderd artikel 27, lid 8.

In het geval van een aanpassing van een registratie overeenkomstig artikel 22 mag de registrant, onverminderd artikel 27, lid 8, de stof blijven vervaardigen of invoeren of het voorwerp blijven produceren of invoeren, tenzij het Agentschap overeenkomstig artikel 20, lid 2, binnen drie weken na de datum van de aanpassing anders bepaalt.

  • 2. 
    Indien het Agentschap een registrant heeft meegedeeld dat hij overeenkomstig de derde alinea van artikel 20, lid 2, nadere informatie moet indienen, mag deze registrant, onverminderd artikel 27, lid 8, de vervaardiging of invoer van een stof of een voorwerp aanvangen, tenzij het Agentschap binnen drie weken na ontvangst van de nadere informatie die vereist is om de registratie aan te vullen, anders bepaalt.
  • 3. 
    Indien een hoofdregistrant namens een of meerdere andere registranten overeenkomstig artikel 11 of 19 delen van de registratie indient, mag elk van die andere registranten de stof pas vervaardigen of invoeren of de voorwerpen pas produceren of invoeren nadat de in

lid 1 of 2 van dit artikel bedoelde termijn is verstreken, en op voorwaarde dat het Agentschap met betrekking tot de registratie van de hoofdregistrant die namens de anderen en zijn eigen registratie optreedt, niet anders bepaalt.

Artikel 22

Nadere verplichtingen van registranten

  • 1. 
    Na de registratie moet de registrant op eigen initiatief, zonder onnodige vertraging, zijn registratie aanpassen door relevante nieuwe informatie toe te voegen, en moet hij deze bij het Agentschap indienen bij:
  • a) 
    elke wijziging van zijn status, zoals fabrikant, importeur of producent van voorwerpen, of van zijn identiteit, zoals zijn naam of adres;
  • b) 
    elke wijziging van de samenstelling van de stof als bedoeld in punt 2 van bijlage VI;
  • c) 
    veranderingen in de jaarlijks of in totaal door hem vervaardigde of ingevoerde hoeveelheden of in de hoeveelheden van stoffen die aanwezig zijn in door hem geproduceerde of ingevoerde voorwerpen, indien deze een verandering van hoeveelheidsklasse tot gevolg hebben, met inbegrip van beeindiging van vervaardiging of invoer;
  • d) 
    elk nieuw gei'dentificeerd gebruik en elk overeenkomstig punt 3.7 van bijlage VI ontraden nieuw gebruik waarvoor de stof wordt vervaardigd of ingevoerd;
  • e) 
    nieuwe kennis over de risico's van de stof voor de gezondheid van de mens en/of het milieu die hij redelijkerwijs verwacht mag worden te kennen en die leidt tot veranderingen in het veiligheidsinformatieblad of het chemisch veiligheidsrapport;
  • f) 
    elke wijziging in de indeling en etikettering van de stof;
  • g) 
    elke aanpassing of wijziging van het chemische veiligheidsrapport of van deel 5 van bijlage VI;
  • h) 
    elke door de registrant vastgestelde noodzaak om een van de in bijlage IX of X vermelde proeven uit te voeren, in welk geval er een testvoorstel zal worden uitgewerkt;
  • i) 
    elke verandering in de bij de registratie verleende toegang tot informatie.

Het Agentschap deelt deze informatie mee aan de bevoegde instantie van de betrokken

lidstaat.

  • 2. 
    De registrant dient bij het Agentschap een bijgewerkte versie van de registratie in met de informatie die is vereist krachtens het overeenkomstig artikel 40, 41 of 46 genomen besluit, of houdt rekening met een overeenkomstig de artikelen 60 en 73 genomen besluit met inachtneming van de in dat besluit vastgestelde termijn. Het Agentschap deelt aan de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat mede dat de informatie in zijn databank beschikbaar is.
  • 3. 
    Het Agentschap controleert overeenkomstig artikel 20, lid 2, eerste en tweede alinea, elke bijgewerkte registratie op volledigheid. In gevallen waarin de aanpassing in overeen-stemming is met artikel 12, lid 2, en lid 1, onder c), van dit artikel controleert het Agentschap de door de registrant verstrekte informatie op volledigheid, en is artikel 20, lid 2, mutatis mutandis van toepassing.
  • 4. 
    In de gevallen waarop artikel 11 of 19 betrekking heeft, wordt de in lid 1, onder c), van dit artikel vermelde informatie door elke registrant afzonderlijk ingediend.
  • 5. 
    Tegelijk met de indiening van bijgewerkte versie van de registratie wordt het overeenkomstige gedeelte van de overeenkomstig titel IX vereiste vergoeding betaald.

14.

Hoofdstuk 5

15.

Overgangsbepalingen van toepassing op geleidelijk geintegreerde stoffen en aangemelde stoffen

Artikel 23

Specifieke bepalingen voor geleidelijk geintegreerde stoffen

1.

Artikel 5, artikel 6, artikel 7, lid 1, artikel 17, artikel 18 en artikel 21 zijn tot 1 december

2010 niet van toepassing op de volgende stoffen:

  • a) 
    geleidelijk geintegreerde stoffen die overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting, categorie 1 of 2, zijn ingedeeld en na 1 juni 2007 ten minste eenmaal in hoeveelheden van 1 ton of meer per jaar per fabrikant of per importeur, in de Gemeenschap zijn vervaardigd of ingevoerd;
  • b) 
    geleidelijk geintegreerde stoffen die overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG als zeer toxisch voor waterorganismen zijn ingedeeld en op lange termijn schadelijke effecten op het aquatisch milieu kunnen hebben (R50/53), en na 1 juni 2007 ten minste eenmaal in hoeveelheden van 100 ton of meer per jaar per fabrikant of per importeur, in de Gemeenschap zijn vervaardigd of ingevoerd;
  • c) 
    geleidelijk geintegreerde stoffen die na 1 juni 2007 ten minste eenmaal in hoeveelheden van 1000 ton of meer per jaar per fabrikant of per importeur, in de Gemeenschap zijn vervaardigd of ingevoerd.
  • 2. 
    Artikel 5, artikel 6, artikel 7, lid 1, artikel 17, artikel 18 en artikel 21 zijn tot 1 juni 2013 niet van toepassing op geleidelijk gei'ntegreerde stoffen die na 1 juni 2007 ten minste eenmaal in hoeveelheden van 100 ton of meer per jaar per fabrikant of per importeur, in de Gemeenschap zijn vervaardigd of ingevoerd.
  • 3. 
    Artikel 5, artikel 6, artikel 7, lid 1, artikel 17, artikel 18 en artikel 21 zijn tot 1 juni 2018 niet van toepassing op geleidelijk gei'ntegreerde stoffen die na 1 juni 2007 ten minste eenmaal in hoeveelheden van 1 ton of meer per jaar per fabrikant of per importeur, in de Gemeenschap zijn vervaardigd of ingevoerd.
  • 4. 
    Onverminderd de leden 1, 2 en 3 kan een registratie op elk moment voor de toepasselijke uiterste termijn worden ingediend.
  • 5. 
    Dit artikel is ook van toepassing op stoffen die zijn geregistreerd volgens artikel 7, met de nodige aanpassingen.

Artikel 24 Aangemelde stoffen

  • 1. 
    Een kennisgeving overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG wordt in deze titel als een registratie beschouwd en het Agentschap kent uiterlijk op 1 december 2008 een registratienummer toe.
  • 2. 
    Indien de per fabrikant of importeur vervaardigde of ingevoerde hoeveelheid van een aangemelde stof de volgende, in artikel 12 vermelde drempelwaarde bereikt, worden de voor die drempelwaarde vereiste aanvullende informatie, alsook alle voor de lagere drempel-waarden vereiste informatie, overeenkomstig de artikelen 10 en 12 ingediend, tenzij die informatie reeds overeenkomstig die artikelen is ingediend.

TITEL III

GEZAMENLIJK GEBRUIK VAN GEGEVENS EN VOORKOMING VAN ONNODIGE PROEVEN

16.

Hoofdstuk 1

17.

Doelstellingen en algemene regels

Artikel 25

Doelstellingen en algemene regels

  • 1. 
    Om dierproeven te voorkomen worden voor de toepassing van deze verordening slechts in laatste instantie proeven op gewervelde dieren uitgevoerd. Tevens moeten maatregelen worden genomen om te voorkomen dat andere proeven meerdere malen worden uitgevoerd.
  • 2. 
    Het gezamenlijk gebruiken en indienen van informatie overeenkomstig deze verordening betreft technische gegevens en in het bijzonder informatie over de intrinsieke eigen-schappen van stoffen. Over hun marktgedrag, in het bijzonder over productiecapaciteiten, geproduceerde of omgezette hoeveelheden, ingevoerde hoeveelheden of marktaandelen, wisselen de registranten geen informatie uit.
  • 3. 
    Onderzoekssamenvattingen of uitgebreide onderzoekssamenvattingen die ten minste twaalf jaar eerder voor een registratie overeenkomstig deze verordening zijn ingediend, kunnen ook door een andere fabrikant of importeur ten behoeve van registratie worden gebruikt.

18.

Hoofdstuk 2

19.

Voorschriften voor niet-geleidelijk geintegreerde stoffen en voor registranten van geleidelijk geintegreerde stoffen die geen preregistratie hebben verricht

Artikel 26

Verplichting om voorafgaand aan de registratie informatie in te winnen

  • 1. 
    Elke potentiele registrant van een niet-geleidelijk geintegreerde stof of de potentiele registrant van een geleidelijk geintegreerde stof die geen preregistratie heeft verricht overeenkomstig artikel 28, wint bij het Agentschap informatie in over de vraag of voor de stof reeds een registratie is ingediend. Bij dit verzoek om informatie verstrekt hij het Agentschap de volgende informatie:
  • a) 
    zijn identiteit overeenkomstig punt 1 van bijlage VI, met uitzondering van de gebruikslocaties;
  • b) 
    de identiteit van de stof overeenkomstig punt 2 van bijlage VI;
  • c) 
    voor welke informatie-eisen hij nieuwe onderzoeken met gewervelde dieren moet uitvoeren;
  • d) 
    voor welke informatie-eisen hij andere nieuwe onderzoeken moet uitvoeren.
  • 2. 
    Indien de stof niet eerder is geregistreerd, stelt het Agentschap de potentiele registrant daarvan op de hoogte.
  • 3. 
    Indien de stof minder dan twaalf jaar eerder is geregistreerd, deelt het Agentschap de potentiele registrant onverwijld de namen en adressen van de eerdere registranten mee en stelt het hem op de hoogte van de eventueel reeds door hen ingediende relevante onder-zoekssamenvattingen of uitgebreide onderzoekssamenvattingen.

Deze onderzoeken met gewervelde dieren worden niet herhaald.

Het Agentschap deelt de eerdere registranten tegelijkertijd de naam en het adres van de potentiele registrant mee. De beschikbare onderzoeken worden overeenkomstig artikel 27 aan de potentiele registrant ter beschikking gesteld.

  • 4. 
    Indien meerdere potentiele registranten informatie voor dezelfde stof hebben ingewonnen, deelt het Agentschap alle potentiele registranten onverwijld de naam en het adres van de andere potentiele registranten mee.

Artikel 27

Gezamenlijk gebruik van bestaande gegevens in het geval van geregistreerde stoffen

  • 1. 
    Indien een stof minder dan twaalf jaar eerder is geregistreerd, als bedoeld in artikel 26, lid 3,
  • a) 
    verzoekt de potentiele registrant de eerdere registrant(en), wanneer het gaat om informatie die betrekking heeft op proeven met gewervelde dieren, en
  • b) 
    kan de potentiele registrant de eerdere registrant(en) verzoeken, wanneer het gaat om informatie die geen betrekking heeft op proeven met gewervelde dieren,

om de informatie die hij overeenkomstig artikel 10, onder a), punten vi) en vii), voor de registratie nodig heeft.

  • 2. 
    Wanneer overeenkomstig lid 1 een verzoek om informatie is gedaan, stellen de potentiele registrant en de eerdere registrant(en), als bedoeld in lid 1, alles in het werk om overeen te komen dat de door de potentiele registrant overeenkomstig artikel 10, onder a), punten vi) en vii), verlangde informatie wordt gedeeld. In plaats van overeenstemming kan deze aangelegenheid ook aan een arbitragecollege worden voorgelegd, waarbij de uitkomst van de arbitrage wordt aanvaard.
  • 3. 
    De eerdere registrant en de potentiele registrant(en) stellen alles in het werk om ervoor te zorgen dat de kosten van het gezamenlijk gebruik van de informatie op een billijke, transparante en niet-discriminerende wijze worden vastgesteld. Hiertoe kunnen de richtsnoeren voor kostendeling op grond van bovengenoemde beginselen worden gevolgd die door het Agentschap worden vastgesteld overeenkomstig artikel 77, lid 2, onder g). Registranten dienen enkel te delen in de kosten van de informatie die zij moeten indienen om aan hun registratie-eisen te voldoen.
  • 4. 
    Zodra er overeenstemming is bereikt over het gezamenlijk gebruik van de informatie, stelt de eerdere registrant de overeengekomen informatie ter beschikking aan de nieuwe registrant en geeft hij de nieuwe registrant toestemming om naar het volledige studie-verslag te verwijzen.
  • 5. 
    Indien geen overeenstemming wordt bereikt, stelt de potentiele registrant het Agentschap en de eerdere registranten daarvan ten vroegste een maand nadat hij van het Agentschap de naam en het adres van de eerdere registranten heeft ontvangen op de hoogte.
  • 6. 
    Binnen een maand na de ontvangst van de in lid 5 bedoelde informatie verleent het Agentschap de potentiele registrant toestemming te verwijzen naar de door hem verlangde informatie in zijn registratiedossier, op voorwaarde dat de potentiele registrant, op verzoek van het Agentschap, aantoont dat hij de eerdere registrant(en) voor die informatie heeft betaald voor een deel van de gemaakte kosten. Eerdere registrant(en) kunnen een proportioneel deel van de door hen gemaakte kosten opeisen van de potentiele registrant. Berekening van het proportionele deel kan worden vergemakkelijkt door de richtsnoeren die door het Agentschap zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 77, lid 2, onder g). Eerdere registranten kunnen een gelijk deel van de door hen gemaakte kosten eisen van de potentiele registrant, mits zij laatstgenoemde het volledige onderzoeksverslag ter beschikking stellen; het betrokken bedrag is als vordering afdwingbaar voor de nationale rechter.
  • 7. 
    Tegen de besluiten van het Agentschap overeenkomstig lid 6 van dit artikel kan overeenkomstig de artikelen 91, 92 en 93 beroep worden ingesteld.
  • 8. 
    Voor de nieuwe registrant wordt de wachtperiode na een registratie overeenkomstig artikel 21, lid 1, met vier maanden verlengd indien de eerdere registranten daartoe een verzoek indienen.

20.

Hoofdstuk 3

21.

Regels voor geleidelijk geintegreerde stoffen

Artikel 28

Preregistratieplicht voor geleidelijk geintegreerde stoffen

  • 1. 
    Om gebruik te kunnen maken van de in artikel 23 beschreven overgangsregeling moet elke potentiele registrant van een geleidelijk geintegreerde stof in hoeveelheden van 1 ton of meer per jaar, met inbegrip van alle tussenproducten, de volgende informatie bij het Agentschap indienen:
  • a) 
    de naam van de stof overeenkomstig punt 2 van bijlage VI, met inbegrip van de EINECS- en CAS-nummers of, indien deze niet beschikbaar zijn, eventuele andere identiteitscodes;
  • b) 
    zijn naam en adres en de naam van de contactpersoon en, in voorkomend geval, de naam en het adres van de persoon die hem conform artikel 4 vertegenwoordigt overeenkomstig punt 1 van bijlage VI;
  • c) 
    de beoogde termijn voor de registratie en de hoeveelheidsklasse;
  • d) 
    de naam (namen) van de stof(fen) overeenkomstig punt 2 van bijlage VI, met inbegrip van de EINECS- en CAS-nummers, of, indien deze niet beschikbaar zijn, eventuele andere identiteitscodes, waarvoor de beschikbare informatie relevant is voor de toepassing van bijlage XI, punten 1.3 en 1.5.
  • 2. 
    De in lid 1 bedoelde informatie wordt ingediend binnen een tijdspanne die op 1 juni 2008 begint en op 1 december 2008 eindigt.
  • 3. 
    Registranten die de overeenkomstig lid 1 vereiste informatie niet indienen, kunnen zich niet op artikel 23 beroepen.

4    Het Agentschap publiceert uiterlijk op 1 januari 2009 op zijn website een lijst van de in

lid 1, onder a) en c bis), bedoelde stoffen. Die lijst bevat alleen de namen van de stoffen, met inbegrip van de EINECS- en CAS-nummers, voor zover die beschikbaar zijn, en andere identiteitscodes, alsook de eerste beoogde uiterste termijn voor registratie.

  • 5. 
    Na publicatie van de lijst kan een downstreamgebruiker van een stof die niet op de lijst staat, het Agentschap in kennis stellen van zijn belangstelling voor de stof, zijn contactgegevens en de gegevens van zijn huidige leverancier. Het Agentschap zal op zijn website dan de naam van de stof publiceren en, op verzoek, de contactgegevens van de downstreamgebruiker verstrekken aan een potentiele registrant.
  • 6. 
    Potentiele registranten die na 1 december 2008 voor het eerst een geleidelijk gei'ntegreerde stof in hoeveelheden van 1 ton of meer per jaar vervaardigen of invoeren of voor het eerst een geleidelijk gei'ntegreerde stof gebruiken in verband met de productie van voorwerpen of voor het eerst een voorwerp invoeren dat een registratieplichtige geleidelijk gei'ntegreerde stof bevat, mogen een beroep doen op artikel 23 mits zij de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie binnen zes maanden nadat zij de stof voor het eerst in hoeveelheden van 1 ton of meer per jaar vervaardigen, invoeren of gebruiken en uiterlijk twaalf maanden voor het verstrijken van de desbetreffende termijn van artikel 23 aan het Agentschap doen toekomen.
  • 7. 
    Fabrikanten of importeurs van geleidelijk gei'ntegreerde stoffen in hoeveelheden van minder dan 1 ton per jaar die voorkomen op de overeenkomstig lid 4 van dit artikel door het Agentschap gepubliceerde lijst, alsmede downstreamgebruikers van deze stoffen en derden die beschikken over informatie over deze stoffen, kunnen de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie of eventuele andere relevante informatie over deze stoffen aan het Agentschap verstrekken met de bedoeling deel te nemen aan het in artikel 29 vermelde informatie-uitwisselingsforum voor stoffen.

Artikel 29

Informatie-uitwisselingsforums voor stoffen

  • 1. 
    Alle potentiele registranten, downstreamgebruikers en derden die overeenkomstig artikel 28 informatie bij het Agentschap hebben ingediend of over wie het Agentschap informatie heeft voor dezelfde geleidelijk gei'ntegreerde stof overeenkomstig artikel 15, of registranten die voor de uiterste termijn bedoeld in artikel 23, lid 3, een registratie voor de geleidelijk gei'ntegreerde stof hebben aangevraagd, zijn deelnemer aan een informatie-uitwisselingsforum voor die stof (substance information exchange forum, SIEF).
  • 2. 
    Elk SIEF heeft tot doel:
  • a) 
    ten behoeve van de registratie de uitwisseling van de in artikel 10, onder a), punten vi) en vii), vermelde informatie tussen potentiele registranten te bevorderen en zodoende herhaling van onderzoek te voorkomen; en
  • b) 
    indeling en etikettering overeen te komen in gevallen waarin de stof door potentiele registranten op verschillende wijzen ingedeeld en geetiketteerd wordt.
  • 3. 
    De deelnemers aan een SIEF verstrekken bestaande onderzoeksverslagen aan de overige deelnemers, reageren op verzoeken van andere deelnemers om informatie, stellen gezamenlijk vast of er voor de doelstellingen van lid 2, onder a), behoefte is aan nadere onderzoeken en regelen de uitvoering van dergelijke onderzoeken. Elk SIEF is operationeel tot 1 juni 2018.

Artikel 30

Gezamenlijk gebruik van gegevens

  • 1. 
    Voordat proeven worden uitgevoerd om aan de informatie-eisen voor registratie te

voldoen, informeert een SIEF-deelnemer bij zijn SIEF of een relevant onderzoek reeds beschikbaar is. Indien binnen het SIEF een relevant onderzoek op basis van proeven op gewervelde dieren beschikbaar is, verzoekt een SIEF-deelnemer om het verslag van dat onderzoek. Indien binnen het SIEF een relevant onderzoek beschikbaar is waarbij geen proeven op gewervelde dieren zijn verricht, kan een SIEF-deelnemer om het verslag van dat onderzoek verzoeken.

Binnen een maand na het verzoek verstrekt de eigenaar van het onderzoek de deelnemers die een verzoek hebben ingediend een bewijs van de gemaakte kosten. De deelnemer(s) en de eigenaar stellen alles in het werk om ervoor te zorgen dat de kosten van het gezamenlijk gebruik van de informatie op een billijke, transparante en niet-discriminerende wijze worden vastgesteld. Hiervoor kunnen richtsnoeren voor kostendeling op grond van boven-genoemde beginselen worden gevolgd die worden vastgesteld overeenkomstig artikel 77, lid 2, onder g). Indien zij daarover geen overeenstemming bereiken, worden de kosten gelijkelijk gedeeld. De eigenaar geeft binnen twee weken na ontvangst van de betaling toestemming om voor de registratie naar het volledig onderzoeksverslag te verwijzen. Registranten dienen enkel te delen in de kosten van de informatie die zij moeten indienen om aan hun registratie-eisen te voldoen.

  • 2. 
    Indien een relevant op proeven gebaseerd onderzoek niet in het SIEF beschikbaar is, wordt er in elk SIEF slechts een onderzoek per informatie-eis uitgevoerd door een van zijn deel-nemers, die namens de anderen optreedt. Zij nemen alle redelijke stappen om binnen de door het Agentschap gestelde termijn overeen te komen wie namens de andere deelnemers de proef moet uitvoeren en bij het Agentschap een onderzoekssamenvatting of uitgebreide onderzoekssamenvatting moet indienen. Indien er geen overeenstemming wordt bereikt bepaalt het Agentschap welke registrant of downstreamgebruiker de proef moet uitvoeren. Alle deelnemers aan het SIEF die een onderzoek behoeven, dragen bij aan de kosten van het onderzoek naar rato van het aantal deelnemende potentiele registranten. Deelnemers die het onderzoek niet zelf uitvoeren, hebben er recht op het volledige onderzoeksverslag te ontvangen binnen twee weken na betaling aan de deelnemer die het onderzoek heeft uitgevoerd.
  • 3. 
    Indien de eigenaar van een onderzoek, als bedoeld in lid 1, op basis van proeven op gewervelde dieren, weigert een bewijs van de kosten van het onderzoek dan wel het onderzoeksverslag zelf te verstrekken aan een of meer andere deelnemers, kan hij zijn registratie niet verder afwikkelen totdat hij de informatie aan de andere deelnemer(s) verstrekt. De andere deelnemer(s) wikkelen de registratie verder af zonder aan de betrokken informatie-eis te voldoen, met vermelding van de reden hiervoor in het registratiedossier. Het onderzoek wordt niet herhaald, tenzij de eigenaar van die informatie dit niet aan hen heeft verstrekt binnen twaalf maanden na de datum van registratie van de andere deelnemer(s), en het Agentschap besluit dat de proef door hen moet worden herhaald. Indien een registratie met deze informatie echter al door een andere registrant is ingediend, geeft het Agentschap de andere deelnemer(s) de toestemming naar de informatie in diens registratiedossier(s) te verwijzen. De andere registrant kan een gelijk deel van de kosten eisen van de andere deelnemer(s), mits hij hen het volledige onder-zoeksverslag ter beschikking stelt; het betrokken bedrag kan voor de nationale rechter worden gevorderd.
  • 4. 
    Indien de eigenaar van een onderzoek, als bedoeld in lid 1, dat niet is gebaseerd op proeven op gewervelde dieren, weigert een bewijs van de kosten van het onderzoek dan wel het onderzoeksverslag zelf te verstrekken aan een of meer andere deelnemers, wikkelen de andere deelnemers van het SIEF de registratie verder af alsof er geen desbetreffend onderzoek in het SIEF beschikbaar is.
  • 5. 
    Tegen de besluiten van het Agentschap overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel kan overeenkomstig de artikelen 91, 92 en 93 beroep worden ingesteld.
  • 6. 
    Aan de eigenaar van het onderzoek die heeft geweigerd de kosten op te geven of het onderzoeksverslag te verstrekken, als bedoeld in lid 3 of lid 4, wordt een sanctie opgelegd overeenkomstig artikel 126.

TITELIV

INFORMATIE

IN DE TOELEVERINGSKETEN

Artikel 31

Voorschriften voor veiligheidsinformatiebladen

  • 1. 
    De leverancier van een stof of preparaat verstrekt de afnemer van de stof of het preparaat

een overeenkomstig bijlage II opgesteld veiligheidsinformatieblad:

  • a) 
    indien de stof of het preparaat voldoet aan de criteria voor indeling als gevaarlijk overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG of Richtlijn 1999/45/EG, of
  • b) 
    indien de stof persistent, bioaccumulerend en toxisch, dan wel zeer persistent en sterk bioaccumulerend is volgens de criteria van bijlage XIII, of
  • c) 
    indien de stof om andere dan de in de punten a) en b) genoemde redenen is opgenomen in de overeenkomstig artikel 59, lid 1, opgestelde lijst.
  • 2. 
    Elke actor in de toeleveringsketen die krachtens artikel 14 of 37 voor een stof een chemische veiligheidsbeoordeling moet uitvoeren, zorgt ervoor dat de informatie in het veiligheidsinformatieblad overeenkomt met de informatie in die beoordeling. Indien het veiligheidsinformatieblad voor een preparaat wordt opgesteld en de actor in de toeleveringsketen voor dat preparaat een chemische veiligheidsbeoordeling heeft uitgevoerd, volstaat het dat de informatie in het veiligheidsinformatieblad overeenkomt met het chemische veiligheidsrapport voor het preparaat in plaats van met het chemische veiligheidsrapport voor elke stof in het preparaat.
  • 3. 
    De leverancier verstrekt de afnemer op diens verzoek een overeenkomstig bijlage II opgesteld veiligheidsinformatieblad wanneer een preparaat overeenkomstig de artikelen 5, 6 en 7 van Richtlijn 1999/45/EG niet aan de criteria voor indeling als gevaarlijk voldoet, maar:
  • a) 
    in een afzonderlijke concentratie van > 1 gewichtsprocent voor niet-gasvormige preparaten en > 0,2 volumeprocent voor gasvormige preparaten ten minste een stof bevat met gevaarlijke effecten voor de gezondheid of het milieu, of
  • b) 
    in een afzonderlijke concentratie van > 1 gewichtsprocent voor niet-gasvormige preparaten ten minste een stof bevat die persistent, bioaccumulerend en toxisch, of zeer persistent en sterk bioaccumulerend is volgens de criteria van bijlage XIII, of om andere dan de in punt a) genoemde redenen is opgenomen in de overeenkomstig artikel 59, lid 1, opgestelde lijst, of
  • c) 
    een stof bevat waarvoor in de Gemeenschap grenzen voor de blootstelling op het werk zijn.
  • 4. 
    Het veiligheidsinformatieblad hoeft niet te worden verstrekt voor aan het grote publiek aangeboden of verkochte gevaarlijke stoffen of preparaten die vergezeld gaan van voldoende informatie om de gebruikers in staat te stellen de nodige maatregelen op het gebied van de bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het milieu te nemen, tenzij een downstreamgebruiker of distributeur daarom vraagt.
  • 5. 
    Het veiligheidsinformatieblad wordt verstrekt in een officiele taal van de lidstaat (lidstaten) waar de stof of het preparaat in de handel wordt gebracht, tenzij door de betrokken lidstaat (lidstaten) anders wordt bepaald.
  • 6. 
    Het veiligheidsinformatieblad wordt van een datum voorzien en bevat de volgende rubrieken:
  • 1. 
    identificatie van de stof of het preparaat en van de onderneming;
  • 2. 
    identificatie van de gevaren;
  • 3. 
    samenstelling en informatie over de bestanddelen;
  • 4. 
    eerstehulpmaatregelen;
  • 5. 
    brandbestrijdingsmaatregelen;
  • 6. 
    maatregelen bij accidenteel vrijkomen van de stof of het preparaat;
  • 7. 
    hantering en opslag;
  • 8. 
    maatregelen ter beheersing van blootstelling/persoonlijke bescherming;
  • 9. 
    fysische en chemische eigenschappen;
  • 10. 
    stabiliteit en reactiviteit;
  • 11. 
    toxicologische informatie;
  • 12. 
    ecologische informatie;
  • 13. 
    instructies voor verwijdering;
  • 14. 
    informatie met betrekking tot het vervoer;
  • 15. 
    wettelijk verplichte informatie;
  • 16. 
    overige informatie.
  • 7. 
    Alle actoren in de toeleveringsketen die overeenkomstig artikel 14 of 37 een chemisch veiligheidsrapport moeten opstellen, nemen de relevante blootstellingsscenario's (met inbegrip van de gebruiks- en de blootstellingscategorieen, naargelang het geval) op in een bijlage bij het veiligheidsinformatieblad met de geidentificeerde vormen van gebruik, waarin de specifieke omstandigheden zijn opgenomen die uit de toepassing van bijlage XI, punt 3, voortvloeien.

Elke downstreamgebruiker neemt de relevante blootstellingsscenario's op en gebruikt andere relevante informatie uit het hem verstrekte veiligheidsinformatieblad bij het opstellen van zijn eigen veiligheidsinformatieblad voor geidentificeerde vormen van gebruik.

Elke distributeur verstrekt relevante blootstellingsscenario's en gebruikt andere relevante informatie uit het hem verstrekte veiligheidsinformatieblad bij het opstellen van zijn eigen veiligheidsinformatieblad voor vormen van gebruik waarvoor hij overeenkomstig artikel 37, lid 2, informatie heeft verstrekt.

8.

Het veiligheidsinformatieblad wordt gratis op papier of elektronisch verstrekt.

  • 9. 
    De leveranciers passen het onverwijld aan in de volgende gevallen:
  • a) 
    zodra er nieuwe informatie die van invloed kan zijn op de risicobeheersmaatregelen of nieuwe informatie over de gevaren beschikbaar komt;
  • b) 
    zodra een autorisatie is verleend of geweigerd;
  • c) 
    zodra een beperking is opgelegd.

De nieuwe gedagtekende versie van de informatie, voorzien van de vermelding "Herziening van ... (datum)", wordt gratis op papier of elektronisch verstrekt aan alle eerdere afnemers aan wie zij de stof of het preparaat in de voorafgaande twaalf maanden hebben geleverd. Elke aanpassing na de registratie bevat het registratienummer.

Artikel 32

Verplichting om aan de verdere toeleveringsketen informatie door te geven over stoffen als zodanig of in preparaten waarvoor geen veiligheidsinformatieblad vereist is

  • 1. 
    Elke leverancier van een stof als zodanig of in een preparaat die geen veiligheidsinformatieblad overeenkomstig artikel 31 hoeft in te dienen, verstrekt de afnemer de volgende informatie:
  • a) 
    de in artikel 20, lid 3, bedoelde registratienummers, indien beschikbaar, voor elke stof waarvoor krachtens onderdeel b), c) of d) van dit lid informatie wordt verstrekt;
  • b) 
    een vermelding of de stof autorisatieplichtig is en de bijzonderheden van eventuele in deze toeleveringsketen krachtens titel VII verleende of geweigerde autorisaties;

c)

de bijzonderheden van eventuele krachtens titel VIII opgelegde beperkingen;

 

L 396/112

NL    Publicatieblad van de Europese Unie    30.12.2006

d)

andere beschikbare toepasselijke informatie over de stof die nodig is voor de vast-

stelling en toepassing van passende risicobeheersmaatregelen, inclusief de specifieke

omstandigheden die uit de toepassing van bijlage XI, punt 3, voortvloeien.

  • 2. 
    De in lid 1 bedoelde informatie wordt gratis op papier of elektronisch verstrekt uiterlijk bij de eerste levering van een stof als zodanig of in een preparaat na 1 juni 2007.
  • 3. 
    De leveranciers passen deze informatie onverwijld aan in de volgende gevallen:
 

a)

zodra er nieuwe informatie die van invloed kan zijn op de risicobeheersmaatregelen

 

of nieuwe informatie over de gevaren beschikbaar komt;

b)

zodra een autorisatie is verleend of geweigerd;

c)

zodra een beperking is opgelegd.

Voorts wordt de bijgewerkte informatie gratis op papier of elektronisch verstrekt aan alle eerdere afnemers aan wie zij de stof of het preparaat in de voorafgaande twaalf maanden hebben geleverd. Elke aanpassing na de registratie bevat het registratienummer.

Artikel 33

Verplichting om informatie door te geven over stoffen in voorwerpen

  • 1. 
    Elke leverancier van een voorwerp dat een stof bevat die aan de criteria van artikel 57 voldoet en overeenkomstig artikel 59, lid 1, in een concentratie van meer dan

0,1 gewichtsprocent (g/g) is gemeten, verstrekt de afnemer van het voorwerp voldoende aan de leverancier bekende informatie om een veilig gebruik van dat artikel mogelijk te maken, waaronder ten minste de naam van de stof.

  • 2. 
    Op verzoek van een consument verstrekt elke leverancier van een voorwerp dat een stof bevat die aan de criteria van artikel 57 voldoet en overeenkomstig artikel 59, lid 1, in een concentratie van meer dan 0,1 gewichtsprocent (g/g) is gemeten, de consument voldoende aan de leverancier bekende informatie om een veilig gebruik van dat voorwerp mogelijk te maken, waaronder ten minste de naam van de stof.

De desbetreffende informatie wordt gratis verstrekt binnen 45 dagen na ontvangst van het verzoek.

Artikel 33

Verplichting om hogerop in de toeleveringsketen informatie door de geven over stoffen en preparaten

Alle actoren in de toeleveringsketen van een stof of preparaat geven aan de vorige actor of distributeur in de toeleveringsketen de volgende informatie door:

a)

nieuwe informatie over gevaarlijke eigenschappen, ongeacht het betrokken gebruik;

  • b) 
    alle overige informatie die twijfel kan doen ontstaan over de geschiktheid van de risico-beheersmaatregelen die in een aan hen verstrekt veiligheidsinformatieblad zijn vermeld, zulks uitsluitend voor gei'dentificeerd gebruik.

De distributeurs geven die informatie door aan de vorige actor of distributeur in de toeleverings-keten.

Artikel 35

Toegang van werknemers tot informatie

Werknemers en hun vertegenwoordigers krijgen van hun werkgever toegang tot de overeenkomstig de artikelen 31 en 32 verstrekte informatie over de stoffen of preparaten die zij bij hun werk gebruiken of waaraan zij bij hun werk kunnen worden blootgesteld.

Artikel 36

Verplichting om informatie te bewaren

  • 1. 
    Elke fabrikant, importeur, downstreamgebruiker of distributeur verzamelt alle informatie

die hij nodig heeft om zijn verplichtingen krachtens deze verordening te vervullen en houdt die informatie beschikbaar gedurende ten minste tien jaar nadat hij de stof of het preparaat voor het laatst heeft vervaardigd, ingevoerd, geleverd of gebruikt. Deze informatie wordt, onverminderd de titels II en VI, door de bedoelde fabrikant, importeur, downstreamgebruiker of distributeur op verzoek onverwijld verstrekt of beschikbaar gesteld aan een bevoegde instantie van de lidstaat waar hij is gevestigd of aan het Agentschap.

  • 2. 
    Indien een registrant, downstreamgebruiker of distributeur zijn activiteiten beeindigt, of zijn activiteiten geheel of gedeeltelijk overdraagt aan een derde, is degene die verantwoordelijk is voor de liquidatie van de onderneming van de registrant, downstreamgebruiker of distributeur of die de verantwoordelijkheid op zich neemt om de stof of het preparaat in kwestie in de handel te brengen, gehouden aan de verplichting van lid 1 in plaats van de registrant, downstreamgebruiker of distributeur.

TITEL V

DOWNSTREAMGEBRUIKERS

Artikel 37

Beoordeling van de chemische veiligheid door downstreamgebruikers en verplichting om risicobeperkende maatregelen vast te stellen, toe te passen en aan te bevelen

  • 1. 
    Downstreamgebruikers of distributeurs mogen informatie verstrekken om te helpen bij de opstelling van een registratie.
  • 2. 
    Elke downstreamgebruiker heeft het recht een bepaald gebruik, minimaal in de vorm van de beknopte algemene beschrijving van het gebruik, schriftelijk (op papier of elektronisch) aan de fabrikant, importeur, downstreamgebruiker of distributeur die hem een stof als zodanig of in een preparaat levert, mee te delen teneinde er een gei'dentificeerd gebruik van te maken. Bij het meedelen van een gebruik verstrekt hij voldoende informatie om de fabrikant, importeur of downstreamgebruiker die de stof heeft geleverd, in staat te stellen een blootstellingsscenario of in voorkomend geval een gebruiks- en blootstellingscategorie, voor dit gebruik op te stellen in het kader van de chemische veiligheidsbeoordeling door de fabrikant, importeur of downstreamgebruiker.

De distributeurs geven die informatie door aan de vorige actor of distributeur in de toeleveringsketen. Downstreamgebruikers die deze informatie ontvangen, kunnen een blootstellingsscenario voor de geidentificeerde vorm(en) van gebruik opstellen, of de informatie doorgeven aan de vorige actor in de toeleveringsketen.

  • 3. 
    Voor geregistreerde stoffen voldoet de fabrikant, importeur of downstreamgebruiker aan de verplichtingen van artikel 14 voordat hij de stof als zodanig of in een preparaat levert aan de downstreamgebruiker die het in lid 2 van dit artikel bedoelde verzoek doet, mits het verzoek ten minste een maand voor de levering is gedaan, of binnen een maand na het verzoek indien dat later is.

Voor geleidelijk gei'ntegreerde stoffen voldoet de fabrikant, importeur of downstreamgebruiker aan dit verzoek en aan de verplichtingen van artikel 14 voor het verstrijken van de toepasselijke in artikel 23 gestelde termijn, mits de downstreamgebruiker zijn verzoek ten minste twaalf maanden voor die uiterste termijn doet.

Indien de fabrikant, importeur of downstreamgebruiker na beoordeling van het gebruik overeenkomstig artikel 14 niet in staat is het om redenen van bescherming van de gezondheid van de mens of van het milieu als een geidentificeerd gebruik op te nemen, deelt hij onverwijld schriftelijk aan het Agentschap en de downstreamgebruiker de reden(en) voor dat besluit mee en verstrekt hij downstreamgebruikers de stof niet zonder de redenen op te nemen in de in artikel 31 of 32 bedoelde informatie. De fabrikant of importeur vermeldt dit gebruik in bijlage VI, paragraaf 3.7, in zijn bijwerking van de registratie overeenkomstig artikel 22, lid 1, onder d).

  • 4. 
    De downstreamgebruiker van een stof, als zodanig of in een preparaat, stelt een chemisch veiligheidsrapport overeenkomstig bijlage XII op voor elk gebruik dat niet overeenkomt met de voorwaarden die beschreven zijn in een blootstellingsscenario dat, of in voorkomend geval in een gebruiks- en blootstellingscategorie die, hem in een veiligheids-informatieblad is verstrekt of voor elk gebruik dat hem door zijn leverancier is afgeraden.

De downstreamgebruiker hoeft geen chemisch veiligheidsrapport op te stellen in de

volgende gevallen:

  • a) 
    het is niet verplicht, overeenkomstig artikel 31, bij de stof of het preparaat een veilig-heidsinformatieblad te verstrekken;
  • b) 
    zijn leverancier is niet verplicht, overeenkomstig artikel 14, een chemisch veilig-heidsrapport op te stellen;
  • c) 
    de downstreamgebruiker gebruikt in totaal minder dan 1 ton van de stof als zodanig of in een of meer preparaten per jaar;
  • d) 
    door de downstreamgebruiker wordt een blootstellingsscenario toegepast of aanbe-volen dat ten minste de voorwaarden omvat die beschreven zijn in het aan hem in het veiligheidsinformatieblad verstrekte blootstellingsscenario;
  • e) 
    de stof komt in een preparaat voor in een lagere concentratie dan de concentraties die zijn vermeld in artikel 14, lid 2;
  • f) 
    de downstreamgebruiker gebruikt de stof voor onderzoek en ontwikkeling gericht op producten en procedes, en de risico's voor de gezondheid van de mens en voor het milieu worden afdoende beheerst, overeenkomstig de wettelijke voorschriften inzake de bescherming van werknemers en het milieu.
  • 5. 
    Door elke downstreamgebruiker worden passende maatregelen vastgesteld, toegepast en, indien passend, aanbevolen om de risico's afdoende te beheersen die zijn vastgesteld in:
  • a) 
    de aan hem verstrekte veiligheidsinformatiebladen, of
  • b) 
    zijn eigen chemische veiligheidsbeoordeling;
  • c) 
    enige informatie over risicobeheersmaatregelen die hem overeenkomstig artikel 32 is verstrekt.
  • 6. 
    Wanneer een downstreamgebruiker geen chemisch veiligheidsrapport overeenkomstig lid 4, onder c), opstelt beoordeelt hij het gebruik van de stof, en treft hij passende risico-beheersmaatregelen om ervoor te zorgen dat de risico's voor de gezondheid van de mens en voor het milieu afdoende worden beheerst. Deze informatie wordt opgenomen in de door hem opgestelde veiligheidsinformatiebladen.
  • 7. 
    Downstreamgebruikers zorgen ervoor dat hun chemische veiligheidsrapporten steeds worden bijgewerkt en beschikbaar zijn.
  • 8. 
    Het overeenkomstig lid 4 van dit artikel opgestelde chemisch veiligheidsrapport hoeft geen betrekking te hebben op de risico's voor de gezondheid van de mens die voortvloeien uit de in artikel 14, lid 5, vermelde vormen van eindgebruik.

Artikel 38

Verplichting voor downstreamgebruikers om informatie te melden

  • 1. 
    Alvorens een downstreamgebruiker begint of doorgaat met een bepaald gebruik van een door een actor eerder in de toeleveringsketen overeenkomstig artikel 6 of 18 geregistreerde stof, deelt hij de in lid 2 van dit artikel genoemde informatie aan het Agentschap mee indien hij:
  • a) 
    overeenkomstig artikel 37, lid 4, een chemisch veiligheidsrapport moet opstellen; of
  • b) 
    een beroep doet op de vrijstelling in artikel 37, lid 4, onder c) of onder f).
  • 2. 
    De downstreamgebruiker vermeldt de volgende informatie:
  • a) 
    zijn identiteit en contactgegevens overeenkomstig punt 1.1 van bijlage VI;
  • b) 
    de in artikel 20, lid 3, bedoelde registratienummers, indien beschikbaar;
  • c) 
    de identiteit van de stoffen overeenkomstig punten 2.1 tot en met 2.3.4 van bijlage VI;
  • d) 
    de identiteit van de fabrikant(en), de importeur(s), of andere leveranciers overeenkomstig punt 1.1 van bijlage VI;
  • e) 
    een beknopte algemene beschrijving van de vormen van gebruik overeenkomstig punt 3.5 van bijlage VI, alsmede van de voorwaarden voor de vormen van gebruik;
  • f) 
    tenzij de downstreamgebruiker gebruik maakt van de uitzondering van artikel 37, lid 4, onder c), een voorstel voor aanvullende proeven op gewervelde dieren, indien hij die nodig acht om zijn chemische veiligheidsbeoordeling aan te vullen.
  • 3. 
    Indien een wijziging optreedt in de overeenkomstig lid 1 gemelde informatie, past de downstreamgebruiker die informatie onverwijld aan.
  • 4. 
    Indien zijn indeling van een stof afwijkt van die van zijn leverancier, meldt de downstreamgebruiker dat aan het Agentschap.
  • 5. 
    De meldingsplicht van de leden 1 tot en met 4 van dit artikel geldt niet voor stoffen die de downstreamgebruiker als zodanig of in een preparaat in hoeveelheden van minder dan

1 ton per jaar voor dat specifieke gebruik gebruikt, tenzij de downstreamgebruiker gebruik maakt van de uitzondering van artikel 37, lid 4.

Artikel 39

Toepassing van de verplichtingen voor downstreamgebruikers

  • 1. 
    Binnen twaalf maanden na ontvangst van een registratienummer dat hun door hun

leveranciers in een veiligheidsinformatieblad wordt meegedeeld, moeten de downstream-gebruikers aan de voorschriften van artikel 37 voldoen.

  • 2. 
    Binnen zes maanden na ontvangst van een registratienummer dat hun door hun

leveranciers in een veiligheidsinformatieblad wordt meegedeeld, moeten de downstream-gebruikers aan de voorschriften van artikel 38 voldoen.

TITEL VI

BEOORDELING

22.

Hoofdstuk 1

23.

Dossierbeoordeling

Artikel 40

Onderzoek van testvoorstellen

  • 1. 
    Het Agentschap onderzoekt elk testvoorstel in een registratie of een rapport van een down-streamgebruiker ten behoeve van de verstrekking van de in de bijlagen IX en X vermelde informatie voor een stof. Prioriteit moet worden gegeven aan de registratie van stoffen die PBT-, zPzB, sensibiliserende en/of carcinogene, mutagene en reproductietoxische (CMR)eigenschappen hebben of kunnen hebben, of van stoffen die overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG in de categorie gevaarlijke stoffen zijn ingedeeld, in hoeveelheden van meer dan 100 ton per jaar met gebruik dat resulteert in wijdverspreide en diffuse blootstelling.
  • 2. 
    Informatie in verband met testvoorstellen waarin tests met gewervelde dieren voorkomen, worden gepubliceerd op de website van het Agentschap. Het Agentschap publiceert op zijn website de naam van de stof, het gevaarseindpunt waarvoor de test met gewervelde dieren wordt voorgesteld, en de uiterste datum waarop eventuele informatie van derde partijen is vereist. Het Agentschap verzoekt derde partijen om, in de door het Agentschap voorgeschreven vorm, wetenschappelijk valide informatie en studies met betrekking tot de toepasselijke stof en het eindpunt naar graad van gevaarlijkheid waarop het testvoorstel betrekking heeft binnen 45 dagen na de publicatiedatum in te dienen. Bij de vaststelling van zijn besluit overeenkomstig lid 3 houdt het Agentschap rekening met alle ontvangen wetenschappelijk valide informatie en studies.
  • 3. 
    Het Agentschap stelt op basis van het in lid 1 bedoelde onderzoek een ontwerp op van een van de volgende besluiten, dat volgens de procedure van de artikelen 50 en 51 wordt vastgesteld:
  • a) 
    een besluit waarbij de betrokken registranten of downstreamgebruikers worden verplicht de voorgestelde test uit te voeren en waarbij een uiterste termijn wordt gesteld voor de indiening van de samenvatting van de testresultaten, of de uitgebreide onderzoekssamenvatting, indien vereist overeenkomstig bijlage I;
  • b) 
    een besluit als bedoeld onder a), waarbij echter de voorwaarden waaronder de test moet worden uitgevoerd worden gewijzigd;
  • c) 
    een besluit als bedoeld onder a), b) of d), waarbij echter wordt geeist dat de registrant of de downstreamgebruiker een of meer aanvullende tests uitvoert ingeval het testvoorstel niet in overeenstemming is met de bijlagen IX, X en XI;
  • d) 
    een besluit waarbij het voorstel voor de test wordt afgewezen;
  • e) 
    een besluit overeenkomstig de punten a), b) of c), indien meerdere registranten of downstreamgebruikers van dezelfde stof voorstellen voor dezelfde test hebben ingediend, dat hun de gelegenheid geeft overeen te komen wie de test namens hen alien zal uitvoeren, en binnen 90 dagen het Agentschap daarvan op de hoogte te stellen. Indien het Agentschap niet binnen 90 dagen van een dergelijke overeenstemming op de hoogte is gesteld, wijst het een van de registranten of, waar van toepassing, downstreamgebruikers aan om de proef namens hen allen uit te voeren.
  • 4. 
    De registrant of downstreamgebruiker verstrekt de vereiste informatie binnen de vastgestelde termijn aan het Agentschap.

Artikel 41

Nalevingscontrole van registraties

  • 1. 
    Het Agentschap kan elke registratie onderzoeken om deze op een of meer van de volgende punten te controleren:
  • a) 
    of de informatie in de overeenkomstig artikel 10 ingediende technische dossiers aan de voorschriften van de artikelen 10, 12 en 13 en de bijlagen III en VI tot en met X voldoet;
  • b) 
    of de in de technische dossiers ingediende aanpassingen van de standaardinformatie en de motiveringen ervan aan de voorschriften voor die aanpassingen van de bijlagen VII tot en met X en aan de algemene regels van bijlage VI voldoen;
  • c) 
    of de chemische veiligheidsbeoordeling en het chemische veiligheidsrapport die eventueel vereist zijn, voldoen aan de voorschriften van bijlage I, en of de voorge-stelde risicobeheersmaatregelen adequaat zijn.
  • d) 
    of de overeenkomstig artikel 11, lid 3, of artikel 19, lid 2, ingediende toelichting een objectieve grondslag heeft.
  • 2. 
    De lijst van dossiers die voor nalevingscontrole door het Agentschap worden behandeld, wordt aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten ter beschikking gesteld.
  • 3. 
    Op basis van een onderzoek overeenkomstig lid 1, kan het Agentschap binnen twaalf maanden na het begin van de nalevingscontrole een ontwerp-besluit opstellen waarbij de registrant of registranten worden verplicht de informatie in te dienen die nodig is om de registratie(s) aan de desbetreffende informatie-eisen te laten voldoen, en waarbij adequate termijnen voor de indiening van verdere informatie worden vastgesteld. Een dergelijk besluit wordt vastgesteld volgens de procedure van de artikelen 50 en 51.
  • 4. 
    De registrant verstrekt de vereiste informatie binnen de vastgestelde termijn aan het Agentschap.
  • 5. 
    Om te waarborgen dat de registratiedossiers aan de voorschriften van de verordening voldoen, selecteert het Agentschap per hoeveelheidsklasse ten minste 5% van het totale aantal ontvangen dossiers voor nalevingscontrole. Het Agentschap geeft, zonder de overige dossiers te veronachtzamen, prioriteit aan dossiers die ten minste aan een van de volgende criteria voldoen:
  • a) 
    het dossier bevat de in artikel 10, onder a), punten iv), vi) en/of vii), vermelde informatie, die overeenkomstig artikel 11, lid 3, afzonderlijk is ingediend; of
  • b) 
    het dossier betreft een stof die wordt vervaardigd of ingevoerd in hoeveelheden van

1 ton of meer per jaar en voldoet niet aan de voorschriften van bijlage VII die gelden overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder a), of artikel 11, lid 1, onder b), naargelang het geval; of

  • c) 
    het dossier betreft een stof die in de lijst van het in artikel 44, lid 2, bedoelde communautaire voortschrijdende actieplan is vermeld.
  • 6. 
    Iedere derde partij kan informatie met betrekking tot stoffen die op de in artikel 28, lid 4, bedoelde lijst zijn vermeld, in elektronische vorm aan het Agentschap toezenden. Het Agentschap zal deze informatie samen met de overeenkomstig artikel 124 ingediende informatie in aanmerking nemen bij het controleren en selecteren van dossiers.
  • 7. 
    De Commissie kan na overleg met het Agentschap besluiten het percentage geselecteerde dossiers te wijzigen en overeenkomstig de in artikel 134, lid 4, bedoelde procedure nadere criteria op te nemen in artikel 5.

Artikel 42

Controle van de ingediende informatie en follow-up van de beoordeling van het dossier

  • 1. 
    Het Agentschap onderzoekt alle informatie die ingevolge een besluit overeenkomstig artikel 40 of 41 wordt ingediend en stelt zo nodig passende ontwerp-besluiten op overeenkomstig deze artikelen.
  • 2. 
    Zodra de beoordeling van het dossier is voltooid, geeft het Agentschap de Commissie en de bevoegde instanties van de lidstaten kennis van de verkregen informatie en van eventuele conclusies. De bevoegde instanties gebruiken de uit deze beoordeling verkregen informatie voor de toepassing van artikel 45, lid 5, artikel 59, lid 3, en artikel 69, lid 4. Het Agentschap gebruikt de uit deze beoordeling verkregen informatie voor de toepassing van artikel 44.

Artikel 43

Procedure en termijnen voor het onderzoek van testvoorstellen

  • 1. 
    In het geval van niet-geleidelijk gei'ntegreerde stoffen stelt het Agentschap binnen

180 dagen nadat het een registratie of een rapport van een downstreamgebruiker met een testvoorstel ontvangt, een ontwerp-besluit op overeenkomstig artikel 40, lid 3.

  • 2. 
    In het geval van geleidelijk gei'ntegreerde stoffen stelt het Agentschap binnen de volgende termijnen ontwerp-besluiten op overeenkomstig artikel 40, lid 3:
  • a) 
    voor alle uiterlijk op 1december 2012 ontvangen registraties met testvoorstellen om aan de informatie-eisen van de bijlagen IX en X te voldoen, uiterlijk op 1 december 2010;
  • b) 
    voor alle uiterlijk op 1 juni 2016 ontvangen registraties met testvoorstellen om aan de informatie-eisen van uitsluitend bijlage IX te voldoen, uiterlijk op 1 juni 2013;
  • c) 
    voor uiterlijk op 1 juni 2022 ontvangen registraties met testvoorstellen, uiterlijk op 1 juni 2018.
  • 3. 
    De lijst van dossiers die worden beoordeeld krachtens artikel 40, wordt aan de lidstaten ter beschikking gesteld.

24.

Hoofdstuk 2

25.

Stoffenbeoordeling

Artikel 44

Criteria voor de beoordeling van stoffen

  • 1. 
    Om een geharmoniseerde aanpak te waarborgen stelt het Agentschap in samenwerking met de lidstaten criteria op voor de prioriteitsstelling van stoffen met het oog op nadere beoordeling. Prioriteit wordt toegekend op basis van risico's. De criteria betreffen:
  • a) 
    informatie over de gevaren, bijvoorbeeld een structurele gelijkenis van de stof met bekende zorgwekkende stoffen of met persistente en bioaccumulerende stoffen die erop wijst dat de stof of een of meer omzettingsproducten ervan zorgwekkende eigenschappen hebben of persistent en bioaccumulerend zijn;
  • b) 
    informatie over blootstelling;
  • c) 
    de hoeveelheden, met inbegrip van de geaggregeerde hoeveelheden van de registraties die door verschillende registranten zijn ingediend.
  • 2. 
    Het Agentschap gebruikt de in lid 1 vermelde criteria voor de opstelling van een ontwerp van een voortschrijdend communautair actieplan voor een periode van drie jaar waarin wordt vermeld welke stoffen er ieder jaar moeten worden beoordeeld. Stoffen worden opgenomen indien er redenen zijn om (ofwel op grond van een door het Agentschap uitgevoerde dossierbeoordeling, ofwel op grond van een andere geschikte bron, met inbegrip van informatie in het registratiedossier) aan te nemen dat een bepaalde stof een risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu vormt. Het Agentschap legt uiterlijk op 1 december 2011 het eerste ontwerp van het voortschrijdende actieplan aan de lidstaten voor. Het Agentschap legt uiterlijk op 28 februari van ieder jaar het ontwerp van een jaarlijks geactualiseerde versie van het voortschrijdende actieplan aan de lidstaten voor.

Het Agentschap stelt het definitieve communautaire voortschrijdende actieplan vast op basis van een advies van het Comite lidstaten dat is ingesteld bij artikel 76, lid 1, onder e) ("het Comite lidstaten"), en publiceert het actieplan op zijn website, met vermelding van de lidstaat die de beoordeling van de daarin vermelde stoffen zal uitvoeren, zoals bepaald overeenkomstig artikel 45.

Artikel 45 Bevoegde instantie

  • 1. 
    Het Agentschap is verantwoordelijk voor de coordinatie van de stoffenbeoordelings-procedure en zorgt ervoor dat de in het communautaire voortschrijdende actieplan vermelde stoffen worden beoordeeld. Daarvoor doet het Agentschap een beroep op de bevoegde instanties van de lidstaten. Voor de uitvoering van de beoordeling van een stof kunnen de bevoegde instanties een ander orgaan aanwijzen om namens hen op te treden.
  • 2. 
    Een lidstaat kan een of meer stoffen kiezen uit het ontwerp-communautaire voort-schrijdende actieplan om een bevoegde instantie te worden voor de toepassing van de artikelen 46 tot en met 48. Indien een stof uit het ontwerp-communautaire voortschrijdende actieplan door geen enkele lidstaat wordt gekozen, zorgt het Agentschap ervoor dat de stof wordt geevalueerd.
  • 3. 
    Wanneer twee of meer lidstaten hun belangstelling kenbaar hebben gemaakt voor het beoordelen van dezelfde stof en zij het er niet over eens raken welke de bevoegde instantie moet zijn, wordt volgens onderstaande procedure bepaald welke instantie geldt als bevoegde instantie voor de toepassing van de artikelen 46 tot en met 48.

Het Agentschap legt het vraagstuk voor aan het Comite lidstaten teneinde overeen te komen welke instantie als bevoegde instantie optreedt, waarbij rekening wordt gehouden met de lidstaat waar de fabrikant(en) of importeur(s) is (zijn) gevestigd, het respectieve aandeel in het totale bruto binnenlands product van de Gemeenschap, het aantal stoffen dat reeds door een lidstaat wordt beoordeeld en de beschikbare expertise.

Indien het Comite lidstaten binnen zestig dagen na de voorlegging overeenstemming met eenparigheid van stemmen over het ontwerp-besluit bereikt, bepalen de betrokken lidstaten dienovereenkomstig welke stoffen zij zullen beoordelen.

Indien het Comite lidstaten geen overeenstemming met eenparigheid van stemmen bereikt, legt het Agentschap de tegenstrijdige meningen voor aan de Commissie, die volgens de in artikel 133, lid 3, bedoelde procedure beslist welke instantie als bevoegde instantie zal optreden, en bepalen de betrokken lidstaten dienovereenkomstig welke stoffen zij zullen beoordelen.

  • 4. 
    De overeenkomstig de leden 2 en 3 vastgestelde bevoegde instantie beoordeelt de toegewezen stoffen overeenkomstig dit hoofdstuk.
  • 5. 
    Een lidstaat kan te alien tijde aan het Agentschap melding doen van een stof die niet voorkomt in het communautaire voortschrijdende actieplan, wanneer hij in het bezit is van informatie waaruit kan worden afgeleid dat de stof met prioriteit moet worden beoordeeld. Het Agentschap besluit of deze stof op basis van een advies van het Comite lidstaten aan het communautaire voortschrijdende actieplan wordt toegevoegd. Indien de stof wordt toegevoegd aan het communautaire voortschrijdende actieplan, en de lidstaat die het voorstel daartoe heeft gedaan of een andere lidstaat die daarmee instemt, verricht de beoordeling van die stof.

Artikel 46

Verzoeken om nadere informatie en controle van ingediende informatie

  • 1. 
    Indien de bevoegde instantie van mening is dat nadere informatie, waaronder eventueel informatie die overeenkomstig de bijlagen VII tot en met X niet vereist is, nodig is, stelt zij een met redenen omkleed ontwerp-besluit op dat de registrant(en) ertoe verplicht binnen een uiterste termijn nadere informatie in te dienen. Binnen twaalf maanden na publicatie van het communautaire voortschrijdende actieplan op de website van het Agentschap wordt er een ontwerp-besluit opgesteld voor de stoffen die dat jaar zullen worden beoordeeld. Het besluit wordt vastgesteld volgens de procedure van de artikelen 50 en 52.
  • 2. 
    De registrant verstrekt de vereiste informatie binnen de vastgestelde termijn aan het Agentschap.
  • 3. 
    De bevoegde instantie onderzoekt alle informatie die wordt ingediend, en stelt zo nodig binnen twaalf maanden na de indiening van de informatie passende ontwerp-besluiten op overeenkomstig dit artikel.
  • 4. 
    De bevoegde instantie voltooit haar beoordelingswerkzaamheden binnen twaalf maanden na het begin van de beoordeling van de stof of binnen twaalf maanden na de indiening van de informatie overeenkomstig lid 2, en stelt het Agentschap daarvan op de hoogte. Indien deze uiterste termijn wordt overschreden, wordt de beoordeling als voltooid beschouwd.

Artikel 47

Samenhang met andere werkzaamheden

  • 1. 
    De beoordeling van een stof wordt gebaseerd op alle relevante informatie die over die stof wordt ingediend en op eerdere beoordelingen overeenkomstig deze titel. Wanneer er informatie over intrinsieke eigenschappen van een stof is verkregen door verwijzing naar een of meer qua structuur verwante stoffen, kan de beoordeling ook die verwante stoffen betreffen. Wanneer al eerder een besluit over een beoordeling is genomen overeenkomstig artikel 51 of artikel 52, kan een ontwerp-besluit waarvoor krachtens artikel 46 nadere informatie nodig is, uitsluitend door gewijzigde omstandigheden of verkregen kennis worden gerechtvaardigd.
  • 2. 
    Om een geharmoniseerde aanpak van verzoeken om nadere informatie te waarborgen, houdt het Agentschap toezicht op ontwerp-besluiten krachtens artikel 46 en ontwikkelt het criteria en prioriteiten. Indien passend worden uitvoeringsmaatregelen goedgekeurd volgens de in artikel 133, lid 3, bedoelde procedure.

Artikel 48

Follow-up van de beoordeling van een stof

Zodra de beoordeling van de stof is voltooid, beraadt de bevoegde instantie zich over de wijze waarop de met deze beoordeling verkregen informatie wordt aangewend voor de toepassing van artikel 59, lid 3, artikel 69, lid 4, en artikel 115, lid 1. De bevoegde instantie informeert het Agentschap over haar conclusies over de wijze waarop de verkregen informatie moet worden gebruikt. Het Agentschap stelt op zijn beurt de Commissie, de registrant en de bevoegde instanties van de andere lidstaten op de hoogte.

26.

Hoofdstuk 3

27.

Beoordeling van tussenproducten

Artikel 49

Nadere informatie over locatiegebonden gei'soleerde tussenproducten

Op locatiegebonden gei'soleerde tussenproducten die onder strikt gecontroleerde voorwaarden worden gebruikt, zijn de beoordeling van het dossier en de beoordeling van de stof niet van toepassing. Wanneer de bevoegde instantie van de lidstaat waar de locatie zich bevindt echter van mening is dat een aan het gebruik van een locatiegebonden geisoleerd tussenproduct verbonden risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu even zorgwekkend is als het risico dat verbonden is aan het gebruik van stoffen die aan de criteria van artikel 57 voldoen, en dat risico niet naar behoren wordt beheerst, kan zij:

  • a) 
    van de registrant eisen dat hij nadere informatie verstrekt die rechtstreeks verband houdt met het vastgestelde risico. Bij dit verzoek wordt een schriftelijke motivering gevoegd;
  • b) 
    de ingediende informatie onderzoeken en zo nodig passende risicobeperkende maatregelen aanbevelen voor de in verband met de betrokken locatie vastgestelde risico's.

De in de eerste alinea beschreven procedure kan uitsluitend door de in die alinea bedoelde bevoegde instantie worden toegepast. De bevoegde instantie stelt het Agentschap op de hoogte van de resultaten van een dergelijke beoordeling, en het Agentschap stelt vervolgens de bevoegde instanties van de andere lidstaten op de hoogte, en stelt hun de resultaten ter beschikking.

28.

Hoofdstuk 4

29.

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 50

Rechten van de registrant en de downstreamgebruiker

  • 1. 
    Het Agentschap stelt de betrokken registrant(en) of downstreamgebruiker(s) op de hoogte van elk krachtens de artikelen 40, 41 of 46 genomen ontwerp-besluit, onder vermelding dat zij gerechtigd zijn binnen dertig dagen na ontvangst opmerkingen te maken. Indien de betrokken registrant(en) of downstreamgebruiker(s) opmerkingen wensen te maken, dienen zij hun opmerkingen bij het Agentschap in. Het Agentschap stelt vervolgens onverwijld de bevoegde instantie op de hoogte van de indiening van de opmerkingen. De bevoegde instantie (voor besluiten overeenkomstig artikel 46) en het Agentschap (voor besluiten overeenkomstig de artikelen 40 en 41) nemen alle ontvangen opmerkingen in aanmerking en kunnen het ontwerp-besluit dienovereenkomstig wijzigen.
  • 2. 
    Indien een registrant de vervaardiging of invoer van de stof of de productie of invoer van een voorwerp, of een downstreamgebruiker het gebruik ervan, heeft beeindigd, stelt hij het Agentschap daarvan op de hoogte, waardoor het registreerde volume in zijn registratie, waar passend, op nul wordt gesteld en geen nadere informatie over die stof kan worden gevraagd, tenzij de registrant de nieuwe start meldt van de vervaardiging of invoer van de stof of de productie of invoer van het voorwerp, of de downstreamgebruiker de nieuwe start meldt van het gebruik ervan. Het Agentschap stelt de bevoegde instantie van de lidstaat waar de registrant of downstreamgebruiker is gevestigd op de hoogte.
  • 3. 
    De registrant kan de vervaardiging of invoer van de stof of de productie of invoer van het voorwerp, of de downstreamgebruiker het gebruik ervan, beeindigen na ontvangst van het ontwerp-besluit. In dergelijke gevallen stelt de registrant of de downstreamgebruiker het Agentschap daarvan op de hoogte, waardoor zijn registratie of rapport haar geldigheid verliest en geen nadere informatie over die stof kan worden gevraagd, tenzij hij een nieuwe registratie of rapport indient. Het Agentschap stelt de bevoegde instantie van de lidstaat waar de registrant of downstreamgebruiker zich bevindt op de hoogte.
  • 4. 
    Niettegenstaande de leden 2 en 3, kan overeenkomstig artikel 46 nadere informatie worden gevraagd in de volgende gevallen:
  • a) 
    wanneer de bevoegde instantie overeenkomstig bijlage XV een dossier samenstelt waaruit wordt geconcludeerd dat op lange termijn een potentieel risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu bestaat dat de behoefte aan nadere informatie rechtvaardigt;
  • b) 
    wanneer de blootstelling aan de door de betrokken registrant(en) vervaardigde of ingevoerde stof of aan de stof in het door de registrant(en) geproduceerde of ingevoerde voorwerp, of aan de door de downstreamgebruiker(s) gebruikte stof significant tot dat risico bijdraagt.

De procedure van de artikelen 69 tot en met 73 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 51

Aanneming van besluiten op grond van de dossierbeoordeling

  • 1. 
    Het Agentschap deelt zijn ontwerp-besluit overeenkomstig artikel 40 of 41, met de opmerkingen van de registrant, aan de bevoegde instanties van de lidstaten mee.
  • 2. 
    Binnen dertig dagen na de mededeling kunnen de bevoegde instantie van de lidstaten wijzigingen van het ontwerp-besluit aan het Agentschap voorstellen.
  • 3. 
    Indien het Agentschap niet binnen dertig dagen een voorstel ontvangt, neemt het het besluit in de versie zoals dit krachtens lid 1 is meegedeeld.
  • 4. 
    Indien het Agentschap een wijzigingsvoorstel ontvangt, kan het het ontwerp-besluit wijzigen. Het Agentschap legt binnen 15 dagen na het verstrijken van de in lid 2 bedoelde termijn van dertig dagen een ontwerp-besluit, alsmede de eventueel voorgestelde wijzigingen, aan het Comite lidstaten voor.
  • 5. 
    Het Agentschap deelt elk wijzigingsvoorstel onverwijld aan de betrokken registranten of downstreamgebruikers mee en stelt hen in staat binnen dertig dagen opmerkingen te maken. Het Comite lidstaten houdt rekening met eventueel ontvangen opmerkingen.
  • 6. 
    Indien het Comite lidstaten binnen zestig dagen na de voorlegging met eenparigheid van stemmen overeenstemming over het ontwerp-besluit bereikt, neemt het Agentschap dienovereenkomstig zijn besluit.
  • 7. 
    Komt het Comite lidstaten niet tot overeenstemming met eenparigheid van stemmen, dan stelt de Commissie een ontwerp-besluit op dat volgens de in artikel 133, lid 3, bedoelde procedure wordt aangenomen.
  • 8. 
    Tegen de besluiten van het Agentschap overeenkomstig de leden 3 en 6 van dit artikel kan overeenkomstig de artikelen 91 tot en met 93 beroep worden ingesteld.

Artikel 52

Aanneming van besluiten in het kader van de beoordeling van stoffen

  • 1. 
    De bevoegde instantie zendt haar ontwerp-besluit overeenkomstig artikel 46, met de eventuele opmerkingen van de registrant of downstreamgebruiker, toe aan het Agentschap en de bevoegde instanties van de overige lidstaten.
  • 2. 
    De bepalingen van artikel 51, leden 2 tot en met 8, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 53

Deling van de kosten voor proeven zonder overeenstemming tussen de registranten en/of de downstreamgebruikers

  • 1. 
    Wanneer registranten of downstreamgebruikers ingevolge een krachtens deze titel genomen besluit een proef moeten uitvoeren, stellen zij alles in het werk om overeen te komen wie de proef namens de andere registranten of downstreamgebruikers zal uitvoeren, en om het Agentschap daarvan binnen 90 dagen op de hoogte te stellen. Indien het Agentschap niet binnen 90 dagen van een dergelijke overeenstemming in kennis is gesteld, wijst het een van de registranten of downstreamgebruikers aan om de proef namens hen allen uit te voeren.
  • 2. 
    Indien een registrant of downstreamgebruiker een proef namens anderen uitvoert, zullen zij de kosten van het onderzoek gelijkelijk delen.
  • 3. 
    In het in lid 1 bedoelde geval verstrekt de registrant of downstreamgebruiker die de proef uitvoert een kopie van het volledige onderzoeksverslag aan alle andere betrokkenen.
  • 4. 
    De persoon die het onderzoek uitvoert en indient, heeft een vordering ten opzichte van de anderen. Elke betrokken persoon kan vorderen dat een andere persoon wordt verboden de stof te vervaardigen, in te voeren of in de handel te brengen indien die persoon zijn aandeel in de kosten niet betaalt, geen zekerheid voor dat bedrag stelt of geen exemplaar van het volledige onderzoeksverslag van het uitgevoerde onderzoek overhandigt. Alle vorderingen zijn afdwingbaar voor de nationale rechter. De personen kunnen hun vorderingen inzake vergoeding voorleggen aan een arbitragecollege en de uitspraak in arbitrage aanvaarden.

Artikel 54

Publicatie van informatie over beoordeling

Jaarlijks publiceert het Agentschap uiterlijk op 28 februari op zijn website een verslag over de voortgang die in het voorafgaande kalenderjaar is geboekt bij het vervullen van zijn beoordelings-verplichtingen. Dat verslag bevat met name aanbevelingen aan potentiele registranten ten behoeve van een hogere kwaliteit van toekomstige registraties.

TITEL VII

AUTORISATIES

30.

Hoofdstuk 1 Autorisatieplicht

Artikel 55

Doel van de autorisatie en overwegingen ten aanzien van vervanging

Deze titel heeft tot doel de goede werking van de interne markt te waarborgen en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de risico's van zeer zorgwekkende stoffen naar behoren worden beheerst en dat deze stoffen gestaag worden vervangen door geschikte alternatieve stoffen of technieken, mits die economisch haalbaar en technisch uitvoerbaar zijn. Hiertoe analyseren alle fabrikanten, importeurs en downstreamgebruikers die een autorisatieaanvraag doen of er alternatieven beschikbaar zijn en overwegen zij de risico's, alsmede de technische en economische haalbaarheid van vervanging.

Artikel 56

Algemene bepalingen

  • 1. 
    Een fabrikant, importeur of downstreamgebruiker mag een in bijlage XIV opgenomen stof

niet voor een bepaald gebruik in de handel brengen of zelf gebruiken, tenzij:

  • a) 
    overeenkomstig de artikelen 60 tot en met 64 autorisatie is verleend voor de vormen van gebruik van die stof als zodanig of in een preparaat, of voor de opname van de stof in een voorwerp met het oog waarop de stof in de handel wordt gebracht of hij de stof zelf gebruikt; of
  • b) 
    de vormen van gebruik van die stof als zodanig of in een preparaat, of de opname van de stof in een voorwerp, met het oog waarop de stof in de handel wordt gebracht of hij de stof zelf gebruikt, overeenkomstig artikel 58, lid 2, van de aan de autorisatieplicht in bijlage XIV zijn vrijgesteld; of
  • c) 
    de in artikel 58, lid 1, onder c), punt i), bedoelde datum niet is bereikt; of
  • d) 
    de in artikel 58, lid 1, onder c), punt i), bedoelde datum is gehaald en hij 18 maanden voor die datum een aanvraag heeft ingediend, maar nog geen besluit over de autorisatieaanvraag is genomen; of
  • e) 
    in gevallen waarin de stof in de handel wordt gebracht, een autorisatie voor dat gebruik aan zijn directe downstreamgebruiker is verleend.
  • 2. 
    Een downstreamgebruiker mag een stof die aan de in lid 1 vermelde criteria voldoet gebruiken mits het gebruik voldoet aan de voorwaarden van een voor dat gebruik aan een actor eerder in de toeleveringsketen verleende autorisatie.
  • 3. 
    De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op het gebruik van stoffen bij wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke ontwikkeling. In bijlage XIV wordt bepaald of de leden 1 en 2 van toepassing zijn op onderzoek en ontwikkeling gericht op producten en procedes en wordt de vrijgestelde maximumhoeveelheid gespecificeerd.
  • 4. 
    De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op het volgende gebruik van stoffen:
  • a) 
    gebruik in gewasbeschermingsmiddelen die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 91/414/EEG vallen;
  • b) 
    gebruik in biociden die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 98/8/EG vallen;
  • c) 
    gebruik als motorbrandstof die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad1 valt;
  • d) 
    gebruik als brandstof in mobiele of vaste stookinstallaties voor minerale-olie-producten en gebruik als brandstof in gesloten systemen.
  • 5. 
    In het geval van stoffen die uitsluitend autorisatieplichtig zijn omdat zij aan de criteria van artikel 57, onder a), b) of c), voldoen, of omdat zij uitsluitend vanwege gevaren voor de gezondheid van de mens overeenkomstig artikel 57, onder f), zijn aangewezen, zijn de leden 1 en 2 van dit artikel niet van toepassing op het volgende gebruik:
  • a) 
    gebruik in cosmetische producten die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 76/768/EEG vallen;

PB L 350 van 28.12.1998, blz. 58. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

  • b) 
    gebruik in met levensmiddelen in aanraking komende materialen die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1935/2004 vallen.
  • 6. 
    De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op het gebruik van stoffen wanneer zij aanwezig zijn in preparaten:
  • a) 
    onder een concentratiegrens van 0,1 gewichtsprocent (g/g), wat betreft de stoffen bedoeld in artikel 57, onder d), e) en f);
  • b) 
    onder de laagste van de in Richtlijn 1999/45/EG of in bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG vastgestelde concentratiegrenzen voor indeling van het preparaat als gevaarlijk, wat betreft alle overige stoffen.

Artikel 57

Stoffen die in bijlage XIV kunnen worden opgenomen

De volgende stoffen kunnen volgens de procedure van artikel 58 in bijlage XIV worden opgenomen:

  • a) 
    stoffen die overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG aan de criteria voor indeling als kanker-verwekkend, categorie 1 of 2, voldoen;
  • b) 
    stoffen die overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG aan de criteria voor indeling als mutageen, categorie 1 of 2, voldoen;
  • c) 
    stoffen die overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG aan de criteria voor indeling als giftig voor de voortplanting, categorie 1 of 2, voldoen;
  • d) 
    stoffen die volgens de criteria van bijlage XIII persistent, bioaccumulerend en toxisch zijn;
  • e) 
    stoffen die volgens de criteria van bijlage XIII zeer persistent en zeer bioaccumulerend zijn;
  • f) 
    stoffen, zoals die welke hormoonontregelende eigenschappen hebben of die welke persistente, bioaccumulerende en toxische eigenschappen of zeer persistente en zeer bioaccumulerende eigenschappen hebben, die niet aan de criteria onder d) en e) voldoen, ten aanzien waarvan wetenschappelijke aanwijzingen worden gevonden voor waar-schijnlijke ernstige gevolgen voor de gezondheid van de mens of voor het milieu die even zorgwekkend zijn als die van de stoffen die onder a) tot en met e) zijn vermeld en die per afzonderlijk geval volgens de procedure van artikel 59 worden vastgesteld.

Artikel 58

Opname van stoffen in bijlage XIV

  • 1. 
    Wanneer wordt besloten stoffen als bedoeld in artikel 57 in bijlage XIV op te nemen, wordt dat besluit volgens de in artikel 134, lid 4, bedoelde procedure genomen. In het besluit worden van elke stof de volgende gegevens vermeld:
  • a) 
    de identiteit van de stof overeenkomstig punt 2 van bijlage VI;
  • b) 
    de in artikel 57 bedoelde intrinsieke eigenschap of eigenschappen van de stof;
  • c) 
    overgangsregelingen:
  • i) 
    de datum of data vanaf wanneer het in de handel brengen en het gebruik van de stof verboden is, tenzij daarvoor een autorisatie is verleend, hierna "de verbodsdatum" genoemd, waarvoor, naargelang het geval, rekening moet worden gehouden met de voor dat gebruik omschreven productiecyclus;
  • ii) 
    een datum of data, ten minste 18 maanden voor de verbodsdatum of -data, waarop aanvragen moeten zijn ontvangen indien de aanvrager de stof wil blijven gebruiken of voor een bepaald gebruik in de handel wil blijven brengen na de verbodsdatum of -data; de voortzetting van het gebruik na de verbods-datum wordt toegestaan zolang geen besluit over de autorisatieaanvraag is genomen;
  • d) 
    in voorkomend geval, herbeoordelingstermijnen voor bepaalde vormen van gebruik;
  • e) 
    eventueel van de autorisatieplicht vrijgestelde vormen van gebruik of categorieen van gebruik, en de eventuele voorwaarden voor die vrijstellingen.
  • 2. 
    Vormen van gebruik of categorieen van gebruik kunnen van de autorisatieplicht worden vrijgesteld, mits het risico naar behoren wordt beheerst op grond van de bestaande specifieke Gemeenschapswetgeving die minimumeisen aan het gebruik van de stof stelt in verband met de bescherming van de gezondheid van de mens of het milieu. Bij de vaststelling van die vrijstellingen wordt in het bijzonder rekening gehouden met de evenredigheid van het risico voor de gezondheid van de mens en voor het milieu met de aard van de stof, bijvoorbeeld wanneer het risico verandert naargelang de fysische vorm.
  • 3. 
    Voordat een besluit wordt genomen over de opname van stoffen in bijlage XIV, doet het Agentschap, met inachtneming van het advies van het Comite lidstaten, aanbevelingen voor stoffen die met voorrang moeten worden opgenomen, waarbij voor elke stof de in

lid 1 genoemde gegevens worden vermeld. Normaliter wordt voorrang gegeven aan stoffen met:

  • a) 
    PBT- of zPzB-eigenschappen; of
  • b) 
    sterk verspreid gebruik; of

c)

grote hoeveelheden.

Bij de vaststelling van het aantal stoffen dat in bijlage XIV wordt opgenomen en de in lid 1 vermelde data wordt ook rekening gehouden met de capaciteit van het Agentschap om de aanvragen binnen de gestelde termijn te behandelen. Het Agentschap doet zijn eerste aanbeveling inzake stoffen die met voorrang in bijlage XIV moeten worden opgenomen, uiterlijk op 1 juni 2009. Het Agentschap doet ten minste om de twee jaar verdere aanbevelingen om additionele stoffen in bijlage XIV op te nemen.

  • 4. 
    Alvorens zijn aanbevelingen aan de Commissie te zenden, publiceert het Agentschap die op zijn website, onder duidelijke vermelding van de publicatiedatum en met inachtneming van de artikelen 118 en 119 inzake toegang tot informatie. Het Agentschap roept alle belanghebbende partijen op binnen drie maanden na de publicatiedatum opmerkingen te maken, in het bijzonder over vormen van gebruik die van de autorisatieplicht moeten worden vrijgesteld.

Het Agentschap past zijn aanbevelingen aan en houdt daarbij rekening met de ontvangen opmerkingen.

  • 5. 
    Behoudens lid 6 worden, nadat een stof in bijlage XIV is opgenomen, aan die stof geen nieuwe beperkingen gesteld volgens de procedure van titel VIII die betrekking heeft op de risico's voor de gezondheid van de mens of voor het milieu waarmee het gebruik van de stof als zodanig, in een preparaat of in een voorwerp gepaard gaat, als gevolg van de in bijlage XIV vermelde intrinsieke eigenschappen.
  • 6. 
    Nadat een stof in bijlage XIV is opgenomen, kunnen aan die stof nieuwe beperkingen worden gesteld volgens de procedure van titel VIII betreffende de risico's voor de gezondheid van de mens of voor het milieu als gevolg van de aanwezigheid van die stof in een voorwerp of voorwerpen.
  • 7. 
    Stoffen waarvan elk gebruik krachtens titel VIII of krachtens andere Gemeenschaps-wetgeving verboden is, worden niet in bijlage XIV opgenomen of worden daaruit geschrapt.
  • 8. 
    Stoffen die op grond van nieuwe informatie niet meer voldoen aan de criteria van artikel 57, worden uit bijlage XIV geschrapt volgens de in artikel 133, lid 4 bedoelde procedure.

Artikel 59

Vaststelling van de in artikel 57 bedoelde stoffen

  • 1. 
    De procedure van de leden 2 tot en met 10 van dit artikel wordt toegepast voor de vaststelling van stoffen die aan de criteria van artikel 57 voldoen en voor de opstelling van een lijst van stoffen die in aanmerking komen om uiteindelijk in bijlage XIV te worden opgenomen. Het Agentschap vermeldt op deze lijst de stoffen die volgens artikel 83, lid 3, onder e), deel uitmaken van zijn werkprogramma.
  • 2. 
    De Commissie kan het Agentschap verzoeken een dossier overeenkomstig de desbetreffende punten van bijlage XV op te stellen voor stoffen die naar haar oordeel aan de criteria van artikel 57 voldoen. Het dossier kan, indien opportuun, beperkt blijven tot een verwijzing naar een vermelding in bijlage I van Richtlijn 67/548/EEG. Het Agentschap stelt dit dossier ter beschikking van de lidstaten.
  • 3. 
    Elke lidstaat kan een dossier overeenkomstig bijlage XV opstellen voor stoffen die naar zijn oordeel aan de criteria van artikel 57 voldoen en dat dossier naar het Agentschap zenden. Het dossier kan, indien opportuun, beperkt blijven tot een verwijzing naar een vermelding in bijlage I van Richtlijn 67/548/EEG. Het Agentschap stelt dit dossier binnen dertig dagen na ontvangst ter beschikking van de overige lidstaten.
  • 4. 
    Het Agentschap plaatst op haar website een bericht dat voor een stof een dossier overeenkomstig bijlage XV is opgesteld. Het Agentschap nodigt alle belanghebbende partijen uit om binnen een vastgestelde termijn hun opmerkingen aan het Agentschap te doen toekomen.
  • 5. 
    De overige lidstaten of het Agentschap kunnen binnen zestig dagen na de verspreiding opmerkingen over de identificatie van de stof met betrekking tot de criteria van artikel 57 in het dossier aan het Agentschap doen toekomen.
  • 6. 
    Indien het Agentschap geen opmerkingen ontvangt of maakt, neemt het de stof in de in lid 1 bedoelde lijst op. Het Agentschap kan die stof opnemen in zijn aanbevelingen, als bedoeld in artikel 58, lid 3.
  • 7. 
    Wanneer opmerkingen worden ontvangen of gemaakt, legt het Agentschap het dossier binnen 15 dagen na het verstrijken van de in lid 5 bedoelde termijn van zestig dagen aan het Comite lidstaten voor.
  • 8. 
    Indien het Comite lidstaten binnen dertig dagen na de voorlegging met eenparigheid van stemmen overeenstemming bereikt over de identificatie, neemt het Agentschap de stof in de in lid 1 bedoelde lijst op. Het Agentschap kan die stof opnemen in zijn aanbevelingen, als bedoeld in artikel 58, lid 3.
  • 9. 
    Indien het Comite lidstaten geen overeenstemming met eenparigheid van stemmen bereikt, stelt de Commissie binnen drie maanden na ontvangst van het advies van het Comite lidstaten een ontwerp-voorstel op over de identificatie van de stof. Het uiteindelijke besluit over de identificatie van de stof wordt genomen volgens de in artikel 133, lid 3, bedoelde procedure.
  • 10. 
    Het Agentschap publiceert en actualiseert de in lid 1 bedoelde lijst onverwijld op zijn website nadat er een besluit over de opneming van een stof is genomen.

31.

Hoofdstuk 2

32.

Verlening van autorisaties

Artikel 60

Verlening van autorisaties

  • 1. 
    De Commissie is verantwoordelijk voor het nemen van besluiten over autorisatieaanvragen overeenkomstig deze titel.
  • 2. 
    Onverminderd het bepaalde in lid 3 wordt een autorisatie verleend indien het risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu van het gebruik van een stof als gevolg van de in bijlage XIV vermelde intrinsieke eigenschappen afdoende wordt beheerst overeenkomstig bijlage I, punt 6,4, en overeenkomstig de documentatie in het chemische veiligheidsrapport van de aanvrager, waarbij rekening wordt gehouden met het advies van het Comite risicobeoordeling zoals bedoeld in artikel 64, lid 4 onder a). Bij het verlenen van autorisatie, en onder alle daarin vermelde voorwaarden, houdt de Commissie rekening met alle lozingen, emissies en verliezen, met inbegrip van risico's als gevolg van diffus of wijdverbreid gebruik, die op het tijdstip van het besluit bekend zijn.

De Commissie houdt geen rekening met risico's voor de gezondheid van de mens ten gevolge van het gebruik van een stof in een medisch hulpmiddel waarop Richtlijn 90/385/EEG van de Raad van 20 juni 1990 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake actieve implanteerbare medische hulpmiddelen1, Richtlijn 93/42/EEG van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen2 of Richtlijn 98/79/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 1998 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek3 van toepassing is.

  • 3. 
    Lid 2 is niet van toepassing op:
  • a) 
    stoffen die voldoen aan de criteria van artikel 57, onder a), b), c) of f), waarvoor geen drempelwaarde als bedoeld in bijlage I, punt 6.4, kan worden vastgesteld;
  • b) 
    stoffen die voldoen aan de criteria van artikel 57, onder d) of e);

PB L 189 van 20.7.1990, blz. 17. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

PB L 169 van 12.7.1993, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

PB L 331 van 7.12.1998, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

  • c) 
    stoffen zoals vermeld in artikel 57, onder f), die persistente, bioaccumulerende en toxische eigenschappen of zeer persistente en zeer bioaccumulerende eigenschappen hebben.
  • 4. 
    Indien krachtens lid 2 geen autorisatie kan worden verleend, of in geval van in lid 3

bedoelde stoffen, kan een autorisatie alleen worden verleend wanneer wordt aangetoond dat de sociaal-economische voordelen zwaarder wegen dan het risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu van het gebruik van de stof en er geen geschikte alternatieve stoffen of technieken zijn. Hierover wordt besloten nadat de volgende elementen zijn overwogen en rekening is gehouden met de adviezen van het Comite risicobeoordeling en Comite sociaal-economische analyse zoals vermeld in artikel 64, lid 4, onder a) en b):

  • a) 
    het risico dat het gebruik van de stof met zich meebrengt, met inbegrip van de geschiktheid en de doeltreffendheid van de voorgestelde risicobeheersmaatregelen;
  • b) 
    de sociaal-economische voordelen van het gebruik van de stof en de sociaal-economische gevolgen van de weigering om een autorisatie te verlenen die de aanvrager of andere belanghebbende partijen aantonen;
  • c) 
    de door de aanvrager krachtens artikel 62, lid 4, onder e) ingediende analyse van de alternatieven of een eventueel door de aanvrager voorgelegd vervangingsplan krachtens artikel 62, lid 4, onder f), en eventuele krachtens artikel 64, lid 2, ingediende bijdragen van derden;
  • d) 
    de beschikbare informatie over de risico's voor de gezondheid van de mens of voor het milieu van eventuele alternatieve stoffen of technieken.
  • 5. 
    Bij haar beoordeling van de vraag of er geschikte alternatieve stoffen of technieken beschikbaar zijn, houdt de Commissie rekening met alle relevante aspecten, met inbegrip van:
  • a) 
    de vraag of de overschakeling op alternatieven leidt tot verlaging van het algehele risico voor de gezondheid van de mens en het milieu, rekening houdend met de geschiktheid en de doeltreffendheid van risicobeheersmaatregelen;
  • b) 
    de vraag of alternatieven voor de aanvrager technisch en economisch haalbaar zijn.
  • 6. 
    Voor een bepaald gebruik wordt geen autorisatie verleend indien dat zou betekenen dat een in bijlage XVII vermelde beperking wordt versoepeld.
  • 7. 
    Een autorisatie wordt uitsluitend verleend indien de aanvraag in overeenstemming is met de voorschriften van artikel 62.
  • 8. 
    Autorisaties zijn gebonden aan herbeoordeling binnen een bepaalde termijn, zonder dat hiermee vooruitgelopen wordt op besluiten over toekomstige herbeoordelingstermijnen en zijn in de regel aan voorwaarden, waaronder toezicht, onderworpen. De duur van een tijdsgebonden herbeoordeling wordt per geval vastgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met alle relevante informatie, met inbegrip van de elementen zoals vermeld in lid 4, onder a) t/m d), indien van toepassing.
  • 9. 
    In de autorisatie worden de volgende gegevens vermeld:
  • a) 
    de persoon of personen aan wie de autorisatie wordt verleend;
  • b) 
    de identiteit van de stoffen;
  • c) 
    de vormen van gebruik waarvoor de autorisatie wordt verleend;
  • d) 
    eventuele aan de autorisatie verbonden voorwaarden;
  • e) 
    de herbeoordelingstermijn;
  • f) 
    een eventuele toezichtregeling.
  • 10. 
    Niettegenstaande de eventuele voorwaarden van een autorisatie zorgt de houder van de

autorisatie ervoor dat de blootstelling tot het laagste technisch en praktisch haalbare niveau wordt beperkt.

Artikel 61

Herbeoordeling van autorisaties

  • 1. 
    Overeenkomstig artikel 60 verleende autorisaties worden als geldig beschouwd totdat de

Commissie in het kader van een herbeoordeling besluit om een autorisatie te wijzigen of in te trekken, mits de houder van de autorisatie binnen 18 maanden voor het verstrijken van de herbeoordelingstermijn een herbeoordelingsverslag indient. Behoudens de tweede, derde en vierde alinea, kan de houder van een autorisatie, in plaats van voor de nieuwe aanvraag alle elementen van de oorspronkelijke aanvraag opnieuw in te dienen, uitsluitend het nummer van de huidige autorisatie vermelden.

De houder van een overeenkomstig artikel 60 verleende autorisatie dient een geactualiseerde versie van de analyse van de alternatieven, zoals bedoeld in artikel 62, lid 4, onder e), met inbegrip, waar passend, van informatie over alle relevante door de aanvrager uitgevoerde onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten, en een eventueel krachtens artikel 62, lid 4, onder f), voorgelegd vervangingsplan in. Indien uit de geactualiseerde versie van de analyse van de alternatieven blijkt dat er, rekening houdend met de in artikel 60, lid 5, genoemde elementen, een geschikt alternatief beschikbaar is, dient hij een vervangingsplan in, met inbegrip van een tijdschema voor voorgestelde acties van de aanvrager. Indien de houder niet kan aantonen dat het risico afdoende wordt beheerst, dient hij eveneens bijgewerkte versies in van de sociaal-economische analyse in de oorspronkelijke aanvraag.

Indien hij dan wel kan aantonen dat het risico afdoende wordt beheerst, dient hij een bijgewerkte versie van het chemische veiligheidsrapport in.

Indien andere elementen van de oorspronkelijke aanvraag zijn gewijzigd, dient hij eveneens bijgewerkte versies van die elementen in.

Wanneer geactualiseerde informatie overeenkomstig dit lid wordt ingediend, wordt een besluit tot wijziging of intrekking van de autorisatie in de context van de herbeoordeling genomen overeenkomstig de procedure van artikel 64, die mutatis mutandis zal worden toegepast.

  • 2. 
    Autorisaties kunnen op elk moment opnieuw worden beoordeeld indien:
  • a) 
    de omstandigheden van de oorspronkelijke autorisatie zodanig zijn gewijzigd dat het risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu, of de sociaal-economische gevolgen zijn veranderd; of
  • b) 
    nieuwe informatie over mogelijke vervangingsmiddelen beschikbaar komt.

De Commissie stelt een redelijke uiterste termijn vast waarbinnen de houder of houders van de autorisatie nadere informatie kunnen verstrekken die voor de herbeoordeling nodig is en zij deelt mede wanneer zij overeenkomstig artikel 64 een besluit zal nemen.

  • 3. 
    Bij de herbeoordeling kan de Commissie, indien de omstandigheden zijn gewijzigd en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, de autorisatie wijzigen of de autorisatie met onmiddellijke ingang intrekken indien deze onder de gewijzigde omstandigheden niet zou zijn verleend of indien er geschikte alternatieven overeenkomstig artikel 60, lid 5, beschikbaar komen. In het laatstgenoemde geval verlangt de Commissie van de houder van de autorisatie dat hij een vervangingsplan indient ingeval een dergelijk plan nog niet was ingediend als onderdeel van zijn aanvraag of actualisering.

In gevallen waarin een ernstig en direct risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu bestaat, kan de Commissie de autorisatie hangende de herbeoordeling schorsen, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel.

  • 4. 
    Indien niet wordt voldaan aan een milieukwaliteitsnorm als bedoeld in Richtlijn 96/61/EG, kunnen de voor het gebruik van de betrokken stof verleende autorisaties opnieuw worden bezien.
  • 5. 
    Indien niet wordt voldaan aan de milieudoelstellingen als bedoeld in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2000/60/EG, kunnen de voor het gebruik van de betrokken stof in het betrokken stroomgebied verleende autorisaties opnieuw worden bezien.
  • 6. 
    Indien een bepaald gebruik van een stof vervolgens overeenkomstig Verordening nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen1 wordt verboden of anderszins beperkt, trekt de Commissie de autorisatie voor dat gebruik in.

Artikel 62

Autorisatieaanvragen

  • 1. 
    Autorisaties worden bij het Agentschap aangevraagd.
  • 2. 
    Autorisaties kunnen worden aangevraagd door de fabrikant(en), importeur(s) en/of downstreamgebruiker(s) van de stof. Aanvragen kunnen door een of meer personen worden ingediend.
  • 3. 
    Aanvragen kunnen worden ingediend voor een of meer stoffen waarop de definitie voor groep van stoffen in punt 1.5 van bijlage IX van toepassing is en voor een of meer vormen van gebruik. Aanvragen kunnen worden ingediend voor eigen gebruik van de aanvrager en/of voor gebruik waarvoor hij voornemens is de stof in de handel te brengen.

PB L 158 van 30.4.2004, blz. 7. Rectificatie in PB L 229 van 29.6.2004, blz. 5.

  • 4. 
    Een autorisatieaanvraag bevat de volgende informatie:
  • a) 
    de identiteit van de stoffen, overeenkomstig punt 2 van bijlage VI;
  • b) 
    de naam en de contactgegevens van de persoon of personen die de aanvraag indienen;
  • c) 
    een verzoek om verlening van een autorisatie, met vermelding van de vormen van gebruik waarvoor de autorisatie wordt aangevraagd, die in voorkomend geval het gebruik van de stof in preparaten en/of de opname van de stof in voorwerpen omvatten;
  • d) 
    een chemisch veiligheidsrapport overeenkomstig bijlage I waarin de risico's voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu van het gebruik van de stoffen als gevolg van de in bijlage XIV vermelde intrinsieke eigenschappen aan de orde komen, tenzij dit verslag reeds ten behoeve van de registratie is ingediend;
  • e) 
    een analyse van de alternatieven waarin de risico's van die alternatieven en de technische en economische haalbaarheid van vervanging worden beoordeeld, met inbegrip, waar passend, van informatie over alle relevante door de aanvrager uitgevoerde onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten;
  • f) 
    indien uit de onder e) bedoelde analyse blijkt dat er, rekening houdend met de in artikel 60, lid 5), genoemde elementen, geschikte alternatieven beschikbaar zijn, dient hij een vervangingsplan in, met inbegrip van een tijdschema voor voorgestelde acties van de aanvrager.
  • 5. 
    De aanvraag kan het volgende bevatten:
  • a) 
    een overeenkomstig bijlage XVI uitgevoerde sociaal-economische analyse;
  • b) 
    een motivering van het buiten beschouwing laten van risico's voor de gezondheid van de mens en voor het milieu ten gevolge van:
  • i) 
    emissies van een stof uit een installatie waarvoor overeenkomstig Richtlijn 96/61/EG een autorisatie is verleend; of
  • ii) 
    lozingen van een stof uit een puntbron die valt onder de vereiste voorafgaande regulering als bedoeld in artikel 11, lid 3, onder g), van Richtlijn 2000/60/EG en wetgeving die is goedgekeurd krachtens artikel 16 van die richtlijn.
  • 6. 
    De aanvraag bevat niet de risico's voor de gezondheid van de mens ten gevolge van het gebruik van een stof in een medisch hulpmiddel waarop Richtlijn 90/385/EEG, 93/42/EEG of 98/79/EG van toepassing is.
  • 7. 
    Bij de indiening van een autorisatieaanvraag wordt de overeenkomstig titel IX vereiste vergoeding betaald.

Artikel 63

Latere autorisatieaanvragen

  • 1. 
    Indien een aanvraag voor een bepaald gebruik van een stof is ingediend, kan een latere aanvrager verwijzen naar de toepasselijke delen van de eerdere aanvraag die overeenkomstig artikel 62, lid 4, onder d), e) en f), en lid 5, onder a), is ingediend, mits de latere aanvrager van de eerdere aanvrager de toestemming heeft gekregen om naar deze delen van de aanvraag te verwijzen.
  • 2. 
    Indien een aanvraag voor een bepaald gebruik van een stof is verleend, kan een latere aanvrager via een door de eerdere aanvrager verleende verklaring van toegang verwijzen naar de toepasselijke delen van de eerdere aanvraag die overeenkomstig artikel 62, lid 4, onder d), e) en f), en lid 5, onder a), is ingediend, mits de latere aanvrager van de houder van de autorisatie de toestemming heeft gekregen om naar deze delen van de aanvraag te verwijzen.
  • 3. 
    Alvorens te verwijzen naar een eerdere aanvraag overeenkomstig de leden 1 en 2 actualiseert de latere aanvrager zo nodig de informatie van de oorspronkelijke aanvraag.

Artikel 64

Procedure voor besluiten over autorisaties

Het Agentschap bevestigt de ontvangstdatum van de aanvraag. Het Comite risico-beoordeling en het Comite sociaal-economische analyse van het Agentschap brengen binnen tien maanden na de ontvangstdatum van de aanvraag hun ontwerp-adviezen uit.

  • 2. 
    Het Agentschap stelt, met inachtneming van de artikelen 118 en 119 inzake toegang tot informatie, op zijn website algemene informatie beschikbaar over het gebruik waarvoor aanvragen zijn ontvangen en over herbeoordelingen van autorisaties, en vermeldt daarbij de uiterste termijn waarbinnen belanghebbende derden informatie over alternatieve stoffen of technieken kunnen indienen.
  • 3. 
    Bij de opstelling van hun adviezen controleren de in lid 1 genoemde comites eerst of de aanvraag alle in artikel 62 vermelde informatie bevat die voor de bevoegdheid van het comite van belang is. Zo nodig richten de comites in onderling overleg een gezamenlijk verzoek aan de aanvrager om nadere informatie om de aanvraag in overeenstemming te brengen met de eisen van artikel 62. Het Comite sociaal-economische analyse kan, indien het dat noodzakelijk acht, de aanvrager ertoe verplichten dan wel een derde verzoeken binnen de gestelde termijn aanvullende informatie over mogelijke alternatieve stoffen of technologies in te dienen. Elk comite houdt tevens rekening met informatie die door derden is verstrekt.
  • 4. 
    De ontwerpadviezen omvatten de volgende elementen:
  • a) 
    Comite risicobeoordeling: een beoordeling van het risico voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu van de in de aanvraag beschreven vormen van gebruik van de stof, met inbegrip van de geschiktheid en de doeltreffendheid van de risicobeheersmaatregelen, en, indien relevant, een beoordeling van de risico's die aan de mogelijke alternatieven verbonden zijn;
  • b) 
    Comite sociaal-economische analyse: een beoordeling van de sociaal-economische factoren, alsmede van de beschikbaarheid, geschiktheid en technische haalbaarheid van alternatieven, in verband met de in de aanvraag beschreven vormen van gebruik van de stof, indien de aanvraag overeenkomstig artikel 62 wordt ingediend, en van de bijdragen van elke derde partij, conform lid 2 van dit artikel.
  • 5. 
    Het Agentschap zendt deze ontwerp-adviezen naar de aanvrager voordat de in lid 1

vermelde uiterste termijn is verstreken. De aanvrager kan binnen een maand na ontvangst van het ontwerp-advies schriftelijk te kennen geven dat hij opmerkingen wenst te maken. Zeven dagen nadat het ontwerp-advies door het Agentschap is verzonden, wordt het geacht te zijn ontvangen.

Indien de aanvrager geen opmerkingen wenst te maken, zendt het Agentschap binnen 15 dagen na het verstrijken van de termijn waarbinnen de aanvrager opmerkingen kan maken of binnen 15 dagen na ontvangst van de mededeling dat de aanvrager geen opmerkingen wenst te maken, de adviezen naar de Commissie, de lidstaten en de aanvrager.

Indien de aanvrager opmerkingen wenst te maken, stuurt hij binnen twee maanden na ontvangst van het ontwerp-advies zijn schriftelijke argumentatie naar het Agentschap. Binnen twee maanden na ontvangst van de schriftelijke argumentatie nemen de comites de opmerkingen in overweging en stellen zij hun definitieve adviezen vast, waarbij zij, indien dit passend is, rekening houden met de argumentatie. Binnen een termijn van nog eens 15 dagen zendt het Agentschap de adviezen, waaraan het de schriftelijke argumentatie als aanhangsel toevoegt, naar de Commissie, de lidstaten en de aanvrager.

  • 6. 
    Het Agentschap bepaalt overeenkomstig de artikelen 118 en 119 welke delen van zijn adviezen en van eventuele bijbehorende aanhangsels op zijn website openbaar worden gemaakt.
  • 7. 
    In de gevallen waarop artikel 63, lid 1, betrekking heeft, behandelt het Agentschap de aanvragen gezamenlijk, mits de uiterste termijnen voor de eerste aanvraag kunnen worden gehaald.
  • 8. 
    De Commissie stelt binnen drie maanden na ontvangst van de adviezen van het Agentschap een ontwerp-besluit betreffende de autorisatie op. Het uiteindelijke besluit tot verlening of weigering van de autorisatie wordt vastgesteld volgens de in artikel 133, lid 2, bedoelde procedure.
  • 9. 
    Samenvattingen van de besluiten van de Commissie, met vermelding van het nummer van de autorisatie en de gronden voor het besluit, in het bijzonder wanneer er geschikte alternatieven bestaan, worden in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt en worden voor het publiek beschikbaar gesteld in een databank die het Agentschap opzet en bijhoudt.
  • 10. 
    In de gevallen waarop artikel 63, lid 2, betrekking heeft, wordt de in lid 1 van dit artikel bedoelde uiterste termijn tot vijf maanden bekort.

33.

Hoofdstuk 3

34.

Autorisaties in de toeleveringsketen

Artikel 65

Verplichtingen van bonders van een autorisatie

Onverminderd de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG vermelden houders van een autorisatie en downstreamgebruikers als bedoeld in artikel 56, lid 2, die de stoffen in een preparaat opnemen, het nummer van de autorisatie op het etiket voordat een stof of een preparaat dat de stof bevat, voor een bepaald toegelaten gebruik in de handel wordt gebracht. Dit dient onverwijld te geschieden zodra het nummer van de autorisatie overeenkomstig artikel 64, lid 9, voor het publiek beschikbaar is gesteld.

Artikel 66

Downstreamgebruikers

  • 1. 
    Downstreamgebruikers die een stof overeenkomstig artikel 56, lid 2, gebruiken, stellen het Agentschap daarvan binnen drie maanden na de eerste levering van de stof op de hoogte.
  • 2. 
    Het Agentschap stelt een register op van de downstreamgebruikers die overeenkomstig

lid 1 een mededeling hebben gedaan en houdt dit bij. Het Agentschap verleent de bevoegde instanties van de lidstaten toegang tot dit register.

TITEL VIII

BEPERKINGEN OP DE VERVAARDIGING,

HET IN DE HANDEL BRENGEN EN HET GEBRUIK VAN BEPAALDE GEVAARLIJKE STOFFEN EN PREPARATEN

35.

Hoofdstuk 1

36.

Algemene aspecten

Artikel 67

Algemene bepalingen

  • 1. 
    Een stof als zodanig of in een preparaat of voorwerp waarvoor in bijlage XVII een beperking is opgenomen, mag niet worden vervaardigd, in de handel worden gebracht of worden gebruikt tenzij aan de voorwaarden van die beperking wordt voldaan. Dit geldt niet voor de vervaardiging, het in de handel brengen en het gebruik van een stof bij weten-schappelijk onderzoek en wetenschappelijke ontwikkeling. In bijlage XVII wordt bepaald wanneer de beperking niet van toepassing is op onderzoek en ontwikkeling gericht op producten en procedes en wordt de vrijgestelde maximumhoeveelheid gespecificeerd.
  • 2. 
    Lid 1 is niet van toepassing op het gebruik van stoffen in cosmetische producten, als gedefinieerd in Richtlijn 76/768/EEG, wat betreft beperkingen die betrekking hebben op de risico's voor de gezondheid van de mens binnen het toepassingsgebied van die richtlijn.
  • 3. 
    Tot 1 juni 2013 kan een lidstaat bestaande en strengere met bijlage XVII verband

houdende beperkingen van de vervaardiging, het in de handel brengen en het gebruik van een stof handhaven, mits van die beperkingen kennis is gegeven overeenkomstig het Verdrag. De Commissie stelt een overzicht van deze beperkingen op en publiceert dit uiterlijk op 1 juni 2009.

37.

Hoofdstuk 2

38.

Procedure voor beperkingen

Artikel 68

Invoering van nieuwe beperkingen en wijziging van bestaande beperkingen

  • 1. 
    Wanneer aan de vervaardiging, het gebruik of het in de handel brengen van stoffen een

onaanvaardbaar risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu is verbonden dat een aanpak op Gemeenschapsniveau vereist, wordt bijlage XVII volgens de in artikel 133, lid 4, bedoelde procedure zodanig gewijzigd dat aan de vervaardiging, het gebruik of het in de handel brengen van de stoffen, als zodanig of in preparaten of voorwerpen, nieuwe beperkingen worden gesteld of bestaande beperkingen van die bijlage worden gewijzigd volgens de procedure van de artikelen 69 tot en met 73. Voor een dergelijk besluit wordt rekening gehouden met het sociaal-economische effect van de beperking, met inbegrip van de beschikbaarheid van alternatieven.

De eerste alinea is niet van toepassing op het gebruik van een stof als locatiegebonden gei'soleerd tussenproduct.

  • 2. 
    Voor een stof als zodanig, in een preparaat of in een voorwerp die aan de criteria voor indeling als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting, categorieen 1 en 2, voldoet, die door consumenten zou kunnen worden gebruikt, en waarvoor de Commissie beperkingen op het gebruik door consumenten voorstelt, wordt bijlage XVII volgens de in artikel 133, lid 4, bedoelde procedure gewijzigd. De artikelen 69 tot en met 73 zijn niet van toepassing.

Artikel 69

Opstelling van een voorstel

  • 1. 
    Indien de Commissie van oordeel is dat de vervaardiging, het in de handel brengen of het gebruik van een stof als zodanig of in een preparaat of voorwerp een risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu met zich meebrengt dat niet afdoende wordt beheerst en moet worden aangepakt, verzoekt zij het Agentschap een dossier samen te stellen overeenkomstig de voorschriften van bijlage XV.
  • 2. 
    Na de in artikel 58, lid 1, onder c), punt i), bedoelde datum voor een stof die in bijlage XIV is opgenomen, beoordeelt het Agentschap of het gebruik van deze stof in voorwerpen een niet afdoende beheerst risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu met zich meebrengt. Indien het Agentschap van oordeel is dat het risico niet afdoende wordt beheerst, stelt het een dossier samen overeenkomstig de voorschriften van bijlage XV.
  • 3. 
    Indien uit dat dossier blijkt dat het risico aanvaardbaar is en er derhalve, naast de eventueel reeds genomen maatregelen, maatregelen op Gemeenschapsniveau nodig zijn, stelt het Agentschap binnen 12 maanden na ontvangst van het verzoek van de Commissie in de zin van lid 1 beperkingen voor teneinde de procedure voor beperkingen op gang te brengen.
  • 4. 
    Indien een lidstaat van oordeel is dat de vervaardiging, het in de handel brengen of het gebruik van een stof als zodanig of in een preparaat of voorwerp een risico voor de gezondheid van de mens of voor het milieu met zich meebrengt dat niet afdoende wordt beheerst en moet worden aangepakt, deelt hij het Agentschap mede voornemens te zijn een dossier samen te stellen overeenkomstig de voorschriften van de desbetreffende punten van bijlage XV. Indien de stof niet voorkomt in de door het Agentschap beheerde lijst van lid 5 van dit artikel, stelt de lidstaat binnen 12 maanden na de mededeling aan het Agentschap een dossier samen overeenkomstig de voorschriften van bijlage XV. Indien uit dat dossier blijkt dat, naast de eventueel reeds genomen maatregelen, maatregelen op Gemeenschaps-niveau nodig zijn, zendt de lidstaat het dossier in de in bijlage XV beschreven indeling naar het Agentschap teneinde de procedure voor beperkingen op gang te brengen.

Het Agentschap of de lidstaten raadplegen alle dossiers, chemische veiligheidsrapporten of risicobeoordelingen die krachtens deze verordening bij het Agentschap of de lidstaten zijn ingediend. Ook raadplegen het Agentschap of de lidstaten alle toepasselijke risicobeoordelingen die ten behoeve van andere communautaire verordeningen of richtlijnen zijn ingediend. Andere lichamen, zoals bureaus die overeenkomstig het Gemeenschapsrecht zijn opgericht en een soortgelijke taak verrichten, verstrekken het Agentschap of de betrokken lidstaat daartoe op verzoek informatie.

Het Comite risicobeoordeling en het Comite sociaal-economische analyse controleren of het ingediende dossier met de voorschriften van bijlage XV overeenstemt. Binnen dertig dagen na ontvangst deelt het respectieve comite het Agentschap of de lidstaat die beperkingen voorstelt mee of het dossier met die voorschriften overeenstemt. Indien het dossier daarmee niet overeenstemt, worden het Agentschap of de lidstaat binnen 45 dagen na ontvangst schriftelijk de redenen meegedeeld. Het Agentschap of de lidstaat brengt het dossier binnen 60 dagen na ontvangst van de redenen van de Comites in overeenstemming met de voorschriften; anders wordt de procedure van dit hoofdstuk beeindigd. Het Agentschap maakt onverwijld het voornemen van de Commissie of een lidstaat bekend om een procedure voor een beperking ten aanzien van een stof in te leiden, en stelt degenen die een registratie voor die stof hebben ingediend daarvan op de hoogte.

  • 5. 
    Het Agentschap beheert een lijst van stoffen waarvoor door het Agentschap of een lidstaat met het oog op een voorgestelde beperking een dossier dat aan de eisen van bijlage XV voldoet, wordt of zal worden samengesteld. Indien een stof in die lijst voorkomt, wordt er geen ander dossier samengesteld. Indien door een lidstaat of het Agentschap wordt voor-gesteld een in bijlage XVII vermelde beperking te heroverwegen, wordt daarover volgens de in artikel 133, lid 2, bedoelde procedure een besluit genomen op basis van door de lidstaat of het Agentschap ingediende informatie.
  • 6. 
    Onverminderd de artikelen 118 en 119, publiceert het Agentschap onverwijld op zijn

website alle dossiers die aan bijlage XV voldoen, inclusief de overeenkomstig de leden 3 en 4 van dit artikel voorgestelde beperkingen, waarbij de publicatiedatum duidelijk wordt vermeld. Het Agentschap roept alle belanghebbende partijen op binnen zes maanden na de publicatiedatum individueel of gezamenlijk:

  • a) 
    opmerkingen over de dossiers en de voorgestelde beperkingen te maken;
  • b) 
    een sociaal-economische analyse van de voorgestelde beperkingen, of informatie die daartoe kan bijdragen, in te dienen, waarbij de voor- en nadelen van de voorgestelde beperkingen worden onderzocht. Deze analyse moet met de voorschriften van bijlage XVI overeenstemmen.

Artikel 70

Advies van het Agentschap: Comite risicobeoordeling

Binnen negen maanden na de in artikel 69, lid 6, bedoelde publicatiedatum brengt het Comite risicobeoordeling op grond van zijn beoordeling van de relevante delen van het dossier advies uit over de vraag of de voorgestelde beperkingen geschikt zijn om het risico voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu terug te dringen. In dit advies wordt rekening gehouden met het dossier van de lidstaat of met het dossier dat op verzoek van de Commissie door het Agentschap is samen-gesteld, en met de opmerkingen van de belanghebbende partijen, als bedoeld in artikel 69, lid 3, onder a).

Artikel 71

Advies van het Agentschap: Comite sociaal-economische analyse

  • 1. 
    Binnen twaalf maanden na de in artikel 69, lid 6, bedoelde publicatiedatum brengt het Comite sociaal-economische analyse op grond van zijn beoordeling van de toepasselijke delen van het dossier en de sociaal-economische gevolgen advies uit over de voorgestelde beperkingen. Het stelt een ontwerp-advies op over de voorgestelde beperkingen en de sociaal-economische gevolgen ervan, waarbij rekening wordt gehouden met de eventuele analyses en informatie als bedoeld in artikel 69, lid 6, onder b). Het Agentschap publiceert het ontwerp-advies onverwijld op zijn website. Het Agentschap roept belanghebbende partijen op uiterlijk binnen zestig dagen na de publicatie van het ontwerp-advies opmerkingen ter zake in te dienen.
  • 2. 
    Het Comite sociaal-economische analyse keurt onverwijld zijn advies goed, waarbij het, indien passend, rekening houdt met de nadere opmerkingen die binnen de gestelde termijn zijn ontvangen. In dit advies wordt rekening gehouden met de overeenkomstig artikel 68, lid 6, onder b), en lid 1 van dit artikel ingediende opmerkingen en sociaal-economische analyses van belanghebbende partijen.
  • 3. 
    Wanneer het advies van het Comite risicobeoordeling aanzienlijk afwijkt van de voorgestelde beperkingen, kan het Agentschap de termijn voor het advies van het Comite sociaal-economische analyse met maximaal negentig dagen verlengen.

Artikel 72

Voorlegging van een advies aan de Commissie

  • 1. 
    Het Agentschap dient de adviezen van het Comite risicobeoordeling en het Comite sociaal-economische analyse over de voorgestelde beperkingen voor stoffen als zodanig of in preparaten of voorwerpen onverwijld bij de Commissie in. Indien een of beide comites niet binnen de in artikel 70 en artikel 71, lid 1, gestelde termijn advies uitbrengen, stelt het Agentschap de Commissie daarvan op de hoogte, met vermelding van de redenen.
  • 2. 
    Onverminderd de artikelen 118 en 119, publiceert het Agentschap de adviezen van de twee comites onverwijld op zijn website.
  • 3. 
    Het Agentschap verstrekt de Commissie en/of een lidstaat op verzoek alle documenten en bewijzen die het heeft ontvangen of overwogen.

Artikel 73

Besluit van de Commissie

  • 1. 
    Indien aan de voorwaarden van artikel 68 is voldaan, stelt de Commissie binnen drie maanden na ontvangst van het advies van het Comite sociaal-economische analyse, of, indien dit eerder is, na het verstrijken van de krachtens artikel 71 gestelde termijn indien dat comite geen advies uitbrengt, een ontwerp tot wijziging van bijlage XVII op.

Wanneer in de ontwerp-wijziging wordt afgeweken van het oorspronkelijke voorstel of de adviezen van het Agentschap niet in aanmerking worden genomen, geeft de Commissie een uitvoerige toelichting op de redenen voor de verschillen.

  • 2. 
    Het uiteindelijke besluit wordt vastgesteld volgens de in artikel 133, lid 4, bedoelde procedure. De Commissie zendt de ontwerp-wijziging ten minste 45 dagen voor de stemming aan de lidstaten toe.

TITELIX

VERGOEDINGEN

Artikel 74 Vergoedingen

  • 1. 
    De krachtens artikel 6, lid 4, artikel 7, leden 1 en 4, artikel 9, lid 2, artikel 11, lid 4, artikel 17, lid 2, artikel 18, lid 2, artikel 19, lid 3, artikel 22, lid 5, artikel 62, lid 7, en artikel 92, lid 3, vereiste vergoedingen worden vastgesteld in een verordening van de Commissie die uiterlijk op 1 juni 2008 volgens de in artikel 133, lid 3, bedoelde procedure wordt aangenomen.
  • 2. 
    Voor registratie van een stof in een hoeveelheid tussen 1 en 10 ton behoeft geen vergoeding te worden betaald indien het registratiedossier de volledige informatie in bijlage VII bevat.
  • 3. 
    De structuur en de hoogte van de in lid 1 bedoelde vergoedingen worden zo bepaald dat rekening wordt gehouden met de in het kader van deze verordening vereiste werklast voor het Agentschap en de bevoegde instantie, en de opbrengsten ervan in combinatie met andere inkomstenbronnen van het Agentschap overeenkomstig artikel 96, lid 1, toereikend zijn om de kosten van de verrichte diensten te dekken. Bij het bepalen van de vergoedingen voor registratie wordt rekening gehouden met de werkzaamheden die overeenkomstig titel VI kunnen worden verricht.

In het geval van artikel 6, lid 4, artikel 7, leden 1 en 5, artikel 9, lid 2, artikel 11, lid 4, artikel 17, lid 2, en artikel 18, lid 2, wordt bij het bepalen van de structuur en de hoogte van de vergoedingen rekening gehouden met de hoeveelheidsklasse van de te registreren stof.

In alle gevallen wordt er een lagere vergoeding voor kleine en middelgrote ondernemingen vastgesteld.

In het geval van artikel 11, lid 4, wordt bij de specificatie en de hoogte van de vergoedingen rekening gehouden met de gezamenlijke dan wel afzonderlijke indiening van de informatie.

In geval van een verzoek overeenkomstig artikel 10 bis, onder xi), wordt bij het bepalen van de structuur en de hoogte van de vergoedingen rekening gehouden met de werklast van het Agentschap voor de beoordeling van de verantwoording.

  • 4. 
    In de in lid 1 bedoelde verordening is bepaald in welke omstandigheden een deel van de vergoedingen aan de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat wordt overgedragen.
  • 5. 
    Het Agentschap kan kosten aanrekenen voor de andere van zijn geleverde diensten.

TITEL X

AGENTSCHAP

Artikel 75

Oprichting en evaluatie

  • 1. 
    Er wordt een Europees Agentschap voor chemische stoffen opgericht om de technische, wetenschappelijke en administratieve aspecten van deze verordening te beheren en in bepaalde gevallen uit te voeren en de consistentie op communautair niveau met betrekking tot deze aspecten te waarborgen.
  • 2. 
    Het Agentschap wordt uiterlijk op 1 juni 2012 geevalueerd.

Artikel 76 Samenstelling

  • 1. 
    Het Agentschap bestaat uit:
  • a) 
    een raad van bestuur, die de in artikel 78 vermelde taken vervult;
  • b) 
    een uitvoerend directeur, die de in artikel 83 vermelde taken vervult;
  • c) 
    een Comite risicobeoordeling, dat verantwoordelijk is voor de opstelling van het advies van het Agentschap over beoordelingen, autorisatieaanvragen, voorstellen voor beperkingen, voorstellen voor indeling en etikettering krachtens titel XI en alle overige vraagstukken die zich voordoen in verband met de toepassing van deze verordening met betrekking tot de risico's voor de gezondheid van de mens of voor het milieu;
  • d) 
    een Comite sociaal-economische analyse, dat verantwoordelijk is voor de opstelling van het advies van het Agentschap over autorisatieaanvragen, voorstellen voor beperkingen en alle overige vraagstukken die zich voordoen in verband met de toepassing van deze verordening met betrekking tot het sociaal-economische effect van mogelijke wetgevingsmaatregelen betreffende stoffen;
  • e) 
    een Comite lidstaten, dat verantwoordelijk is voor het oplossen van potentiele meningsverschillen over ontwerp-besluiten die krachtens titel VI door het Agentschap of de lidstaten zijn voorgesteld, en voorstellen voor de vaststelling van zeer zorgwekkende stoffen waarvoor de autorisatieprocedure van titel VII moet worden toegepast;
  • f) 
    een Forum voor de uitwisseling van handhavingsinformatie, hierna "forum" genoemd, dat zorgt voor de coordinatie van een netwerk van instanties van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de handhaving van deze verordening;
  • g) 
    een secretariaat, onder leiding van de uitvoerend directeur, dat de comites en het forum technisch, wetenschappelijk en administratief ondersteunt en zorgt voor passende coordinatie tussen de comites en het forum. Het secretariaat is tevens belast met de werkzaamheden van het Agentschap die voortvloeien uit de procedures voor preregistratie, registratie en beoordeling, alsook met de opstelling van richtsnoeren, het databankbeheer en de verstrekking van informatie;
  • h) 
    een kamer van beroep, die beslist in geval van beroep tegen besluiten van het Agentschap.
  • 2. 
    De in lid 1, onder c), d) en e), bedoelde comites, hierna "comites" genoemd, en het forum kunnen elk werkgroepen oprichten. Daartoe stellen zij, overeenkomstig hun reglement van orde, nauwkeurige bepalingen vast voor de overdracht van bepaalde taken aan die werk-groepen.
  • 3. 
    De comites en het forum kunnen, indien zij dat passend achten, over belangrijke algemeen-wetenschappelijke of ethische vraagstukken advies inwinnen bij ter zake deskundigen.

Artikel 77 Taken

  • 1. 
    Het Agentschap verstrekt de lidstaten en de instellingen van de Gemeenschap zo goed mogelijk wetenschappelijk en technisch advies over vraagstukken in verband met chemische stoffen die binnen de bevoegdheid van het Agentschap vallen en overeen-komstig deze verordening aan het Agentschap worden voorgelegd.
  • 2. 
    Het secretariaat is belast met de volgende taken:
  • a) 
    de krachtens titel II aan het secretariaat toegewezen taken, met inbegrip van het bevorderen van de efficientie van de registratie van ingevoerde stoffen op een wijze die overeenkomt met de internationale handelsverplichtingen van de Gemeenschap jegens derde landen;
  • b) 
    de krachtens titel III aan het secretariaat toegewezen taken;
  • c) 
    de krachtens titel VI aan het secretariaat toegewezen taken;
  • d) 
    de krachtens titel VIII aan het secretariaat toegewezen taken;
  • e) 
    het opzetten en beheren van een of meer databanken met informatie over alle geregistreerde stoffen, de inventaris van indelingen en etiketteringen en de lijst van geharmoniseerde indelingen en etiketteringen. Het secretariaat maakt de in artikel 119, leden 1 en 2 - behoudens wanneer een overeenkomstig artikel 10 bis, onder xi), gedaan verzoek verantwoord wordt geacht. Het Agentschap stelt andere informatie in de databanken op verzoek beschikbaar, overeenkomstig artikel 118;
  • f) 
    het binnen negentig dagen nadat het Agentschap de informatie heeft ontvangen, overeenkomstig artikel 119, lid 1, bekendmaken welke stoffen worden beoordeeld en zijn beoordeeld;
  • g) 
    het zo nodig verstrekken van technische en wetenschappelijke richtsnoeren en hulp-middelen voor de toepassing van deze verordening, met name om de opstelling van chemische veiligheidsrapporten (overeenkomstig de artikelen 14, 31, lid 1, 37, lid 4), en de toepassing van de artikelen 10, onder a), punt viii), 11, lid 3, en 19, lid 2), door het bedrijfsleven, en in het bijzonder door kleine en middelgrote ondernemingen te ondersteunen, alsmede het verstrekken van technische en wetenschappelijke richtsnoeren voor de toepassing van artikel 7 door fabrikanten en importeurs van artikelen;
  • h) 
    het verstrekken van technische en wetenschappelijke richtsnoeren voor de toepassing van deze verordening aan de bevoegde instanties van de lidstaten en het bieden van ondersteuning aan de krachtens titel XIII door de lidstaten opgerichte helpdesks;
  • i) 
    het verstrekken van richtsnoeren aan belanghebbenden, met inbegrip van de bevoegde instanties van de lidstaten, voor publieksvoorlichting over risico's en veilig gebruik van stoffen, als zodanig, in preparaten of in voorwerpen;
  • j) 
    het verstrekken van advies en bijstand aan fabrikanten en importeurs die overeen-komstig artikel 12, lid 1, een stof registreren;
  • k) 
    het opstellen van toelichtingen op deze verordening voor andere belanghebbenden;
  • l) 
    op verzoek van de Commissie technische en wetenschappelijke ondersteuning geven bij het nemen van stappen ter verbetering van de samenwerking tussen de Gemeenschap, de lidstaten, internationale organisaties en derde landen op het gebied van wetenschappelijke en technische vraagstukken in verband met de veiligheid van stoffen, alsmede actief deelnemen aan technische bijstand en de capaciteitsopbouw voor een goed beheer van chemische stoffen in ontwikkelingslanden;
  • m) 
    het bijhouden van een handboek van besluiten en adviezen op basis van conclusies van het Comite lidstaten over de uitlegging en de uitvoering van deze verordening;
  • n) 
    mededeling van besluiten van het Agentschap;
  • o) 
    verstrekking van formaten voor de indiening van informatie bij het Agentschap.
  • 3. 
    De comites zijn belast met het volgende:
  • a) 
    de krachtens titel VI tot en met XI aan de comites toegewezen taken;
  • b) 
    op verzoek van de uitvoerend directeur technische en wetenschappelijke ondersteuning geven bij het nemen van stappen ter verbetering van de samenwerking tussen de Gemeenschap, de lidstaten, internationale organisaties en derde landen op het gebied van wetenschappelijke en technische vraagstukken in verband met de veiligheid van stoffen, alsmede actief deelnemen aan technische bijstand en de capaciteitsopbouw voor een goed beheer van chemische stoffen in ontwikkelings-landen;
  • c) 
    op verzoek van de uitvoerend directeur een advies opstellen over eventuele overige aspecten in verband met de veiligheid van stoffen als zodanig of in preparaten of voorwerpen.
  • 4. 
    Het forum is belast met de volgende taken:
  • a) 
    goede werkwijzen verspreiden en problemen op Gemeenschapsniveau vaststellen;
  • b) 
    geharmoniseerde handhavingsprojecten en gezamenlijke inspecties voorstellen, coordineren en beoordelen;
  • c) 
    de uitwisseling van inspecteurs coordineren;
  • d) 
    handhavingsstrategieen en beste praktijken inzake handhaving vaststellen;
  • e) 
    werkmethoden en hulpmiddelen voor gebruik door lokale inspecteurs ontwikkelen;
  • f) 
    een elektronische informatie-uitwisselingsprocedure ontwikkelen;
  • g) 
    zo nodig contact opnemen met de industrie, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van kleine en middelgrote ondernemingen, en andere belanghebbenden, met inbegrip van betrokken international organisaties;
  • h) 
    voorstellen voor beperkingen bestuderen ten einde advies uit te brengen over de uitvoerbaarheid.

Artikel 78

Bevoegdheden van de raad van bestuur

De raad van bestuur benoemt overeenkomstig artikel 84 de uitvoerend directeur en stelt overeen-

komstig artikel 43 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 een rekenplichtige aan.

De raad van bestuur:

  • a) 
    keurt elk jaar voor 30 april het algemeen verslag van het Agentschap over het voorgaande jaar goed;
  • b) 
    keurt elk jaar voor 31 oktober het werkprogramma van het Agentschap voor het komende jaar goed;
  • c) 
    keurt voor het begin van het financiele jaar de definitieve begroting van het Agentschap overeenkomstig artikel 96 goed en past deze zo nodig aan de bijdrage van de Gemeenschap en andere inkomsten van het Agentschap aan;
  • d) 
    keurt een meerjarenwerkprogramma goed dat op gezette tijden wordt herzien.

De raad van bestuur keurt de interne regels en procedures van het Agentschap goed. De regels

worden openbaar gemaakt.

De raad van bestuur vervult zijn taken in verband met de begroting van het Agentschap overeenkomstig de artikelen 96, 97 en 103.

De raad van bestuur treedt als tuchtraad op ten aanzien van de uitvoerend directeur.

De raad van bestuur stelt zijn reglement van orde vast.

De raad van bestuur benoemt de voorzitter, de leden en de plaatsvervangers van de kamer van beroep overeenkomstig artikel 89.

De raad van bestuur benoemt de leden van de comites van het Agentschap overeenkomstig artikel 85.

De raad van bestuur zendt de begrotingsautoriteit overeenkomstig artikel 96, lid 6, jaarlijks alle informatie die van belang is voor de uitkomst van de beoordelingsprocedures.

Artikel 79

Samenstelling van de raad van bestuur

  • 1. 
    De raad van bestuur bestaat uit een vertegenwoordiger uit elke lidstaat en ten hoogste zes door de Commissie benoemde vertegenwoordigers, waaronder drie leden zonder stemrecht afkomstig van de belanghebbende partijen, alsmede twee door het Europees Parlement benoemde, onafhankelijke personen.

Iedere lidstaat draagt een lid voor de raad van bestuur voor. De aldus voorgedragen leden worden door de Raad benoemd.

  • 2. 
    De leden worden benoemd op grond van hun relevante ervaring en deskundigheid op het gebied van de veiligheid van chemische stoffen of de regelgeving inzake chemische stoffen, waarbij wordt gewaarborgd dat onder de leden van de raad van bestuur relevante deskundigheid op algemeen, financieel en juridisch gebied voorhanden is.
  • 3. 
    De leden worden benoemd voor vier jaar. Eenmalige herbenoeming is mogelijk. Voor de eerste ambtstermijn wijst de Commissie de helft van haar kandidaat-leden en de Raad twaalf van zijn kandidaat-leden aan voor een termijn van zes jaar.

Artikel 80

Voorzitterschap van de raad van bestuur

  • 1. 
    De raad van bestuur kiest een voorzitter en een vice-voorzitter uit de leden met stemrecht. De vice-voorzitter neemt automatisch de plaats in van de voorzitter indien deze zijn taken niet kan vervullen.
  • 2. 
    De zittingstermijn van de voorzitter en de vice-voorzitter bedraagt twee jaar en loopt af zodra zij geen lid meer zijn van de raad van bestuur. Eenmalige herbenoeming is mogelijk.

Artikel 81

Bijeenkomsten van de raad van bestuur

  • 1. 
    De raad van bestuur komt in vergadering bijeen op uitnodiging van zijn voorzitter of op verzoek van ten minste een derde van zijn leden.
  • 2. 
    De uitvoerend directeur neemt zonder stemrecht deel aan de vergaderingen van de raad van bestuur.
  • 3. 
    De voorzitters van de comites en de voorzitter van het Forum, als bedoeld in artikel 76, lid 1, onder c) tot en met f), hebben het recht zonder stemrecht deel te nemen aan de vergaderingen van de raad van bestuur.

Artikel 82

Stemming in de raad van bestuur

De raad van bestuur keurt een stemreglement goed, waarin ook de voorwaarden waaronder een lid namens een ander lid kan stemmen worden opgenomen. De raad van bestuur besluit met een meerderheid van tweederde van alle leden met stemrecht.

Artikel 83

Taken en bevoegdheden van de uitvoerend directeur

  • 1. 
    Het Agentschap wordt bestuurd door de uitvoerend directeur, die zijn taken in het belang van de Gemeenschap, en onafhankelijk van specifieke belangen, vervult.
  • 2. 
    De uitvoerend directeur is de wettelijk vertegenwoordiger van het Agentschap. Hij is verantwoordelijk voor:
  • a) 
    het dagelijks beheer van het Agentschap;
  • b) 
    het beheer van de voor de taken van het Agentschap vereiste middelen;
  • c) 
    de naleving van de in het Gemeenschapsrecht vastgelegde termijnen voor het uitbrengen van adviezen door het Agentschap;
  • d) 
    passende en tijdige coordinate tussen de comites en het forum;
  • e) 
    het sluiten en beheren van de noodzakelijke contracten met dienstverleners;
  • f) 
    de opstelling van de staat van ontvangsten en uitgaven en de uitvoering van de begroting van het Agentschap overeenkomstig de artikelen 96 en 97;
  • g) 
    alle personeelszaken;
  • h) 
    het verzorgen van het secretariaat van de raad van bestuur;
  • i) 
    de opstelling van ontwerp-adviezen van de raad van bestuur over de voorgestelde reglementen van orde van de comites en het forum;
  • j) 
    op verzoek van de raad van bestuur, het treffen van regelingen voor de uitvoering van eventuele andere functies (binnen het toepassingsgebied van artikel 77) die de Commissie aan het Agentschap delegeert;
  • k) 
    het opzetten en handhaven van een geregelde dialoog met het Europees Parlement;
  • l) 
    het bepalen van de voorwaarden voor het gebruik van programmatuur;
  • m) 
    het herzien van een besluit van het Agentschap in het geval van een beroep en na raadpleging van de voorzitter van de kamer van beroep.
  • 3. 
    Elk jaar legt de uitvoerend directeur de volgende stukken ter goedkeuring aan de raad van

bestuur voor:

  • a) 
    een ontwerp-verslag over de werkzaamheden van het Agentschap in het voorgaande jaar, dat informatie bevat over het aantal ontvangen registratiedossiers, het aantal beoordeelde stoffen, het aantal ontvangen autorisatieaanvragen, het aantal door het Agentschap ontvangen en behandelde voorstellen voor beperkingen, de tijd die de voltooiing van de daaraan verbonden procedures in beslag heeft genomen, de stoffen waarvoor een autorisatie is verleend, de afgewezen dossiers en de stoffen waaraan een beperking is verbonden; de ontvangen klachten en de genomen maatregelen; een activiteitenoverzicht van het forum;
  • b) 
    een ontwerp-werkprogramma voor het komende jaar;
  • c) 
    de ontwerp-jaarrekeningen;
  • d) 
    de ontwerp-begroting voor het komende jaar;
  • e) 
    een ontwerp-meerjarenwerkprogramma.

De uitvoerend directeur zendt het werkprogramma voor het komende jaar en het meerjarenwerkprogramma, na goedkeuring ervan door de raad van bestuur, aan de lidstaten, het Europees Parlement, de Raad en de Commissie en draagt zorg voor de publicatie ervan.

De uitvoerend directeur zendt het algemeen verslag van het Agentschap na goedkeuring ervan door de raad van bestuur, aan de lidstaten, het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comite en de Europese Rekenkamer en draagt zorg voor publicatie ervan.

Artikel 84

Benoeming van de uitvoerend directeur

  • 1. 
    De uitvoerend directeur van het Agentschap wordt door de raad van bestuur benoemd op basis van een door de Commissie voorgestelde lijst van kandidaten die is opgesteld na een in het Publicatieblad van de Europese Unie en in andere tijdschriften of op internetsites gepubliceerde oproep tot het indienen van blijken van belangstelling.

De uitvoerend directeur wordt benoemd op grond van zijn verdiensten en bewezen bestuurs- en managementvaardigheden, alsmede zijn relevante ervaring op het gebied van de veiligheid van chemische stoffen of de desbetreffende regelgeving. De raad van bestuur besluit met een meerderheid van twee derde van alle leden met stemrecht.

De raad van bestuur heeft de bevoegdheid de uitvoerend directeur te ontslaan, volgens dezelfde procedure.

Alvorens te worden benoemd, wordt de door de raad van bestuur geselecteerde kandidaat zo spoedig mogelijk verzocht een verklaring af te leggen voor het Europees Parlement en vragen van leden van het Europees Parlement te beantwoorden.

  • 2. 
    De uitvoerend directeur wordt benoemd voor vijf jaar. Herbenoeming door de raad van bestuur is mogelijk voor een termijn van ten hoogste vijf jaar.

Artikel 85

Oprichting van de comites

  • 1. 
    Elke lidstaat kan kandidaat-leden van het Comite risicobeoordeling aanwijzen. De uitvoerend directeur stelt een lijst van kandidaat-leden op, die op de website van het Agentschap wordt gepubliceerd, onverminderd het bepaalde in artikel 88, lid 1. De raad van bestuur benoemt de leden van het comite op grond van die lijst, waarbij van elke lidstaat die kandidaat-leden heeft aangewezen ten minste een en ten hoogste twee leden worden benoemd. De leden worden benoemd op grond van hun rol bij en ervaring met de uitvoering van de in artikel 77, lid 3, bedoelde taken.
  • 2. 
    Elke lidstaat kan kandidaat-leden van het Comite sociaal-economische analyse aanwijzen. De uitvoerend directeur stelt een lijst van kandidaat-leden op, die op de website van het Agentschap wordt gepubliceerd, onverminderd het bepaalde in artikel 88, lid 1. De raad van bestuur benoemt de leden van het comite op grond van die lijst, waarbij van elke lidstaat die kandidaat-leden heeft aangewezen ten minste een en ten hoogste twee leden worden benoemd. De leden worden benoemd op grond van hun rol bij en ervaring met de uitvoering van de in artikel 77, lid 3, bedoelde taken.
  • 3. 
    Elke lidstaat benoemt een lid van het Comite lidstaten.
  • 4. 
    De comites streven ernaar dat hun leden een breed scala van relevante deskundigheid vertegenwoordigen. Elk comite kan daartoe maximaal vijf extra leden op grond van hun specifieke bekwaamheid coopteren.

De leden van de comites worden benoemd voor een verlengbare termijn van drie jaar.

De leden van de raad van bestuur kunnen geen lid van de comites zijn.

De leden van elk comite kunnen worden bijgestaan door adviseurs voor wetenschappelijke, technische of regelgevingsvraagstukken.

De uitvoerend directeur of zijn vertegenwoordiger en vertegenwoordigers van de Commissie zijn gerechtigd alle door het Agentschap of zijn comites bijeengeroepen vergaderingen van de comites en werkgroepen als waarnemers bij te wonen. Belang-hebbenden kunnen op verzoek van de leden van het comite of op verzoek van de raad van bestuur worden uitgenodigd de vergaderingen als waarnemers bij te wonen.

  • 5. 
    De leden van elk comite die benoemd zijn na kandidaatstelling door een lidstaat, zorgen voor passende coordinatie tussen de taken van het Agentschap en de werkzaamheden van de bevoegde instantie van hun lidstaat.
  • 6. 
    De leden van de comites worden ondersteund met de wetenschappelijke en technische middelen die de lidstaten ter beschikking staan. Daartoe verstrekken de lidstaten adequate wetenschappelijke en technische middelen aan de door hen benoemde leden van de comites. Elke bevoegde instantie van een lidstaat bevordert de werkzaamheden van de comites en de werkgroepen ervan.
  • 7. 
    De lidstaten geven de leden van het Comite risicobeoordeling of het Comite sociaal-economische analyse noch hun wetenschappelijk en technisch adviseurs en deskundigen, geen instructies die onverenigbaar zijn met de individuele taken van die personen of met de taken, de verantwoordelijkheden en de onafhankelijkheid van het Agentschap.
  • 8. 
    Bij de opstelling van een advies streeft elk comite zo veel mogelijk naar consensus. Indien geen consensus wordt bereikt, bestaat het advies uit het standpunt van de meerderheid van de leden met een motivering. De minderheidsstandpunten met inbegrip van motiveringen worden eveneens gepubliceerd.
  • 9. 
    Elk comite stelt binnen zes maanden nadat de comites voor het eerst zijn benoemd, zijn reglement van orde op, dat door de raad van bestuur moet worden goedgekeurd.

Dat reglement omvat in het bijzonder de procedures voor de vervanging van de leden en voor de overdracht van bepaalde taken aan werkgroepen, de oprichting van werkgroepen en de vaststelling van een procedure voor het met spoed uitbrengen van adviezen. De voorzitter van elk comite is een werknemer van het Agentschap.

Artikel 86

Oprichting van het forum

  • 1. 
    Elke lidstaat benoemt een lid van het forum voor een verlengbare termijn van drie jaar. De leden worden gekozen op grond van hun rol bij en ervaring met de handhaving van de wetgeving inzake chemische stoffen en onderhouden nuttige contacten met de bevoegde instanties van de lidstaten.

Het forum streeft ernaar dat zijn leden een breed scala van relevante deskundigheid vertegenwoordigen. Het forum kan daartoe maximaal vijf extra leden op grond van hun specifieke bekwaamheid coopteren. Deze leden worden benoemd voor een verlengbare termijn van drie jaar. Leden van de raad van bestuur kunnen geen lid zijn van het forum.

De leden van het forum kunnen worden bijgestaan door wetenschappelijk en technisch adviseurs.

De uitvoerend directeur van het Agentschap of zijn vertegenwoordiger en vertegen-woordigers van de Commissie zijn gerechtigd alle vergaderingen van het forum en zijn werkgroepen bij te wonen. Belanghebbenden kunnen op verzoek van de leden van het forum of op verzoek van de raad van bestuur worden uitgenodigd de vergaderingen als waarnemers bij te wonen.

  • 2. 
    De leden van het forum die door een lidstaat zijn benoemd, zorgen voor passende coordinatie tussen de taken van het forum en de werkzaamheden van de bevoegde instantie van hun lidstaat.
  • 3. 
    De leden van het forum worden ondersteund met de wetenschappelijke en technische middelen die de bevoegde instanties van de lidstaten ter beschikking staan. Elke bevoegde instantie van een lidstaat bevordert de werkzaamheden van het forum en de werkgroepen ervan. De lidstaten geven de leden van het forum of hun wetenschappelijk en technisch adviseurs en deskundigen geen instructies die onverenigbaar zijn met de individuele taken van die personen of met de taken en verantwoordelijkheden van het forum.
  • 4. 
    Het forum stelt binnen zes maanden nadat het voor het eerst is benoemd, zijn reglement van orde op, dat door de raad van bestuur moet worden goedgekeurd.

Dat reglement omvat in het bijzonder de procedures voor de benoeming en vervanging van de voorzitter, voor de vervanging van leden en voor de overdracht van bepaalde taken aan werkgroepen.

Artikel 87

Rapporteurs van de comites en gebruikmaking van deskundigen

  • 1. 
    Wanneer een comite overeenkomstig artikel 77 advies moet uitbrengen of moet overwegen of een dossier van een lidstaat met de voorschriften van bijlage XV overeenstemt, stelt het een van zijn leden als rapporteur aan. Het betrokken comite kan een tweede lid als corapporteur aanwijzen. Per geval verbinden de rapporteurs en co-rapporteurs zich ertoe in het belang van de Gemeenschap te zullen handelen en leggen zij een schriftelijke verklaring af waarin zij beloven hun plichten te zullen vervullen alsmede een verklaring over hun belangen. Indien een lid van een comite belangen opgeeft die de onafhankelijke beoordeling van het specifieke geval kunnen schaden, wordt hij niet als rapporteur voor dat geval aangewezen. Het betrokken comite kan de rapporteur of co-rapporteur op elk moment door een ander lid vervangen, bijvoorbeeld wanneer deze zijn plichten niet binnen de voorgeschreven termijnen kan vervullen of indien zich een mogelijk belangenconflict voordoet.
  • 2. 
    De lidstaten zenden het Agentschap de namen van deskundigen die aantoonbare ervaring met de uitvoering van de bij artikel 77 vereiste taken hebben opgedaan en die beschikbaar zijn om zitting te nemen in werkgroepen van de comites, alsmede hun kwalificaties en specifieke terreinen van deskundigheid.

Het Agentschap houdt een actuele lijst van deskundigen bij. In die lijst worden de in de eerste alinea bedoelde deskundigen opgenomen, alsmede de deskundigen die het secretariaat rechtstreeks aanwijst.

  • 3. 
    Voor de verlening van diensten door leden van een comite of deskundigen die in een werk-groep van de comites of van het forum zitting nemen of andere taken voor het Agentschap verrichten, wordt een schriftelijke overeenkomst opgesteld tussen het Agentschap en de betrokkene, of in voorkomend geval tussen het Agentschap en de werkgever van de betrokkene.

De betrokkene, of zijn werkgever, ontvangt van het Agentschap een vergoeding volgens een in de door de raad van bestuur vastgestelde financiele regeling opgenomen schaal. Wanneer de betrokkene verzuimt zijn plichten te vervullen, is de uitvoerend directeur gerechtigd de overeenkomst te beeindigen of op te schorten, of de vergoeding in te houden.

  • 4. 
    Voor diensten waarvoor er verschillende potentiele verleners zijn, kan een verzoek om reacties van belangstellenden worden gedaan:
  • a) 
    indien de wetenschappelijke en technische omstandigheden dit toelaten, en
  • b) 
    indien dit met de taken van het Agentschap, in het bijzonder met het waarborgen van een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu, verenigbaar is.

De raad van bestuur stelt op voorstel van de uitvoerend directeur passende procedures vast.

  • 5. 
    Het Agentschap kan voor de uitvoering van andere specifieke taken waarmee het is belast gebruikmaken van de diensten van deskundigen.

Artikel 88

Kwalificatie en belangen

  • 1. 
    De namen van de leden van de comites en het forum worden openbaar gemaakt. Individuele leden kunnen een verzoek indienen om hun namen niet bekend te maken, indien zij menen dat openbaarmaking hen in gevaar zou kunnen brengen. De uitvoerend directeur beslist of deze verzoeken worden ingewilligd. Bij de bekendmaking van benoemingen worden de beroepskwalificaties van elk lid vermeld.
  • 2. 
    De leden van de raad van bestuur, de uitvoerend directeur en de leden van de comites en het forum leggen een verklaring af waarin zij beloven hun plichten te zullen vervullen alsmede een verklaring over de belangen die hun onafhankelijkheid zouden kunnen schaden. Deze verklaringen worden jaarlijks schriftelijk afgelegd en, onverminderd het bepaalde in lid 1, opgenomen in een register dat wordt bijgehouden door het Agentschap en voor het publiek, op verzoek, toegankelijk is ten kantore van het Agentschap.
  • 3. 
    Tijdens elke vergadering maken de leden van de raad van bestuur, de uitvoerend directeur, de leden van de comites en van het forum en eventuele aan de vergadering deelnemende deskundigen melding van al hun belangen die hun onafhankelijkheid ten aanzien van bepaalde agendapunten in gevaar zouden kunnen brengen. Personen die melding maken van dergelijke belangen, stemmen niet mee over de desbetreffende agendapunten.

Artikel 89

Oprichting van de kamer van beroep

  • 1. 
    De kamer van beroep bestaat uit een voorzitter en twee andere leden.
  • 2. 
    De voorzitter en de twee andere leden hebben plaatsvervangers die hen vervangen wanneer zij afwezig zijn.
  • 3. 
    De voorzitter, de andere leden en de plaatsvervangers worden door de raad van bestuur benoemd op basis van een door de Commissie voorgestelde lijst van kandidaten die is opgesteld na een in het Publicatieblad van de Europese Unie en in andere tijdschriften of op internetsites gepubliceerde oproep tot het indienen van blijken van belangstelling. Zij worden benoemd op grond van hun relevante ervaring en deskundigheid op het gebied van de veiligheid van chemische stoffen, natuurwetenschappen of wettelijke en gerechtelijke procedures op basis van een door de Commissie vastgestelde lijst van gekwalificeerde kandidaten.

De raad van bestuur kan, op aanbeveling van de uitvoerend directeur, volgens dezelfde procedure extra leden en plaatsvervangers benoemen indien zulks noodzakelijk is om te waarborgen dat de beroepen in een bevredigend tempo kunnen worden behandeld.

  • 4. 
    De vereiste kwalificaties voor de leden van de kamer van beroep worden door de Commissie vastgesteld volgens de in artikel 133, lid 3 bis, bedoelde procedure.
  • 5. 
    De voorzitter en de leden hebben gelijke stemrechten.

Artikel 90

Leden van de kamer van beroep

  • 1. 
    De leden van de kamer van beroep, met inbegrip van de voorzitter en de plaatsvervangers, worden benoemd voor vijf jaar. Eenmalige herbenoeming is mogelijk.
  • 2. 
    De leden van de kamer van beroep zijn onafhankelijk. Bij het nemen van hun besluiten zijn zij niet aan instructies gebonden.
  • 3. 
    De leden van de kamer van beroep vervullen in het Agentschap geen andere taken.
  • 4. 
    De leden van de kamer van beroep kunnen tijdens hun zittingstermijnen niet uit hun functie worden ontheven of van de lijst worden verwijderd, tenzij daar ernstige redenen voor zijn en de Commissie een daartoe strekkend besluit neemt na advies bij de raad van bestuur te hebben ingewonnen.
  • 5. 
    De leden van de kamer van beroep nemen niet deel aan de behandeling van een beroeps-procedure indien zij daarbij een persoonlijk belang hebben, indien zij eerder als vertegen-woordiger van een van de partijen bij de behandeling betrokken zijn geweest of indien zij een rol hebben gespeeld bij het besluit waartegen het beroep is ingesteld.
  • 6. 
    Indien een lid van de kamer van beroep om een van de in lid 5 genoemde redenen meent niet aan de behandeling van een specifieke beroepsprocedure te mogen deelnemen, stelt hij de kamer van beroep daarvan op de hoogte. Elke partij bij de beroepsprocedure kan bezwaar maken tegen de leden van de kamer om een van de in lid 5 genoemde redenen, of ingeval partijdigheid wordt vermoed. De nationaliteit van de leden kan niet als reden van bezwaar worden aangevoerd.
  • 7. 
    De kamer van beroep beslist in de in de leden 5 en 6 bedoelde gevallen zonder deelname van het betrokken lid over de te nemen maatregelen. Voor het nemen van die beslissing wordt het betrokken lid in de kamer van beroep vervangen door een plaatsvervanger.

Artikel 91

Besluiten waartegen beroep kan worden ingesteld

  • 1. 
    Tegen de besluiten van het Agentschap overeenkomstig artikel 9, artikel 20, artikel 27, lid 6, artikel 30, leden 2 en 3, en artikel 51, kan beroep worden ingesteld.
  • 2. 
    Een overeenkomstig lid 1 ingesteld beroep heeft schorsende werking.

Artikel 92

Personen die beroep kunnen instellen, termijnen, vergoedingen en vorm

  • 1. 
    Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon kan beroep instellen tegen een tot hem gericht besluit, of tegen een besluit waarbij hij, hoewel het tot een andere persoon is gericht, een rechtstreeks en individueel belang heeft.
  • 2. 
    Het beroep moet, met opgave van de redenen ervoor, binnen een maand na de bekendmaking van het besluit aan de betrokkene, of bij ontbreken van bekendmaking binnen drie maanden nadat de betrokkene daarvan kennis heeft genomen, schriftelijk bij het Agentschap worden ingediend, tenzij in deze verordening anders is bepaald.
  • 3. 
    Van personen die beroep instellen tegen een besluit van het Agentschap, kan een vergoeding worden verlangd overeenkomstig titel IX.

Artikel 93

Onderzoek van en beslissingen inzake beroep

  • 1. 
    Indien de uitvoerend directeur het beroep na overleg met de voorzitter van de kamer van beroep ontvankelijk en gegrond acht, kan hij het besluit herzien binnen een maand na ontvangst van het beroep overeenkomstig artikel 92, lid 2.
  • 2. 
    In de andere dan in lid 1 van dit artikel genoemde gevallen onderzoekt de voorzitter van de kamer van beroep binnen dertig dagen nadat het beroep overeenkomstig artikel 92, lid 2, is ingediend of het beroep ontvankelijk is. Is dat het geval, dan wordt het beroep voorgelegd aan de kamer van beroep ter toetsing van de gronden. De partijen bij de beroepsprocedure zijn gerechtigd tijdens de procedure een mondelinge toelichting te geven.
  • 3. 
    De kamer van beroep kan elke bevoegdheid uitoefenen die binnen de competentie van het Agentschap valt, of de zaak voor verdere behandeling naar het bevoegde orgaan van het Agentschap doorverwijzen.
  • 4. 
    De procedures voor de kamer van beroep worden door de Commissie vastgesteld volgens de in artikel 133, lid 3, bedoelde procedure.

Artikel 94

Beroep bij het Gerecht van eerste aanleg en het Hof van Justitie

  • 1. 
    Tegen beslissingen van de kamer van beroep of, bij ontbreken van recht op beroep bij de kamer, tegen beslissingen van het Agentschap, kan bij het Gerecht van eerste aanleg of het Hof van Justitie beroep worden ingesteld overeenkomstig artikel 230 van het Verdrag.
  • 2. 
    Ingeval het Agentschap nalaat een besluit te nemen, kan bij het Gerecht van eerste aanleg of het Hof van Justitie een beroep wegens nalaten worden ingesteld overeenkomstig artikel 232 van het Verdrag.
  • 3. 
    Het Agentschap treft de noodzakelijke maatregelen om aan het arrest van het Gerecht van eerste aanleg of het Hof van Justitie te voldoen.

Artikel 95

Conflicten met adviezen van andere organen

  • 1. 
    Het Agentschap signaleert in een vroeg stadium potentiele bronnen van conflicten tussen de adviezen van het Agentschap en die van andere krachtens het Gemeenschapsrecht opgerichte organen, met inbegrip van communautaire bureaus die soortgelijke taken in verband met vraagstukken van gemeenschappelijk belang verrichten.
  • 2. 
    Wanneer het Agentschap een potentiele bron van conflict signaleert, neemt het contact op met het betrokken orgaan om te waarborgen dat beide organen over dezelfde weten-schappelijke of technische informatie ter zake beschikken en om vast te stellen welke wetenschappelijke of technische aspecten mogelijk omstreden kunnen zijn.
  • 3. 
    Wanneer er een fundamenteel conflict is over wetenschappelijke of technische aspecten en het betrokken orgaan een communautair agentschap of een wetenschappelijk comite is, werken het Agentschap en het betrokken orgaan samen aan een oplossing van het conflict of leggen zij een gezamenlijk document aan de Commissie voor waarin zij de wetenschappelijke of technische aspecten toelichten.

Artikel 96

Begroting van het Agentschap

  • 1. 
    De ontvangsten van het Agentschap bestaan uit:
  • a) 
    een subsidie van de Gemeenschap, die in de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (paragraaf betreffende de Commissie) wordt opgenomen;
  • b) 
    de vergoedingen die ondernemingen betalen;
  • c) 
    een eventuele vrijwillige bijdrage van de lidstaten.
  • 2. 
    De uitgaven van het Agentschap bestaan uit personeelsuitgaven, administratieve uitgaven, uitgaven voor infrastructuur en beleidsuitgaven.
  • 3. 
    De uitvoerend directeur stelt jaarlijks uiterlijk op 15 februari een voorlopige ontwerp-begroting op die de beleidsuitgaven en het geplande werkprogramma voor het volgende financiele jaar omvat en zendt dit voorlopige ontwerp, evenals een overzicht van de personeelsformatie met een voorlopige lijst van ambten, naar de raad van bestuur.
  • 4. 
    De ontvangsten en uitgaven moeten in evenwicht zijn.
  • 5. 
    Elk jaar verstrekt de raad van bestuur een schatting van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap voor het volgende financiele jaar, op basis van een door de uitvoerend directeur opgesteld ontwerp. De raad van bestuur zendt deze schatting, waarin een ontwerp voor de personeelsformatie is opgenomen, uiterlijk op 31 maart aan de Commissie.
  • 6. 
    De Commissie zendt de schatting tezamen met het voorontwerp van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen naar het Europees Parlement en de Raad, hierna "begrotingsautoriteit" genoemd.
  • 7. 
    Op basis van de schatting neemt de Commissie in het voorontwerp van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen de geschatte bedragen op die zij nodig acht voor de personeelsformatie, alsmede het bedrag van de subsidie die ten laste komt van de algemene begroting, die zij overeenkomstig artikel 272 van het Verdrag aan de begrotings-autoriteit voorlegt.
  • 8. 
    De begrotingsautoriteit keurt de kredieten voor de subsidie aan het Agentschap goed.

De begrotingsautoriteit stelt de personeelsformatie van het Agentschap vast.

  • 9. 
    De begroting van het Agentschap wordt vastgesteld door de raad van bestuur. De begroting wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen. De begroting wordt zo nodig dienovereenkomstig aangepast.
  • 10. 
    Wijzigingen van de begroting, inclusief de personeelsformatie, vinden plaats volgens de hierboven bedoelde procedure.
  • 11. 
    De raad van bestuur stelt de begrotingsautoriteit onverwijld op de hoogte van de projecten die hij voornemens is te realiseren en die aanzienlijke financiele gevolgen voor de financiering van de begroting kunnen hebben, met name onroerendgoedprojecten zoals de huur of aankoop van gebouwen. De raad van bestuur brengt de Commissie daarvan op de hoogte.

Wanneer een tak van de begrotingsautoriteit zijn voornemen bekend heeft gemaakt om een advies te verstrekken, doet hij dit advies binnen zes weken na de bekendmaking van het project aan de raad van bestuur toekomen.

Artikel 97

Uitvoering van de begroting van het Agentschap

  • 1. 
    De uitvoerend directeur vervult de functie van ordonnateur en voert de begroting van het Agentschap uit.
  • 2. 
    De rekenplichtige van het Agentschap controleert de betalingsverplichtingen en betalingen voor alle uitgaven van het Agentschap en de vaststelling en inning van alle ontvangsten van het Agentschap.
  • 3. 
    Uiterlijk op 1 maart van het jaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar dient de reken-plichtige van het Agentschap de voorlopige rekeningen met het verslag over het budgettair en financieel beheer van dat begrotingsjaar in bij de rekenplichtige van de Commissie. De rekenplichtige van de Commissie consolideert de voorlopige rekeningen van de instellingen en de gedecentraliseerde organen overeenkomstig artikel 128 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002.
  • 4. 
    Uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar dient de rekenplichtige van de Commissie de voorlopige rekeningen van het Agentschap met het verslag over het budgettair en financieel beheer van dat begrotingsjaar in bij de Rekenkamer. Het verslag over het budgettair en financieel beheer van het begrotingsjaar wordt ook toege-zonden aan het Europees Parlement en de Raad.
  • 5. 
    Na ontvangst van de opmerkingen van de Rekenkamer over de voorlopige rekeningen van het Agentschap overeenkomstig artikel 129 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 maakt de uitvoerend directeur onder zijn eigen verantwoordelijkheid de definitieve rekeningen van het Agentschap op en legt deze voor advies aan de raad van bestuur voor.
  • 6. 
    De raad van bestuur brengt advies uit over de definitieve rekeningen van het Agentschap.
  • 7. 
    Uiterlijk op 1 juli van het jaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar dient de uitvoerend directeur de definitieve rekeningen met het advies van de raad van bestuur in bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.
  • 8. 
    De definitieve rekeningen worden gepubliceerd.
  • 9. 
    De directeur zendt de Rekenkamer uiterlijk op 30 september een reactie op haar opmerkingen. Hij zendt deze reactie ook naar de raad van bestuur.
  • 10. 
    Het Europees Parlement verleent de uitvoerend directeur voor 30 april van het jaar N + 2 op aanbeveling van de Raad kwijting voor de uitvoering van de begroting van het jaar N.

Artikel 98 Fraudebestrijding

  • 2. 
    Het Agentschap is gebonden door het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Agentschap voor fraude-bestrijding (OLAF)1 en stelt onverwijld de dienovereenkomstige voorschriften vast die op alle medewerkers van het Agentschap van toepassing zijn.
  • 3. 
    De financieringsbesluiten, alsmede alle contracten en uitvoeringsinstrumenten die uit de besluiten voortvloeien, bepalen uitdrukkelijk dat de Rekenkamer en het OLAF indien nodig bij de begunstigden van middelen van het Agentschap en bij de tussenpersonen die deze middelen verdelen, tot controle ter plaatse kunnen overgaan.

Artikel 99 Financiele regeling

De financiele regeling die van toepassing is op het Agentschap wordt vastgesteld door de raad van bestuur, na raadpleging van de Commissie. Deze mag slechts afwijken van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 indien dit voor de werking van het Agentschap specifiek noodzakelijk is en mits de Commissie hiermee van tevoren heeft ingestemd.

Artikel 100

Rechtspersoonlijkheid van het Agentschap

  • 1. 
    Het Agentschap is een orgaan van de Gemeenschap en bezit rechtspersoonlijkheid. In elke lidstaat heeft het Agentschap de ruimste handelingsbevoegdheid welke door de nationale wetgeving aan rechtspersonen wordt toegekend. Het Agentschap kan met name roerende en onroerende goederen verkrijgen of vervreemden en in rechte optreden.
  • 2. 
    Het Agentschap wordt vertegenwoordigd door zijn uitvoerend directeur.

Artikel 101

Aansprakelijkheid van het Agentschap

  • 1. 
    De contractuele aansprakelijkheid van het Agentschap wordt beheerst door het recht dat op de betrokken overeenkomst van toepassing is. Het Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen wanneer een door het Agentschap gesloten overeenkomst een arbitragebeding bevat.
  • 2. 
    In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt het Agentschap, overeenkomstig de algemene beginselen die de wetgevingen van de lidstaten gemeen hebben, alle schade die door het Agentschap of door zijn personeelsleden in de uitoefening van hun functie is veroorzaakt.

Het Hof van Justitie is bevoegd ter zake van alle geschillen over schadevergoeding.

  • 3. 
    De persoonlijke geldelijke en tuchtrechtelijke aansprakelijkheid van de personeelsleden

van het Agentschap ten aanzien van het Agentschap wordt beheerst door de desbetreffende voor het personeel van het Agentschap geldende voorschriften.

Artikel 102

Voorrechten en immuniteiten van het Agentschap

Het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen is op het Agentschap van toepassing.

Artikel 103

Personeelsverordeningen en -regelingen

  • 1. 
    Het personeel van het Agentschap is onderworpen aan de verordeningen en regelingen die van toepassing zijn op de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen. Het Agentschap oefent ten aanzien van zijn personeel de bevoegdheden uit die aan het tot aanstelling bevoegde gezag zijn verleend.
  • 2. 
    De raad van bestuur stelt in overleg met de Commissie de nodige uitvoeringsbepalingen vast.
  • 3. 
    Het personeel van het Agentschap bestaat uit ambtenaren die door de Commissie of de lidstaten tijdelijk worden toegewezen of gedetacheerd en uit andere personeelsleden die door het Agentschap worden aangeworven naargelang zijn werkzaamheden zulks vereisen. Het Agentschap werft zijn personeel aan op grond van een personeelsplan dat moet zijn opgenomen in het in artikel 78, onder d), bedoelde meerjarenwerkprogramma.

Artikel 104 Talen

  • 1. 
    Op het Agentschap is Verordening nr. 1 van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap1 van toepassing.
  • 2. 
    De voor het functioneren van het Agentschap vereiste vertaaldiensten worden geleverd door het Vertaalagentschap voor de organen van de Europese Unie.

Artikel 105 Geheimhoudingsplicht

De leden van de raad van bestuur, de leden van de comites en van het forum, en de deskundigen, ambtenaren en andere personeelsleden van het Agentschap zijn, ook na beeindiging van hun functie, gehouden de informatie waarvoor de verplichtingen van het beroepsgeheim gelden, niet openbaar te maken.

Artikel 106

Deelname van derde landen

De raad van bestuur kan in overleg met het desbetreffende comite of het forum vertegenwoordigers van derde landen uitnodigen aan de werkzaamheden van het Agentschap deel te nemen.

PB 17 van 6.10.1958, blz. 385. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 920/2005 van de Raad (PB L 156 van 18.6.2005, blz. 3).

Artikel 107

Deelname van internationale organisaties

De raad van bestuur kan in overleg met het desbetreffende comite of het forum vertegenwoordigers van internationale organisaties met belangen op het gebied van de regelgeving voor chemische stoffen uitnodigen als waarnemer aan de werkzaamheden van het Agentschap deel te nemen.

Artikel 108

Contacten met belangenorganisaties

De raad van bestuur legt in overleg met de Commissie passende contacten tussen het Agentschap en relevante belangenorganisaties.

Artikel 109

Regels inzake transparantie

Omwille van de transparantie stelt de raad van bestuur op grond van een voorstel van de uitvoerend directeur en in overleg met de Commissie regels vast voor de beschikbaarstelling aan het publiek van niet-vertrouwelijke regelgevings- en wetenschappelijke of technische informatie in verband met de veiligheid van stoffen als zodanig, in preparaten of in voorwerpen.

Artikel 110

Betrekkingen met communautaire organen

  • 1. 
    Het Agentschap werkt samen met andere communautaire organen om wederzijdse onder-steuning te bieden bij de uitvoering van hun taken, in het bijzonder om dubbel werk te vermijden.
  • 2. 
    De uitvoerend directeur stelt, na raadpleging van het Comite risicobeoordeling en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, een reglement vast voor stoffen waarvoor om een advies in verband met voedselveiligheid is verzocht. Dat reglement wordt door de raad van bestuur in overleg met de Commissie goedgekeurd.

Deze titel laat de aan de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid toegekende bevoegd-heden onverlet.

  • 3. 
    Deze titel laat de aan het Europees Geneesmiddelenagentschap toegekende bevoegdheden onverlet.
  • 4. 
    De uitvoerend directeur stelt, na raadpleging van het Comite risicobeoordeling, het Comite sociaal-economische analyse en het Raadgevend Comite voor de veiligheid, de hygiene en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats, een reglement vast betreffende vraag-stukken in verband met de bescherming van werknemers. Dat reglement wordt door de raad van bestuur in overleg met de Commissie goedgekeurd.

Deze titel laat de aan het Raadgevend Comite voor de veiligheid, de hygiene en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats en aan het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk toegekende bevoegdheden onverlet.

Artikel 111

Formaten en programmatuur voor de indiening van informatie bij het Agentschap

Het Agentschap ontwikkelt formaten, die het gratis beschikbaar stelt, alsmede programmatuur, die het op zijn website beschikbaar stelt, voor de indiening van informatie bij het Agentschap. De lidstaten, fabrikanten, importeurs, distributeurs en downstreamgebruikers gebruiken die formaten en programmatuur voor de indiening van informatie bij het Agentschap overeenkomstig deze verordening. Het Agentschap stelt met name softwaretoepassingen ter beschikking om het indienen van informatie over overeenkomstig artikel 12, lid 1, geregistreerde stoffen te vergemakkelijken.

De indeling voor de registratie van het in artikel 10, onder a), bedoelde technische dossier is IUCLID. Het Agentschap coordineert de verdere ontwikkeling van deze indeling met de OESO omwille van een optimale harmonisatie.

TITEL XI

INVENTARIS VAN INDELINGEN EN ETIKETTERINGEN

Artikel 112 Toepassingsgebied

Deze titel is van toepassing op:

a)

stoffen waarvoor registratie verplicht is;

  • b) 
    stoffen die binnen het toepassingsgebied van artikel 1 van Richtlijn 67/548/EEG vallen, die overeenkomstig die richtlijn aan de criteria voor indeling als gevaarlijk voldoen en die in de handel worden gebracht hetzij als zodanig, hetzij in een preparaat met concentratie-grenswaarden die de in Richtlijn 1999/45/EG vermelde concentratiegrenswaarden waar van toepassing overschrijden, als gevolg waarvan het preparaat als gevaarlijk wordt ingedeeld.

Artikel 113

Verplichting om het Agentschap op de hoogte te stellen

  • 1. 
    Elke fabrikant, producent van voorwerpen of importeur of groep van importeurs of

fabrikanten of producenten van voorwerpen of importeurs, die een stof in de handel brengt die binnen het toepassingsgebied van artikel 112 valt, verstrekt het Agentschap de volgende informatie voor opname in de inventaris als bedoeld in artikel 114, tenzij deze reeds ten behoeve van de registratie is ingediend:

  • a) 
    de identiteiten van de fabrikant(en), producenten(en) van voorwerpen of importeur(s) die verantwoordelijk is/zijn voor het in de handel brengen van de stof(fen), overeenkomstig punt 1 van bijlage VI;
  • b) 
    de identiteit van de stoffen overeenkomstig punten 2.1 tot en met 2.3.4 van bijlage VI;
  • c) 
    de indeling van de stof(fen) naar graad van gevaarlijkheid als gevolg van de toepassing van de artikelen 4 en 6 van Richtlijn 67/548/EEG;
  • d) 
    de gevaarsaanduiding van de stof(fen) als gevolg van de toepassing van artikel 23, onder c) tot en met f), van Richtlijn 67/548/EEG;
  • e) 
    in voorkomend geval, de specifieke concentratiegrenswaarden als gevolg van de toepassing van artikel 4, lid 4, van Richtlijn 67/548/EEG en de artikelen 4 tot en met 7 van Richtlijn 1999/45/EG.
  • 2. 
    Wanneer de verplichting krachtens lid 1 leidt tot verschillende vermeldingen in de inventaris voor dezelfde stof, stellen de informatieverstrekkers en registranten alles in het werk om een overeengekomen vermelding in de inventaris tot stand te brengen.
  • 3. 
    De in lid 1 vermelde informatie wordt door degene die de informatie heeft verstrekt steeds aangepast wanneer:
  • a) 
    nieuwe wetenschappelijke of technische informatie beschikbaar komt die leidt tot een wijziging van de indeling en de etikettering van de stof;
  • b) 
    informatieverstrekkers en registranten van verschillende vermeldingen voor een stof overeenkomstig lid 2 een overeengekomen vermelding tot stand brengen.

Artikel 114

Inventaris van indelingen en etiketteringen

  • 1. 
    Het Agentschap zorgt voor het opzetten en beheren van een inventaris van indelingen en etiketteringen in de vorm van een databank, waarin de informatie als bedoeld in

artikel 113, lid 1, wordt opgenomen, voor zowel informatie waarvan krachtens artikel 113, lid 1, kennis is gegeven, als informatie die ten behoeve van een registratie is ingediend. De informatie in deze databank, als bedoeld in artikel 119, lid 1, is publiek toegankelijk. Overeenkomstig artikel 29, lid 1, verleent het Agentschap de informatieverstrekkers en registranten die informatie over een stof hebben ingediend, toegang tot de overige gegevens die over die stof in de inventaris beschikbaar zijn.

Bij ontvangst van aangepaste informatie overeenkomstig artikel 113, lid 3, past het Agentschap de inventaris aan.

  • 2. 
    Naast de in lid 1 bedoelde informatie, legt het Agentschap in voorkomend geval voor elke vermelding de volgende informatie vast:
  • a) 
    of voor de vermelding een geharmoniseerde indeling en etikettering op Gemeen-schapsniveau bestaat, door opname in bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG;
  • b) 
    of het een gezamenlijke vermelding van registranten van dezelfde stof betreft, overeenkomstig artikel 11, lid 1;
  • c) 
    of de vermelding verschilt van andere vermeldingen in het register voor dezelfde stof;
  • d) 
    het registratienummer of de registratienummers, indien beschikbaar.

Artikel 115

Harmonisatie van de indeling en etikettering

  • 1. 
    Een geharmoniseerde indeling en etikettering op Gemeenschapsniveau wordt vanaf 1 juni 2007 normaliter aan bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG toegevoegd voor de indeling van een stof als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting, categorieen 1, 2 of 3, of als inhalatieallergeen. Per geval kan aan bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG ook een geharmoniseerde indeling en etikettering voor andere doeleinden worden toegevoegd, indien met redenen wordt omkleed dat maatregelen op Gemeenschapsniveau nodig zijn.

De bevoegde instanties van de lidstaten kunnen daartoe bij het Agentschap overeenkomstig bijlage XV voorstellen voor geharmoniseerde indeling en etikettering indienen.

  • 2. 
    Het Comite risicobeoordeling neemt een advies aan over het voorstel en stelt de betrokken partijen in de gelegenheid opmerkingen te maken. Het Agentschap zendt dit advies en de eventuele opmerkingen naar de Commissie, die overeenkomstig artikel 4, lid 3, van Richtlijn 67/548/EEG een besluit neemt.

Artikel 116 Overgangsregelingen

De verplichtingen van artikel 113 zijn van toepassing vanaf 1 december 2010.

TITEL XII INFORMATIE

Artikel 117 Verslagen

  • 1. 
    Elke vijf jaar zenden de lidstaten de Commissie een verslag over de werking van deze verordening op hun grondgebied, met paragrafen over de beoordeling en de handhaving als omschreven in artikel 127.

Het eerste verslag wordt uiterlijk op 1 juni 2010 ingediend.

  • 2. 
    Elke vijf jaar zendt het Agentschap de Commissie een verslag over de werking van deze verordening. Het Agentschap neemt in zijn verslag informatie op over de gezamenlijke indiening van informatie overeenkomstig artikel 11 alsmede een overzicht van de motivering die voor de afzonderlijke indiening van informatie is gegeven.

Het eerste verslag wordt echter uiterlijk op 1 juni 2011 ingediend.

  • 3. 
    Elke drie jaar zendt het Agentschap de Commissie, in overeenstemming met de doel-stelling testmethodes zonder dierproeven te bevorderen een verslag over de stand van de tenuitvoerlegging, het gebruik van testmethodes zonder dierproeven en de teststrategieen die worden gebruikt om informatie te verkrijgen over intrinsieke eigenschappen en ten behoeve van risicobeheersing, teneinde te voldoen aan de vereisten van deze verordening.

Het eerste verslag wordt uiterlijk op 1 juni 2011 ingediend.

  • 4. 
    Elke vijf jaar publiceert de Commissie een algemeen verslag over:
  • a) 
    de ervaring die is opgedaan met de werking van deze verordening, waarin de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde informatie is opgenomen, en
  • b) 
    het bedrag en de verdeling van financiele middelen die door de Commissie beschikbaar zijn gesteld voor de ontwikkeling en evaluatie van alternatieve testmethodes.

Het eerste verslag wordt uiterlijk op 1 juni 2012 gepubliceerd.

Artikel 118

Toegang tot informatie

  • 1. 
    Verordening (EG) nr. 1049/2001 is van toepassing op de documenten die bij het Agentschap berusten.
  • 2. 
    Openbaarmaking van de volgende informatie wordt normaliter geacht de bescherming van de commerciele belangen van de betrokkene in gevaar te brengen:
  • a) 
    bijzonderheden betreffende de volledige samenstelling van een preparaat;
  • b) 
    onverminderd het bepaalde in artikel 7, lid 6, en artikel 64, lid 2, het precieze gebruik, de precieze functie of de precieze toepassing van een stof of preparaat, met inbegrip van informatie over het precieze gebruik als tussenproduct;
  • c) 
    de precieze hoeveelheid van de stof of het preparaat die wordt vervaardigd of in de handel wordt gebracht;
  • d) 
    de banden tussen een fabrikant of importeur en zijn distributeurs of downstreamgebruikers.

Wanneer onmiddellijk optreden absoluut noodzakelijk is ter bescherming van de gezondheid van de mens, de veiligheid of het milieu, zoals in noodsituaties, kan het Agentschap de in dit lid bedoelde informatie bekendmaken.

  • 3. 
    De raad van bestuur stelt uiterlijk op 1 juni 2008 praktische regelingen vast voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1049/2001, met inbegrip van beroepsprocedures en rechtsmiddelen die noodzakelijk zijn voor een gedeeltelijke of gehele afwijzing van een verzoek in verband met vertrouwelijkheid.
  • 4. 
    Tegen de beslissingen van het Agentschap overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 kan beroep worden ingesteld door middel van een klacht bij de Ombudsman of door middel van een beroep bij het Hof van Justitie, volgens de voorwaarden van respectievelijk artikel 195 en artikel 230 van het EG-Verdrag.

Artikel 119

Elektronische toegang van hetpubliek

  • 1. 
    De volgende informatie over stoffen als zodanig, in preparaten of voorwerpen die het Agentschap bezit, wordt overeenkomstig artikel 77, lid 2, onder d), gratis openbaar gemaakt op internet:
  • a) 
    voor gevaarlijke stoffen in de zin van Richtlijn 67/548/EEG, de naam volgens de nomenclatuur van de IUPAC, onverminderd het bepaalde in lid 2, onder f) en onder g);

b)

in voorkomend geval, de naam van de stof volgens de EINECS;

  • c) 
    de indeling en etikettering van de stof;
  • d) 
    de fysisch-chemische gegevens over de stof en de gegevens over afbraak en verspreiding in het milieu;
  • e) 
    de resultaten van alle toxicologische en ecotoxicologische onderzoeken;
  • f) 
    eventuele overeenkomstig bijlage I bepaalde afgeleide doses zonder effect (derived no-effect level, DNEL) of voorspelde concentraties zonder effect (predicted no-effect concentration, PNEC);
  • g) 
    de overeenkomstig de punten 4 en 5 van bijlage VI verstrekte richtsnoeren voor veilig gebruik;
  • h) 
    de analysemethoden, indien overeenkomstig bijlage IX of X vereist, waarmee een gevaarlijke stof kan worden opgespoord nadat zij in het milieu is gebracht en waarmee de rechtstreekse blootstelling van de mens kan worden bepaald.
  • 2. 
    De volgende informatie over stoffen als zodanig, in preparaten of voorwerpen, wordt gratis openbaar gemaakt op internet overeenkomstig artikel 77, lid 2, onder d), behoudens wanneer een partij die de informatie verstrekt, daar overeenkomstig artikel 10, onder a), onder xi), een door het Agentschap als geldig aanvaarde verantwoording bijvoegt van de reden waarom die openbaarmaking schadelijk kan zijn voor de commerciele belangen van de registrant of enige andere betrokken partij:
  • a) 
    indien onmisbaar voor de indeling en etikettering: de zuiverheidsgraad van de stof en de identiteit van onzuiverheden en/of additieven waarvan bekend is dat zij gevaarlijk zijn;
  • b) 
    de gewichtsklasse (namelijk een totaalgewicht van 1-10 ton, 10-100 ton,

100-1000 ton of meer dan 1000 ton) waarin een bepaalde stof geregistreerd is;

  • c) 
    de onderzoekssamenvattingen of uitgebreide onderzoekssamenvattingen van de in lid 1, onder d) en e), bedoelde informatie;
  • d) 
    andere dan de in lid 1 bedoelde informatie in het veiligheidsinformatieblad;
  • e) 
    de handelsnaam of handelsnamen van de stof;
  • f) 
    de naam volgens de nomenclatuur van de IUPAC van niet-geleidelijk gei'ntegreerde stoffen, gevaarlijk in de zin van Richtlijn 67/548/EEG gedurende een periode van zes jaar;
  • g) 
    de naam volgens de nomenclatuur van de IUPAC van gevaarlijke stoffen in de zin van Richtlijn 67/548/EEG die slechts op een van de volgende manieren worden gebruikt:
  • i) 
    als een tussenproduct;
  • ii) 
    in wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling;
  • iii) 
    in onderzoek en ontwikkeling gericht op productie en proces.

Artikel 120

Samenwerking met derde landen en internationale organisaties

Niettegenstaande de artikelen 118 en 119 mag de informatie die het Agentschap krachtens deze verordening ontvangt aan een regering of nationale instantie van een derde land of een internationale organisatie bekend worden gemaakt ingevolge een overeenkomst die tussen de Gemeenschap en de betrokken derde partij is gesloten krachtens Verordening (EG) nr. 304/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen1 of krachtens artikel 181 A, lid 3, van het Verdrag, mits aan beide onderstaande voorwaarden is voldaan:

  • a) 
    de overeenkomst heeft tot doel samen te werken bij de uitvoering of het beheer van wetgeving betreffende chemische stoffen waarop deze verordening betrekking heeft;
  • b) 
    de derde partij beschermt de vertrouwelijke informatie zoals wederzijds overeengekomen.

PB L 63 van 6.3.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 775/2004 (PB L 123 van 27.4.2004, blz. 27).

TITEL XIII

BEVOEGDE INSTANTIES

Artikel 121 Aanwijzing

De lidstaten wijzen de bevoegde instantie of instanties aan die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de krachtens deze verordening aan de bevoegde instanties toegekende taken en voor de samenwerking met de Commissie en het Agentschap bij de toepassing van deze verordening. De lidstaten stellen de bevoegde instanties passende middelen ter beschikking, zodat zij, ook met eventuele andere beschikbare middelen, hun taken overeenkomstig deze verordening tijdig en doeltreffend kunnen vervullen.

Artikel 122

Samenwerking tussen bevoegde instanties

De bevoegde instanties werken onderling samen bij de uitvoering van hun taken overeenkomstig deze verordening en verlenen de bevoegde instanties van de overige lidstaten hiertoe alle nood-zakelijke en nuttige steun.

Artikel 123

Publieksvoorlichting over de risico's van stoffen

De bevoegde instanties van de lidstaten informeren het grote publiek over de risico's van stoffen indien dat voor de bescherming van de gezondheid van de mens of het milieu nodig wordt geacht. Het Agentschap stelt, in overleg met de bevoegde instanties en belanghebbenden en gericht op toepasselijke beste praktijken, richtsnoeren op voor de mededeling van informatie over risico's en veilig gebruik van chemische stoffen als zodanig, in preparaten of in voorwerpen, om de werkzaamheden van de lidstaten ter zake te coordineren.

Artikel 124

Overige verantwoordelijkheden van de bevoegde instanties

De bevoegde instanties zenden het Agentschap elektronisch alle bij hen berustende informatie over de overeenkomstig artikel 12, lid 1, geregistreerde stoffen toe waarvan de dossiers niet alle in bijlage VII genoemde informatie bevatten; zij delen met name mede of de handhavings- of toezichtsactiviteiten risicovermoedens hebben opgeleverd. De bevoegde instantie werkt deze informatie op passende wijze bij.

De lidstaten stellen nationale helpdesks in om de fabrikanten, importeurs, downstreamgebruikers en overige belanghebbende partijen informatie te verstrekken over hun respectieve verantwoordelijkheden en verplichtingen overeenkomstig deze verordening, met name wat de registratie van stoffen overeenkomstig artikel 12, lid 1, betreft, naast de krachtens artikel 77, lid 2, onder g), door het Agentschap verstrekte richtsnoeren.

TITEL XIV HANDHAVING

Artikel 125 Taken van de lidstaten

De lidstaten onderhouden een systeem van officiele controles en andere op de situatie afgestemde activiteiten.

Artikel 126 Sancties

De lidstaten stellen de sancties vast die van toepassing zijn op schendingen van deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties worden toegepast. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en ontmoedigend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 december 2008 van de desbetreffende bepalingen op de hoogte en stellen haar onverwijld op de hoogte van eventuele latere wijzigingen.

Artikel 127 Verslag

Het in artikel 117, lid 1, bedoelde verslag bevat, met betrekking tot de handhaving, de resultaten van de officiele inspecties, het uitgevoerde toezicht, de vastgestelde sancties en de overige maat-regelen die in de voorgaande verslagperiode overeenkomstig de artikelen 125 en 126 zijn genomen. De gemeenschappelijke vraagstukken die in de verslagen moeten worden behandeld, worden overeengekomen door het forum. De Commissie stelt deze verslagen ter beschikking van het Agentschap en het forum.

TITEL XV

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 128

Vrij verkeer van goederen

  • 1. 
    Onverminderd lid 2 mogen de lidstaten de vervaardiging, de invoer, het in de handel brengen of het gebruik van een stof, als zodanig of in een preparaat of voorwerp, die binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt en aan deze verordening voldoet, en in voorkomend geval aan communautaire uitvoeringsbesluiten daarvan, niet verbieden, beperken of belemmeren.
  • 2. 
    Deze verordening belet niet dat de lidstaten voor de bescherming van werknemers, de

gezondheid van de mens en het milieu, nationale regels handhaven of vaststellen die van toepassing zijn in gevallen waarin deze verordening de voorschriften voor de vervaardiging, het in de handel brengen of het gebruik niet harmoniseert.

Artikel 129 Vrijwaringsclausule

  • 1. 
    Wanneer een lidstaat gegronde redenen heeft om aan te nemen dat ter bescherming van de gezondheid van de mens of het milieu onmiddellijk optreden absoluut noodzakelijk is ten aanzien van een stof, als zodanig of in een preparaat of voorwerp, zelfs indien deze weliswaar aan de voorschriften van deze verordening voldoet, kan die lidstaat passende voorlopige maatregelen nemen. De lidstaat stelt de Commissie, het Agentschap en de overige lidstaten daarvan onverwijld op de hoogte, met vermelding van de redenen voor zijn besluit alsook van de wetenschappelijke of technische informatie waarop de voorlopige maatregel is gebaseerd.
  • 2. 
    De Commissie neemt binnen zestig dagen na ontvangst van de informatie van de lidstaat een besluit volgens de in artikel 133, lid 3, bedoelde procedure. Bij dit besluit wordt:
  • a) 
    de voorlopige maatregel voor een in het besluit vermelde termijn goedgekeurd; of b) van de lidstaat geeist dat deze de voorlopige maatregel intrekt.
  • 3. 
    Indien in het geval van een besluit als bedoeld in lid 2, onder a), de door de lidstaat genomen voorlopige maatregel een beperking op het in de handel brengen of het gebruik van een stof inhoudt, leidt de betrokken lidstaat een procedure voor communautaire beperkingen in door binnen drie maanden na de datum van het besluit van de Commissie bij het Agentschap een dossier overeenkomstig bijlage XV in te dienen.
  • 4. 
    In het geval van een besluit als bedoeld in lid 2, onder a), overweegt de Commissie of deze verordening moet worden aangepast.

Artikel 130

Motivering van besluiten

De bevoegde instanties, het Agentschap en de Commissie motiveren alle besluiten die zij overeenkomstig deze verordening nemen.

Artikel 131

Wijziging van de bijlagen

De bijlagen kunnen volgens de in artikel 133, lid 4, bedoelde procedure worden gewijzigd.

Artikel 132

Uitvoeringsbepalingen

De voor een efficiente uitvoering van de bepalingen van deze verordening vereiste maatregelen worden vastgesteld volgens de in artikel 133, lid 3, bedoelde procedure.

Artikel 133 Comiteprocedure

  • 1. 
    De Commissie wordt bijgestaan door een comite.
  • 2. 
    Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van de bepalingen van artikel 8 van dat besluit.
  • 3. 
    Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van de bepalingen van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

  • 4. 
    Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 t/m 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van de bepalingen van artikel 8 van dat besluit.
  • 5. 
    Het comite stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 134

Voorbereidingen voor de oprichting van het Agentschap

  • 1. 
    De Commissie verleent de nodige steun in verband met de oprichting van het Agentschap.
  • 2. 
    Te dien einde, en in afwachting van het tijdstip waarop de uitvoerend directeur zijn werkzaamheden aanvangt na zijn benoeming door de raad van bestuur van het Agentschap overeenkomstig artikel 84, kan de Commissie namens het Agentschap en met gebruik-making van de begroting van het Agentschap:
  • a) 
    personeel benoemen, daaronder begrepen de benoeming van een persoon die ad interim de taken van de uitvoerend directeur verricht; alsmede
  • b) 
    andere contracten sluiten.

Artikel 135

Overgangsmaatregelen betreffende aangemelde stoffen

  • 1. 
    De tot de registranten gerichte verzoeken om de bevoegde instantie nadere informatie te

verstrekken overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Richtlijn 67/548/EEG worden beschouwd als overeenkomstig artikel 51 van deze verordening genomen besluiten.

  • 2. 
    De tot een registrant gerichte verzoeken om de bevoegde instantie nadere informatie te

verstrekken overeenkomstig artikel 16, lid 1, van Richtlijn 67/548/EEG worden beschouwd als een overeenkomstig artikel 52 van deze verordening genomen besluit.

Deze stoffen worden geacht deel uit te maken van het communautaire voortschrijdende actieplan overeenkomstig artikel 44, lid 2, van deze verordening en worden beschouwd als stoffen die overeenkomstig artikel 45, lid 2, van deze verordening zijn gekozen door de lidstaat waarvan de bevoegde instantie overeenkomstig artikel 7, lid 2, en artikel 16, lid 1, van Richtlijn 67/548/EEG om nadere informatie heeft verzocht.

Artikel 136

Overgangsmaatregelen betreffende bestaande stoffen

  • 1. 
    De verzoeken om informatie die met toepassing van artikel 10, lid 2, van Verordening

(EEG) nr. 793/93 bij een verordening van de Commissie tot de fabrikanten en importeurs zijn gericht, worden beschouwd als overeenkomstig artikel 52 van deze verordening aangenomen besluiten.

De voor de stof bevoegde instantie is de bevoegde instantie van de lidstaat die overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 793/93 als rapporteur is aangewezen en verricht de in artikel 46, lid 3, en artikel 48 van deze verordening omschreven taken.

  • 2. 
    De verzoeken om informatie die met toepassing van artikel 12, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 793/93 bij een verordening van de Commissie tot de fabrikanten en importeurs zijn gericht, worden beschouwd als overeenkomstig artikel 52 van deze verordening aangenomen besluiten. Het Agentschap bepaalt welke voor de stof bevoegde instantie de in artikel 46, lid 3, en artikel 48 van deze verordening omschreven taken verricht.
  • 3. 
    Een lidstaat wiens rapporteur heeft nagelaten de risicobeoordeling en, indien nodig, de strategie ter beperking van de risico's overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 793/93 uiterlijk op 1 juni 2008 toe te zenden, moet:
  • a) 
    gedocumenteerde informatie over gevaren en risico's verstrekken overeenkomstig bijlage XV, deel B, van deze verordening;
  • b) 
    artikel 69, lid 4, van deze verordening toepassen op basis van het in punt a) bedoelde dossier; en
  • c) 
    een document opstellen over de manier waarop eventuele andere vastgestelde risico's moeten worden aangepakt door ander optreden dan de wijziging van bijlage XVII van deze verordening.

Bovenbedoelde informatie wordt uiterlijk op 1 december 2008 aan het Agentschap toegezonden.

Artikel 137

Overgangsmaatregelen betreffende beperkingen

  • 1. 
    Uiterlijk op 1 juni 2010 stelt de Commissie, zo nodig, een ontwerp-wijziging van bijlage XVI op overeenkomstig:
  • a) 
    hetzij een risicobeoordeling en een overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EEG) nr. 793/93 op Gemeenschapsniveau goedgekeurde aanbevolen strategie ter beperking van de risico's, voor zover deze voorstellen voor beperkingen in de zin van titel VIII van deze verordening bevat, waarover nog geen besluit overeenkomstig Richtlijn 76/769/EEG is genomen;
  • b) 
    hetzij een bij de betrokken instellingen ingediend voorstel betreffende de invoering of wijziging van beperkingen krachtens Richtlijn 76/769/EEG dat nog niet is goedgekeurd.
  • 2. 
    Tot op 1 juni 2010 worden alle in artikel 129, lid 3, bedoelde dossiers aan de Commissie voorgelegd. De Commissie stelt indien nodig een ontwerp tot wijziging van bijlage XVII

°p.

  • 3. 
    Elke wijziging van de goedgekeurde beperkingen krachtens Richtlijn 76/769/EEG vanaf 1 juni 2007wordt met ingang van 1 juni 2009 opgenomen in bijlage XVII.

Artikel 138 Evaluatie

  • 1. 
    Uiterlijk op 1 juni 2019voert de Commissie een evaluatie uit om te beoordelen of de

toepassing van de verplichting om een chemische veiligheidsbeoordeling uit te voeren en die in een chemisch veiligheidsrapport te documenteren, al dan niet uitgebreid moet worden tot stoffen waarvoor die verplichting nog niet geldt omdat zij niet registratieplichtig zijn, of die wel registratieplichtig zijn maar in hoeveelheden van minder dan 10 ton per jaar worden vervaardigd of ingevoerd. Voor stoffen die echter overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG aan de criteria voor indeling als kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting, categorie 1 of 2, voldoen, wordt de evaluatie uiterlijk op 1 juni 2014 uitgevoerd. Bij de uitvoering van de evaluatie, houdt de Commissie rekening met alle relevante factoren, met inbegrip van:

  • a) 
    de kosten voor fabrikanten en importeurs van het opstellen van de chemische-veiligheidsrapporten;
  • b) 
    de verdeling van de kosten tussen actoren in de toeleveringsketen en de downstreamgebruiker;
  • c) 
    de voordelen voor de gezondheid van de mens en het milieu.

Op grond van die evaluatie kan de Commissie, in voorkomend geval, wetgevings-voorstellen indienen om deze verplichting uit te breiden.

  • 2. 
    De Commissie kan wetgevingsvoorstellen indienen zodra een uitvoerbare en kosten-effectieve selectiemethode voor de registratie van polymeren op grond van betrouwbare technische en geldige wetenschappelijke criteria kan worden vastgesteld, en nadat zij een verslag over het volgende heeft gepubliceerd:
  • a) 
    de risico's van polymeren in vergelijking met andere stoffen;
  • b) 
    de eventuele noodzaak om bepaalde soorten polymeren te registreren, rekening houdend met het concurrentievermogen en innovatie enerzijds en de bescherming van de gezondheid en het milieu anderzijds.
  • 3. 
    Het in artikel 117, lid 3, bedoelde verslag over de ervaring met de werking van deze verordening bevat een evaluatie van de voorschriften voor de registratie van stoffen die in hoeveelheden tussen 1 ton en 10 ton per jaar per fabrikant of importeur worden vervaardigd of ingevoerd. Op grond van die evaluatie kan de Commissie wetgevingsvoorstellen indienen tot wijziging van de informatie-eisen voor stoffen die in hoeveelheden tussen 1 ton en 10 ton per jaar per fabrikant of importeur worden vervaardigd of ingevoerd, waarbij zij rekening houdt met de jongste ontwikkelingen, bijvoorbeeld op het gebied van alternatieve testmethoden en (kwantitatieve) structuur-activiteitsrelaties.
  • 4. 
    Uiterlijk op 1 juni 2008 voert de Commissie een evaluatie van de bijlagen I, IV en V uit, teneinde, zo nodig, overeenkomstig de procedure van artikel 131 wijzigingsvoorstellen in te dienen.
  • 5. 
    Uiterlijk op 1 decmber 2008 voert de Commissie een evaluatie uit van bijlage XIII om de toereikendheid te beoordelen van de criteria voor de identificatie van stoffen die persistent, bioaccumulerend en toxisch zijn of zeer persistent en zeer bioaccumulerend zijn, teneinde, zo nodig, overeenkomstig de procedure van artikel 133, lid 4, wijzigingsvoorstellen in te dienen.
  • 6. 
    Uiterlijk op 1 juni 2012 voert de Commissie een evaluatie uit om te beoordelen of het toepassingsgebied van deze verordening dient te worden gewijzigd om dubbel gebruik met andere toepasselijke communautaire bepalingen te vermijden. Op grond van die evaluatie, kan de Commissie, in voorkomend geval, een wetgevingsvoorstel indienen.
  • 7. 
    Uiterlijk 1 juni 2013 voert de Commissie een evaluatie uit om te beoordelen of, rekening houdend met de laatste ontwikkelingen op wetenschappelijk gebied, het toepassingsgebied van artikel 60, lid 3, dient uitgebreid tot stoffen, gei'dentificeerd onder artikel 57, onder f), met hormoonontregelende eigenschappen. Op grond van die evaluatie, kan de Commissie, in voorkomend geval, een wetgevingsvoorstel indienen.
  • 8. 
    Uiterlijk op 1 juni 2019 voert de Commissie een evaluatie uit om te beoordelen of het toepassingsgebied van artikel 33 dient te worden uitgebreid tot andere gevaarlijke stoffen, rekening houdend met de praktische ervaring bij de toepassing van dat artikel. Op grond van die evaluatie, kan de Commissie, in voorkomend geval, wetgevingsvoorstellen indienen om deze verplichting uit te breiden.
  • 9. 
    Overeenkomstig de doelstelling om tekstmethodes zonder dierproeven te bevorderen en testmethodes met dierproeven te vervangen, beperken of verfijnen, als voorzien in deze verordening, voert de Commissie een evaluatie uit van de vereisten voor testmethoden van afdeling 8.7. van bijlage VIII, uiterlijk op 1 juni 2019. Op grond van die evaluatie, en met garantie voor een hoog niveau van bescherming voor de gezondheid van de mens en het milieu, kan de Commissie een wijziging voorstellen overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 133, lid 4.

Artikel 139 Intrekking

Richtlijn 91/155/EEG wordt hierbij ingetrokken.

Richtlijnen 93/105/EG en 2000/21/EG en Verordeningen (EEG) nr. 793/93 en (EG) nr. 1488/94 worden met ingang van 1 juni 2008 ingetrokken.

Richtlijn 93/67/EEG wordt met ingang van 1 augustus 2008 ingetrokken.

Richtlijn 76/769/EEG wordt met ingang van 1 juni 2009 ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken besluiten gelden als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 140

Wijziging van Richtlijn 1999/45/EG Artikel 14 van Richtlijn 1999/45/EG wordt geschrapt.

Artikel 141

Inwerkingtreding en toepassing

  • 1. 
    Deze verordening treedt in werking op 1 juni 2007.
  • 2. 
    De titels II, III, V, VI, VII, X en XII, alsmede de artikelen 128 en 136, zijn van toepassing vanaf 1 juni 2008.
  • 3. 
    Artikel 135 is van toepassing vanaf 1 augustus 2008.
  • 4. 
    Titel VIII en Bijlage XVII zijn van toepassing vanaf 1 juni 2009.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, 18 december 2006.

 

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter

  • J. 
    BORRELL FONTELLES
  • M. 
    VANHANEN
 

LIJST VAN BIJLAGEN

BIJLAGE I

ALGEMENE BEPALINGEN VOOR DE BEOORDELING VAN STOFFEN

EN DE OPSTELLING VAN CHEMISCHE VEILIGHEIDSRAPPORTEN

BIJLAGE II

RICHTSNOEREN VOOR DE SAMENSTELLING VAN VEILIGHEIDS-

INFORMATIEBLADEN

BIJLAGE III

CRITERIA VOOR STOFFEN DIE IN HOEVEELHEDEN TUSSEN 1 EN

10 TON ZIJN GEREGISTREERD

BIJLAGE IV

VRIJSTELLINGEN VAN DE REGISTRATIEPLICHT OVEREEN-

KOMSTIG ARTIKEL 2, LID 7, ONDER a)

BIJLAGE V

VRIJSTELLINGEN VAN DE REGISTRATIEPLICHT OVEREEN-

KOMSTIG ARTIKEL 2, LID 7, ONDER b)

BIJLAGE VI

IN ARTIKEL 10 BEDOELDE IN TE DIENEN INFORMATIE

BIJLAGE VII

STANDAARDINFORMATIE VOOR STOFFEN DIE IN HOEVEELHEDEN VAN 1 TON OF MEER WORDEN VERVAARDIGD OF

INGEVOERD

BIJLAGE VIII

STANDAARDINFORMATIE VOOR STOFFEN DIE IN HOEVEELHEDEN VAN 10 TON OF MEER WORDEN VERVAARDIGD OF

INGEVOERD

BIJLAGE IX

STANDAARDINFORMATIE VOOR STOFFEN DIE IN HOEVEEL-

HEDEN VAN 100 TON OF MEER WORDEN VERVAARDIGD OF

INGEVOERD

BIJLAGE X

STANDAARDINFORMATIE VOOR STOFFEN DIE IN HOEVEEL-

HEDEN VAN 1000 TON OF MEER WORDEN VERVAARDIGD OF

INGEVOERD

BIJLAGE XI

ALGEMENE REGELS VOOR DE AANPASSING VAN DE

STANDAARDTESTREGELING VAN DE BIJLAGEN VII TOT EN

MET X

BIJLAGE XII

ALGEMENE REGELS VOOR DE BEOORDELING VAN STOFFEN EN

DE OPSTELLING VAN CHEMISCHE VEILIGHEIDSRAPPORTEN

DOOR DOWNSTREAMGEBRUIKERS

BIJLAGE XIII

CRITERIA TER IDENTIFICATIE VAN PERSISTENTE,

BIOACCUMULERENDE EN TOXISCHE STOFFEN EN ZEER

PERSISTENTE EN STERK BIOACCUMULERENDE STOFFEN

BIJLAGE XIV

LIJST VAN AUTORISATIEPLICHTIGE STOFFEN

BIJLAGE XV

DOSSIERS

BIJLAGE XVI

SOCIAAL-ECONOMISCHE ANALYSE

BIJLAGE XVII

BEPERKINGEN OP DE VERVAARDIGING, HET IN DE HANDEL

BRENGEN EN HET GEBRUIK VAN BEPAALDE GEVAARLIJKE

STOFFEN, PREPARATEN EN VOORWERPEN

BIJLAGE I

ALGEMENE BEPALINGEN VOOR DE BEOORDELING VAN STOFFEN EN DE OPSTELLING VAN CHEMISCHE VEILIGHEIDSRAPPORTEN

  • 0. 
    INLEIDING

0.1. Deze bijlage beschrijft hoe fabrikanten en importeurs moeten beoordelen en documenteren dat de risico’s die verbonden zijn aan de stof die ze vervaardigen of invoeren, tijdens de vervaardiging en hun eigen gebruik afdoende worden beheerst en dat anderen verderop in de toeleveringsketen de risico’s afdoende kunnen beheersen. De bijlage is, waar nodig met aanpassingen, ook van toepassing op fabrikanten en importeurs van voorwerpen die noodzakelijk zijn voor het maken van een chemische-veiligheidsbeoordeling als onderdeel van een registratie.

0.2. De chemische veiligheidsbeoordeling wordt opgesteld door een of meerdere bevoegde personen die over de nodige ervaring beschikken en de juiste opleiding, waaronder opfriscursussen, hebben genoten.

0.3. De chemische veiligheidsbeoordeling van een fabrikant moet betrekking hebben op de vervaardiging van een stof en elk gei'dentificeerd gebruik. De chemische veiligheidsbeoordeling van een importeur moet betrekking hebben op elk gei'dentificeerd gebruik. Bij de chemische veiligheidsbeoordeling wordt aandacht besteed aan het gebruik van de stof als zodanig (met inbegrip van belangrijke verontreinigingen en additieven), in een preparaat en in een voorwerp, overeenkomstig elk gei'dentificeerd gebruik. Bij de beoordeling moeten alle fasen van de levenscyclus van de stof die voortvloeien uit de vervaardiging en het geidentificeerde gebruik, aan de orde komen. De chemische veiligheidsbeoordeling wordt gebaseerd op een vergelijking van de mogelijke schadelijke effecten van een stof met de bekende of redelijkerwijs te verwachten blootstelling van de mens en/of het milieu aan die stof, rekening houdend met de uitgevoerde en aanbevolen risicobeheersmaatregelen en de operationele omstandigheden.

0.4. Stoffen waarvan de fysisch-chemische, toxicologische en ecotoxicologische eigenschappen naar verwachting vergelijkbaar zijn of ten gevolge van een vergelijkbare structuur een regelmatig patroon volgen, kunnen als een groep of "categorie" stoffen worden beschouwd. Indien de fabrikant of importeur van mening is dat de voor een bepaalde stof uitgevoerde chemische veiligheidsbeoordeling volstaat om te beoordelen en te documenteren dat de uit een andere stof of groep of "categorie" stoffen voortvloeiende risico’s afdoende worden beheerst, kan hij die chemische veiligheidsbeoordeling voor de andere stof of groep of "categorie" stoffen gebruiken. De fabrikant of importeur dient hiervoor een motivering te verstrekken.

0.5. De chemische veiligheidsbeoordeling wordt op de informatie over de stof in het technisch dossier en op andere beschikbare relevante informatie gebaseerd. Fabrikanten of importeurs die een testvoorstel overeenkomstig de bijlagen IX en X indienen, moeten dit in de desbetreffende rubriek van de chemische veiligheidsbeoordeling vermelden. Beschikbare informatie van beoordelingen die overeenkomstig andere international en nationale programma’s zijn uitgevoerd, wordt eveneens opgenomen. Wanneer overeenkomstig andere communautaire wetgeving uitgevoerde beoordelingen (bijvoorbeeld risicobeoordelingen die krachtens Verordening (EG) nr. 793/93 zijn uitgevoerd) beschikbaar en relevant zijn, dient hiermee rekening te worden gehouden bij de samenstelling van het chemische veiligheidsrapport en dienen ze hierin tot uiting te komen. Wanneer van dergelijke beoordelingen wordt afgeweken, moet hier een motivering voor worden gegeven.

De informatie die in aanmerking moet worden genomen, omvat dus informatie over de gevaren van de stof, de blootstelling ten gevolge van de vervaardiging of invoer, het gei'dentificeerde gebruik van de stof, de operationele omstandigheden en de risicobeheers-maatregelen die gelden voor downstreamgebruikers of die hen wordt aanbevolen in acht te nemen.

Overeenkomstig bijlage XI, hoofdstuk 3, is het in sommige gevallen wellicht niet nodig ontbrekende informatie te genereren omdat de risicobeheersmaatregelen en de operationele omstandigheden die nodig zijn om een zorgvuldig gekarakteriseerd risico te beheersen, wellicht ook kunnen volstaan om andere mogelijke risico’s te beheersen, die derhalve niet exact behoeven te worden gekarakteriseerd.

Indien de fabrikant of importeur van mening is dat nadere informatie nodig is voor de opstelling van zijn chemisch veiligheidsrapport en dat deze informatie alleen kan worden verkregen door de uitvoering van testen overeenkomstig bijlage VII of VIII, dient hij een voorstel voor een teststrategie in, waarin hij uiteenzet waarom hij aanvullende informatie nodig acht en vermeldt hij dit in de desbetreffende rubriek van het chemische veiligheidsrapport. In afwachting van de resultaten van nadere testen vermeldt hij in zijn chemisch veiligheidsrapport en in het ontwikkelde blootstellingsscenario de voorlopige risicobeheersmaatregelen die hij heeft genomen om het onderzochte risico te beheersen alsmede die welke hij downstreamgebruikers aanbeveelt.

0.6. De chemische veiligheidsbeoordeling van een stof door een fabrikant of importeur omvat de volgende stappen, overeenkomstig de desbetreffende hoofdstukken van deze bijlage:

  • 1. 
    een beoordeling van de gevaren voor de gezondheid van de mens;
  • 2. 
    een beoordeling van de gevaren van fysisch-chemische eigenschappen voor de gezondheid van de mens;
  • 3. 
    een beoordeling van de gevaren voor het milieu;

4.

een PBT- en zPzB-beoordeling;

Indien de fabrikant of importeur op grond van de stappen 1 tot en met 4 concludeert dat de stof of het preparaat overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG of Richtlijn 1999/45/EG aan de criteria voor indeling als gevaarlijk voldoet of als PBT of zPzB moet worden beschouwd, moet de chemische veiligheidsbeoordeling tevens de volgende stappen omvatten:

  • 5. 
    de beoordeling van de blootstelling;

5.1    de opstelling van blootstellingsscenario's of passende gebruiks- en blootstellingscategorieen, indien opportuun;

5.2    het schatten van de blootstelling.

  • 6. 
    een risicokarakterisering.

Een samenvatting van alle relevante informatie die bij de behandeling van bovengenoemde punten is gebruikt, wordt opgenomen in de desbetreffende rubriek van het chemische veiligheidsrapport (zie hoofdstuk 7).

0.7. Het belangrijkste onderdeel van het gedeelte van het chemische veiligheidsrapport over de blootstelling is de beschrijving van de blootstellingsscenario's die van toepassing zijn bij vervaardiging door de fabrikant, bij eigen gebruik door de fabrikant of de importeur alsmede van de blootstellingsscenario's die de fabrikant of importeur aanbevelen voor het gei'dentificeerde gebruik.

Een blootstellingsscenario is de reeks voorwaarden waarin wordt beschreven hoe de stof wordt vervaardigd of gedurende de levenscyclus wordt gebruikt en hoe de fabrikant of importeur de blootstelling van mens en milieu beheerst of downstreamgebruikers aanbeveelt deze te beheersen. Deze reeksen voorwaarden bevatten een beschrijving van zowel de risicobeheersmaatregelen als de operationele omstandigheden die de fabrikant of importeur heeft toegepast en die hij downstreamgebruikers aanbeveelt toe te passen.

Indien de stof in de handel wordt gebracht, worden de toepasselijke blootstellings-scenario's, met inbegrip van de risicobeheersmaatregelen en operationele omstandigheden, overeenkomstig bijlage II in een bijlage bij het veiligheidsinformatieblad vermeld.

0.8. Hoe gedetailleerd een blootstellingsscenario moet worden beschreven, zal per geval sterk verschillen en is afhankelijk van het gebruik van een stof, de gevaarlijke eigenschappen ervan en de hoeveelheid informatie waarover de fabrikant of importeur beschikt. In blootstellingsscenario’s kunnen de passende risicobeheersmaatregelen voor verschillende afzonderlijke processen of gebruiksvormen van een stof worden beschreven. Een blootstellingsscenario kan zodoende een breed scala van processen of gebruiksvormen bestrijken. Naar blootstellingsscenario's die een groot aantal verschillende processen of gebruiken omvatten, kan worden verwezen onder de benaming blootstellingscategorieen. In het vervolg van deze bijlage I en bijlage II omvat de term "blootstellingsscenario" tevens eventuele blootstellingscategorieen.

0.9. Wanneer informatie overeenkomstig bijlage XI niet noodzakelijk is, wordt dit feit in de desbetreffende rubriek van het chemische veiligheidsrapport vermeld en wordt daarbij verwezen naar de motivering in het technisch dossier. Het feit dat geen informatie vereist is, wordt ook in het veiligheidsinformatieblad vermeld.

0.10. De risico’s die samenhangen met specifieke effecten, zoals de aantasting van de ozonlaag, het vermogen tot vorming van fotochemische ozon, sterke geuren en bederf, waarvoor de procedures van de paragrafen 1 tot en met 6 niet uitvoerbaar zijn, worden per geval beoordeeld en de fabrikant of importeur geeft in het chemische veiligheidsrapport een volledige beschrijving en motivering van deze beoordelingen en een samenvatting in het veiligheidsinformatieblad.

0.11. Bij de beoordeling van het risico dat verbonden is aan het gebruik van een of meerdere stoffen in een specifiek preparaat (bijvoorbeeld een legering) wordt rekening gehouden met de wijze waarop de samenstellende stoffen in de chemische matrix zijn gebonden.

0.12. Wanneer de in deze bijlage beschreven methoden niet geschikt zijn, worden in het

chemische veiligheidsrapport de gebruikte alternatieve methoden gedetailleerd beschreven en gemotiveerd.

0.13. In deel A van het chemische veiligheidsrapport wordt een verklaring opgenomen dat de in de desbetreffende blootstellingsscenario’s voor het eigen gebruik van de fabrikant of importeur geschetste risicobeheersmaatregelen door de fabrikant of importeur worden toegepast en dat de blootstellingsscenario’s voor het geidentificeerde gebruik worden meegedeeld aan de distributeurs en downstreamgebruikers in het veiligheids-informatieblad.

  • 1. 
    BEOORDELING VAN DE GEVAREN VOOR DE GEZONDHEID VAN DE MENS 1.0. Inleiding

1.0.1. De beoordeling van de gevaren voor de gezondheid van de mens is bedoeld om:

  • de indeling en etikettering van een stof overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG te bepalen; en
  • de blootstellingsniveaus te bepalen die bij de blootstelling van de mens aan de stof niet mogen worden overschreden. Dit blootstellingsniveau wordt de afgeleide dosis zonder effect (derived no-effect level - DNEL) genoemd.

1.0.2. Bij de beoordeling van de gevaren voor de gezondheid van de mens wordt gekeken naar het toxicokinetisch profiel (met name absorptie, metabolisme, verspreiding en eliminatie) van de stof en van de volgende groepen effecten, 1) acute effecten (acute toxiciteit, irritatie en corrosiviteit), 2) sensibilisering, 3) toxiciteit bij herhaalde toediening en 4) CMR-effecten (kankerverwekkendheid, mutageniteit en giftigheid voor de voortplanting). Op basis van alle beschikbare informatie wordt indien nodig ook naar andere effecten gekeken.

1.0.3. De beoordeling van de gevaren omvat de volgende vier stappen: stap 1:    evaluatie van andere informatie dan over de mens;

stap 2:    evaluatie van informatie over de mens;

stap 3:    indeling en etikettering;

stap 4:    bepaling van de DNELs.

1.0.4. De eerste drie stappen worden uitgevoerd voor elk effect waarover informatie beschikbaar is en worden in de desbetreffende rubriek van het chemische veiligheidsrapport geregistreerd en indien vereist in de rubrieken 2 en 11 van het veiligheidsinformatieblad en overeenkomstig artikel 31 samengevat.

1.0.5. Voor effecten waarover geen relevante informatie beschikbaar is, wordt in de

desbetreffende rubriek de zin "Deze informatie is niet beschikbaar." vermeld. De motivering, met een verwijzing naar eventueel verricht literatuuronderzoek, wordt opgenomen in het technische dossier.

1.0.6. Stap 4 van de beoordeling van de gevaren voor de gezondheid van de mens wordt uitgevoerd door de resultaten van de eerste drie stappen te integreren en wordt in de desbetreffende rubriek van het chemische veiligheidsrapport opgenomen en in rubriek 8.1 van het veiligheidsinformatieblad samengevat.

1.1.    Stap 1: evaluatie van andere informatie dan over de mens;

1.1.1.    De evaluatie van andere informatie dan over de mens omvat:

  • de identificatie van de gevaren voor het effect op basis van alle beschikbare andere informatie dan over de mens;
  • de bepaling van de kwantitatieve relatie tussen dosis (concentratie) en respons (effect).

1.1.2.    Wanneer het niet mogelijk is de kwantitatieve relatie tussen dosis (concentratie) en respons (effect) te bepalen, moet dit worden gemotiveerd en moet een semi-kwantitatieve of kwalitatieve analyse worden opgenomen. Voor acute effecten bijvoorbeeld, is het meestal niet mogelijk de kwantitatieve relatie tussen dosis (concentratie) en respons (effect) te bepalen op basis van de resultaten van een test overenkomstig de testmethoden van een verordening van de Commissie als bedoeld in artikel 13, lid 3. In die gevallen volstaat het te bepalen of en in welke mate de stof een inherent vermogen heeft om het effect te veroorzaken.

1.1.3.    Alle andere informatie dan over de mens die wordt gebruikt om een bepaald effect bij de mens te beoordelen en de relatie tussen dosis (concentratie) en respons (effect) te bepalen, dient kort te worden beschreven, indien mogelijk in de vorm van een of meer tabellen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen in-vitro informatie, in-vivo informatie en andere informatie. De relevante testresultaten (zoals LD50, NO(A)EL of LO(A)EL) en testomstandigheden (zoals de duur van de test en de toedieningsweg) en andere relevante informatie dienen in internationaal erkende meeteenheden voor dat effect te worden vermeld.

1.1.4. Indien er een onderzoek beschikbaar is, dient daarvan een uitgebreide onderzoekssamen-vatting te worden gemaakt. Indien er verschillende onderzoeken over hetzelfde effect zijn, moeten normaal gesproken, rekening houdend met mogelijke variabelen (bijvoorbeeld testverloop, geschiktheid, relevantie van de testsoorten, kwaliteit van de resultaten) de onderzoeken die aanleiding geven tot de grootste zorg, worden gebruikt voor de bepaling van de DNELs en moet een uitgebreide onderzoekssamenvatting worden gemaakt, die als onderdeel van het technisch dossier wordt opgenomen. Van alle sleutelgegevens die in de gevaarsbeoordeling worden gebruikt, dienen uitgebreide onderzoekssamenvattingen te worden gemaakt. Indien de onderzoeken die aanleiding geven tot de grootste zorg, niet worden gebruikt, moet hiervoor een volledige motivering worden gegeven, zulks niet alleen voor het gebruikte onderzoek maar ook voor alle onderzoeken die aanleiding tot meer zorg geven dan het gebruikte onderzoek, en deze motiveringen moeten in het technisch dossier worden opgenomen. Ongeacht of er al dan niet gevaren zijn vastgesteld, is het van belang rekening te houden met de geldigheid van het onderzoek.

1.2.    Stap 2: evaluatie van informatie over de mens;

Indien er geen informatie over de mens beschikbaar is, wordt in dit deel de verklaring "Er is geen informatie over de mens beschikbaar.", opgenomen. Indien er echter wel informatie over de mens beschikbaar is, wordt die vermeld, indien mogelijk in de vorm van een tabel.

1.3.    Stap 3: indeling en etikettering;

1.3.1. De juiste indeling en etikettering, ontwikkeld overeenkomstig de criteria in Richtlijn

67/548/EEG, dienen te worden vermeld en gemotiveerd. Indien van toepassing worden de specifieke concentratiegrenzen als gevolg van de toepassing van artikel 4, lid 4, van Richtlijn 67/548/EEG en de artikelen 4 tot en met 7 van Richtlijn 1999/45/EG, opgegeven en indien deze niet in bijlage I van Richtlijn 67/548/EEG zijn opgenomen, worden zij gemotiveerd. De beoordeling dient altijd een verklaring te bevatten waarin is vermeld of de stof al dan niet voldoet aan de in Richtlijn 67/548/EEG vermelde criteria voor CMR-stoffen van de categorieen 1 en 2.

1.3.2. Indien de informatie niet volstaat om te beslissen of een stof voor een bepaald eindpunt moet worden ingedeeld, dient de registrant te vermelden en te motiveren wat hij naar aanleiding daarvan heeft gedaan of besloten.

1.4. Stap 4: Bepaling van de DNEL(s)

1.4.1. Op basis van de resultaten van de stappen 1 en 2, onder a), worden voor de stof, gebaseerd op de te verwachten blootstellingsroute(s), -duur en -frequentie, een of meer DNEL(s) bepaald. Het is mogelijk dat voor sommige eindpunten, in het bijzonder mutageniciteit en kankerverwekkendheid, er op basis van de beschikbare informatie geen drempelwaarde, en dus ook geen DNEL kan worden bepaald. Als dit op grond van de blootstellingsscenario's verantwoord is, kan met een DNEL worden volstaan. Rekening houdend met de beschikbare informatie en de blootstellingsscenario's in rubriek 9 van het chemische veiligheidsrapport kan het echter nodig zijn voor elke relevante menselijke populatie (bijvoorbeeld werknemers, consumenten en mensen die indirect via het milieu kunnen worden blootgesteld) en mogelijkerwijs voor bepaalde kwetsbare deelpopulaties (zoals kinderen of zwangere vrouwen) en voor verschillende blootstellingsroutes een aparte DNEL te bepalen. Er dient een volledige motivering te worden gegeven, waarin onder andere de keuze van de gebruikte informatie, de blootstellingsroute (oraal, via de huid, inademing) en de duur en frequentie van de blootstelling aan de stof waarvoor de DNEL geldig is, worden vermeld. Als er waarschijnlijk sprake is van meer dan een blootstellingsroute, moet voor elke blootstellingsroute en voor de gecombineerde blootstelling via alle routes een DNEL worden bepaald. Bij de bepaling van de DNEL moet onder andere rekening worden gehouden met de volgende factoren:

  • a) 
    de onzekerheid die onder andere voortvloeit uit de variabiliteit in de experimented informatie en de variatie binnen en tussen species;
  • b) 
    de aard en de ernst van het effect;
  • c) 
    de gevoeligheid van de    menselijke deelpopulatie waarop de kwantitatieve en/of

kwalitatieve informatie over de blootstelling betrekking heeft.

1.4.2. Als het niet mogelijk is een DNEL te bepalen, moet dit duidelijk worden vermeld en volledig worden gemotiveerd.

  • 2. 
    FYSISCH-CHEMISCHE GEVARENBEOORDELING

2.1.    De beoordeling van de gevaren van fysisch-chemische eigenschappen is bedoeld om de indeling en etikettering van een stof overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG te bepalen.

2.2.    De potentiele effecten op de gezondheid van de mens worden op ten minste de volgende fysisch-chemische eigenschappen beoordeeld:

  • de ontplofbaarheid,
  • de ontvlambaarheid en
  • het oxiderend vermogen.

Indien de informatie niet volstaat om te beslissen of een stof voor een bepaald eindpunt moet worden ingedeeld, dient de registrant te vermelden en te motiveren wat hij naar aanleiding daarvan heeft gedaan of besloten.

2.3.    De beoordeling van elk effect wordt in de desbetreffende rubriek van het chemische veilig-heidsrapport (zie hoofdstuk 7) vermeld en wordt indien vereist in de rubrieken 2 en 9 van het veiligheidsinformatieblad en overeenkomstig artikel 31 samengevat.

2.4.    Voor elke fysisch-chemische eigenschap omvat de beoordeling een evaluatie van het inherent vermogen van de stof om het uit de vervaardiging en het gei'dentificeerd gebruik voortvloeiende effect te veroorzaken.

2.5.    De juiste indeling en etikettering, ontwikkeld overeenkomstig de criteria in Richtlijn 67/548/EEG, dienen te worden vermeld en gemotiveerd.

  • 3. 
    BEOORDELING VAN DE MILIEUGEVAREN

3.0.    Inleiding

3.0.1. De beoordeling van de milieugevaren is bedoeld om de indeling en etikettering van een stof overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG te bepalen en te bepalen beneden welke concentratie van de stof er geen nadelige effecten op het desbetreffende milieu-compartiment worden verwacht. Deze concentratie staat bekend als de voorspelde concentratie zonder effect (predicted no-effect concentration - PNEC).

3.0.2. Bij de beoordeling van de milieugevaren wordt gekeken naar de mogelijke effecten op het milieu, waaronder 1) het aquatisch compartiment (inclusief sediment), 2) het terrestrisch compartiment en 3) het luchtcompartiment alsmede de mogelijke effecten die zich kunnen voordoen 4) via accumulatie in de voedselketen. Daarnaast worden de mogelijke effecten op de 5) microbiologische activiteit van rioolwaterzuiveringsinstallaties onderzocht. De beoordeling van de effecten op elk van deze vijf milieucompartimenten wordt in de desbetreffende rubriek van het chemische veiligheidsrapport (zie hoofdstuk 7) vermeld en wordt indien vereist in de rubrieken 2 en 12 van het veiligheidsinformatieblad en overeenkomstig artikel 31 samengevat.

3.0.3. Wanneer voor een milieucompartiment geen informatie over de effecten beschikbaar is, wordt in de desbetreffende rubriek van het chemisch veiligheidsrapport de zin "Deze informatie is niet beschikbaar." vermeld. De motivering, met een verwijzing naar eventueel verricht literatuuronderzoek wordt opgenomen in het technische dossier. Wanneer voor een milieucompartiment wel informatie beschikbaar is, maar de fabrikant of importeur van oordeel is dat de beoordeling van de gevaren niet behoeft te worden uitgevoerd, geeft de fabrikant of importeur een motivering, waarin hij verwijst naar de relevante informatie, in de desbetreffende rubriek van het chemische veiligheidsrapport (zie hoofdstuk 7); deze motivering wordt indien nodig en overeenkomstig artikel 31 samengevat in rubriek 12 van het veiligheidsinformatieblad.

3.0.4. De beoordeling van de gevaren omvat de volgende drie stappen, die duidelijk als zodanig in het chemische veiligheidsrapport worden vermeld:

 

stap 1:

evaluatie van de informatie;

stap 2:

indeling en etikettering;

stap 3:

bepaling van de PNEC;

Stap 1:

evaluatie van de informatie;

3.1.

3.1.1.

De evaluatie van alle beschikbare informatie omvat:

de identificatie van de gevaren op basis van alle beschikbare gegevens;

de bepaling van de kwantitatieve relatie tussen dosis (concentratie) en respons (effect).

3.1.2.    Wanneer het niet mogelijk is de kwantitatieve relatie tussen dosis (concentratie) en respons (effect) te bepalen, moet dit worden gemotiveerd en moet een semi-kwantitatieve of kwalitatieve analyse worden opgenomen.

3.1.3.    Alle informatie die wordt gebruikt om de effecten op een specifiek milieucompartiment te beoordelen, dient kort te worden beschreven, indien mogelijk in de vorm van een of meer tabellen. De relevante testresultaten (zoals een LC50 of NOEC) en testomstandigheden (zoals de duur van de test en de toedieningsweg) en andere relevante informatie dienen in internationaal erkende meeteenheden voor dat effect te worden vermeld.

3.1.4.    Alle informatie die wordt gebruikt om het uiteindelijke lot van de stof in het milieu te beoordelen, dient kort te worden beschreven, indien mogelijk in de vorm van een of meer tabellen. De relevante testresultaten en testomstandigheden en andere relevante informatie dienen in internationaal erkende meeteenheden voor dat effect te worden vermeld.

3.1.5.    Indien er een onderzoek beschikbaar is, dient daarvan een uitgebreide onderzoekssamen-vatting te worden gemaakt. Indien er verschillende onderzoeken naar hetzelfde effect zijn, moeten de onderzoeken die aanleiding geven tot de grootste zorg, worden gebruikt voor het trekken van een conclusie en moet een uitgebreide onderzoekssamenvatting van die onderzoeken worden gemaakt en als onderdeel van het technisch dossier worden opgenomen. Van alle sleutelgegevens die in de gevaarsbeoordeling worden gebruikt, dienen uitgebreide onderzoekssamenvattingen te worden gemaakt. Indien de onderzoeken die aanleiding geven tot de grootste zorg, niet worden gebruikt, moet hiervoor een volledige motivering worden gegeven, zulks niet alleen voor het gebruikte onderzoek maar ook voor alle onderzoeken die aanleiding tot meer zorg geven dan het gebruikte onderzoek, en deze motiveringen moeten in het technisch dossier worden opgenomen. Wanneer alle beschikbare onderzoeken erop wijzen dat er aan een stof geen gevaren verbonden zijn, dient er een algehele beoordeling van de geldigheid van alle onderzoeken te worden uitgevoerd.

3.2. Stap 2: indeling en etikettering;

3.2.1.    De juiste indeling en etikettering, ontwikkeld overeenkomstig de criteria in Richtlijn 67/548/EEG, dienen te worden vermeld en gemotiveerd. Indien van toepassing worden specifieke concentratiegrenswaarden als gevolg van de toepassing van artikel 4, lid 4, van Richtlijn 67/548/EEG en de artikelen 4 tot en met 7 van Richtlijn 1999/45/EG opgegeven en indien deze niet in bijlage I van Richtlijn 67/548/EEG zijn opgenomen, worden zij gemotiveerd.

3.2.2.    Indien de informatie niet volstaat om te beslissen of een stof voor een bepaald eindpunt moet worden ingedeeld, dient de registrant te vermelden en te motiveren wat hij naar aanleiding daarvan heeft gedaan of besloten.

3.3. Stap 3: Bepaling van de PNEC

3.3.1.    Op basis van de beschikbare informatie wordt voor elk milieucompartiment de PNEC bepaald. De PNEC kan worden berekend door een geschikte beoordelingsfactor toe te passen op de effectwaarden (zoals LC50 of NOEC). Een beoordelingsfactor geeft het verschil aan tussen de effectwaarden die voor een beperkt aantal soorten uit laboratorium-testen zijn afgeleid, en de PNEC voor het milieucompartiment1.

3.3.2.    Als het niet mogelijk is de PNEC te bepalen, moet dit duidelijk worden vermeld en volledig worden gemotiveerd.

In het algemeen kan worden gesteld: hoe uitgebreider de gegevens en hoe langer de duur van de tests, hoe geringer de mate van onzekerheid en de grootte van de beoordelingsfactor. Een beoordelingsfactor 1 000 wordt meestal toegepast op de laagste van de drie L(E)C50-waarden op korte termijn die zijn bepaald bij soorten die verschillende trofische niveaus vertegenwoordigen, en een factor 10 op de laagste van drie NOEC-waarden op lange termijn die zijn bepaald bij soorten die verschillende trofische niveaus vertegenwoordigen.

  • 4. 
    PBT- EN ZPZB-BEOORDELING

4.0.    Inleiding

4.0.1. De PBT- en zPzB-beoordeling is bedoeld om te bepalen of de stof aan de criteria in

bijlage XIII voldoet en, indien dat het geval is, te bepalen wat de potentiele emissie van de stof is. Een beoordeling van de gevaren overeenkomstig de hoofdstukken 1 en 3 van deze bijlage waarin alle effecten op lange termijn worden beschreven, en waarin de blootstelling van de mens en het milieu op lange termijn, wordt geraamd overeenkomstig hoofdstuk 5 (Beoordeling van de blootstelling), stap 2 (Schatting van de blootstelling), kan niet met voldoende betrouwbaarheid worden uitgevoerd voor stoffen die aan de PBT- en zPzB-criteria van bijlage XIII voldoen. Derhalve is een aparte PBT- en zPzB-beoordeling nodig.

4.0.2. De PBT- en zPzB-beoordeling omvat de volgende twee stappen, die duidelijk als zodanig in deel B van het chemische veiligheidsrapport (zie hoofdstuk 8) worden vermeld:

stap 1:    vergelijking met de criteria;

stap 2:    karakterisering van de emissie.

De beoordeling wordt tevens samengevat in rubriek 12 van het veiligheidsinformatieblad.

4.1. Stap 1: vergelijking met de criteria;

Dit deel van de PBT- en zPzB-beoordeling omvat een vergelijking van de beschikbare informatie, die als onderdeel van het technisch dossier is ingediend, met de in bijlage XIII vermelde criteria en een verklaring of de stof al dan niet aan deze criteria voldoet.

Indien de beschikbare informatie niet volstaat om te beslissen of de stof aan de criteria van bijlage XIII voldoet, moet ander bewijsmateriaal, zoals gegevens van de monitoring betreffende de registrant, dat aanleiding geeft tot een gelijkwaardige mate van zorg per geval worden onderzocht.

Als het technisch dossier voor een of meer eindpunten alleen de krachtens de bijlagen VII en VIII vereiste informatie bevat, dient de registrant de voor de screening op P, B en T-eigenschappen relevante informatie in aanmerking te nemen om te besluiten of er meer informatie nodig is om de doelstelling van de PBT- en zPzB-beoordeling te bereiken.

Indien voor deze extra informatie proeven op gewervelde dieren moeten worden uitgevoerd, doet de registrant een testvoorstel. Deze extra informatie dient evenwel niet te worden gegenereerd indien de registrant toereikende risicobeheersmaatregelen en operationele omstandigheden implementeert of aanbeveelt die een afwijking, in de zin van paragraaf 3 van bijlage XI, van de voor de PBT- en zPzB-beoordeling relevante proeven mogelijk maken.

4.2. Stap 2:    karakterisering van de emissie.

Indien de stof aan de criteria voldoet, moet een karakterisering van de emissie worden uitgevoerd, die de relevante delen van de in hoofdstuk 5 beschreven beoordeling van de blootstelling omvat. In het bijzonder omvat deze schatting van de hoeveelheden van de stof die bij alle door de fabrikant of importeur uitgevoerde activiteiten en elk gei'dentificeerd gebruik in de verschillende milieucompartimenten vrijkomen, en een bepaling van de te verwachten routes via welke de mens en het milieu aan de stof worden blootgesteld.

  • 5. 
    BEOORDELING VAN DE BLOOTSTELLING

5.0.    Inleiding

De beoordeling van de blootstelling is bedoeld om een kwantitatieve of kwalitatieve schatting te maken van de dosis/concentratie van de stof waaraan mens en milieu worden of kunnen worden blootgesteld. Bij de beoordeling moeten alle fasen van de levenscyclus van de stof die voortvloeien uit de vervaardiging en het gei'dentificeerde gebruik, aan de orde komen en alle blootstellingen bestrijken die verband kunnen houden met de in de paragrafen 1 tot en met 4 beschreven gevaren. De beoordeling van de blootstelling omvat de volgende twee stappen, die duidelijk als zodanig in het chemische veiligheidsrapport worden vermeld:

stap 1:    opstelling van blootstellingsscenario’s of bepaling van relevant gebruik en

blootstellingscategorieen;

stap 2:    schatting van de blootstelling.

Indien vereist wordt het blootstellingsscenario tevens overeenkomstig artikel 31 in een bijlage bij het veiligheidsinformatieblad opgenomen.

5.1. Stap 1:    Ontwikkeling van blootstellingsscenario’s

5.1.1. De in de paragrafen 0.6 en 0.7 beschreven blootstellingsscenario's zullen worden ontwikkeld. Blootstellingsscenario's vormen de kern van de chemische veiligheids-beoordeling. De chemische veiligheidsbeoordeling kan een iteratief proces zijn. De eerste beoordeling zal gebaseerd zijn op het vereiste minimum, alle beschikbare gegevens over de gevaren en de schatting van de blootstelling op basis van de eerste veronderstellingen omtrent de operationele omstandigheden en de risicobeheersmaatregelen (een voorlopig blootstellingsscenario). Indien de eerste veronderstellingen aanleiding geven tot een risicokarakterisering waaruit blijkt dat de gezondheid van de mens en het milieu onvoldoende beschermd zijn, dient een iteratief proces te worden uitgevoerd met een of meerdere gewijzigde factoren in de beoordeling van de gevaren of de blootstelling, opdat een voldoende beheersing kan worden aangetoond. Het is mogelijk dat voor de verfijning van de beoordeling van de gevaren aanvullende informatie over de gevaren moet worden ingewonnen. De verfijning van de beoordeling van de blootstelling kan geschieden door een passende wijziging van de operationele omstandigheden of risicobeheersmaatregelen in het blootstellingsscenario of een nauwkeuriger schatting van de blootstelling. Het uit de laatste herhaling voortgekomen blootstellingsscenario (een definitief blootstellingsscenario) wordt in het chemisch veiligheidsrapport opgenomen en overeenkomstig artikel 31 aan het veiligheidsinformatieblad gehecht.

Het definitieve blootstellingsscenario wordt in de desbetreffende rubriek van het chemische veiligheidsrapport opgenomen en wordt in een bijlage bij het veiligheids-informatieblad opgenomen, met een relevante korte titel waarin een beknopte algemene beschrijving wordt gegeven van het gebruik, in overeenstemming met bijlage VI, punt 3.5. Blootstellingsscenario's bestrijken elke vervaardiging in de Gemeenschap en elk gei'dentificeerd gebruik.

Een blootstellingsscenario omvat met name, indien van toepassing, een beschrijving van:

Operationele omstandigheden

  • de betrokken processen, met inbegrip van de fysische vorm waarin de stof wordt vervaardigd, verwerkt en/of gebruikt;
  • de activiteiten van werknemers in verband met de processen en de duur en frequentie van hun blootstelling aan de stof;
  • de activiteiten van consumenten en de duur en frequentie van hun blootstelling aan de stof;
  • de duur en frequentie van de emissie van de stof naar de verschillende milieu-compartimenten en rioolwaterzuiveringsinstallaties en de verdunning in de ontvangende milieucompartimenten.

Ri si cob eheer smaatregel en

  • de risicobeheersmaatregelen om rechtstreekse en onrechtstreekse blootstelling van de mens (met inbegrip van werknemers en consumenten) en het milieu aan de stof te beperken of te voorkomen, en de verschillende milieucompartimenten;
  • de afvalbeheersmaatregelen om blootstelling van de mens en het milieu aan de stof te beperken of te voorkomen, bij de verwijdering en/of hergebruik van afval.

5.1.2. Wanneer een fabrikant, importeur of downstreamgebruiker een autorisatie voor een

specifiek gebruik aanvraagt, behoeven de blootstellingsscenario’s alleen voor dat gebruik

en de eropvolgende fasen van de levenscyclus te worden ontwikkeld.

5.2.    Stap 2:    schatting van de blootstelling.

5.2.1.    De blootstelling wordt voor elk ontwikkeld blootstellingsscenario geraamd en in de desbetreffende rubriek van het chemische veiligheidsrapport vermeld, en wordt indien vereist in een bijlage bij het veiligheidsinformatieblad samengevat overeenkomstig artikel 31. De schatting van de blootstelling bestaat uit drie onderdelen: 1) schatting van de emissie; 2) de beoordeling van het uiteindelijke chemische lot en routes; en 3) de schatting van de blootstellingsniveaus.

5.2.2.    Voor het ramen van de emissie worden alle emissies meegerekend die tijdens alle relevante onderdelen van de levenscyclus van de stof voortkomen uit de vervaardiging en alle vormen van gei'dentificeerd gebruik. De fasen in de levenscyclus die voortvloeien uit de vervaardiging van de stof bestrijken, indien relevant, de afvalfase. De fasen in de levenscyclus die voortvloeien uit de soorten gei'dentificeerd gebruik bestrijken, in voorkomend geval, de economische levensduur van de voorwerpen en de afvalfase. Bij de schatting van de emissie wordt ervan uitgegaan dat de in het blootstellingsscenario beschreven risicobeheersmaatregelen en operationele omstandigheden zijn toegepast.

5.2.3.    Er dient een karakterisering van mogelijke afbraak-, omzettings- of reactieprocessen en een schatting van de verspreiding en het lot in het milieu te worden gemaakt.

5.2.4.    Het blootstellingsniveau dient te worden geraamd voor alle menselijke populaties (werk-nemers, consumenten en mensen die indirect via het milieu kunnen worden blootgesteld) en milieucompartimenten waarvan bekend is of redelijkerwijs te verwachten valt dat ze aan de stof worden blootgesteld. Elke relevante route voor blootstelling van de mens (inademing, oraal, via de huid en een combinatie van alle relevante blootstellingsroutes en -bronnen) dient te worden behandeld. Bij deze schatting wordt rekening gehouden met variaties in het blootstellingspatroon in ruimte en tijd. Bij de schatting van de blootstelling wordt met name rekening gehouden met:

op de juiste wijze gemeten representatieve blootstellingsgegevens, belangrijke verontreinigingen en additieven in de stof, de hoeveelheid van de stof die wordt geproduceerd en/of ingevoerd, de hoeveelheid voor elk gei'dentificeerd gebruik,

de uitgevoerde of aanbevolen risicobeheersing, met inbegrip van de mate van insluiting,

de duur en frequentie van de blootstelling volgens de operationele omstandigheden,

de activiteiten van de bij het proces betrokken werknemers en de duur en frequentie van hun blootstelling aan de stof,

de activiteiten van de consumenten en de duur en frequentie van hun blootstelling aan de stof,

de duur en frequentie van de emissie van de stof naar de verschillende milieu-compartimenten en de verdunning in de ontvangende milieucompartimenten.

de fysisch-chemische eigenschappen van de stof,

omzettings- en/of afbraakproducten, de te verwachten blootstellingsroutes van en potentiele absorptie door de mens,

  • de te verwachten routes naar het milieu en de verspreiding, afbraak en/of omzetting in het milieu (zie ook hoofdstuk 3, stap 1),
  • de (geografische) blootstellingsschaal,
  • matrixafhankelijk vrijkomen/migratie van de stof.

5.2.5. Wanneer er op de juiste wijze gemeten representatieve blootstellingsgegevens beschikbaar zijn, wordt daar bij de schatting van de blootstelling bijzondere aandacht aan besteed. Voor de bepaling van de blootstellingsniveaus kunnen geschikte modellen worden gebruikt. Tevens kan er rekening worden gehouden met relevante gegevens van de monitoring van stoffen met analoge gebruiks- en blootstellingspatronen of analoge eigenschappen.

  • 6. 
    KARAKTERISERING VAN DE RISICO’S

6.1.    De karakterisering van de risico’s wordt voor elk blootstellingsscenario uitgevoerd en in de desbetreffende rubriek van het chemische veiligheidsrapport vermeld.

6.2.    Bij de karakterisering van de risico’s dient te worden gekeken naar de menselijke populaties (blootgesteld als werknemer, als consument of indirect via het milieu en indien relevant een combinatie daarvan) en de milieucompartimenten waarvan bekend is of redelijkerwijs te verwachten valt dat ze aan de stof worden blootgesteld, waarbij ervan wordt uitgegaan dat de in de blootstellingsscenario’s in hoofdstuk 5 beschreven risicobeheersmaatregelen zijn toegepast. Daarnaast wordt het door de stof veroorzaakte algehele milieurisico geevalueerd door voor alle milieucompartimenten de in totaal vrijgekomen, uitgestoten en verloren hoeveelheden uit alle bronnen te integreren.

6.3.    De karakterisering van de risico’s omvat:

  • een vergelijking van de blootstelling van elke menselijke populatie waarvan bekend is of te verwachten valt dat deze wordt blootgesteld, met de desbetreffende DNEL's;
  • een vergelijking van de voorspelde milieuconcentraties voor elk milieucompartiment met de PNEC’s; en
  • een bepaling van de waarschijnlijkheid en ernst van een voorval ten gevolge van de fysisch-chemische eigenschappen van de stof.

6.4.    Voor elk blootstellingsscenario kan ervan worden uitgegaan dat het risico voor mens en milieu afdoende wordt beheerst in alle fasen van de uit de vervaardiging en het geidentificeerde gebruik voortvloeiende levenscyclus van de stof indien:

  • de overeenkomstig punt 6.2 geschatte blootstellingsniveaus niet hoger zijn dan de desbetreffende DNEL of PNEC, zoals bepaald overeenkomstig respectievelijk punt 1 en 3, en
  • de waarschijnlijkheid en ernst van een voorval ten gevolge van de fysisch-chemische eigenschappen van de stof, zoals bepaald overeenkomstig punt 2, te verwaarlozen zijn.

6.5.    Wanneer het voor een effect op de mens of een milieucompartiment onmogelijk is een DNEL of PNEC te bepalen, dient een kwalitatieve bepaling te worden uitgevoerd van de waarschijnlijkheid dat dit effect bij de toepassing van het blootstellingsscenario wordt vermeden.

Voor stoffen die aan de PBT- en zPzB-criteria voldoen, gebruikt de fabrikant of importeur de overeenkomstig hoofdstuk 5, stap 2, verkregen informatie wanneer hij risicobeheers-maatregelen die de blootstelling van mens en milieu alsmede de emissies tot een minimum beperken, op zijn locatie toepast en aan downstreamgebruikers aanbeveelt, zulks in alle fasen van de uit de vervaardiging of het gei'dentificeerde gebruik voortvloeiende levenscyclus van de stof.

  • 7. 
    INDELING VAN HET CHEMISCHE VEILIGHEIDSRAPPORT Het chemische veiligheidsrapport omvat de volgende rubrieken:

INDELING VAN HET CHEMISCHE VEILIGHEIDSRAPPORT

DEEL A

  • 1. 
    SAMENVATTING VAN DE RISICOBEHEERSMAATREGELEN
  • 2. 
    VERKLARING DAT DE RISICOBEHEERSMAATREGELEN WORDEN TOEGEPAST
  • 3. 
    VERKLARING DAT DE RISICOBEHEERSMAATREGELEN WORDEN MEEGEDEELD

DEEL B

  • 1. 
    IDENTIFICATIE VAN DE STOF EN FYSISCHE EN CHEMISCHE EIGENSCHAPPEN
  • 2. 
    VERVAARDIGING EN GEBRUIK

2.1.    Vervaardiging

2.2.    Geidentificeerd gebruik

2.3.    Ontraden gebruik

 

INDELING VAN HET CHEMISCHE VEILIGHEIDSRAPPORT

3.

INDELING EN ETIKETTERING

4.

UITEINDELIJK LOT IN HET MILIEU

 

4.1.

Afbraak

 

4.2.

Verspreiding in het milieu

 

4.3.

Bioaccumulatie

 

4.4.

Doorvergiftiging

5.

BEOORDELING VAN DE GEVAREN VOOR DE GEZONDHEID VAN DE MENS

 

5.1.

Toxicokinetiek (absorptie, metabolisme, verspreiding en eliminatie)

 

5.2.

Acute toxiciteit

 

5.3.

Irritatie

   

5.3.1. Huid

   

5.3.2. Ogen

   

5.3.3. Ademhalingswegen

 

5.4.

Corrosiviteit

 

5.5.

Sensibilisering

   

5.5.1. Huid

   

5.5.2. Ademhalingswegen

 

5.6.

Toxiciteit bij herhaalde toediening

 

5.7.

Mutageniteit

 

5.8.

Kankerverwekkendhei d

INDELING VAN HET CHEMISCHE VEILIGHEIDSRAPPORT

5.9.    Giftigheid voor de voortplanting

5.9.1.    Effecten op de vruchtbaarheid

5.9.2.    Ontwikkelingstoxiciteit

5.10.    Andere effecten

5.11.    Bepaling van de DNEL('s)

  • 6. 
    BEOORDELING VAN DE GEVAREN VAN FYSISCH-CHEMISCHE EIGENSCHAPPEN VOOR DE GEZONDHEID VAN DE MENS

6.1.    Ontplofbaarheid

6.2.    Ontvlambaarheid

6.3.    Oxiderend vermogen

  • 7. 
    BEOORDELING VAN DE MILIEUGEVAREN

7.1.    Aquatisch compartiment (inclusief sediment)

7.2.    Terrestrisch compartiment

7.3.    Luchtcompartiment

7.4.    Microbiologische activiteit in rioolwaterzuiveringsinstallaties

  • 8. 
    PBT- EN ZPZB-BEOORDELING
  • 9. 
    BEOORDELING VAN DE BLOOTSTELLING

9.1. Titel van blootstellingsscenario 1

9.1.1. Blootstellingsscenario

9.1.2. Beoordeling van de blootstelling

INDELING VAN HET CHEMISCHE VEILIGHEIDSRAPPORT

9.2. Titel van blootstellingsscenario 2

9.2.1.    Blootstellingsscenario

9.2.2.    Beoordeling van de blootstelling enz.

  • 10. 
    KARAKTERISERING VAN DE RISICO’S

10.1. Titel van blootstellingsscenario 1

10.1.1. Gezondheid van de mens

 

10.1.1.1.

Werknemers

10.1.1.2.

Consumenten

10.1.1.3.

Indirecte blootstelling van de mens via het milieu

10.1.2. Milieu

 

10.1.2.1.

Aquatisch compartiment (inclusief sediment)

10.1.2.2.

Terrestrisch compartiment

10.1.2.3.

Luchtcompartiment

10.1.2.4.

Microbiologische activiteit in rioolwaterzuiverings-

installaties

INDELING VAN HET CHEMISCHE VEILIGHEIDSRAPPORT

10.2. Titel van blootstellingsscenario 2

10.2.1. Gezondheid van de mens

 

10.2.1.1.

Werknemers

10.2.1.2.

Consumenten

10.2.1.3.

Indirecte blootstelling van mensen via het milieu

10.2.2. Milieu

 

10.2.2.1.

Aquatisch compartiment (inclusief sediment)

10.2.2.2.

Terrestrisch compartiment

10.2.2.3.

Luchtcompartiment

10.2.2.4.

Microbiologische activiteit in rioolwaterzuiveringsinstallaties

enz.

 

10.x. Algehele blootstelling (gecombineerd voor alle relevante bronnen waar de stof wordt uitgestoten/vrijkomt)

10.x.1 Gezondheid van de mens (gecombineerd voor alle blootstellingsroutes) 10.x.1.1

10.x.2 Milieu (gecombineerd voor alle emissiebronnen)

10.x.2.1

BIJLAGE II

RICHTSNOEREN VOOR DE SAMENSTELLING VAN VEILIGHEIDSINFORMATIEBLADEN

Deze bijlage bevat de voorschriften voor een veiligheidsinformatieblad dat overeenkomstig artikel 31 voor een stof of preparaat wordt verstrekt. Het veiligheidsinformatieblad is een mechanisme voor het verstrekken verderop in de toeleveringsketen van passende informatie over de veiligheid van ingedeelde stoffen en preparaten, waaronder informatie uit de desbetreffende chemische veiligheidsrapporten aan de onmiddellijke downstream gebruiker(s). De informatie die in het veiligheidsinformatieblad wordt gegeven moet overeenkomen met de informatie in het chemisch veiligheidsrapport, indien dat vereist is. Wanneer een chemisch veiligheidsrapport is opgesteld, moeten de relevante blootstellingsscenario’s in een bijlage bij het veiligheidsinformatieblad worden opgenomen, zodat daar gemakkelijker naar kan worden verwezen in de desbetreffende rubrieken van het veiligheidsinformatieblad.

Doel van deze bijlage is te zorgen voor consistentie en nauwkeurigheid in de inhoud van elk van de in artikel 31 genoemde verplichte rubrieken, zodat gebruikers aan de hand van de veiligheids-informatiebladen de nodige maatregelen kunnen nemen voor de bescherming van de gezondheid en de veiligheid op het werk en de bescherming van het milieu.

De door veiligheidsinformatiebladen verstrekte informatie moet tevens voldoen aan de voorschriften van Richtlijn 98/24/EG betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico’s van chemische agentia op het werk. Het veiligheidsinformatieblad moet met name de werkgever in staat stellen na te gaan of er gevaarlijke chemische agentia op de werkplek aanwezig zijn en de eventuele risico’s van het gebruik ervan voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beoordelen.

De informatie in het veiligheidsinformatieblad moet duidelijk en beknopt zijn. Het veiligheids-informatieblad moet worden opgesteld door een bevoegd persoon, die rekening houdt met de specifieke behoeften van de gebruikers, voor zover dat bekend is. Personen die stoffen en preparaten in de handel brengen, moeten ervoor zorgen dat bevoegde personen de juiste opleiding en bijscholing hebben gehad.

Voor preparaten die niet als gevaarlijk zijn ingedeeld, maar waarvoor krachtens artikel 31 een veiligheidsinformatieblad is vereist, moet bij elke rubriek proportionele informatie worden verstrekt.

In een aantal gevallen kan wegens de brede scala van eigenschappen van de stoffen en preparaten aanvullende informatie noodzakelijk zijn. Indien in andere gevallen de informatie met betrekking tot bepaalde eigenschappen niet relevant blijkt te zijn of om technische redenen niet kan worden verstrekt, moet dit onder elke rubriek duidelijk worden gemotiveerd. Voor elke gevaarlijke eigenschap moet informatie worden verstrekt. Indien wordt verklaard dat een bepaald gevaar niet van toepassing is, moet duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen gevallen waarin de indeler niet over informatie beschikt en gevallen waarin negatieve testresultaten beschikbaar zijn.

Vermeld de publicatiedatum van het veiligheidsinformatieblad op de eerste bladzijde. Wanneer een veiligheidsinformatieblad is herzien, moet de ontvanger als volgt op de wijzigingen worden geattendeerd: "Herziening: (datum)".

Opmerking

Veiligheidsinformatiebladen zijn eveneens vereist voor bepaalde speciale stoffen en preparaten (bijvoorbeeld metalen in massieve vorm, legeringen, persgassen, enz.) die in de hoofdstukken 8 en 9 van bijlage VI bij Richtlijn 67/548/EEG zijn vermeld en waarvoor uitzonderingen in verband met de etikettering gelden.

  • 1. 
    IDENTIFICATIE VAN DE STOF OF HET PREPARAAT EN VAN DE ONDERNEMING

1.1.    Identificatie van de stof of het preparaat

De voor de identificatie gebruikte naam moet gelijk zijn aan de naam op het etiket en in overeenstemming zijn met bijlage VI van Richtlijn 67/548/EEG.

Voor registratieplichtige stoffen moet de naam overeenkomen met de bij de registratie opgegeven naam en het overeenkomstig artikel 20, lid 1 van deze verordening toegekende registratienummer moet eveneens worden vermeld.

Eventuele andere identificatiemiddelen, kunnen eveneens worden aangegeven.

1.2.    Gebruik van de stof of het preparaat

Vermeld het gebruik van de stof of het preparaat voor zover deze bekend zijn. Indien er veel verschillend gebruik mogelijk is, dient alleen het belangrijkste of meest gangbare te worden vermeld. Daarbij dient kort te worden beschreven wat de stof of het preparaat feitelijk doet, bijvoorbeeld brandvertragend middel, antioxidant, enz.

Indien een chemisch veiligheidsrapport vereist is, wordt in het veiligheidsinformatieblad informatie opgenomen over elk gei'dentificeerd gebruik dat voor de ontvanger van het veiligheidsinformatieblad van belang is. Deze informatie moet overeenkomen met het geidentificeerde gebruik en de blootstellingsscenario’s als beschreven in de bijlage bij het veiligheidsinformatieblad.

1.3.    Identificatie van de onderneming

Vermeld de identiteit van de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van de stof of het preparaat in de Gemeenschap, namelijk de fabrikant, importeur of distributeur. Vermeld zijn volledige adres en telefoonnummer alsmede het e-mailadres van de bevoegde persoon die verantwoordelijk is voor het veiligheidsinformatieblad.

Indien deze persoon niet gevestigd is in de lidstaat waar de stof of het preparaat in de handel wordt gebracht, moet bovendien, indien mogelijk, het volledige adres en het telefoonnummer worden vermeld van de persoon die in die lidstaat verantwoordelijk is.

Voor registranten moet de gei'dentificeerde persoon overeenkomen met de in de registratie gegeven informatie over de identiteit van de fabrikant of importeur.

1.4.    Telefoonnummer voor noodgevallen

Naast bovenvermelde informatie moet ook het noodtelefoonnummer van het bedrijf en/of de bevoegde officiele adviesinstantie worden opgegeven (dit kan de instantie zijn die belast is met het ontvangen van informatie in verband met de gezondheid van de mens, zoals bedoeld in artikel 17 van Richtlijn 1999/45/EG). Vermeld of dit telefoonnummer al dan niet alleen tijdens de kantooruren kan worden gebruikt.

  • 2. 
    IDENTIFICATIE VAN DE GEVAREN

Vermeld hier de indeling van de stof of het preparaat die voortvloeit uit de toepassing van de indelingsregels in Richtlijn 67/548/EEG of 1999/45/EG. Geef duidelijk en beknopt aan welke gevaren voor mens en milieu aan de stof of het preparaat verbonden zijn.

Maak een duidelijk onderscheid tussen preparaten die zijn ingedeeld als gevaarlijk en preparaten die niet zijn ingedeeld als gevaarlijk overeenkomstig Richtlijn 1999/45/EG.

Beschrijf de belangrijkste nadelige fysisch-chemische, gezondheids- en milieueffecten en symptomen die veroorzaakt kunnen worden door gebruik en redelijkerwijs te verwachten verkeerd gebruik van de stof of het preparaat.

Het kan noodzakelijk zijn andere gevaren, zoals stofvorming, kruisgevoeligheid, verstikking, bevriezing, eventuele hoge geur- of smaakkracht, of milieueffecten, zoals gevaren voor in de bodem levende organismen, aantasting van de ozonlaag, het vermogen tot fotochemische ozonvorming, enz., te vermelden die niet tot een indeling leiden, maar die het algemene gevaar van het materiaal kunnen vergroten.

De op het etiket vermelde informatie moet onder rubriek 15 worden gegeven.

De indeling van de stof moet overeenkomen met de overeenkomstig titel XI in de inventaris van indelingen en etiketteringen vermelde indeling.

  • 3. 
    SAMENSTELLING EN INFORMATIE OVER DE BESTANDDELEN

Aan de hand van de verstrekte informatie moet de ontvanger gemakkelijk de gevaren van de bestanddelen van het preparaat kunnen identificeren. De gevaren van het preparaat zelf moeten onder rubriek 2 worden vermeld.

3.1.    De volledige samenstelling (aard en concentratie van de bestanddelen) hoeft niet te worden vermeld, hoewel een algemene beschrijving van de bestanddelen en de concentraties ervan nuttig kan zijn.

3.2.    Voor een preparaat dat volgens Richtlijn 1999/45/EG als gevaarlijk is ingedeeld, moeten de volgende stoffen met hun concentratie of concentratiebereik in het preparaat worden vermeld:

  • a) 
    voor de gezondheid of voor het milieu gevaarlijke stoffen in de zin van Richtlijn 67/548/EEG wanneer zij aanwezig zijn in concentraties gelijk aan of groter dan de laagste van de volgende waarden:
  • de toepasselijke grenswaarden in de tabel van artikel 3, lid 3, van Richtlijn 1999/45/EG, of
  • de concentratiegrenzen in bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG, of de concentratiegrenzen in deel B van bijlage II bij Richtlijn 1999/45/EG, of
  • de concentratiegrenzen in deel B van bijlage III bij Richtlijn 1999/45/EG, of
  • de concentratiegrenzen in bijlage V bij Richtlijn 1999/45/EG, of
  • de concentratiegrenzen in een overeengekomen vermelding in de krachtens titel XI van deze verordening vastgestelde inventaris van indelingen en etiketteringen;
  • b) 
    stoffen waarvoor in de Gemeenschap grenzen voor de blootstelling op het werk zijn vastgesteld en die nog niet in punt a) zijn opgenomen;
  • c) 
    stoffen die persistent, bioaccumulerend en toxisch zijn of zeer persistent en zeer bioaccumulerend overeenkomstig de criteria van bijlage XIII, indien de concentratie van een individuele stof gelijk of groter dan 0,1% is.

3.3. Voor een preparaat dat volgens Richtlijn 1999/45/EG niet als gevaarlijk is ingedeeld,

moeten de stoffen met hun concentratie of concentratiebereik worden vermeld wanneer zij aanwezig zijn in een afzonderlijke concentratie van ofwel:

  • a) 
    > 1 gewichtspercent voor niet-gasvormige preparaten en > 0,2 volumepercent voor gasvormige preparaten en:
  • de stoffen gevaarlijk zijn voor de gezondheid of voor het milieu in de zin van Richtlijn 67/548/EEG1; of
  • voor die stoffen in de Gemeenschap grenzen voor de blootstelling op het werk zijn vastgesteld;

of

Indien de persoon die voor het in de handel brengen van het preparaat verantwoordelijk is, kan aantonen dat bekendmaking op het veiligheidsinformatieblad van de chemische identiteit van een stof die uitsluitend is ingedeeld als irriterend, met uitzondering van stoffen waaraan de zin R41 is toegekend, of als irriterend in combinatie met een of meer van de in artikel 10, punt 2.3.4, van Richtlijn 1999/45/EG genoemde eigenschappen, dan wel is ingedeeld als schadelijk of als schadelijk in combinatie met een of meer van de in artikel 10, punt 2.3.4, van Richtlijn 1999/45/EG genoemde eigenschappen en die op zichzelf acute letale effecten heeft, de vertrouwelijkheid van zijn intellectuele eigendom in gevaar brengt, kan hij overeenkomstig de bepalingen van bijlage VI, deel B, bij Richtlijn 1999/45/EG die stof aanduiden met hetzij een naam die de belangrijkste functionele chemische groepen aangeeft, hetzij een andere naam.

  • b) 
    > 0,1 gewichtspercent en de stoffen volgens de criteria van bijlage XIII persistent, bioaccumulerend en toxisch of zeer persistent en sterk bioaccumulerend zijn;

3.4.    Voor de bovenbedoelde stoffen moet de indeling (overeenkomstig de artikelen 4 en 6 van Richtlijn 67/548/EEG, bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG of een overeengekomen vermelding in de inventaris van indelingen en etiketteringen als bedoeld in titel XI van deze verordening) worden opgegeven met de symboolletters en R-zinnen die daaraan zijn toegewezen op basis van hun fysisch-chemische, gezondheids- en milieugevaren. De R-zinnen hoeven hier niet voluit te worden geschreven: het volstaat te verwijzen naar rubriek 16, waar de volledige tekst van elke relevante R-zin moet worden vermeld. Indien de stof niet aan de indelingscriteria voldoet, dient de reden van opneming in punt 3 te worden vermeld, bijvoorbeeld: "PBT-stof1 of "stof waarvoor binnen de Gemeenschap een blootstellingsgrens op de werkvloer geldt.

3.5.    De naam en het krachtens artikel 20, lid 1, van deze verordening toegekende registratie-nummer alsmede, indien beschikbaar, het EINECS- of ELINCs-nummer van de boven-genoemde stoffen moeten worden vermeld overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG. Het CAS-nummer en de IUPAC -naam (indien beschikbaar) kunnen eveneens nuttig zijn. Voor stoffen die onder een generieke naam zijn vermeld, overeenkomstig artikel 15 van Richtlijn 1999/45/EG of de voetnoot bij punt 3.3 van deze bijlage, is geen precieze chemische benaming vereist.

3.6.    Indien overeenkomstig artikel 15 van Richtlijn 1999/45/EG of de voetnoot bij punt 3.3 van deze bijlage de identiteit van bepaalde stoffen vertrouwelijk moet blijven, moet de chemische aard ervan worden omschreven, teneinde een veilige hantering te waarborgen. De gebruikte naam moet dezelfde zijn als die welke overeenkomstig bovenbedoelde bepalingen wordt gebruikt.

  • 4. 
    EERSTEHULPMAATREGELEN Beschrijf de eerstehulpmaatregelen.

Geef eerst aan of onmiddellijke medische verzorging is vereist.

De informatie over eerste hulp moet kort zijn en gemakkelijk te begrijpen voor het slachtoffer, omstanders en EHBO’ers. De symptomen en effecten moeten kort worden samengevat. De instructies moeten aangeven wat ter plaatse moet worden gedaan bij een ongeval en of na een blootstelling uitgestelde effecten kunnen worden verwacht.

Splits de informatie uit in verschillende rubrieken op grond van de verschillende manieren van blootstelling, dat wil zeggen inademen, contact met de huid en ogen, en inslikken.

Vermeld of professionele bijstand door een arts nodig of wenselijk is.

Voor sommige stoffen of preparaten kan het van belang zijn nadrukkelijk te vermelden dat speciale voorzieningen voor specifieke en onmiddellijke verzorging op de werkplek beschikbaar moeten zijn.

  • 5. 
    BRANDBESTRIJDINGSMAATREGELEN

Verwijs naar voorschriften voor de bestrijding van een brand, veroorzaakt door of in de nabijheid van de stof of het preparaat, met vermelding van:

  • de geschikte blusmiddelen;

de blusmiddelen die om veiligheidsredenen niet gebruikt mogen worden;

  • speciale blootstellingsgevaren die veroorzaakt worden door de stof of het preparaat zelf, verbrandingsproducten of vrijkomende gassen;
  • speciale beschermende uitrusting voor brandweerlieden.
  • 6. 
    MAATREGELEN BIJ ONOPZETTELIJK VRIJKOMEN VAN DE STOF OF HET

PREPARAAT

Afhankelijk van de stof of het preparaat kunnen gegevens nodig zijn over:

persoonlijke voorzorgsmaatregelen zoals:

  • verwijdering van ontstekingsbronnen, maatregelen voor doeltreffende ventilatie/bescherming van de ademhalingswegen, tegengaan van stofvorming, preventie van contact met huid en ogen;

milieuvoorzorgsmaatregelen zoals:

  • vermijden dat het product terechtkomt in afvoerkanalen, oppervlaktewater, grondwater en bodem, eventuele noodzaak om de buurt te waarschuwen;

reinigingsmethoden zoals:

  • gebruik van absorberend materiaal (bijvoorbeeld zand, kiezelgoer, zuurbindmiddel, universeel bindmiddel, zaagsel), gedeeltelijk wegvangen van gassen/dampen met water, verdunning.

Gebruik eventueel aanwijzingen zoals: "nooit gebruiken bij ...", "neutraliseren met ...".

Opmerking

Verwijs indien nodig naar de rubrieken 8 en 13.

  • 7. 
    HANTERING EN OPSLAG

Opmerking

De informatie in deze rubriek moet betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het milieu. De werkgever moet aan de hand daarvan geschikte werkmethoden en organisatiemaatregelen overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 98/24/EG kunnen opstellen.

Indien een chemisch veiligheidsrapport of een registratie vereist is, moet de informatie in deze rubriek overeenstemmen met de informatie die is gegeven voor het gei'dentificeerde gebruik en de blootstellingsscenario’s als beschreven in de bijlage bij het veiligheids-informatieblad.

7.1.    Hantering

Vermeld voorzorgsmaatregelen voor het veilig hanteren van de stof of het preparaat, zoals

  • advies over technische maatregelen zoals insluiting, plaatselijke en algehele

ventilatie, maatregelen ter voorkoming van aerosol- en stofvorming en brand, voor de bescherming van het milieu vereiste maatregelen (bijvoorbeeld gebruik van filters of wassers bij afvoerventilatie, gebruik in een ingedamd gebied, maatregelen voor het opruimen en verwijderen van lozingen, enz.) alsook eventuele specifieke eisen of voorschriften voor de betrokken stof of het betrokken preparaat (bijvoorbeeld aanbevolen of verboden procedures of apparatuur), indien mogelijk met een korte beschrijving.

7.2.    Opslag

Beschrijf de voorwaarden voor een veilige opslag, zoals

  • specifieke ontwerpen voor opslagruimten of -vaten (inclusief tussenschotten en ventilatie), scheiding van chemisch op elkaar inwerkende materialen, opslag-omstandigheden (temperatuur en vochtgehalte met minima en maxima, blootstelling aan licht, opslag onder inert gas, enz.), speciale elektrische voorzieningen en voorkoming van accumulatie van statische lading.

Vermeld, indien relevant, de maximale hoeveelheid die in bepaalde omstandigheden mag worden opgeslagen. Vermeld in het bijzonder eventuele speciale eisen, zoals het type materiaal dat moet worden gebruikt voor de verpakking/houders van de stof of het preparaat.

7.3.    Specifiek gebruik

Voor eindproducten die voor een of meer specifiek gebruik zijn ontworpen, moeten gedetailleerde en praktische raadgevingen worden geformuleerd voor het gei'dentificeerde gebruik. Zo mogelijk moet worden verwezen naar voor de industrie of de sector specifieke goedgekeurde richtsnoeren.

  • 8. 
    MAATREGELEN TER BEHEERSING VAN    BLOOTSTELLING/PERSOONLIJKE

BESCHERMING

8.1.    Grenswaarden voor blootstelling

Vermeld de geldende specifieke controleparameters waaronder grenswaarden voor de beroepsmatige blootstelling en/of biologische grenswaarden. De waarden moeten worden opgegeven voor de lidstaat waar de stof of het preparaat in de handel wordt gebracht. Verstrek informatie over de huidige aanbevolen procedures.

Indien een chemisch veiligheidsrapport vereist is, moeten de relevante DNEL’s en PNEC’s voor de stof worden gegeven voor de blootstellingsscenario’s die in de bijlage bij het veiligheidsinformatieblad zijn beschreven.

Voor preparaten is het nuttig waarden te verstrekken voor de samenstellende stoffen die overeenkomstig rubriek 3 op het veiligheidsinformatieblad moeten worden vermeld.

8.2. Maatregelen ter beheersing van blootstelling

In dit document wordt onder maatregelen ter beheersing van blootstelling verstaan de hele scala van specifieke risicobeheersmaatregelen die tijdens het gebruik moeten worden genomen om blootstelling van de werknemers en het milieu tot een minimum te beperken. Indien een chemisch veiligheidsrapport is vereist, dienen de risicobeheersmaatregelen voor het in het rapport vermeld gebruik in rubriek 8 van het veiligheidsinformatieblad te worden samengevat.

8.2.1. Beheersing van beroepsmatige blootstelling

De werkgever houdt rekening met de desbetreffende informatie wanneer hij voor de stof of het preparaat de risico's voor de gezondheid en de veiligheid van de werknemers beoordeelt overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 98/24/EG, dat, in volgorde van prioriteit, de onderstaande maatregelen voorschrijft:

  • het ontwerpen van passende werkprocessen en technische maatregelen en het gebruiken van passende uitrusting en passend materiaal;
  • het toepassen van collectieve beschermingsmaatregelen bij de bron van het risico, zoals voldoende ventilatie en passende organisatorische maatregelen, en
  • wanneer blootstelling niet met andere middelen kan worden vermeden, de toepassing van individuele beschermingsmaatregelen, zoals persoonlijke beschermings-uitrusting.

Verstrek derhalve geschikte en voldoende informatie over deze maatregelen teneinde een correcte risico-evaluatie zoals bedoeld in artikel 4 van Richtlijn 98/24/EG mogelijk te maken. Deze informatie moet een aanvulling vormen op de reeds in punt 7.1 verstrekte gegevens.

Specificeer, indien individuele beschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn, in detail welke uitrusting doeltreffende en geschikte bescherming biedt. Houd rekening met Richtlijn 89/686/EEG van de Raad van 21 december 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen1 en verwijs naar de desbetreffende CEN-normen.

  • a) 
    Bescherming van de ademhalingswegen

Geef voor gevaarlijke gassen, dampen of stof het te gebruiken type beschermende uitrusting aan, zoals:

  • onafhankelijke ademhalingsapparatuur, doeltreffende maskers en filters.
  • b) 
    Bescherming van de handen

Specificeer duidelijk het soort handschoenen dat bij het werken met de stof of het preparaat moet worden gedragen, met inbegrip van:

  • het soort materiaal;
  • de doorbraaktijd van het handschoenmateriaal met betrekking tot de hoeveelheid en de duur van blootstelling van de huid.

Vermeld zo nodig extra maatregelen voor bescherming van de handen.

PB L 399 van 30.12.1989, blz. 18. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

  • c) 
    Bescherming van de ogen

Specificeer het vereiste type oogbescherming, zoals:

  • veiligheidsbrillen, veiligheidsstofbrillen, gezichtsschermen.
  • d) 
    Bescherming van de huid

Specificeer, indien andere lichaamsdelen dan de handen moeten worden beschermd, het soort en de kwaliteit van de vereiste beschermende uitrusting, zoals:

  • schort, laarzen en veiligheidskleding.

Vermeld zo nodig extra maatregelen voor bescherming van de huid en specifieke hygienische maatregelen.

8.2.2. Beheersing van milieublootstelling

Verstrek de informatie die de werkgever nodig heeft om zijn verplichtingen in verband met de communautaire wetgeving inzake milieubescherming na te komen.

Indien een chemisch veiligheidsrapport vereist is, moet een samenvatting worden gegeven van de risicobeheersmaatregelen die de blootstelling van het milieu aan de stof afdoende beheersen voor de blootstellingsscenario’s die in de bijlage bij het veiligheidsinformatieblad zijn vermeld.

  • 9. 
    FYSISCHE EN CHEMISCHE EIGENSCHAPPEN

Verstrek, opdat de juiste controlemaatregelen kunnen worden genomen, alle relevante informatie over de stof of het preparaat, met name de in punt 9.2 vermelde informatie. De informatie in deze rubriek moet overeenkomen met de in een registratie verstrekte informatie, indien een registratie vereist is.

9.1.    Algemene informatie Voorkomen

Vermeld de fysische toestand (vast, vloeibaar, gas) en de kleur van de geleverde stof of het geleverde preparaat.

Geur

Indien een geur merkbaar is, geef dan een korte beschrijving ervan.

9.2.    Belangrijke informatie met betrekking tot de gezondheid, de veiligheid en het milieu pH

Vermeld de pH van de stof of het preparaat zoals geleverd of in een waterige oplossing; geef in het laatste geval de concentratie aan.

Kookpunt/kooktraj ect

Vlampunt

Ontvlambaarheid (vast, gas)

Ontpl offing sgevaar

Oxiderende eigenschappen

Dampspanning Relatieve dichtheid Oplosbaarheid Oplosbaarheid in water Verdelingscoefficient: n-octanol/water Viscositeit Dampdichtheid Verdampingssnelheid

9.3. Overige informatie

Vermeld andere belangrijke veiligheidsparameters, zoals mengbaarheid, vetoplosbaarheid (oplosmiddel specificeren), geleidingsvermogen, smeltpunt/smelttraject, gasgroep (nuttig voor Richtlijn 94/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 maart 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende apparaten en beveiligingssystemen bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen1), zelfontbrandingstemperatuur enz.

PB L 100 van 19.4.1994, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

Opmerking 1

De bovengenoemde eigenschappen moeten worden bepaald overeenkomstig de specificaties vermeld in de in artikel 13, lid 33 bedoelde verordening van de Commissie inzake testmethoden of volgens een andere vergelijkbare methode.

Opmerking 2

Voor preparaten moet normaliter informatie worden gegeven over de eigenschappen van het preparaat zelf. Indien echter wordt verklaard dat een bepaald gevaar niet van toepassing is, dient duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen gevallen waarin de indeler niet over informatie beschikt en gevallen waarin negatieve testresultaten beschikbaar zijn. Indien het nodig wordt geacht informatie over de eigenschappen van afzonderlijke componenten te verstrekken, geef dan duidelijk aan waarop de gegevens betrekking hebben.

  • 10. 
    STABILITEIT EN REACTIVITEIT

Vermeld de stabiliteit van de stof of het preparaat en de mogelijkheid van gevaarlijke reacties die zich onder bepaalde gebruiksomstandigheden en ook bij het vrijkomen in het milieu kunnen voordoen.

10.1.    Te vermijden omstandigheden

Vermeld de omstandigheden die een gevaarlijke reactie kunnen veroorzaken, zoals temperatuur, druk, blootstelling aan licht en schokken, enz., indien mogelijk met een korte beschrijving.

10.2.    Te vermijden materialen

Noem de materialen die een gevaarlijke reactie kunnen veroorzaken, zoals water, lucht, zuren, basen, oxiderende stoffen of enige andere specifieke stof, indien mogelijk met een korte beschrijving.

10.3.    Gevaarlijke ontledingsproducten

Noem de gevaarlijke materialen die bij ontleding in gevaarlijke hoeveelheden worden geproduceerd.

Opmerking

Wijs in voorkomend geval specifiek op:

  • de noodzaak en de aanwezigheid van stabilisatoren;
  • de mogelijkheid van een gevaarlijke exotherme reactie;
  • de mogelijke implicatie voor de veiligheid van een verandering in fysisch voorkomen van de stof of het preparaat;
  • de mogelijke vorming van gevaarlijke ontledingsproducten in contact met water;
  • de mogelijke afbraak tot onstabiele producten.
  • 11. 
    TOXICOLOGISCHE INFORMATIE

In deze rubriek moet een beknopte maar volledige en begrijpelijke beschrijving worden opgenomen van de verschillende toxicologische (gezondheids)effecten die zich kunnen voordoen indien de gebruiker in contact komt met de stof of het preparaat.

De informatie omvat gevaarlijke effecten voor de gezondheid van blootstelling aan de stof of het preparaat, gebaseerd op de conclusies van bijvoorbeeld testgegevens en ervaring. De informatie omvat in voorkomend geval tevens effecten op korte en lange termijn en chronische effecten van kortstondige en langdurige blootstelling: zoals sensibilisering, versuffing, kankerverwekkendheid, mutageniteit en giftigheid voor de voortplanting (ontwikkelingstoxiciteit en fertiliteit). Ook moet informatie worden gegeven over de verschillende blootstellingsroutes (inhalatie, inslikken, contact met huid en ogen) en moeten de symptomen die corresponderen met de fysische, chemische en toxicologische karakteristieken worden beschreven.

Rekening houdend met de reeds in rubriek 3 "Samenstelling en informatie over de bestanddelen" opgenomen gegevens, kan het nodig zijn melding te maken van specifieke effecten van bepaalde stoffen in het preparaat op de gezondheid.

De informatie in deze rubriek moet overeenkomen met de informatie die is verstrekt in een registratie, indien vereist, en/of in een chemisch veiligheidsrapport, indien vereist, en moet betrekking hebben op de volgende groepen mogelijke effecten:

  • toxicokinetiek, metabolisme en verspreiding;
  • acute effecten (acute toxiciteit, irritatie en corrosie);
  • sensibilisatie;
  • toxiciteit bij herhaalde toediening; en
  • CMR-effecten (kankerverwekkendheid,    mutageniteit en giftigheid voor de

voortplanting).

Voor registratieplichtige stoffen worden samenvattingen van de informatie die is afgeleid van de toepassing van de bijlagen VII tot en met XI bij deze verordening gegeven. De informatie omvat tevens het resultaat van de vergelijking van de beschikbare gegevens met de criteria in Richtlijn 67/548/EEG voor CMR, categorieen 1 en 2, overeenkomstig punt 1.3.1 van bijlage I van deze verordening.

  • 12. 
    ECOLOGISCHE INFORMATIE

Beschrijf de mogelijke effecten, het gedrag en het uiteindelijk lot van de stof in het milieu of het preparaat in de lucht, het water en/of de bodem. Verstrek, voor zover beschikbaar, relevante testgegevens (bijvoorbeeld LC50 vis = 1 mg/l).

De informatie in deze rubriek moet overeenkomen met de informatie die is verstrekt in een eventueel vereiste registratie, en/of in een eventueel vereist chemisch veiligheidsrapport.

Beschrijf de belangrijkste eigenschappen waarvan op grond van de aard van de stof of het preparaat en de te verwachten gebruiksmethoden te verwachten valt dat ze een effect op het milieu zullen hebben. Soortgelijke informatie dient te worden verstrekt over gevaarlijke producten die ontstaan bij de afbraak van de stof of het preparaat. Deze informatie kan het volgende omvatten:

Ecotoxiciteit

12.1.

12.2.

Hieronder vallen relevante beschikbare gegevens over aquatische toxiciteit, zowel acuut als chronisch, voor vis, schaaldieren, algen en andere waterplanten. Voorts moeten toxiciteitsgegevens over micro- en macro-organismen in de bodem en andere voor het milieu relevante organismen, zoals vogels, bijen en planten, worden opgenomen, voor zover deze beschikbaar zijn. Indien de stof of het preparaat remmende effecten op de activiteit van micro-organismen heeft, moet het mogelijke effect bij rioolwaterzuiveringsinstallaties worden vermeld.

Voor registratieplichtige stoffen worden samenvattingen van de informatie die is afgeleid van de toepassing van de bijlagen VII tot en met XI opgenomen.

Mobiliteit

Het vermogen van de stof of de betreffende bestanddelen van een preparaat1 om, indien zij in het milieu terechtkomen, naar het grondwater of ver van de plaats van lozing te worden getransporteerd.

Relevante gegevens kunnen zijn:

  • bekende of voorspelde verspreiding over milieucompartimenten;
  • oppervlaktespanning;
  • absorptie/desorptie.

Zie rubriek 9 voor andere fysisch-chemische eigenschappen.

Deze informatie kan niet voor het preparaat worden gegeven, omdat zij specifiek voor de stof is. De informatie moet daarom worden gegeven, voor zover ze beschikbaar en relevant is, voor elke samenstellende stof in het preparaat die overeenkomstig de voorschriften in paragraaf 3 van deze bijlage op het veiligheidsinformatieblad moet worden vermeld.

12.3.    Persistentie en afbreekbaarheid

Het vermogen van de stof of de betreffende bestanddelen van een preparaat1om in relevante milieumedia te worden afgebroken, hetzij langs biologische weg, hetzij via andere processen, zoals oxidatie of hydrolyse. Halveringstijden van de afbraak moeten worden vermeld als zij beschikbaar zijn. Het vermogen van de stof of de bestanddelen van een preparaat1om in rioolwaterzuiveringsinstallaties te worden afgebroken, moet eveneens worden vermeld.

12.4.    Mogelijke bioaccumulatie

Het vermogen van de stof of de betreffende bestanddelen van een preparaat1 om zich in biota te accumuleren en uiteindelijk in de voedselketen te worden opgenomen, met vermelding van de verdelingscoefficient octanol/water (Kow) en de bioconcentratiefactor (BCF), indien beschikbaar.

12.5.    Resultaten van PBT-beoordeling

Indien een chemisch veiligheidsrapport vereist is, worden de resultaten gegeven van de PBT-beoordeling als vermeld in het chemische veiligheidsrapport.

12.6 Andere schadelijke effecten

Vermeld, indien beschikbaar, informatie over andere schadelijke milieueffecten, bijvoorbeeld ozonafbrekend vermogen, vermogen tot vorming van fotochemische ozon, hormoonontregelend vermogen en/of broeikaseffect.

Opmerkingen

Ook in andere rubrieken van het veiligheidsinformatieblad moet relevante milieu-informatie worden verstrekt; hierbij gaat het met name om adviezen om het vrijkomen te beheersen, de maatregelen bij accidenteel vrijkomen en de verwijderingsinstructies in de rubrieken 6, 7, 13, 14 en 15.

  • 13. 
    INSTRUCTIES VOOR VERWIJDERING

Indien verwijdering van de stof of het preparaat (restanten of bij het te verwachten gebruik ontstaan afval) gevaar oplevert, moeten een beschrijving van deze residuen en informatie over een veilige hantering ervan worden vermeld.

Vermeld passende methoden voor verwijdering van zowel de stof of het preparaat als de besmette verpakking (verbranding, recycling, storten, enz.).

Indien een chemisch veiligheidsrapport vereist is, moet de informatie over de afvalbeheers-maatregelen die de blootstelling van de mens en het milieu aan de stof afdoende beheersen, overeenkomen met de blootstellingsscenario’s die in de bijlage bij het veiligheidsinformatieblad zijn beschreven.

Opmerking

Verwijs naar eventuele communautaire bepalingen inzake afval. Indien deze ontbreken, is het nuttig de gebruiker eraan te herinneren dat terzake mogelijk nationale of regionale bepalingen gelden.

  • 14. 
    INFORMATIE MET BETREKKING TOT HET VERVOER

Vermeld eventuele speciale voorzorgsmaatregelen waarvan een gebruiker op de hoogte moet zijn of waaraan hij moet voldoen met betrekking tot het vervoer of de verplaatsing binnen of buiten zijn bedrijf. Verstrek in voorkomend geval informatie over de transportclassificatie voor elke regeling met betrekking tot de vervoerstakken: IMDG (zee), ADR (Richtlijn 94/55/EG van de Raad van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg1), RID (Richtlijn 96/49/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor2), ICAO/IATA (lucht). Daaronder vallen bijvoorbeeld:

  • VN-nummer,
  • klasse,
  • juiste ladingnaam,
  • verpakkingsgroep,
  • mariene verontreiniging,
  • andere relevante informatie.

PB L 319 van 12.12.1994, blz. 7. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/111/EG van de Commissie (PB L 365 van 10.12.2004, blz. 25).

PB L 235 van 17.9.1996, blz. 25. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/110/EG van de Commissie (PB L 365 van 10.12.2004, blz. 24).

  • 15. 
    WETTELIJK VERPLICHTE INFORMATIE

Vermeld of voor de stof (of voor een stof in het preparaat) een chemische veiligheidsbeoordeling is uitgevoerd.

Vermeld de informatie met betrekking tot de gezondheid, de veiligheid en het milieu die op het etiket wordt gegeven overeenkomstig de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG.

Wanneer de stof of het preparaat als behandeld in dit veiligheidsinformatieblad aan specifieke communautaire bepalingen inzake bescherming van mens en milieu is onderworpen (bv. krachtens titel VII verleende autorisaties of krachtens titel VIII opgelegde beperkingen), moeten deze, voor zover mogelijk, worden vermeld.

Vermeld eveneens, voor zover mogelijk, nationale wetten ter uitvoering van deze bepalingen en eventuele andere nationale maatregelen die terzake relevant kunnen zijn

  • 16. 
    OVERIGE INFORMATIE

Vermeld alle andere informatie die de leverancier van belang acht voor de veiligheid en de gezondheid van de gebruiker en voor de bescherming van het milieu, bijvoorbeeld:

  • lijst van relevante R-zinnen. Geef de volledige tekst van alle R-zinnen die in de rubrieken 2 en 3 van het veiligheidsinformatieblad zijn vermeld;
  • opleidingsadviezen;
  • aangeraden beperkingen voor het gebruik (d.w.z. niet wettelijk verplichte aanbevelingen van de leverancier);
  • verdere informatie (schriftelijke referenties en/of een technisch contactpunt);
  • bronnen van de basisinformatie aan de hand waarvan het veiligheidsinformatieblad is samengesteld.

Geef in een herzien veiligheidsinformatieblad duidelijk aan welke informatie is toegevoegd, geschrapt of herzien (tenzij dit elders is aangegeven).

BIJLAGE III

CRITERIA VOOR STOFFEN DIE IN HOEVEELHEDEN TUSSEN 1 EN 10 TON ZIJN

GEREGISTREERD

Criteria voor stoffen die in hoeveelheden tussen 1 en 10 ton zijn geregistreerd, onder verwijzing

naar artikel 12, lid 1, onder a) en b):

  • a) 
    stoffen waarvan is voorspeld (bijvoorbeeld door de toepassing van (Q)SAR’s of op grond van ander bewijsmateriaal) dat zij waarschijnlijk voldoen aan de criteria voor indeling in categorie 1 of 2 voor kankerverwekkendheid, mutageniteit of giftigheid voor de voortplanting, dan wel aan de criteria in bijlage XIII.
  • b) 
    stoffen:
  • i) 
    met een dispersief of diffuus gebruik, in het bijzonder wanneer zij in preparaten voor de consument zijn gebruikt of in gebruiksvoorwerpen zijn verwerkt; en
  • ii) 
    stoffen waarvan is voorspeld (bijvoorbeeld door de toepassing van (Q)SAR’s of op grond van ander bewijsmateriaal) dat zij waarschijnlijk voldoen aan de criteria voor de indeling als stof met eindpunten in de vorm van effecten op de gezondheid van de mens of het milieu in de zin van Richtlijn 67/548/EEG.

BIJLAGE IV

VRIJSTELLINGEN VAN DE REGISTRATIEPLICHT OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 2,

LID 7, ONDER a)

 

EINECS-nr.

Naam/Groep

CAS-nr.

200-061-5

D-glucitol CgH14O6

50-70-4

200-066-2

Ascorbinezuur C^8O6

50-81-7

200-075-1

Glucose C6H12O6

50-99-7

200-294-2

L-lysine C6H14N2O2

56-87-1

200-312-9

Palmitinezuur, zuiver C16H32O2

57-10-3

200-313-4

Stearinezuur, zuiver C18H36O2

57-11-4

200-334-9

Saccharose, zuiver C12H22O11

57-50-1

200-405-4

a-Tocoferylacetaat C31H52O3

58-95-7

200-432-1

DL-methionine C5H11NO2S

59-51-8

200-711-8

D-mannitol CeH14O6

69-65-8

201-771-8

L-sorbose C6H12O6

87-79-6

204-007-1

Oliezuur, zuiver C18H34O2

112-80-1

EINECS-nr.

Naam/Groep

CAS-nr.

204-664-4

Glycerolstearaat, zuiver C21H42O4

123-94-4

204-696-9

Koolstofdioxide CO2

124-38-9

205-278-9

Calciumpantothenaat, D-vorm C9H17NO5.1/2Ca

137-08-6

205-582-1

Laurinezuur, zuiver C12H24O2

143-07-7

205-590-5

Kaliumoleaat C18H34O2K

143-18-0

205-756-7

DL-fenylalanine C9HnNO2

150-30-1

208-407-7

Natriumgluconaat C6H12O7Na

527-07-1

212-490-5

Natriumstearaat, zuiver C18H36O2Na

822-16-2

215-279-6

Kalksteen

1317-65-3

 

Een onbrandbare vaste stof, karakteristiek voor sedimentgesteente. Bestaat hoofdzakelijk uit calcium-carbonaat.

 

215-665-4

Sorbitanoleaat C24H44O6

1338-43-8

EINECS-nr.

Naam/Groep

CAS-nr.

216-472-8

Calciumdistearaat, zuiver C18H36O2.1/2Ca

1592-23-0

231-147-0

Argon Ar

7440-37-1

231-153-3

Koolstof C

7440-44-0

231-783-9

Stikstof N2

7727-37-9

231-791-2

Water, gedestilleerd, conductometrisch zuiver water en dergelijk zuiver water H2O

7732-18-5

231-955-3

Grafiet C

7782-42-5

232-273-9

Zonnebloemolie

8001-21-6

 

Extracten en fysisch gemodificeerde derivaten daarvan. Bestaat voornamelijk uit de glyceriden van

de vetzuren linol- en oliezuur. (Helianthus annuus,

Compositae).

 

EINECS-nr.

Naam/Groep

CAS-nr.

232-274-4

Sojaolie

Extracten en fysisch gemodificeerde derivaten daarvan. Bestaat voornamelijk uit de glyceriden van de vetzuren linol-, olie-, palmitine- en stearinezuur

(Soja hispida, Leguminosae).

8001-22-7

232-276-5

Saffloerolie

Extracten en fysisch gemodificeerde derivaten daarvan. Bestaat voornamelijk uit de glyceriden van

het vetzuur linolzuur (Carthamus tinctorius,

Compositae).

8001-23-8

232-278-6

Lijnolie

Extracten en fysisch gemodificeerde derivaten daarvan. Bestaat voornamelijk uit de glyceriden van de vetzuren linol-, linoleen- en oliezuur (Linum usitatissimum, Linaceae).

8001-26-1

232-281-2

Mai'solie

Extracten en fysisch gemodificeerde derivaten

daarvan. Bestaat voornamelijk uit de glyceriden van

de vetzuren linol-, olie-, palmitine- en stearinezuur.

(Zea mays, Gramineae).

8001-30-7

EINECS-nr.

Naam/Groep

CAS-nr.

232-293-8

Ricinusolie

Extracten en fysisch gemodificeerde derivaten daarvan. Bestaat voornamelijk uit de glyceriden van

het vetzuur ricinolzuur (Ricinus communis,

Euphorbiaceae).

8001-79-4

232-299-0

Raapolie

Extracten en fysisch gemodificeerde derivaten daarvan. Bestaat voornamelijk uit de glyceriden van

de vetzuren cis-13-docoseen-, linol- en oliezuur

(Brassica napus, Cruciferae).

8002-13-9

232-307-2

Lecithinen

De complexe verzameling van diglyceriden van vetzuren, gebonden aan de choline-ester van fosforzuur.

8002-43-5

232-436-4

Stropen, gehydrolyseerd zetmeel

Een complexe verzameling, verkregen door de hydrolyse van mai'szetmeel door de werking van

zuren of enzymen. Bestaat voornamelijk uit D-

glucose, maltose en maltodextrinen.

8029-43-4

EINECS-nr.

Naam/Groep

CAS-nr.

232-442-7

Talk, gehydrogeneerd

8030-12-4

232-675-4

Dextrine

9004-53-9

232-679-6

Zetmeel

9005-25-8

 

Hoogpolymeer koolhydraatmateriaal dat gewoonlijk

wordt verkregen uit graankorrels als mai's, tarwe en

gierst en uit wortels en knollen als aardappels en

tapioca. Met inbegrip van zetmeel dat is

gepregelatineerd door verhitting in de aanwezigheid

van water.

 

232-940-4

Maltodextrine

9050-36-6

234-328-2

Vitamine A

11103-57-4

238-976-7

Natrium D-gluconaat C6H12O7.xNa

14906-97-9

248-027-9

D-glucitolmonostearaat C24H48O7

26836-47-5

262-988-1

Vetzuren, kokos, methylesters

61788-59-8

262-989-7

Vetzuren, talk, methylesters

61788-61-2

263-060-9

Vetzuren, ricinusolie

61789-44-4

263-129-3

Vetzuren, talk

61790-37-2

265-995-8

Cellulosepulp

65996-61-4

EINECS-nr.

Naam/Groep

CAS-nr.

266-925-9

Vetzuren, C12-18

Deze stof wordt aangeduid met SDA Substance

Name: CI2.CI8 alkyl carboxylic acid en SDA

Reporting Number: 16-005-00.

67701-01-3

266-928-5

Vetzuren C16-18

Deze stof wordt aangeduid met SDA Substance

Name: CI6-CI8 alkyl carboxylic acid en SDA

Reporting Number: 19-005-00.

67701-03-5

266-929-0

Vetzuren, C8-18 en C18-onverzadigd.

Deze stof wordt aangeduid met SDA Substance

Name: C8-CI8 and CI8 unsaturated alkyl carboxylic

acid en SDA Reporting Number: 01-005-00.

67701-05-7

266-930-6

Vetzuren, C14-18 en C16-18-onverzadigd.

Deze stof wordt aangeduid met SDA Substance

Name: CI4-CI8 and CI6-CI8 unsaturated alkyl

carboxylic acid en SDA Reporting Number: 04-00500

67701-06-8

266-932-7

Vetzuren, C16-C18 en C18-onverzadigd.

Deze stof wordt aangeduid met SDA Substance

Name: CI6-CI8 and CI8 unsaturated alkyl carboxylic

acid en SDA Reporting Number: 11-005-00

67701-08-0

EINECS-nr.

Naam/Groep

CAS-nr.

266-948-4

Glyceriden, C16-1s en C18-onverzadigd.

67701-30-8

 

Deze stof wordt aangeduid met SDA Substance

Name: C16.C18 and C18 unsaturated trialkyl glyceride

en SDA Reporting Number: 11-001-00.

 

267-007-0

Vetzuren, C14-18 en C16-18-onverzadigde, methylesters

67762-26-9

 

Deze stof wordt aangeduid met SDA Substance

Name: CI4.CI8 and C16-C18 unsaturated alkyl

carboxylic acid methyl ester en SDA Reporting

Number: 04-010-00.

 

267-013-3

Vetzuren, C6-12

67762-36-1

 

Deze stof wordt aangeduid met SDA Substance

Name: C6-C12 alkyl carboxylic acid en SDA

Reporting Number: 13-005-00.

 

268-099-5

Vetzuren, C14-22 en C16-22-onverzadigd.

68002-85-7

 

Deze stof wordt aangeduid met SDA Substance

Name: C14-C22 and C16-C22 unsaturated alkyl

carboxylic acid en SDA Reporting Number: 07-00500

 

268-616-4

Siropen, mai's, gedehydrateerd

68131-37-3

269-657-0

Vetzuren, soja

68308-53-2

269-658-6

Glyceriden, talk-mono-, di- en tri-, gehydrogeneerd

68308-54-3

EINECS-nr.

Naam/Groep

CAS-nr.

270-298-7

Vetzuren, C14-22

68424-37-3

270-304-8

Vetzuren, lijnolie

68424-45-3

270-312-1

Glyceriden, C16-18 en C18-onverzadigde mono- en di-

68424-61-3

 

Deze stof wordt aangeduid met SDA Substance

Name: CI6.CIS and CI8 unsaturated alkyl and C16_C18

and CI8 unsaturated dialkyl glyceride en SDA

Reporting Number: 11-002-00.

 

288-123-8

Glyceriden, C10-18

85665-33-4

292-771-7

Vetzuren, C12-14

90990-10-6

292-776-4

Vetzuren, C12-18 en C18-onverzadigd.

90990-15-1

296-916-5

Vetzuren, raapolie, cis-13-docoseenzuur-arm

93165-31-2

BIJLAGE V

VRIJSTELLINGEN VAN DE REGISTRATIEPLICHT OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 2,

LID 7, ONDER b)

  • 1. 
    Stoffen die ontstaan bij een chemische reactie die optreedt als gevolg van de blootstelling van een andere stof of een ander voorwerp aan omgevingsfactoren zoals lucht, vocht, micro-organismen of zonlicht.
  • 2. 
    Stoffen die ontstaan bij een chemische reactie die optreedt als gevolg van de opslag van een andere stof, een ander preparaat of een ander voorwerp.
  • 3. 
    Stoffen die ontstaan bij een chemische reactie die optreedt bij het eindgebruik van andere stoffen, preparaten of voorwerpen en die zelf niet worden vervaardigd, worden ingevoerd of in de handel worden gebracht.
  • 4. 
    Stoffen die niet als dusdanig worden vervaardigd, gei'mporteerd of in de handel worden gebracht, en ontstaan bij een chemische reactie die optreedt wanneer:
  • a) 
    een stabilisator, kleurstof, smaakstof, antioxidant, vulmiddel, oplosmiddel, draagstof, oppervlakteactieve stof, weekmaker, corrosieremmer, antischuimmiddel, dispergeer-middel, neerslagremmer, droogmiddel, bindmiddel, emulgator, de-emulgator, droog-middel, klontermiddel, adhesiebevorderaar, stromingsmodificator, pH-neutralisator, complexvormer, stollingsmiddel, uitvlokkingsmiddel, brandvertrager, smeermiddel, chelaatvormer of reagens voor kwaliteitsbeheersing functioneert zoals de bedoeling is, of
  • b) 
    een stof die uitsluitend bedoeld is om een specifiek fysisch-chemisch kenmerk toe te voegen, functioneert zoals de bedoeling is.
  • 5. 
    Bijproducten, tenzij deze zelf worden ingevoerd of in de handel worden gebracht.
  • 6. 
    Hydraten van een stof of gehydrateerde ionen, gevormd door de combinatie van een stof met water, mits de stof is geregistreerd door de fabrikant of importeur die van deze vrijstelling gebruikmaakt.
  • 7. 
    De volgende in de natuur voorkomende stoffen, indien zij niet chemisch worden gewijzigd:

mineralen, ertsen, ertsconcentraten, aardgas, cementklinker, vloeibaar petroleumgas, aardgascondensaat, procesgassen en componenten daarvan, ruwe olie, steenkool, cokes.

  • 8. 
    Niet in punt 7 genoemde in de natuur voorkomende stoffen, indien zij niet chemisch worden gewijzigd, tenzij zij aan de criteria voor de indeling als gevaarlijk overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG voldoen.
  • 9. 
    Basiselementen waarvan de gevaren en risico's al welbekend zijn, zoals: waterstof, zuurstof, edelgassen (argon, helium, neon, xenon), stikstof.

BIJLAGE VI

IN ARTIKEL 10 BEDOELDE IN TE DIENEN INFORMATIE RICHTSNOEREN

OM TE VOLDOEN AAN DE VOORSCHRIFTEN VAN DE BIJLAGEN VI TOT EN MET XI

In de bijlagen VI tot en met XI wordt gespecificeerd welke informatie moet worden ingediend met het oog op registratie en beoordeling overeenkomstig de artikelen 10, 12 en 13, 40, 41 en 46. De standaardinformatie voor de laagste hoeveelheidsklasse wordt in bijlage VII vermeld en telkens wanneer een nieuwe hoeveelheidsklasse wordt bereikt, moeten de voorschriften van de desbetreffende bijlage worden toegevoegd. Afhankelijk van de hoeveelheidsklasse, het gebruik en de blootstelling zal voor elke registratie verschillend zijn welke informatie precies moet worden ingediend. De bijlagen moeten derhalve als een geheel en in samenhang met de algehele verplichtingen inzake registratie, evaluatie en zorgvuldigheidsplicht worden beschouwd.

STAP 1 - VERZAMEL DE BESTAANDE INFORMATIE EN GEBRUIK DEZE GEZAMENLIJK

De registrant moet alle bestaande en beschikbare testgegevens over de te registreren stof verzamelen, hetgeen inhoudt dat in de literatuur naar relevante informatie over de stof wordt gezocht. Wanneer dit mogelijk is, moeten registraties overeenkomstig artikel 11 of artikel 19 gezamenlijk worden ingediend. Daardoor kunnen testgegevens gezamenlijk worden gebruikt, zodat onnodige testen worden vermeden en de kosten worden beperkt. De registrant moet ook alle andere beschikbare en relevante informatie over de stof verzamelen, ongeacht of voor een specifieke hoeveelheidsklasse bepaalde eindpunten moeten worden getest. Hieronder valt informatie uit alter-natieve bronnen (bv. van (Q)SAR’s, interpolatiegegevens van andere stoffen, in-vivo- en in-vitro testen, epidemiologische gegevens) die kunnen bijdragen tot het vaststellen van de aan- of afwezigheid van gevaarlijke eigenschappen van de stof en die in bepaalde gevallen de resultaten van dierproeven kunnen vervangen.

Vervolgens moet informatie over blootstelling, gebruik en risicobeheersmaatregelen overeenkomstig artikel 10 en deze bijlage worden verzameld. Uitgaande van al deze informatie samen zal de registrant kunnen bepalen of er nog meer informatie gegenereerd moet worden.

STAP 2 - BEPAAL DE BENODIGDE INFORMATIE

De registrant moet nagaan welke informatie voor de registratie nodig is. Allereerst moet aan de hand van de hoeveelheid worden vastgesteld welke bijlage of bijlagen relevant zijn. In deze bijlagen worden de eisen voor de standaardinformatie vermeld, maar ze moeten worden beschouwd in samenhang met deze bijlage, die mogelijkheden biedt om van de standaardbenadering af te wijken indien dit kan worden gemotiveerd. Met name informatie over blootstelling, gebruik en risicobeheersmaatregelen moet in deze fase in de beschouwingen worden betrokken om te bepalen welke informatie voor de stof nodig is.

STAP 3 - SIGNALEER DE LACUNES IN DE INFORMATIE

De registrant moet vervolgens de voor de stof benodigde informatie vergelijken met de reeds beschikbare informatie en nagaan waar er lacunes zijn. Het is belangrijk in deze fase ervoor te zorgen dat de beschikbare gegevens relevant zijn en kwalitatief volstaan om aan de voorschriften te voldoen.

STAP 4 - GENEREER NIEUWE GEGEVENS / STEL EEN TESTSTRATEGIE VOOR

In sommige gevallen zal het niet nodig zijn nieuwe gegevens te genereren. Wanneer echter een lacune in de informatie moet worden opgevuld, moeten afhankelijk van de hoeveelheid nieuwe gegevens worden gegenereerd (bijlagen VII en VIII) of een teststrategie worden voorgesteld (bijlagen IX en X). Nieuwe testen met gewervelde dieren mogen alleen als laatste redmiddel worden uitgevoerd of voorgesteld, wanneer alle andere gegevensbronnen zijn uitgeput.

In sommige gevallen kunnen de in de bijlagen VII tot en met XI vermelde voorschriften vereisen dat bepaalde testen voor of als aanvulling op de standaardvoorschriften worden uitgevoerd.

OPMERKINGEN

Opmerking 1: Indien het technisch niet mogelijk is of uit wetenschappelijk oogpunt niet noodzakelijk lijkt bepaalde informatie te verstrekken, dienen de redenen daarvoor overeenkomstig de desbetreffende bepalingen duidelijk te worden vermeld.

Opmerking 2: Het is mogelijk dat de registrant wil verklaren dat bepaalde in het registratiedossier ingediende informatie commercieel gevoelig is en dat de verspreiding ervan hem uit commercieel oogpunt schade zou kunnen berokkenen. Indien dit het geval is, dient hij een lijst hiervan te verstrekken en een motivering in te dienen.

IN ARTIKEL 10, ONDER a), PUNTEN i) TOT v), BEDOELDE INFORMATIE

  • 1. 
    ALGEMENE INFORMATIE OVER DE REGISTRANT

1.1.    Registrant

1.1.1.    Naam, adres, telefoonnummer, faxnummer en e-mailadres

1.1.2.    Contactpersoon

1.1.3.    Ligging van de locatie(s) waar de productie en het eigen gebruik van de registrant plaats-vinden, voor zover van toepassing

1.2.    Gezamenlijke indiening van    de    gegevens

In de artikelen 11 en 19 wordt bepaald dat delen van de registratie door een hoofdregistrant namens andere registranten kunnen worden ingediend.

In dat geval dient de hoofdregistrant aan te geven wie de andere registranten zijn, waarbij hij de volgende gegevens dient te vermelden:

  • hun naam, adres, telefoonnummer, faxnummer en e-mailadres,
  • de delen van de registratie die ook op andere registranten van toepassing zijn.

Vermeld hierbij de in deze bijlage of bijlagen VII tot en met X opgenomen nummers, voor zover van toepassing.

Eventuele andere registranten dienen aan te geven welke hoofdregistrant namens hen optreedt, waarbij zij de volgende gegevens dienen te vermelden:

  • zijn naam, adres, telefoonnummer, faxnummer en e-mailadres,
  • de delen van de registratie die door de hoofdregistrant worden ingediend.

Vermeld hierbij de in deze bijlage of bijlagen VII tot en met X opgenomen nummers, voor zover van toepassing.

1.3.    Overeenkomstig artikel 4 aangewezen derden

1.3.1.    Naam, adres, telefoonnummer, faxnummer en e-mailadres

1.3.2.    Contactpersoon

  • 2. 
    IDENTIFICATIE VAN DE STOF

Voor elke stof moet de in deze rubriek vermelde informatie voldoende zijn om deze te kunnen identificeren. Indien het technisch niet mogelijk is of uit wetenschappelijk oogpunt niet nodig lijkt een of meer onderdelen van onderstaande informatie te verstrekken, dienen de redenen daarvoor duidelijk te worden vermeld.

2.1. Naam of andere aanduiding van elke stof

2.1.1.    Naam of namen volgens de IUPAC-nomenclatuur of andere internationale chemische naam of namen

2.1.2.    Andere namen (triviale naam, handelsnaam, afkorting)

2.1.3.    EINECS- of ELINCs-nummer (indien beschikbaar en van toepassing)

2.1.4.    CAS-naam en CAS-nummer (indien beschikbaar)

2.1.5.    Andere aanduiding (indien beschikbaar)

2.2.    Informatie over de molecuulformule en structuurformule van elke stof

2.2.1.    Molecuul- en structuurformule (met SMILES-notatie, indien beschikbaar)

2.2.2 Informatie over de optische activiteit en de typische verhouding van de (stereo-)isomeren (indien beschikbaar en van toepassing)

2.2.3.    Molecuulgewicht of spreiding van het molecuulgewicht

2.3.    Samenstelling van elke stof

2.3.1.    Zuiverheidsgraad (%)

2.3.2.    Aard van de verontreinigingen, met inbegrip van isomeren en bijproducten

2.3.3.    Percentage (significante) belangrijkste verontreinigingen

2.3.4.    Aard en orde van grootte (...ppm, ...%) van eventuele additieven (bijvoorbeeld stabilisatoren of remmers)

2.3.5.    Spectrumgegevens (UV, IR, NMR of massaspectrum)

2.3.6.    HPLC-chromatogram, gaschromatogram

2.3.7.    Beschrijving van de analysemethoden of relevante literatuurverwijzingen voor de identificatie van de stof en, indien van toepassing, de identificatie van verontreinigingen en additieven. Deze informatie moet voldoende zijn om de methoden te kunnen reproduceren.

  • 3. 
    INFORMATIE OVER HET VERVAARDIGEN EN HET GEBRUIK VAN DE STOF(FEN)

3.1.    Totale hoeveelheid vervaardigde stof, hoeveelheden die gebruikt zijn voor het vervaardigen van een voorwerp dat geregistreerd moet worden en/of totale ingevoerde hoeveelheid in ton per registrant per jaar in:

Het kalenderjaar van de registratie (geschatte hoeveelheid)

3.2.    Voor fabrikanten of producenten van voorwerpen: beknopte beschrijving van het bij het vervaardigen of het produceren van voorwerpen gebruikte technologische procede

Gedetailleerde gegevens over het procede zijn, met name wanneer deze commercieel gevoelig van aard zijn, niet verplicht.

3.3.    Een aanduiding van de hoeveelheid die wordt gebruikt voor eigen gebruik

3.4.    Vorm (stof, preparaat of voorwerp) en/of fysische toestand waarin de stof aan downstream gebruikers ter beschikking wordt gesteld. Concentratie of spreiding van de concentratie van de stof in preparaten die aan downstream gebruikers ter beschikking worden gesteld en hoeveelheden van de stof in voorwerpen die aan downstreamgebruikers ter beschikking worden gesteld.

3.5.    Beknopte algemene beschrijving van het gei'dentificeerde gebruik

3.6.    Hoeveelheid en samenstelling van het afval dat bij de het vervaardigen van de stof, het gebruik in voorwerpen en het gei'dentificeerde gebruik ontstaat

3.7.    Ontraden gebruik (zie rubriek 16 van het veiligheidsinformatieblad)

Indien van toepassing, een vermelding van het gebruik dat door de registrant wordt ontraden en de redenen waarom dit gebeurt (d.w.z. niet wettelijk verplichte aanbevelingen van de leverancier). Dit behoeft geen volledige lijst te zijn.

  • 4. 
    INDELING EN ETIKETTERING

4.1.    De indeling van de stof(fen) naar gevarencategorie als gevolg van de toepassing van de artikelen 4 en 6 van Richtlijn 67/548/EEG

Voorts moeten voor elke vermelding de redenen worden vermeld waarom geen indeling voor een eindpunt wordt gegeven (bijvoorbeeld als gegevens ontbreken, niet overtuigend zijn, of wel overtuigend zijn maar onvoldoende zijn om een indeling op te baseren).

4.2.    De gevaarsaanduiding van de stof(fen) als gevolg van de toepassing van de artikelen 23 tot en met 25 van Richtlijn 67/548/EEG

4.3.    In voorkomend geval, specifieke concentratiegrenswaarden als gevolg van de toepassing van artikel 4, lid 4, van Richtlijn 67/548/EEG en de artikelen 4 tot en met 7 van Richtlijn 1999/45/EG.

  • 5. 
    RICHTSNOEREN VOOR EEN VEILIG GEBRUIK TEN AANZIEN VAN:

Deze informatie dient in overeenstemming te zijn met de informatie in het veiligheids-informatieblad, wanneer een dergelijk veiligheidsinformatieblad krachtens artikel 31 verplicht is.

5.1.    Eerstehulpmaatregelen (rubriek 4 van het veiligheidsinformatieblad)

5.2.    Brandbestrijdingsmaatregelen (rubriek 5 van het veiligheidsinformatieblad)

5.3.    Maatregelen bij accidenteel vrijkomen (rubriek 6 van het veiligheidsinformatieblad)

5.4.    Hantering en opslag (rubriek 7 van het veiligheidsinformatieblad)

5.5.    Informatie over het vervoer (rubriek 14 van het veiligheidsinformatieblad)

Indien geen chemisch veiligheidsrapport vereist is, moet de volgende aanvullende informatie worden verstrekt:

5.6.    Maatregelen ter beheersing van de blootstelling/persoonlijke bescherming (rubriek 8 van het veiligheidsinformatieblad)

5.7.    Stabiliteit en reactiviteit (rubriek 10 van het veiligheidsinformatieblad)

5.8.    Instructies voor verwijdering

5.8.1.    Instructies voor verwijdering (rubriek 13 van het veiligheidsinformatieblad)

5.8.2.    Informatie over recycling en verwijderingsmethoden voor de industrie

5.8.3.    Informatie over recycling en verwijderingsmethoden voor het publiek

  • 6. 
    INFORMATIE OVER BLOOTSTELLING BETREFFENDE STOFFEN DIE IN

HOEVEELHEDEN TUSSEN 1 EN 10 TON PER JAAR EN PER FABRIKANT OF IMPORTEUR GEREGISTREERD ZIJN

6.1.    Hoofdzakelijk gebruik

6.1.1.    a) Industrieel gebruik en/of

  • b) 
    Beroepsmatig gebruik en/of
  • c) 
    consumptief gebruik

6.1.2 Specificaties voor industrieel en beroepsmatig gebruik

  • a) 
    Gebruik in gesloten systeem en /of
  • b) 
    Gebruik dat leidt tot opneming in matrix en /of
  • c) 
    Niet-dispersief gebruik en/of
  • d) 
    dispersief gebruik

6.2.    Significante blootstellingsroutes

6.2.1    Blootstelling van de mens

  • a) 
    Oraal en/of
  • b) 
    Via de huid en/of
  • c) 
    Door inademing

6.2.2. Blootstelling van het milieu

  • a) 
    Water en/of
  • b) 
    Lucht en/of
  • c) 
    Vaste afvalstoffen en/of
  • d) 
    bodem

6.3. Blootstellingspatroon

  • a) 
    Accidenteel/niet frequent en/of
  • b) 
    Incidenteel en/of
  • c) 
    Voortdurend/frequent

BIJLAGE VII

VERPLICHTE STANDAARDINFORMATIE VOOR STOFFEN DIE IN HOEVEELHEDEN VAN 1 TON OF MEER WORDEN VERVAARDIGD OF INGEVOERD1

In kolom 1 van deze bijlage wordt de standaardinformatie vermeld die verplicht is voor:

  • a) 
    niet-geleidelijk gei'ntegreerde stoffen die in hoeveelheden van 1 tot 10 ton worden vervaardigd of ingevoerd;
  • b) 
    geleidelijk gei'ntegreerde stoffen die in hoeveelheden van 1 tot 10 ton worden vervaardigd of ingevoerd en die overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder a) en b), voldoen aan de criteria van bijlage III; en
  • c) 
    stoffen die in hoeveelheden van 10 ton of meer worden vervaardigd of ingevoerd.

Eventuele andere beschikbare relevante fysisch-chemische, toxicologische en ecotoxicologische informatie moet worden vermeld. Voor stoffen die niet aan de criteria van bijlage III voldoen, volstaan de fysisch-chemische vereisten van hoofdstuk 7 van deze bijlage.

In kolom 2 van deze bijlage worden specifieke regels vermeld voor de gevallen waarin de verplichte standaardinformatie mag worden weggelaten, door andere informatie mag worden vervangen, in een andere fase mag worden ingediend of anderszins mag worden aangepast. Indien wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder krachtens kolom 2 van deze bijlage aanpassing is toegestaan, dient de registrant in de desbetreffende rubrieken van het registratiedossier duidelijk te vermelden dat dit het geval is en welke de redenen voor elke aanpassing zijn.

Deze bijlage is van toepassing op producenten van voorwerpen die overeenkomstig artikel 7 moeten worden geregistreerd en op andere downstream gebruikers die krachtens deze naar behoefte aangepaste verordening tests moeten verrichten.

Naast deze specifieke regels mag een registrant de in kolom 1 van deze bijlage vermelde verplichte standaardinformatie ook aanpassen aan de hand van de in bijlage XI vermelde algemene regels, met uitzondering van paragraaf 3 betreffende het weglaten van testen op basis van blootstelling aan de stof . Ook in dat geval dient hij in de desbetreffende rubrieken van het registratiedossier duidelijk te vermelden welke de redenen zijn voor een eventueel besluit om de standaardinformatie aan te passen, waarbij hij naar de desbetreffende specifieke regel(s) van kolom 2 of van bijlage XI verwijst1.

Voordat er nieuwe testen worden uitgevoerd om de in deze bijlage vermelde eigenschappen te bepalen, moeten alle beschikbare in-vitro gegevens, in-vivo gegevens, historische gegevens betreffende de mens, gegevens van geldige (Q)SAR’s en gegevens van structureel verwante stoffen ("read-across"-aanpak) worden beoordeeld. In-vivo onderzoek met corrosieve stoffen in concentraties/dosisniveaus die corrosie veroorzaken, dienen te worden vermeden. Voor het testen dienen naast deze bijlage de nadere richtsnoeren inzake teststrategieen te worden geraadpleegd.

Wanneer informatie voor bepaalde eindpunten niet wordt verstrekt om andere dan de in kolom 2 van deze bijlage of in bijlage XI vermelde redenen, moet ook duidelijk worden vermeld dat dit het geval is en welke de redenen daarvoor zijn.

Opmerking: de voorwaarden waaronder een specifieke test niet vereist is en die niet in kolom 2 worden herhaald, zijn eveneens van toepassing.

30.12.2006    |NL|    Publicatieblad van de Europese Unie    L 396/317

L 396/324    |NL|    Publicatieblad van de Europese Unie    30.12.2006

 

KOLOM 2

Specifieke regels voor aanpassing van de voorschriften VAN KOLOM 1

8.1. De stappen 3 en 4 behoeven niet te worden uitgevoerd:

  • indien de beschikbare informatie erop wijst dat is voldaan aan de criteria voor indeling als

corrosief voor de huid of irriterend voor de ogen; of

  • indien de stof in lucht bij kamertemperatuur ontvlambaar is; of
  • indien de stof ingedeeld is als bij contact met de huid zeer toxisch; of
  • indien een acuut-toxiciteitsonderzoek bij toediening via de huid tot aan de limietdosis

(2000 mg/kg lichaamsgewicht) geen aanwijzingen voor huidirritatie oplevert.

KOLOM 1

Verplichte standaardinformatie

8.1.    Huidirritatie of huidcorrosie

De evaluatie van dit eindpunt omvat achtereenvolgens de

volgende stappen:

  • (1) 
    een evaluatie van de beschikbare gegevens betreffende

mens en dier,

  • (2) 
    een evaluatie van de zure of alkalische reserve,(3)

een in-vitro onderzoek naar huidcorrosie

  • (4) 
    een in-vitro onderzoek naar huidirritatie.

30.12.2006    |NL|    Publicatieblad van de Europese Unie    L 396/327

 

KOLOM 2

Specifieke regels voor aanpassing van de voorschriften VAN KOLOM 1

9.1.1. Het onderzoek behoeft niet te worden uitgevoerd:

  • indien mitigerende factoren erop wijzen dat toxiciteit in aquatisch milieu onwaarschijnlijk is, bijvoorbeeld indien de stof zeer slecht oplosbaar in water is of het onwaarschijnlijk is dat de stof biologische membranen zal passeren; of
  • indien er een onderzoek naar toxiciteit in aquatisch milieu op lange termijn bij ongewervelde dieren beschikbaar is; of
  • indien er voldoende informatie beschikbaar is voor een indeling en etikettering op milieu-gebied.

Het onderzoek naar de toxiciteit in aquatisch milieu op lange termijn bij Daphnia (bijlage IX,

punt 7.1.5) moet worden overwogen indien de stof slecht oplosbaar in water is.

9.1.2. Het onderzoek behoeft niet te worden uitgevoerd: indien mitigerende factoren erop

wijzen dat de toxiciteit in aquatisch milieu onwaarschijnlijk is, bijvoorbeeld, indien de

stof zeer slecht oplosbaar in water is of het onwaarschijnlijk is dat de stof biologische

membranen zal passeren;

KOLOM 1

Verplichte standaardinformatie

9.1.    Toxiciteit in aquatisch milieu

9.1.1.    Onderzoek naar toxiciteit op korte termijn bij ongewervelde dieren (voorkeursoort: Daphnia)

De registrant kan een onderzoek naar toxiciteit op lange termijn in plaats van korte termijn overwegen.

9.1.2. Groeiremmingsonderzoek bij waterplanten (bij voorkeur bij algen)

 

L 396/328    |NL|    Publicatieblad van de Europese Unie    30.12.2006

KOLOM 2

Specifieke regels voor aanpassing van de voorschriften VAN KOLOM 1

9.2.1.1. Het onderzoek behoeft niet te worden uitgevoerd indien de stof anorganisch is.

KOLOM 1

Verplichte standaardinformatie

9.2.    Afbraak

9.2.1.    Biotisch

9.2.1.1.    Gemakkelijk biologisch afbreekbaar

BIJLAGE VIII

STANDAARDINFORMATIE VOOR STOFFEN DIE IN HOEVEELHEDEN VAN 10 TON OF MEER WORDEN VERVAARDIGD OF INGEVOERD1

In kolom 1 van deze bijlage wordt de standaardinformatie vermeld die overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder c), verplicht is voor alle stoffen die in hoeveelheden van 10 ton of meer worden vervaardigd of ingevoerd. De krachtens kolom 1 van deze bijlage verplichte informatie vormt derhalve een aanvulling op de krachtens kolom 1 van bijlage VII verplichte informatie. Eventuele andere beschikbare relevante fysisch-chemische, toxicologische en ecotoxicologische informatie moet worden vermeld. In kolom 2 van deze bijlage worden specifieke regels vermeld voor de gevallen waarin de verplichte standaardinformatie mag worden weggelaten, door andere informatie mag worden vervangen, in een andere fase mag worden ingediend of anderszins mag worden aangepast. Indien wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder krachtens kolom 2 van deze bijlage aanpassing is toegestaan, dient de registrant in de desbetreffende rubrieken van het registratie-dossier duidelijk te vermelden dat dit het geval is en welke de redenen voor elke aanpassing zijn.

Naast deze specifieke regels mag een registrant de in kolom 1 van deze bijlage vermelde verplichte standaardinformatie ook aanpassen aan de hand van de in bijlage XI vermelde algemene regels.

Ook in dat geval dient hij in de desbetreffende rubrieken van het registratiedossier duidelijk te vermelden welke de redenen zijn voor een eventueel besluit om de standaardinformatie aan te passen, waarbij hij naar de desbetreffende specifieke regel(s) van kolom 2 of van bijlage XI verwijst2.

Deze bijlage is van toepassing op producenten van voorwerpen die overeenkomstig artikel 7 moeten worden geregistreerd en op andere downstream gebruikers die krachtens deze naar behoefte aangepaste verordening tests moeten verrichten.

Opmerking: de voorwaarden waaronder een specifieke test niet vereist is en die niet in kolom 2 worden herhaald, zijn eveneens van toepassing.

Voordat er nieuwe testen worden uitgevoerd om de in deze bijlage vermelde eigenschappen te bepalen, moeten alle beschikbare in-vitro gegevens, in-vivo gegevens, historische gegevens betreffende de mens, gegevens van geldige (Q)SAR’s en gegevens van structureel verwante stoffen ("read-across"-aanpak) worden beoordeeld. In-vivo onderzoek met corrosieve stoffen in concentraties/dosisniveaus die corrosie veroorzaken, dienen te worden vermeden. Voor de testen dienen naast deze bijlage de nadere richtsnoeren inzake teststrategieen te worden geraadpleegd.

Wanneer informatie voor bepaalde eindpunten niet wordt verstrekt om andere dan de in kolom 2 van deze bijlage of in bijlage XI vermelde redenen, moet ook duidelijk worden vermeld dat dit het geval is en welke de redenen daarvoor zijn.

30.12.2006    |NL|    Publicatieblad van de Europese Unie    L 396/331

 

KOLOM 2

Specifieke regels voor aanpassing van de voorschriften VAN KOLOM 1

8.1.1. Het onderzoek behoeft niet te worden uitgevoerd:

  • indien de stof als corrosief of irriterend voor de huid is ingedeeld; of
  • indien de stof een sterk zuur (pH < 2,0) of een sterke base (pH > 11,5) is; of
  • indien de stof in lucht bij kamertemperatuur ontvlambaar is; of
  • indien de stof ingedeeld is als bij contact met de huid zeer toxisch; of
  • indien het acute-toxiciteitsonderzoek bij toediening via de huid tot aan de limietdosis

(2000 mg/kg lichaamsgewicht) geen aanwijzingen voor huidirritatie oplevert.

KOLOM 1

Verplichte standaardinformatie

8.1.    Huidirritatie

8.1.1.    Huidirritatie in-vivo

 

30.12.2006    |NL|    Publicatieblad van de Europese Unie    L 396/335

KOLOM 2

Specifieke regels voor aanpassing van de voorschriften VAN KOLOM 1

De geschikte toedieningsweg dient op basis van de volgende overwegingen te worden gekozen:

Een test met toediening via de huid is geschikt:

  • 1) 
    indien inademing van de stof onwaarschijnlijk is; en
  • 2) 
    indien huidcontact tijdens de vervaardiging en/of gebruik van de stof te verwachten is; en
  • 3) 
    indien de fysisch-chemische en toxicologische eigenschappen wijzen op een mogelijke significante absorptie via de huid.

Een test met inademing is geschikt indien, rekening houdend met de dampspanning van de stof en/of

de mogelijke blootstelling aan aerosollen, deeltjes of druppels met inhaleerbare afmetingen, de

blootstelling van de mens via inademing te verwachten valt.

KOLOM 1

Verplichte standaardinformatie

 

L 396/336    |NL|    Publicatieblad van de Europese Unie    30.12.2006

KOLOM 2

Specifieke regels voor aanpassing van de voorschriften VAN KOLOM 1

KOLOM 2

SPECIFIEKE REGELS VOOR AANPASSING VAN DE VOORSCHRIFTEN VAN KOLOM 1

Een onderzoek naar subchronische toxiciteit (90 dagen) (bijlage IX, punt 6.6.2) wordt door de

registrant voorgesteld: indien de frequentie en de duur van de blootstelling van de mens erop wijzen

dat een onderzoek op langere termijn relevant is;

en indien aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • andere beschikbare gegevens wijzen erop dat de stof wellicht een gevaarlijke eigenschap

heeft die niet bij een onderzoek naar toxiciteit op korte termijn kan worden gesignaleerd; of

  • uit adequaat opgezet toxicokinetisch onderzoek blijkt dat er sprake is van accumulatie van de

stof of de metabolieten ervan in bepaalde weefsels of organen, die wellicht bij een onderzoek

naar toxiciteit op korte termijn niet zou worden gesignaleerd, maar die na langdurige blootstelling tot schadelijke effecten zou kunnen leiden.

KOLOM 1

Verplichte standaardinformatie

KOLOM 1

Verplichte standaardinformatie

 

L 396/338    |NL|    Publicatieblad van de Europese Unie    30.12.2006

KOLOM 2

Specifieke regels voor aanpassing van de voorschriften VAN KOLOM 1

8.7.1. Dit onderzoek op voortplantingstoxiciteit behoeft niet te worden uitgevoerd:

  • indien van de stof bekend is dat deze genotoxisch kankerverwekkend is en er afdoende risicobeheersmaatregelen zijn toegepast; of
  • indien van de stof bekend is dat deze mutageen voor kiemcellen is en er afdoende risicobeheersmaatregelen zijn toegepast; of
  • indien relevante blootstelling van de mens kan worden uitgesloten overeenkomstig bijlage

XI, punt 3, of

  • indien een prenataal ontwikkelingstoxiciteitsonderzoek (sectie 8.7.2. van deze bijlage) of een voortplantingstoxiciteitsonderzoek (sectie 8.7.3. van deze bijlage) beschikbaar is.

Indien van de betrokken stof bekend is dat zij een schadelijk effect op de vruchtbaarheid heeft en deze voldoet aan de criteria om in Repr Cat 1 of 2: R60 te worden ingedeeld en de beschikbare gegevens geschikt zijn om een degelijk onderbouwde risicobeoordeling te ondersteunen, is geen verder onderzoek naar het effect op de vruchtbaarheid nodig. Onderzoek naar de ontwikkelingstoxiciteit dient evenwel te worden overwogen.

Indien van de betrokken stof bekend is dat zij ontwikkelingstoxiciteit teweegbrengt en deze voldoet aan de criteria om te worden ingedeeld in Repr Cat 1 of 2. R61, en de beschikbare gegevens geschikt zijn om een degelijk onderbouwde risicobeoordeling te ondersteunen, is geen verder onderzoek naar

de ontwikkelingstoxiciteit nodig. Onderzoek naar het effect op de vruchtbaarheid dient evenwel te

worden overwogen.

KOLOM 1

Verplichte standaardinformatie

8.7.    Giftigheid voor de voortplanting

8.7.1. Bij de eerste evaluatie van dit eindpunt wordt

eveneens rekening gehouden met alle beschikbare toxicologische informatie over structureel verwante stoffen op basis van, (Q)SAR-schattingen of in-vitro methoden.

30.12.2006    |NL|    Publicatieblad van de Europese Unie    L 396/339

KOLOM 2

Specifieke regels voor aanpassing van de voorschriften VAN KOLOM 1

In gevallen waarin er grote zorg bestaat over de potentiele schadelijke effecten voor de

vruchtbaarheid of de ontwikkeling, kan door de registrant een onderzoek naar prenatale-

ontwikkelingstoxiciteit (bijlage IX, punt 6.7.2) of een onderzoek naar de giftigheid voor de voort-

planting met twee generaties (bijlage IX, punt 6.7.3) in plaats van een screening worden voorgesteld.

 

KOLOM 1

Verplichte standaardinformatie

 

8.8    Toxicokinetiek

8.8.1. Beoordeling van het toxicokinetisch gedrag van de

stof voorzover dit uit de relevante beschikbare informatie

kan worden afgeleid

L 396/340    |NL|    Publicatieblad van de Europese Unie    30.12.2006

 

KOLOM 2

Specifieke regels voor aanpassing van de voorschriften VAN KOLOM 1

9.1.3. Het onderzoek behoeft niet te worden uitgevoerd:

  • indien mitigerende factoren erop wijzen dat toxiciteit in aquatisch milieu onwaarschijnlijk

is, bijvoorbeeld indien de stof zeer slecht oplosbaar in water is; of indien het

onwaarschijnlijk is dat de stof biologische membranen zal passeren; of

  • indien er een onderzoek naar toxiciteit op lange termijn bij vissen beschikbaar is.

Onderzoek naar de toxiciteit in aquatisch milieu op lange termijn als beschreven in bijlage IX

wordt in overweging genomen indien de chemische veiligheidsbeoordeling overeenkomstig

bijlage I erop wijst dat de effecten op aquatische organismen nader moeten worden onderzocht.

De keuze van de geschikte test(en) zal afhangen van de resultaten van de chemische

veiligheidsbeoordeling.

Het onderzoek naar de toxiciteit in aquatisch milieu op lange termijn bij vissen (bijlage IX,

punt 7.1.6) moet worden overwogen indien de stof slecht oplosbaar in water is.

KOLOM 1

Verplichte standaardinformatie

9.1.3. Onderzoek naar toxiciteit op korte termijn bij vissen: De

registrant kan onderzoek op toxiciteit op lange termijn in plaats

van korte termijn overwegen.

BIJLAGE IX

STANDAARDINFORMATIE VOOR STOFFEN DIE IN HOEVEELHEDEN VAN 100 TON OF MEER WORDEN VERVAARDIGD OF INGEVOERD1

De registrant moet, overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder d), een voorstel en een tijdschema indienen om te voldoen aan de informatievereisten van deze bijlage.

In kolom 1 van deze bijlage wordt de standaardinformatie vermeld die overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder d), verplicht is voor alle stoffen die in hoeveelheden van 100 ton of meer worden vervaardigd of ingevoerd. De krachtens kolom 1 van deze bijlage verplichte informatie vormt derhalve een aanvulling op de krachtens kolom 1 van de bijlagen VII en VIII verplichte informatie. Eventuele andere beschikbare relevante fysisch-chemische, toxicologische en ecotoxicologische informatie moet worden vermeld. In kolom 2 van deze bijlage worden specifieke regels vermeld voor de gevallen waarin de registrant mag voorstellen de verplichte standaardinformatie weg te laten, door andere informatie te vervangen, in een latere fase in te dienen of anderszins aan te passen. Indien wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder krachtens kolom 2 van deze bijlage aanpassing mag worden voorgesteld, dient de registrant in de desbetreffende rubrieken van het registratiedossier duidelijk te vermelden dat dit het geval is en welke de redenen voor elk voorstel tot aanpassing zijn.

Naast deze specifieke regels mag een registrant ook voorstellen de in kolom 1 van deze bijlage vermelde verplichte standaardinformatie aan te passen aan de hand van de in bijlage XI vermelde algemene regels. Ook in dat geval dient hij in de desbetreffende rubrieken van het registratiedossier duidelijk te vermelden welke de redenen zijn voor een eventueel besluit om aanpassingen van de standaardinformatie voor te stellen, waarbij hij naar de desbetreffende specifieke regel(s) van kolom 2 of van bijlage XI verwijst2.

Deze bijlage is van toepassing op producenten van voorwerpen die overeenkomstig artikel 7 moeten worden geregistreerd en op andere downstream gebruikers die krachtens deze naar behoefte aangepaste verordening tests moeten verrichten.

Opmerking: de voorwaarden waaronder een specifieke test niet vereist is en die niet in kolom 2 worden herhaald, zijn eveneens van toepassing.

Voordat er nieuwe testen worden uitgevoerd om de in deze bijlage vermelde eigenschappen te bepalen, moeten alle beschikbare in-vitro gegevens, in-vivo gegevens, historische gegevens betreffende de mens, gegevens van geldige (Q)SAR’s en gegevens van structureel verwante stoffen ("read-across"-aanpak) worden beoordeeld. In-vivo onderzoek met corrosieve stoffen in concentraties/dosisniveaus die corrosie veroorzaken, dienen te worden vermeden. Voor het onderzoek dienen naast deze bijlage de nadere richtsnoeren inzake teststrategieen te worden geraadpleegd.

Wanneer voor bepaalde eindpunten wordt voorgesteld informatie niet te verstrekken om andere dan de in kolom 2 van deze bijlage of in bijlage XI vermelde redenen, moet ook duidelijk worden vermeld dat dit het geval is en welke de redenen zijn.

30.12.2006    |NL|    Publicatieblad van de Europese Unie    L 396/345

L 396/346    |NL|    Publicatieblad van de Europese Unie    30.12.2006

 

30.12.2006    |NL|    Publicatieblad van de Europese Unie    L 396/347

KOLOM 2

Specifieke regels voor aanpassing van de voorschriften VAN KOLOM 1

8.6.2. Het onderzoek naar subchronische toxiciteit (90 dagen) behoeft niet te worden

uitgevoerd:

  • indien er een betrouwbaar onderzoek naar toxiciteit op korte termijn (28 dagen) beschikbaar is waaruit blijkt dat er aan de hand van de criteria om de stof als R48 in te delen ernstige toxische effecten zijn, waarvoor de waargenomen NOAEL bij 28 dagen, met toepassing van een geschikte onzekerheidsfactor, kan worden geextrapoleerd tot de NOAEL bij 90 dagen voor dezelfde blootstellingsroute; of
  • indien er een betrouwbaar onderzoek naar chronische toxiciteit beschikbaar is, mits er gebruik is gemaakt van een geschikte soort en toedieningsweg; of
  • indien een stof onmiddellijk uiteenvalt en er voldoende gegevens over de splitsingsproducten beschikbaar zijn; of
  • als de stof niet reactief, onoplosbaar en niet inhaleerbaar is en er geen aanwijzingen voor absorptie en geen aanwijzingen voor toxiciteit bij een "limiettest" van 28 dagen zijn, met name indien een dergelijk patroon gepaard gaat met een beperkte blootstelling van de mens.

KOLOM 1

Verplichte standaardinformatie

8.6.2. Onderzoek naar subchronische toxiciteit

(90 dagen), een soort, knaagdieren, mannetjes en vrouwtjes, meest relevante toedieningsweg, gelet op de te verwachten route voor blootstelling van de mens.

L 396/348    |NL|    Publicatieblad van de Europese Unie    30.12.2006

KOLOM 2

Specifieke regels voor aanpassing van de voorschriften VAN KOLOM 1

De geschikte toedieningsweg dient op basis van de volgende overwegingen te worden

gekozen:

Een test met toediening via de huid is geschikt:

  • 1) 
    indien huidcontact tijdens de vervaardiging en/of gebruik van de stof te verwachten is; en
  • 2) 
    indien de fysisch-chemische eigenschappen wijzen op een significante absorptie via de huid; en
  • 3) 
    indien aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  • bij de test op acute dermale toxiciteit wordt bij lagere doses toxiciteit waargenomen dan bij de test op acute orale toxiciteit; of
  • bij een onderzoek naar huid- en/of oogirritatie worden systemische effecten of andere aanwijzingen voor absorptie waargenomen; of
  • in-vitro onderzoek wijst op een significante absorptie door de huid; of

bij structureel verwante stoffen wordt significante dermale toxiciteit of penetratie door de

huid waargenomen.

KOLOM 1

Verplichte standaardinformatie

 

30.12.2006    |NL|    Publicatieblad van de Europese Unie    L 396/349

KOLOM 2

Specifieke regels voor aanpassing van de voorschriften VAN KOLOM 1

Een test met inademing is geschikt:

  • indien blootstelling van de mens via inademing te verwachten valt, rekening

houdend met de dampspanning van de stof en/of de mogelijke blootstelling aan aerosollen, deeltjes of druppels met inhaleerbare afmetingen.

KOLOM 1

Verplichte standaardinformatie

 

L 396/350    |NL|    Publicatieblad van de Europese Unie    30.12.2006

KOLOM 2

Specifieke regels voor aanpassing van de voorschriften VAN KOLOM 1

Andere onderzoeken worden door de registrant voorgesteld of kunnen overeenkomstig

artikel 40 of 41 door het Agentschap verplicht worden gesteld:

  • indien er bij het onderzoek van 90 dagen geen NOAEL kan worden vastgesteld, tenzij de NOAEL niet kan worden vastgesteld omdat er geen sprake is van schadelijke toxische effecten; of
  • indien er sprake is van toxiciteit die bijzonder zorgwekkend is (bijvoorbeeld ernstige/hevige effecten); of
  • indien er aanwijzingen zijn voor een effect waarover onvoldoende gegevens beschikbaar zijn voor een toxicologische en/of risicokarakterisering. In dergelijke gevallen kan het ook raadzamer zijn specifiek toxicologisch onderzoek uit te voeren dat op het onderzoek van deze effecten (bijvoorbeeld immunotoxiciteit of neurotoxiciteit) is afgestemd; of
  • indien er specifieke zorg omtrent de blootstelling bestaat (bijvoorbeeld bij gebruik in consumentenproducten dat leidt tot blootstellingsniveaus die hoog zijn in vergelijking met de doses waarbij toxiciteit bij de mens te verwachten valt).

KOLOM 1

Verplichte standaardinformatie

 

30.12.2006    |NL|    Publicatieblad van de Europese Unie    L 396/353

 

30.12.2006    |NL|    Publicatieblad van de Europese Unie    L 396/355

KOLOM 2

Specifieke regels voor aanpassing van de voorschriften VAN KOLOM 1

9.2.1.3.    Het onderzoek behoeft niet te worden uitgevoerd:

  • indien de stof gemakkelijk biologisch afbreekbaar is; of
  • indien directe of indirecte blootstelling van de bodem onwaarschijnlijk is.

9.2.1.4.    Het onderzoek behoeft niet te worden uitgevoerd:

  • indien de stof gemakkelijk biologisch afbreekbaar is; of
  • indien directe en indirecte blootstelling van het sediment onwaarschijnlijk is.

9.2.3. Tenzij de stof gemakkelijk biologisch afbreekbaar is.

KOLOM 1

Verplichte standaardinformatie

9.2.1.3.    Bodem-simulatietest (voor stoffen met een sterk vermogen tot adsorptie in de bodem)

9.2.1.4.    Sediment-simulatietest (voor stoffen met een sterk vermogen tot adsorptie in sediment)

9.2.3. Bepaling van de afbraakproducten

  • 10. 
    DETECTIE- EN ANALYSEMETHODEN

Op verzoek dient een beschrijving van de analysemethoden te worden verstrekt voor de relevante compartimenten waarvoor onderzoek met behulp van de betrokken analysemethode is uitgevoerd. Indien de analysemethoden niet beschikbaar zijn, dient hiervoor een motivering te worden gegeven.

BIJLAGE X

STANDAARDINFORMATIE VOOR STOFFEN DIE IN HOEVEELHEDEN VAN 1000 TON OF MEER WORDEN VERVAARDIGD OF INGEVOERD1

De registrant moet, overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder e), een voorstel en een tijdschema indienen om te voldoen aan de informatievereisten van deze bijlage.

In kolom 1 van deze bijlage wordt de standaardinformatie vermeld die overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder e), verplicht is voor alle stoffen die in hoeveelheden van 1000 ton of meer worden vervaardigd of ingevoerd. De krachtens kolom 1 van deze bijlage verplichte informatie vormt derhalve een aanvulling op de krachtens kolom 1 van de bijlagen VII, VIII en IX verplichte informatie. Eventuele andere beschikbare relevante fysisch-chemische, toxicologische en ecotoxicologische informatie moet worden vermeld. In kolom 2 van deze bijlage worden specifieke regels vermeld voor de gevallen waarin de registrant mag voorstellen de verplichte standaard-informatie weg te laten, door andere informatie te vervangen, in een latere fase in te dienen of anderszins aan te passen. Indien wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder krachtens kolom 2 van deze bijlage aanpassing mag worden voorgesteld, dient de registrant in de desbetreffende rubrieken van het registratiedossier duidelijk te vermelden dat dit het geval is en welke de redenen voor elk voorstel tot aanpassing zijn.

Naast deze specifieke regels mag een registrant ook voorstellen de in kolom 1 van deze bijlage vermelde verplichte standaardinformatie aan te passen aan de hand van de in bijlage XI vermelde algemene regels. Ook in dat geval dient hij in de desbetreffende rubrieken van het registratiedossier duidelijk te vermelden welke de redenen zijn voor een eventueel besluit om aanpassingen van de standaardinformatie voor te stellen, waarbij hij naar de desbetreffende specifieke regel(s) van kolom 2 of van bijlage XI verwijst2.

Deze bijlage is van toepassing op producenten van voorwerpen die overeenkomstig artikel 7 moeten worden geregistreerd en op andere downstream gebruikers die krachtens deze naar behoefte aangepaste verordening tests moeten verrichten.

Opmerking: de voorwaarden waaronder een specifieke test niet vereist is en die niet in kolom 2 worden herhaald, zijn eveneens van toepassing.

Voordat er nieuwe testen worden uitgevoerd om de in deze bijlage vermelde eigenschappen te bepalen, moeten alle beschikbare in-vitro gegevens, in-vivo gegevens, historische gegevens betreffende de mens, gegevens van geldige (Q)SAR’s en gegevens van structureel verwante stoffen ("read-across"-aanpak) worden beoordeeld. In-vivo onderzoek met corrosieve stoffen in concentraties/dosisniveaus die corrosie veroorzaken, dienen te worden vermeden. Voor het onderzoek dienen naast deze bijlage de nadere richtsnoeren inzake teststrategieen te worden geraadpleegd.

Wanneer voor bepaalde eindpunten wordt voorgesteld informatie niet te verstrekken om andere dan de in kolom 2 van deze bijlage of in bijlage XI vermelde redenen, moet ook duidelijk worden vermeld dat dit het geval is en welke de redenen zijn.

30.12.2006    |NL|    Publicatieblad van de Europese Unie    L 396/361

 

L 396/364    |NL|    Publicatieblad van de Europese Unie    30.12.2006

KOLOM 2

Specifieke regels voor aanpassing van de voorschriften VAN KOLOM 1

  • indien de toxicologische activiteit van de stof gering is (bij geen van de beschikbare

testen aanwijzingen voor toxiciteit waargenomen), op grond van toxicokinetische

gegevens kan worden aangetoond dat er via de relevante blootstellingsroutes geen

systemische absorptie optreedt (bijvoorbeeld als de plasma/bloedconcentraties bij

gebruik van een gevoelige methode beneden de detectielimiet liggen en de stof en

metabolieten van de stof niet aanwezig zijn in urine, gal of uitademingslucht) en er geen significante blootstelling van de mens is.

Indien van de betrokken stof bekend is dat zij een schadelijk effect op de vruchtbaarheid

heeft en deze voldoet aan de criteria om in Repr Cat 1 of 2: R60 te worden ingedeeld en de

beschikbare gegevens geschikt zijn om een degelijk onderbouwde risicobeoordeling te

ondersteunen, is geen verder onderzoek naar de vruchtbaarheid nodig. Onderzoek naar de ontwikkelingstoxiciteit dient evenwel te worden overwogen.

Indien van de betrokken stof bekend is dat zij ontwikkelingstoxiciteit teweegbrengt en deze

voldoet aan de criteria om in Repr Cat 1 of 2: R61 te worden ingedeeld en de beschikbare

gegevens geschikt zijn om een degelijk onderbouwde risicobeoordeling te ondersteunen, is

geen verder onderzoek naar de ontwikkelingstoxiciteit nodig. Onderzoek naar de effecten op

de vruchtbaarheid dient evenwel te worden overwogen.

KOLOM 1

Verplichte standaardinformatie

   

30.12.2006    |NL|    Publicatieblad van de Europese Unie    L 396/365

KOLOM 2

Specifieke regels voor aanpassing van de voorschriften VAN KOLOM 1

   

KOLOM 1

Verplichte standaardinformatie

8.7.2. Onderzoek naar ontwikkelingstoxiciteit bij een soort

en de meest geschikte toedieningsweg, gelet op de te

verwachten route voor blootstelling van de mens

(OESO 414).

8.7.3. Onderzoek naar giftigheid voor de voortplanting met

twee generaties bij een soort, mannetjes en

vrouwtjes, en de meest geschikte toedieningsweg,

gelet op de te verwachten route voor blootstelling

van de mens, tenzij dit reeds als onderdeel van de

voorschriften van bijlage IX is uitgevoerd.

30.12.2006    |NL|    Publicatieblad van de Europese Unie    L 396/367

  • 10. 
    DETECTIE- EN ANALYSEMETHODEN

Op verzoek dient een beschrijving van de analysemethoden te worden verstrekt voor de relevante compartimenten waarvoor onderzoek met behulp van de betrokken analysemethode is uitgevoerd. Indien de analysemethoden niet beschikbaar zijn, dient hiervoor een motivering te worden gegeven.

BIJLAGE XI

ALGEMENE REGELS VOOR DE AANPASSING VAN DE STANDAARDTESTREGELING

VAN DE BIJLAGEN VII TOT EN MET X

De bijlagen VII tot en met X bevatten de informatievereisten voor alle stoffen die worden vervaardigd of ingevoerd in hoeveelheden van:

  • 1 ton of meer overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder a),
  • 10 ton of meer overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder c),
  • 100 ton of meer overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder d), en
  • 1000 ton of meer overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder e).

Naast de in kolom 2 van de bijlagen VII tot en met X vermelde specifieke regels mag een registrant de standaardtestregeling ook overeenkomstig de in punt 1 van deze bijlage vermelde algemene regels aanpassen. Bij de beoordeling van het dossier kan het Agentschap deze aanpassingen van de standaardtestregeling beoordelen.

  • 1. 
    ONDERZOEK LIJKT VANUIT WETENSCHAPPELIJK OOGPUNT NIET NODIG

1.1.    Gebruik van bestaande gegevens

1.1.1.    Gegevens over de fysisch-chemische eigenschappen die afkomstig zijn van experimenten die niet overeenkomstig de GLP of de in bijlage 13, lid 3, bedoelde testmethoden zijn uitgevoerd.

De gegevens worden beschouwd als gelijkwaardig aan gegevens die afkomstig zijn van de desbetreffende in bijlage 13, lid 3, bedoelde testmethoden, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • (1) 
    zij zijn geschikt voor de indeling en etikettering en/of de risicobeoordeling en
  • (2) 
    er wordt voldoende documentatie verstrekt om de geschiktheid van het onderzoek te kunnen beoordelen
  • (3) 
    de gegevens zijn geldig voor het onderzochte eindpunt en het onderzoek biedt aanvaardbare kwaliteitsgaranties.

1.1.2. Gegevens over de eigenschappen met betrekking tot de gezondheid van de mens en het milieu, die afkomstig zijn van experimenten die niet overeenkomstig de GLP of de in bijlage 13, lid 3, bedoelde testmethoden zijn uitgevoerd.

De gegevens worden beschouwd als gelijkwaardig aan gegevens die afkomstig zijn van de desbetreffende in bijlage 13, lid 3, bedoelde testmethoden, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • (1) 
    zij zijn geschikt voor de indeling en etikettering en/of de risicobeoordeling en
  • (2) 
    de sleutelparameters die bij de desbetreffende in bijlage 13, lid 3, bedoelde testmethoden moeten worden onderzocht, worden op afdoende en betrouwbare wijze bestreken,
  • (3) 
    indien de blootstellingsduur een relevante parameter is, is deze vergelijkbaar met of langer dan de blootstellingsduur bij de desbetreffende in artikel 13, lid 3, bedoelde testmethoden, en
  • (4) 
    er wordt voldoende en betrouwbare documentatie van het onderzoek verstrekt.

1.1.3. Historische gegevens over de mens

Er moet rekening worden gehouden met historische gegevens over de mens, bijvoorbeeld gegevens betreffende epidemiologisch onderzoek bij blootgestelde populaties, over de blootstelling bij ongevallen of tijdens de beroepsuitoefening, en betreffende klinisch onderzoek.

De weging van de gegevens voor een specifiek gezondheidseffect is onder andere afhankelijk van de aard van de analyse, de bestreken parameters en de omvang en specificiteit van de respons en derhalve de voorspelbaarheid van het effect. Criteria om te beoordelen in hoeverre de gegevens adequaat zijn, zijn bijvoorbeeld:

  • (1) 
    een correcte selectie en karakterisering van de blootgestelde groepen en de controlegroepen;
  • (2) 
    een afdoende karakterisering van de blootstelling;
  • (3) 
    een voldoende langdurige follow-up voor het optreden van ziekte;
  • (4) 
    een juiste methode voor de waarneming van een effect;
  • (5) 
    een correcte inachtneming van systematische fouten en storende factoren; en
  • (6) 
    een redelijke statistische betrouwbaarheid om de conclusie te motiveren.

In alle gevallen moet er voldoende en betrouwbare documentatie worden verstrekt.

1.2.    Bewijskracht

Op grond van informatie uit verschillende onafhankelijke bronnen kan er voldoende bewijskracht zijn om te veronderstellen/concluderen dat een stof al dan niet een bepaalde gevaarlijke eigenschap heeft, terwijl de informatie uit een bron alleen onvoldoende wordt geacht om deze veronderstelling te steunen.

Op grond van het gebruik van recent ontwikkelde testmethoden die nog niet onder de in artikel 13, lid 3, bedoelde testmethoden zijn opgenomen of van een internationale testmethode die door de Commissie of het Agentschap als gelijkwaardig wordt beschouwd, kan er voldoende bewijskracht zijn om te concluderen dat een stof al dan niet een bepaalde gevaarlijke eigenschap heeft.

Wanneer er voldoende bewijskracht beschikbaar is voor de aan- of afwezigheid van een bepaalde gevaarlijke eigenschap:

  • moet worden afgezien van verder onderzoek voor die eigenschap bij gewervelde dieren;
  • mag worden afgezien van verder onderzoek waarbij geen gewervelde dieren betrokken zijn.

In alle gevallen moet er voldoende en betrouwbare documentatie worden verstrekt.

1.3.    Kwalitatieve en kwantitatieve structuur-activiteitrelaties (QSAR)

De resultaten van geldige kwalitatieve of kwantitatieve structuur-activiteitrelatiemodellen ((Q)SAR’s) kunnen wijzen op de aan- of afwezigheid van een bepaalde gevaarlijke eigenschap.

De resultaten van (Q)SAR’s kunnen in plaats van een onderzoek worden gebruikt indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • de resultaten zijn afgeleid van een (Q)SAR-model waarvan de wetenschappelijke juistheid is aangetoond;
  • de stof valt binnen het toepassingsgebied van het (Q)SAR-model;
  • de resultaten zijn geschikt voor de indeling en etikettering en/of de risicobeoordeling; en
  • er wordt afdoende en betrouwbare documentatie van de toegepaste methode verstrekt.

Het Agentschap ontwikkelt en verstrekt in samenwerking met de Commissie, de lidstaten en belanghebbende partijen richtsnoeren voor de beoordeling of een (Q)SAR aan deze voorwaarden voldoet en geeft voorbeelden.

1.4. In-vitro methoden

De resultaten van geschikte in-vitro methoden kunnen wijzen op de aanwezigheid van een bepaalde gevaarlijke eigenschap of kunnen van belang zijn om inzicht in een mechanisme te verwerven, hetgeen belangrijk kan zijn voor de beoordeling. Met “geschikt” wordt in dit verband bedoeld dat zij voldoende ontwikkeld zijn volgens internationaal overeengekomen ontwikkelingscriteria voor onderzoek (bv. de European Centre for Validation of Alternative Testing Methods (ECVAM)-criteria voor de opname van een test in het prevalideringsproces). Afhankelijk van de mogelijke risico’s kan een directe bevestiging nodig zijn die meer onderzoek vereist dan in bijlagen VII of VIII voor de desbetreffende hoeveelheidsklasse worden vermeld, of een voorstel voor bevestiging dat meer onderzoek vereist dan in bijlagen IX of X voor de desbetreffende hoeveelheidsklasse worden vermeld.

Indien de resultaten van het gebruik van dergelijke in-vitro methoden niet op een bepaalde gevaarlijke eigenschap wijzen, dient de relevante test om het negatieve resultaat te bevestigen desalniettemin op het niveau van de desbetreffende hoeveelheidsklasse te worden uitgevoerd, tenzij de test overeenkomstig de bijlagen VII tot en met X of de overige regels in deze bijlage niet verplicht is

Van een dergelijke bevestiging mag worden afgezien indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • 1) 
    de resultaten zijn afgeleid van een in-vitro methode waarvan de wetenschappelijke juistheid is aangetoond door een valideringsonderzoek volgens internationaal overeengekomen valideringsbeginselen;
  • 2) 
    de resultaten zijn geschikt voor de indeling en etikettering en/of de risicobeoordeling; en
  • 3) 
    er wordt afdoende en betrouwbare documentatie van de toegepaste methode verstrekt.

1.5. Groepering van stoffen en "read-across"-aanpak

Stoffen waarvan te verwachten valt dat de fysisch-chemische, toxicologische en ecotoxicologische eigenschappen vergelijkbaar zijn of ten gevolge van een vergelijkbare structuur een regelmatig patroon volgen, kunnen als een groep of "categorie" stoffen worden beschouwd. Het groepsconcept kan alleen worden toegepast indien de fysisch-chemische eigenschappen, de effecten op de gezondheid van de mens en de milieueffecten of het uiteindelijk lot in het milieu uit de gegevens inzake een referentiestof binnen de groep door interpolatie naar andere stoffen van de groep kunnen worden voorspeld ("read-across"- aanpak). Daardoor behoeft niet elke stof voor elk eindpunt te worden getest. Na raadpleging van de desbetreffende belanghebbenden en andere betrokken partijen geeft het Agentschap leiding inzake technische en wetenschappelijk verantwoorde methodieken voor het tijdig samenbrengen van stoffen voor de uiterste termijn voor de eerste registratie van geleidelijk gei'ntegreerde stoffen.

De gelijkenis kan zijn gebaseerd op:

  • 1) 
    een gemeenschappelijke functionele groep,
  • 2) 
    gemeenschappelijke precursoren en/of de waarschijnlijkheid van gemeenschappelijke afbraakproducten via fysische en biologische processen die leiden tot structureel vergelijkbare chemische stoffen, of
  • 3) 
    een constant patroon in de verandering van de potentie van de eigenschappen bij het doorlopen van de categorie.

Indien het groepsconcept wordt toegepast, moeten de stoffen op deze basis worden ingedeeld en

geetiketteerd.

In alle gevallen:

  • moeten de resultaten geschikt zijn voor de indeling en etikettering en de risicobeoordeling,
  • moeten de sleutelparameters die bij de desbetreffende in bijlage 13, lid 3, bedoelde testmethoden zijn gebruikt, op afdoende en betrouwbare wijze worden bestreken,
  • moet, indien de blootstellingsduur een relevante parameter is, deze vergelijkbaar zijn met of langer zijn dan de blootstellingsduur bij de desbetreffende in artikel 13, lid 3, bedoelde testmethoden, en
  • moet er voldoende en betrouwbare documentatie van de toegepaste methode worden verstrekt.
  • 2. 
    TESTEN IS TECHNISCH NIET MOGELIJK

Testen voor een specifiek eindpunt mag achterwege worden gelaten wanneer het vanwege de eigenschappen van de stof technisch niet mogelijk is het onderzoek uit te voeren, bijvoorbeeld omdat zeer vluchtige, zeer reactieve of instabiele stoffen niet kunnen worden gebruikt, omdat menging van de stof met water brand- of ontploffingsgevaar kan veroorzaken of omdat de voor bepaalde onderzoeken vereiste radioactieve labeling van een stof onmogelijk is. De aanwijzingen in de richtsnoeren voor de in artikel 13, lid 3, bedoelde testmethoden, meer in het bijzonder ten aanzien van de technische beperkingen van een specifieke methode, dienen altijd in acht te worden genomen.

  • 3. 
    ONDERZOEK OP MAAT OP BASIS VAN DE BLOOTSTELLING AAN DE STOF

3.1    Onderzoek overeenkomstig paragrafen 8.6 en 8.7 van bijlage VIII, bijlage IX en bijlage X mogen op basis van de in het chemische veiligheidsrapport ontwikkelde blootstellingsscenario’s achterwege worden gelaten.

3.2    In alle gevallen moet er een adequate motivering en documentatie worden verstrekt. De motivering steunt op een beoordeling van de blootstelling overeenkomstig paragraaf 5 van bijlage I, en voldoet aan de overeenkomstig paragraaf 3.3 vastgestelde criteria, en de specifieke gebruiksomstandigheden moeten overeenkomstig de artikelen 31 of 32 via de toeleveringsketen van chemische stoffen worden medegedeeld.

3.3    De Commissie stelt uiterlijk op 1 december 2008 maatregelen vast om niet-wezenlijke elementen van deze verordening te wijzigen via aanvullingen overeenkomstig de procedure waarnaar wordt verwezen in artikel 133, lid 4 ten einde de criteria vast te stellen om te bepalen wat een adequate motivering in de zin van punt 3.2 is.

BIJLAGE XII

ALGEMENE REGELS VOOR DE BEOORDELING VAN STOFFEN EN DE OPSTELLING VAN CHEMISCHE VEILIGHEIDSRAPPORTEN DOOR DOWNSTREAMGEBRUIKERS

Inleiding

Deze bijlage beschrijft hoe downstream gebruikers moeten beoordelen en documenteren dat de risico's die voortvloeien uit de stoffen die ze gebruiken voldoende beheerst worden tijdens een gebruik dat niet vermeld is op het veiligheidsinformatieblad dat hen is verstrekt en hoe andere gebruikers verderop in de toeleveringsketen de risico's afdoende kunnen beheersen. De beoordeling moet de levenscyclus van de stof bestrijken, vanaf de ontvangst door de downstreamgebruiker voor diens eigen gebruik en voor de geidentificeerde gebruiken verderop in de toeleveringsketen. De beoordeling heeft betrekking op het gebruik van de stof als dusdanig, in een preparaat of in een voorwerp.

Bij de uitvoering van een chemische veiligheidsbeoordeling en de opstelling van het chemisch veiligheidsrapport, dienen downstream gebruikers rekening te houden met de informatie die zij van de leverancier van de chemische stof overeenkomstig artikel 31 en 32 van deze verordening hebben ontvangen. Wanneer overeenkomstig andere communautaire wetgeving uitgevoerde beoordelingen (bijvoorbeeld risicobeoordelingen die krachtens Verordening (EG) nr. 793/93 zijn uitgevoerd) beschikbaar en relevant zijn, dient hiermee rekening te worden gehouden in de chemische veiligheidsbeoordeling en dient dit tot uiting te komen in het chemische veiligheidsrapport. Wanneer van dergelijke beoordelingen wordt afgeweken, moet hier een motivering voor worden gegeven. Met beoordelingen die overeenkomstig andere international en nationale programma's zijn uitgevoerd, kan ook rekening worden gehouden.

De procedure die de downstream gebruiker bij de uitvoering van de chemische veiligheids-beoordeling en de opstelling van het chemische veiligheidsrapport volgt, omvat de volgende drie stappen.

Stap 1: Ontwikkeling van blootstellingsscenario's

De downstream gebruiker ontwikkelt overeenkomstig bijlage I, punt 5, blootstellingsscenario's voor de gebruiken die niet vermeld zijn in het veiligheidsinformatieblad dat hem is verstrekt.

Stap 2: Zo nodig een verfijning van de beoordeling van de gevaren door de leverancier

Indien de downstream gebruikers de beoordeling van de gevaren en de PBT-beoordeling in het veiligheidsinformatieblad geschikt acht, is geen verdere gevaren-, PBT- en zPzB-beoordeling meer nodig. In dat geval gebruikt hij de relevante gegevens van de informatie die de leverancier voor de karakterisering van het risico heeft verstrekt. Dit wordt vermeld in het chemisch veiligheidsrapport.

Indien de downstream gebruiker de beoordeling in het hem verstrekte veiligheidsinformatieblad niet geschikt acht, voert hij de naar zijn inzicht toepasselijke beoordeling uit overeenkomstig de punten 1 tot en met 4 van bijlage I.

Wanneer de downstream gebruiker van oordeel is dat voor de opstelling van zijn chemisch veiligheidsrapport meer informatie nodig is dan die welke de leverancier heeft verstrekt, dient de downstreamgebruiker die informatie te verzamelen. Indien deze informatie alleen kan worden verkregen door de uitvoering van proeven op gewervelde dieren, moet hij bij het Agentschap een voorstel voor een teststrategie indienen overeenkomstig artikel 38. Hij legt daarin uit waarom hij aanvullende informatie nodig acht. In afwachting van de resultaten van de aanvullende proeven registreert hij in zijn chemisch veiligheidsrapport welke risicobeheersmaatregelen hij toepast om het onderzochte risico te beheersen.

Na afloop van het aanvullende onderzoek past de downstream gebruiker waar nodig het chemisch veiligheidsrapport en het eventueel vereiste veiligheidsinformatieblad aan.

Stap 3: Karakterisering van het risico

Voor elk nieuw blootstellingsscenario wordt een karakterisering van het risico uitgevoerd overeenkomstig bijlage I, punt 6. De karakterisering van het risico wordt in de desbetreffende rubriek van het chemische veiligheidsrapport vermeld en wordt in de desbetreffende rubrieken van het veiligheidsinformatieblad samengevat.

Bij de opstelling van blootstellingsscenario’s zullen voorlopige veronderstellingen over de operationele omstandigheden en de risicobeheersmaatregelen moeten worden gemaakt. Indien de voorlopige veronderstellingen leiden tot een risicokarakterisering die wijst op een onvoldoende bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu, dient het proces te worden herhaald met een of meerdere gewijzigde factoren, totdat een voldoende beheersing kan worden aangetoond. Zulks kan aanvullende informatie over het gevaar of de blootstelling vereisen of een passende wijziging van het proces, de operationele omstandigheden of de risicobeheersmaatregelen. Daarom kan herhaling nodig zijn enerzijds bij de ontwikkeling en herziening van de (initiele) blootstellingsscenario’s, waarbij het gaat om de ontwikkeling en toepassing of aanbeveling van risicobeheersmaatregelen, en anderzijds vanwege de noodzaak om nadere informatie te genereren voor de definitieve blootstellingsscenario’s. Het genereren van nadere informatie is bedoeld om tot een exactere risicokarakterisering te komen, gebaseerd op een verfijning van de beoordeling van de gevaren of van de blootstelling.

De downstream gebruiker dient een chemisch veiligheidsrapport op te stellen waarin hij zijn chemische veiligheidsbeoordeling in detail uiteenzet door gebruikmaking van deel C, rubrieken 5 en 6, van de indeling als bedoeld in bijlage I, punt 7 en, zo nodig, van de overige rubrieken daarvan.

In deel A van het chemische veiligheidsrapport wordt een verklaring opgenomen dat de in de desbetreffende blootstellingsscenario's voor het eigen gebruik van de fabrikant of importeur vermelde risicobeheersmaatregelen door de fabrikant of importeur worden toegepast en dat de in de blootstellingsscenario's voor het geidentificeerde gebruik vermelde risicobeheersmaatregelen aan alle bekende gebruikers verderop in de toeleveringsketen worden meegedeeld.

BT.TLAGE XTTT

CRITERIA TER IDENTIFICATIE VAN PERSISTENTE, BIOACCUMULERENDE EN TOXISCHE STOFFEN EN ZEER PERSISTENTE EN STERK BIOACCUMULERENDE

STOFFEN

Deze bijlage bevat de criteria ter identificatie van:

  • i) 
    persistente, bioaccumulerende    en toxische stoffen (PBT-stoffen), en
  • ii) 
    zeer persistente en sterk bioaccumulerende stoffen (zPzB-stoffen).

Een stof wordt ingedeeld als PBT indien ze voldoet aan de criteria in 1.1, 1.2 en 1.3. Een stof wordt ingedeeld als zPzB indien ze voldoet aan de criteria in 2.1 en 2.2. Deze bijlage geldt niet voor anorganische stoffen, maar wel voor organometalen.

  • 1. 
    PBT-stoffen

Een stof die aan alle drie de onderstaande criteria voldoet, is een PBT-stof.

1.1.    Persistentie

Een stof voldoet aan het persistentiecriterium (P-) als:

  • de halfwaardetijd in zeewater langer is dan 60 dagen, of

de halfwaardetijd in zoetwater of estuaria langer is dan 40 dagen, of

  • de halfwaardetijd in marien sediment langer is dan 180 dagen, of
  • de halfwaardetijd in zoetwater- of sediment van estuaria langer is dan 120 dagen, of
  • de halfwaardetijd in de bodem langer is dan 120 dagen.

De persistentie in het milieu wordt bepaald op basis van de beschikbare halfwaardetijden die in de betreffende, door de registrant te beschrijven omstandigheden zijn opgetekend.

1.2.    B i oaccumul ati e

Een stof voldoet aan het bioaccumulatiecriterium (B-) als:

  • de bioconcentratiefactor (BCF) groter is dan 2 000.

De bioaccumulatie wordt bepaald op basis van meetgegevens over de bioconcentratie in aquatische soorten. Zowel mariene als zoetwatersoorten mogen worden gebruikt.

1.3.    Toxiciteit

Een stof voldoet aan het toxiciteitscriterium (T-) als:

  • de langetermijn-NOEC (no-observed-effect concentration, concentratie waarbij geen effect meer is waargenomen) voor mariene of zoetwaterorganismen lager is dan 0,01 mg/l, of
  • de stof als kankerverwekkend (categorie 1 of 2), mutageen (categorie 1 of 2) of giftig voor de voortplanting (categorie 1, 2 of 3) is ingedeeld, of
  • er andere aanwijzingen voor chronische toxiciteit zijn, zoals aangegeven door de indelingen T, R48 of Xn, R48 volgens Richtlijn 67/548/EEG.
  • 2. 
    zPzB-stoffen

Een stof die aan de onderstaande criteria voldoet, is een zPzB-stof.

2.1.    Persistentie

Een stof voldoet aan het criterium voor grote persistentie (vP-) als:

  • de halfwaardetijd in zeewater, zoetwater of estuaria langer is dan 60 dagen, of
  • de halfwaardetijd in marien, zoetwatersediment of in sediment van estuaria sediment langer is dan 180 dagen, of
  • de halfwaardetijd in de bodem langer is dan 180 dagen.

2.2.    Bioaccumulatie

Een stof voldoet aan het criterium voor sterke bioaccumulatie (vB-) als: de bioconcentratiefactor groter is dan 5 000.

 

30.12.2006    NL

Publicatieblad van de Europese Unie    L 3 96/385

 

BIJLAGE XIV

LIJST VAN AUTORISATIEPLICHTIGE STOFFEN

BIJLAGE XV

DOSSIERS

  • I. 
    INLEIDING EN ALGEMENE BEPALINGEN

Deze bijlage bevat de algemene beginselen voor het opstellen van dossiers met het oog op het voorstellen en motiveren van:

  • geharmoniseerde indelingen en etiketteringen van CMR's, voor de ademhalings-wegen sensibiliserende stoffen en andere stoffen;
  • de indeling van stoffen als PBT-, zPzB- of even zorgwekkende stoffen;
  • beperkingen op het vervaardigen, het in de handel brengen of het gebruik van een stof in de Gemeenschap.

De relevante onderdelen van bijlage I zullen worden gebruikt om het model en de methode te bepalen volgens welke de dossiers overeenkomstig deze bijlage moeten worden opgesteld.

Voor alle dossiers wordt eventuele relevante informatie uit de registratiedossiers in aanmerking genomen en kan andere beschikbare informatie eventueel worden gebruikt. Voor informatie over de gevaren die niet vooraf bij het Agentschap is ingediend, wordt in het dossier een uitgebreide onderzoekssamenvatting opgenomen.

II. INHOUD VAN DOSSIERS

  • 1. 
    Dossier voor de geharmoniseerde indelingen en etiketteringen van CMR's, ademhalingssensibiliserende stoffen en andere stoffen

Voorstel

Het voorstel zal de identificatie van de desbetreffende stof(fen) en de voorgestelde geharmoniseerde indeling en etikettering bevatten.

Motivering

Een vergelijking van de beschikbare informatie met de criteria van Richtlijn 67/548/EEG voor CMR's, ademhalingssensibiliserende stoffen en andere stoffen in het licht van de relevante onderdelen van bijlage I, paragraaf I, wordt vervolledigd en gedocumenteerd volgens het in deel B van het chemisch veiligheidsrapport in bijlage I beschreven model.

Motivering voor andere effecten op Gemeenschapsniveau

Motivering als men aanneemt dat er nood is aan actie op Gemeenschapsniveau.

  • 2. 
    Dossier voor de identificatie van stoffen als CMR, PBT-, zPzB- of even zorgwekkende stoffen overeenkomstig artikel 59.

Voorstel

Het voorstel zal de identificatie van de desbetreffende stof(fen) bevatten, alsook het voorstel de stof in te delen als CMR-stof overeenkomstig artikel 56, onder a), b) of c), PBT-stof overeenkomstig artikel 56, onder d), als zPzB-stof overeenkomstig artikel 56, onder e) of als een even zorgwekkende stof overeenkomstig artikel 56, onder f).

Motivering

De beschikbare gegevens zullen worden vergeleken met de criteria in bijlage XIII voor PBT-stoffen, overeenkomstig artikel 57, onder d), en voor zPzB-stoffen, overeenkomstig artikel 57, onder e), of er zal een beoordeling worden verricht van de gevaren, alsook een vergelijking met de criteria in artikel 57, onder f), overeenkomstig de relevante delen van bijlage I, paragrafen 1 tot en met 4. Deze gegevens worden gedocumenteerd volgens het model in deel B van het chemisch veiligheidsrapport in bijlage I.

Informatie over de blootstelling, alternatieve stoffen en risico's

De beschikbare informatie betreffende het gebruik en de informatie betreffende alternatieve stoffen en technieken zal worden verstrekt.

  • 3. 
    Dossiers voor voorstellen tot beperking Voorstel

Het voorstel bevat de identificatie van de stof en de voorgestelde beperking(en) op de vervaardiging, het in de handel brengen of het gebruik, alsook een samenvatting van de motivering.

Informatie over gevaren en risico's

De risico's die met de beperking moeten worden aangepakt, worden beschreven op basis van een gevaren- en risicobeoordeling overeenkomstig de relevante onderdelen van bijlage I en worden gedocumenteerd op basis van het model dat in deel B voor het chemisch veiligheidsrapport is beschreven.

Er zal worden aangetoond dat de toegepaste risicobeheersmaatregelen (inclusief die welke zijn vastgesteld in registraties als bedoeld in de artikelen 10 tot en met 14) niet volstaan.

Informatie over alternatieven

De beschikbare informatie over alternatieve stoffen en technieken wordt vermeld, waaronder:

  • informatie over de risico's voor de gezondheid van de mens en voor het milieu die verband houden met de vervaardiging of het gebruik van de alternatieven;
  • de beschikbaarheid, waaronder het tijdschema;

de technische en economische haalbaarheid.

Motivering van de beperkingen op het niveau van de Gemeenschap Een motivering wordt gegeven voor:

  • de maatregelen op Gemeenschapsniveau die nodig zijn;
  • het feit dat een beperking de meest geschikte maatregel op het niveau van de Gemeenschap is; dit zal op basis van de volgende criteria worden beoordeeld:
  • i) 
    doeltreffendheid: de maatregel moet gericht zijn op blootstellingseffecten die het vastgestelde risico veroorzaken en moeten die risico's binnen een redelijke termijn kunnen beperken tot een aanvaardbaar niveau dat in verhouding staat tot het risico;
  • ii) 
    werkbaarheid: de beperking moet uitvoerbaar, handhaafbaar en beheersbaar zijn;
  • iii) 
    controleerbaarheid: het resultaat van de uitvoering van de voorgestelde beperking moet kunnen worden nagegaan.

Sociaal-economische beoordeling

De sociaal-economisch gevolgen van de voorgestelde beperking kunnen onder verwijzing naar bijlage XVI worden geanalyseerd. Voor dat doel kunnen de netto-voordelen van de voorgestelde beperking voor de gezondheid van de mens worden vergeleken met de netto-kosten voor de fabrikanten, importeurs, downstreamgebruikers, distributeurs, consumenten en de samenleving als geheel.

Informatie over overleg met de belanghebbenden

Informatie over overleg met de belanghebbenden en de manier waarop rekening is gehouden met hun inzichten wordt in het dossier opgenomen.

BIJLAGE XVI

SOCIAAL-ECONOMISCHE ANALYSE

Deze bijlage beschrijft de informatie die aan bod kan komen in een sociaal-economische analyse (SEA) als bedoeld in artikel 62, lid 5, onder a), die ingediend wordt samen met een aanvraag voor autorisatie of in verband met een voorgestelde beperking als bedoeld in artikel 68, lid 6, onder b).

Het Agentschap stelt richtsnoeren op voor de opstelling van SEA's. SEA's, of bijdragen daartoe, worden ingediend in de overeenkomstig artikel 111 door het Agentschap gespecificeerde indeling.

De mate waarin de SEA ingaat op details en het toepassingsgebied van de SEA, of van de bijdragen daartoe, is een verantwoordelijkheid van de aanvrager voor autorisatie of, in het geval van een voorgestelde beperking, van de belanghebbende partij. In de verstrekte informatie kunnen de sociaal-economisch gevolgen op elk niveau aan bod komen.

Een SEA kan betrekking hebben op:

  • de gevolgen van het toekennen of het weigeren van een autorisatie voor de aanvragers, of,

in het geval van een voorgestelde beperking, voor het bedrijfsleven (bijvoorbeeld fabrikanten en importeurs). De gevolgen voor alle andere actoren in de toeleveringsketen, de downstream gebruikers en de gelieerde bedrijven, de commerciele gevolgen voor investeringen, onderzoek en ontwikkeling, innovatie, eenmalige en exploitatiekosten (naleving, overgangsregelingen, wijzigingen in bestaande processen, rapportage- en toezichtsystemen, installatie van nieuwe technologie, enz), rekening houdend met algemene trends op de markt en in de technologie;

de gevolgen van het toekennen of het weigeren van een autorisatie, of van een voorgestelde beperking, voor de consument. Voorbeelden zijn: productprijzen, wijzigingen van de samenstelling, kwaliteit of prestaties van een product, productaanbod, keuze voor de consument en gevolgen voor de gezondheid en het milieu, voor zover die voor de consument relevant zijn;

de sociale gevolgen van het toekennen of het weigeren van een autorisatie, of van een voorgestelde beperking. Bijvoorbeeld: werkzekerheid en werkgelegenheid;

beschikbaarheid, geschiktheid en technische haalbaarheid van alternatieve stoffen en/of technieken, en de economische gevolgen daarvan, informatie over het tempo van en de kans op technologische veranderingen in de betrokken sectoren. Voor een aanvraag voor autorisatie: de sociale en/of economische gevolgen van het gebruik van beschikbare alternatieven;

ruimere gevolgen voor de handel, het concurrentievermogen en de economische ontwikkeling (met name voor kleine en middelgrote ondernemingen en voor derde landen) door het toekennen of het weigeren van een autorisatie, of van een voorgestelde beperking. Hierbij kunnen plaatselijke, regionale, nationale of international aspecten worden bekeken;

voor een voorgestelde beperking, de voorstellen voor andere al dan niet regelgevende maatregelen waarmee het doel van de voorgestelde beperking zou kunnen worden bereikt (rekening houdend met de bestaande wetgeving). Dit houdt een beoordeling in van de doeltreffendheid en van de kosten van alternatieve risicobeheersmaatregelen;

voor een voorgestelde beperking of geweigerde autorisatie, de voordelen voor de gezondheid en het milieu en de sociale en economische baten van de voorgestelde beperking. Bijvoorbeeld: gezondheid van de werknemers, milieuprestaties en spreiding van deze voordelen, vanuit bijvoorbeeld geografisch oogpunt of per bevolkingsgroep;

in een SEA kunnen ook andere kwesties aan bod komen die aanvragers of belanghebbende partijen relevant vinden.

BIJLAGE XVII

BEPERKINGEN OP DE VERVAARDIGING, HET IN DE HANDEL BRENGEN EN HET GEBRUIK VAN BEPAALDE GEVAARLIJKE STOFFEN, PREPARATEN EN VOORWERPEN

 

Benaming van de stof of de groepen van

 

Beperkingsvoorwaarden

stoffen of van het preparaat

   
  • 1. 
    Polychloorterfenylen (PCT’s)
  • Preparaten, met inbegrip van

afgewerkte olien, die meer dan 0,005 gewichtspercent PCT bevatten

  • 1. 
    Mogen niet worden gebruikt. Het volgende gebruik van apparaten, installaties en media die op 30 juni 1986 in bedrijf waren, blijft echter toegestaan tot hun afdanking dan wel tot het einde van hun levensduur:
 

a)

elektrische apparaten in een afgesloten systeem: transformatoren, weerstanden en smoorspoelen;

 

b)

grote condensatoren (totaalgewicht > 1 kg);

 

c)

kleine condensatoren;

 

d)

warmtegeleidende media in warmteproducerende installaties in een gesloten systeem;

 

e)

hydraulische media voor ondergrondse uitrusting van mijnen.

 
  • 2. 
    De lidstaten mogen evenwel ter wille van de bescherming van de gezondheid en het milieu het gebruik van de apparaten, installaties en media als bedoeld in lid 1 voor hun afdanking dan wel voor het einde van hun levensduur verbieden.
  • 3. 
    Het op de tweedehandsmarkt brengen van de apparaten, installaties en media als bedoeld in lid 1 die niet voor afdanking zijn bestemd is verboden.
 
  • 4. 
    Indien de lidstaten het om technische redenen niet mogelijk achten vervangingsproducten te gebruiken, mogen zij het gebruik van PCT’s en preparaten daarvan toestaan voor zover zij bij normaal onderhoud van het materiaal uitsluitend bestemd zijn om het niveau van de PCT’s bevattende vloeistoffen aan te vullen in bestaande installaties in goede staat van werking die voor 1 oktober 1985 zijn gekocht.
 
  • 5. 
    De lidstaten mogen echter na voorafgaande met redenen omklede kennisgeving aan de Commissie afwijkingen toestaan van het verbod op het in de handel brengen en het gebruik van stoffen en preparaten die een grondstof of een tussenproduct zijn, voor zover zij van oordeel zijn dat deze afwijkingen geen gevaarlijke gevolgen voor de gezondheid en het milieu meebrengen.
 
  • 6. 
    Onverminderd de tenuitvoerlegging van andere communautaire voorschriften betreffende de etikettering van gevaarlijke stoffen en preparaten, moeten op de PCT’s bevattende apparaten en installaties ook aanwijzingen worden aangebracht voor de verwijdering van PCT’s en voor het onderhoud en het gebruik van de apparaten en installaties die deze stoffen bevatten. Deze aanwijzingen moeten horizontaal kunnen worden gelezen, wanneer het voorwerp dat PCT’s bevat op de gebruikelijke wijze is neergezet of bevestigd. Het opschrift moet duidelijk tegen de achtergrond uitkomen en moet zijn opgesteld in een op het grondgebied waar het wordt gebruikt begrijpelijke taal.
  • 2. 
    Chloor-1-ethyleen (vinylchloride

monomeer).

CAS-nr. 75-01-4

EINECS-nr. 200-831-0

Mag niet worden gebruikt als drijfgas in spuitbussen voor welk gebruik dan ook.

  • 3. 
    Vloeibare stoffen of preparaten die

als gevaarlijk worden beschouwd in de zin van de definities in Richtlijn 67/548/EEG van de Raad en in richtlijn 1999/45/EG van het

Europees Parlement en de Raad.

  • 1. 
    Mogen niet worden gebruikt:
  • in siervoorwerpen bestemd om licht-of kleureffecten te verkrijgen door verschillende fasen, bijvoorbeeld in sfeerlampen en asbakken,
  • in scherts- en fopartikelen,
  • in spelen voor een of meer personen of in alle voorwerpen die bestemd zijn om als zodanig te worden gebruikt, zelfs als deze fungeren als siervoorwerp.
 
  • 2. 
    Onverminderd lid 1 mogen stoffen en preparaten die:
  • gevaarlijk zijn bij inademing en met R65 worden gekenmerkt en
  • als brandstof in sierlampen kunnen worden gebruikt en
  • in een verpakking met een capaciteit van 15 liter of minder in de handel worden gebracht

geen kleurstof, tenzij dat om fiscale redenen vereist is, noch geurstof, noch beide bevatten.

  • 3. 
    Onverminderd de tenuitvoerlegging van andere communautaire voorschriften betreffende de indeling, verpakking en etikettering van gevaarlijke stoffen en preparaten moet op de verpakking van stoffen en preparaten als bedoeld in lid 2 en die ervoor bestemd zijn om in lampen te worden gebruikt, leesbaar en onuitwisbaar het volgende staan:

“Lampen die met deze vloeistof zijn gevuld buiten het bereik van kinderen houden”.

  • 4. 
    Tri-(2,3-dibroompropyl) fosfaat

CAS-nr. 126-72-7

Mag niet worden gebruikt in textielartikelen die bestemd zijn om in contact te komen met de huid, bijvoorbeeld kleding, onderkleding en linnengoed.

5.

Benzeen CAS-nr. 71-43-2 EINECS-nr. 200-753-785

  • 1. 
    Is niet toegelaten in speelgoed of onderdelen van speelgoed zoals die in de handel worden gebracht, indien de concentratie aan vrij benzeen groter is dan 5 mg/kg gewicht van het stuk speelgoed of onderdeel van het speelgoed.
  • 2. 
    Mag niet worden gebruikt in concentraties gelijk aan of hoger dan 0,1 gew. % in stoffen en preparaten die in de handel worden gebracht.
  • 3. 
    In afwijking hiervan is lid 2 niet van toepassing voor:
  • a) 
    brandstoffen die vallen onder Richtlijn 98/70/EG;
  • b) 
    stoffen en preparaten die bestemd zijn om te worden gebruikt in industriele procedes waarbij geen grotere benzeenemissie kan plaatsvinden dan is voorzien in de bestaande wetgeving;
  • c) 
    afvalstoffen die vallen onder Richtlijn 91/689/EEG van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen 1 en Richtlijn 2006/12/EG.
 
  • 6. 
    Asbestvezels
  • a) 
    Crocidoliet

CAS-nr. 12001-28-4

  • b) 
    Amosiet

CAS-nr. 12172-73-5

  • c) 
    Anthofyliet

CAS-nr. 77536-67-5

  • 1. 
    Het in de handel brengen en het gebruik van deze vezels en van voorwerpen waaraan deze vezels opzettelijk zijn toegevoegd, wordt verboden.
  • d) 
    Actinoliet

CAS-nr. 77536-66-4

  • e) 
    Tremoliet

CAS-nr. 77536-68-6

  • f) 
    Chrysotiel2

CAS-nr. 12001-29-5

CAS-nr. 132207-32-0

De lidstaten kunnen echter een uitzondering maken voor het in de handel brengen en het gebruik van membranen die chrysotiel (onder f) bevatten in bestaande elektrolyse-installaties, tot zij aan vervanging toe zijn of tot geschikte asbestsubstituten beschikbaar komen, naargelang van wat het eerst gebeurt. De Commissie zal deze uitzonderingsregeling voor 1 januari 2008 evalueren.

  • 2. 
    Het gebruik van voorwerpen die de in lid 1 genoemde asbestvezels bevatten, die reeds gei'nstalleerd en/of in bedrijf waren voor

1 januari 2005 blijft toegelaten, totdat deze worden verwijderd of aan vervanging toe zijn. De lidstaten mogen echter om redenen van gezondheidsbescherming het gebruik van dergelijke voorwerpen verbieden voordat deze worden verwijderd of aan vervanging toe zijn.

 

De lidstaten verlenen geen toestemming voor nieuwe toepassingen van chrysotiel op hun grondgebied.

 
  • 3. 
    Onverminderd de toepassing van andere communautaire bepalingen betreffende de indeling, verpakking en etikettering van gevaarlijke stoffen en preparaten, mag het in de handel brengen en het gebruik van voorwerpen die deze vezel bevatten slechts door de lidstaten worden toegestaan voor de bovengenoemde uitzonderingen indien deze voorwerpen zijn geetiketteerd overeen-komstig het bepaalde in aanhangsel 7 bij deze bijlage.
  • 7. 
    Tris-(aziridinyl)fosfmeoxide-

CAS-nr. 5455-55-1

Mogen niet worden gebruikt in textielartikelen die bestemd zijn om in contact te komen met de huid, bij voorbeeld kleding, onderkleding en linnengoed

  • 8. 
    Polybroombifenylen (PBB)

CAS-nr. 59536-65-1

  • 9. 
    Panama-poeder (Quillaja saponaria)

en de derivaten daarvan die saponine bevatten

Poeder van de Helleborus viridiswortel en de Helleborus niger-wortel

Poeder van de witte nieswortel (Veratrum album) en de zwarte nieswortel (Veratrum nigrum)

  • 1. 
    Mogen niet worden gebruikt in fop- en schertsartikelen of in voorwerpen die zijn bestemd om als zodanig te worden gebruikt, bij voorbeeld als bestanddeel van niespoeder en stinkbommen.
  • 2. 
    Lid 1 is echter niet van toepassing op stinkbommen die niet meer dan 1,5 ml vloeistof bevatten.

Benzidine en/of derivaten daarvan

 

CAS-nr. 92-87-5

 

EINECS-nr. 202-199-1

 

o-Nitrob enzal dehy de

 

CAS-nr. 552-89-6

 

Houtstof

 
  • 10. 
    Ammoniumsulfide
 

CAS-nr. 12135-76-1

 

Ammoniumdisulfide

 

CAS-nr. 12124-99-1

 

Ammoniumpolysulfide

 

CAS-nr. 9080-17-5

 

EINECS-nr. 232-989-1

 
  • 11. 
    Vluchtige esters van

broomazijnzuur:

 

Methylbroomacetaat

 

CAS-nr. 96-32-2

 

EINECS-nr. 202-499-2

 

Ethylbroomacetaat

 

CAS-nr. 105-36-2

 

EINECS-nr. 203-290-9

 

Propylbroomacetaat

 

CAS-nr. 35223-80-4

 

Butylbroomacetaat

 

12.

2-Naftylamine

  • 1. 
    Mogen niet worden gebruikt in concentraties gelijk aan of hoger dan 0,1 gew.
 

CAS-nr. 91-59-8

% in stoffen en preparaten die in de handel worden gebracht.

 

EINECS-nr. 202-080-4

 

en de zouten daarvan

In afwijking hiervan is deze bepaling niet van toepassing op afvalstoffen die een of meer

13.

Benzidine

CAS-nr. 92-87-5

van deze verbindingen bevatten en die vallen onder de Richtlijnen 91/689/EEG en 2006/12/EG.

 

EINECS-nr. 202-199-1

  • 2. 
    Deze stoffen en preparaten mogen niet aan het grote publiek worden verkocht.
 

en de zouten daarvan

  • 3. 
    Onverminderd de toepassing van andere

14.

4-Nitrobifenyl

communautaire bepalingen inzake de indeling, verpakking en het kenmerken van

 

CAS-nr. 92-93-3

gevaarlijke stoffen en preparaten moet op de verpakking van dergelijke preparaten de

 

EINECS-nr. 202-204-7

volgende tekst leesbaar en onuitwisbaar worden vermeld:

15.

4-Aminobifenyl, xenylamine

“Uitsluitend voor beroepsmatig gebruik”.

 

CAS-nr. 92-67-1

 
 

EINECS-nr. 202-177-1

 
 

en de zouten daarvan

 
  • 16. 
    Loodcarbonaten:
  • a) 
    neutraal loodcarbonaat PbCOCAS-nr. 598-63-0 EINECS-nr. 209-943-4
  • b) 
    trilood-bis(carbonaat)-dihydroxide 2PbCO3 Pb(OH)2

CAS-nr. 1319-46-6

EINECS-nr. 215-290-6

  • 17. 
    Loodsulfaten
  • a) 
    PbSO4 (1:1)

CAS-nr. 7446-14-2 EINECS-nr. 231-198-9

  • b) 
    Pbx SO4

CAS-nr. 15739-80-7 EINECS-nr. 239-831-0

Mogen niet worden gebruikt als verbindingen en bestanddelen van preparaten die bestemd zijn om als verven te worden gebruikt, behalve voor de restauratie en het onderhoud van kunstwerken alsmede van historische gebouwen en hun interieurs, indien lidstaten op hun grondgebied het gebruik ervan wensen toe te staan overeenkomstig de bepalingen van de IAO-conventie nr. 13 over het gebruik van loodwit en loodsulfaten in verven.


  • 1. 
    Mogen niet worden gebruikt als verbindingen en bestanddelen van preparaten die bestemd zijn om te worden gebruikt:
  • 18. 
    Kwikverbindingen
  • a) 
    ter voorkoming van de aangroeiing van micro-organismen, planten of dieren op:
  • scheepsrompen;
  • fuiken, drijvers, netten, alsmede alle overige apparatuur of uitrusting die bij de teelt van vissen en schaal-en schelpdieren wordt gebruikt;
  • alleapparatuurofuitrusting die zich geheel of gedeeltelijk onderwater bevindt;
  • b) 
    ter bescherming van hout;
  • c) 
    voor de impregnatie van zware industriele textielproducten en garens bestemd voor de fabricage daarvan;
  • d) 
    bij de behandeling van industrieel water, ongeacht het gebruik daarvan.
 
 
  • 2. 
    Het in de handel brengen van batterijen en accu’s die meer dan 0,0005 gewichtsprocent kwik bevatten, met begrip van die gevallen waarin deze batterijen en accu’s in apparaten zijn gei'ntegreerd, is verboden . Knoopcellen en uit knoopcellen samengestelde batterijen, die niet meer dan 2 gewichtspercenten kwik bevatten, zijn van dit verbod uitgezonderd.
  • 19. 
    Arseenverbindingen
  • 1. 
    Mogen niet worden gebruikt als verbindingen en bestanddelen van preparaten die bestemd zijn om te worden gebruikt:
 
  • a) 
    ter voorkoming van de aangroeiing

van micro-organismen, planten of dieren op:

  • scheepsrompen;
  • fuiken, drijvers, netten, alsmede alle overige apparatuur of uitrusting die bij de teelt van vissen en schaal-en schelpdieren wordt gebruikt;
  • alle apparatuur of uitrusting die zich geheel of gedeeltelijk onder water bevindt;
 
  • b) 
    voor de verduurzaming van hout.

Evenmin mag aldus behandeld hout in de handel worden gebracht;

 
  • c) 
    in afwijking hiervan:
 
  • i) 
    mogen de genoemde stoffen en

preparaten alleen worden gebruikt in industriele installaties die van vacuum- of druktechnologie gebruikmaken om hout te impregneren met oplossingen van anorganische verbindingen van koper, chroom en arseen (CCA), type

  • C. 
    Aldus behandeld hout mag niet in de handel worden gebracht voordat het verduurzamingsmiddel volledig is gefixeerd;
 
  • ii) 
    mag hout dat overeenkomstig punt i) in industriele installaties met CCA-oplossingen is behandeld en in de handel is gebracht, voor professionele en industriele toepassingen worden gebruikt, wanneer de structurele integriteit van het hout vereist is voor de veiligheid van mensen en van vee en het niet waarschijnlijk is dat mensen er gedurende de levensduur van dit hout mee in aanraking komen:
  • voor de utiliteitsbouw;
  • voor bruggen;
  • als constructiehout in zoetwatergebieden en in brak water, bv. voor aanlegsteigers en bruggen;
 
  • voor    geluidsbarrieres;
  • voor    lawineweringen;
  • voor    veiligheidshekken

en vangrails langs snelwegen;

  • als afrasteringspalen van rond naaldhout zonder bast, voor de veeteelt;
  • voor steunmuren;
  • voor telefoon- en elektriciteitspalen;
  • als ondergrondse dwarsliggers.

Onverminderd de toepassing van andere communautaire voorschriften inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen en preparaten, moet behandeld hout worden gekenmerkt met de tekst “Uitsluitend voor professionele en industriele toepassingen” Bovendien moet het in de handel gebrachte hout ook zijn voorzien van een label met de tekst “Draag handschoenen bij het omgaan met dit hout.

Draag een stofmasker bij het zagen of anderszins bewerken van dit hout. Afval van dit hout moet worden behandeld als gevaarlijk afval en worden afgegeven aan een erkend verwijderaar”.

  • iii) 
    Het onder i) en ii), bedoelde behandelde hout mag niet worden gebruikt:
  • voor de woningbouw, ongeacht het doel;
  • voor toepassingen waarbij gevaar van herhaald huidcontact bestaat;
  • in zee;
  • voor landbouw-

_doeleinden, m.u.v._

gebruik als afrasterings-palen voor de veelteelt of voor utiliteitsgebouwen, als bedoeld onder ii);

  • voor toepassingen

waarbij het behandelde hout in contact kan komen met tussenproducten of eindproducten die bestemd zijn voor menselijke of dierlijke consumptie.

  • 2. 
    Mogen niet worden gebruikt als stoffen en bestanddelen van preparaten die bestemd zijn om te worden gebruikt bij de behandeling van industrieel water, ongeacht het gebruik daarvan.
  • 1. 
    Mogen niet in de handel worden gebracht om te worden gebruikt als stoffen en bestanddelen van preparaten, wanneer zij fungeren als biocide in los gebonden aangroeiwerende verf.

Organische tinverbindingen

20.

  • 2. 
    Mogen niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stoffen en bestanddelen van preparaten die fungeren als biociden ter voorkoming van de aangroeiing van micro-organismen, planten of dieren op:
  • a) 
    alle vaartuigen, ongeacht hun lengte, bedoeld voor gebruik op volle zee, in kustgebieden, in estuaria, op binnenwateren of op meren;
  • b) 
    fuiken, drijvers, netten, alsmede alle overige apparatuur of uitrusting die bij de teelt van vissen en schaal- en schelpdieren wordt gebruikt;
  • c) 
    alle apparatuur of uitrusting die zich geheel of gedeeltelijk onder water bevindt.
  • 3. 
    Mogen niet worden gebruikt als stoffen en bestanddelen van preparaten die bestemd zijn om te worden gebruikt bij de behandeling van industrieel water.
  • 21. 
    Di-p-oxo-di-n-butylstanniohydroxy-boraan dibutyltinhydrogeenboraat C8H19BO3Sn (DBB)

CAS-nr. 75113-37-0

ELINCS-nr. 401-040-5

Wordt in concentraties van 0,1 % of meer niet toegelaten in verbindingen en bestanddelen van in de handel gebrachte preparaten. In afwijking daarvan is deze bepaling niet van toepassing op de verbindingen en de preparaten die deze stof (DBB) bevatten, wanneer deze uitsluitend worden verwerkt tot eindproducten waarin deze stof niet meer voorkomt in een concentratie van 0,1% of hoger.

  • 1. 
    Mogen niet worden gebruikt in concentraties van 0,1 massaprocent of meer in in de handel gebrachte stoffen en preparaten.
  • 2. 
    Overgangsbepalingen:
  • 22. 
    Pentachloorfenol (CAS-nr. 87-86-5) EINECS-nr. 201-778-6

en de zouten en esters daarvan

In afwijking daarvan kunnen Frankrijk, Ierland, Portugal, Spanje en het Verenigd

 
 

Koninkrijk er tot 31 december 2008 voor kiezen deze bepaling niet toe te passen op stoffen en preparaten die bestemd zijn om te worden gebruikt in industriele installaties waar geen uitstoot en/of lozing van pentachloorfenol (PCP) kan plaatsvinden in grotere hoeveelheden dan bij de bestaande wetgeving is voorgeschreven:

  • a) 
    voor het behandelen van hout.

Niettemin mag behandeld hout niet

worden gebruikt:

  • binnen gebouwen, al dan niet voor decoratieve doeleinden, ongeacht de bestemming ervan (wonen, werken, ontspanning);
  • voor vervaardiging en hernieuwde behandeling van:
  • i) 
    kweekbakken,
  • ii) 
    verpakkingen die in aanraking kunnen komen met voor menselijke en/of dierlijke voeding bestemde onbewerkte producten

tussenproducten en/of eindproducten,

  • iii) 
    andere materialen die verontreiniging van de bij i) en ii) vermelde producten kunnen veroorzaken;
 
  • b) 
    voor het impregneren van vezels en

van zware textiel die in elk geval niet zijn bestemd voor kleding of om voor decoratieve doeleinden in meubels gebruikt te worden;

  • c) 
    bij wijze van hoge uitzondering

kunnen de lidstaten gespecialiseerde vakmensen op hun grondgebied per geval toestemming geven om bij gebouwen van cultureel, artistiek of historisch belang of in noodsituaties

 

een behandeling toe te passen om door de droogrotschimmel (Serpula lacrymans) en de bruinrotschimmel aangetast hout of metselwerk ter plekke te herstellen.

 

In ieder geval:

 
  • a) 
    mag het totale gehalte aan

hexachloordibenzoparadioxine (HCDD) van het in het kader van deze afwijkingen als zodanig of als bestanddeel van preparaten gebruikte pentachloorfenol niet hoger zijn dan twee deeltjes per miljoen (ppm);

 
  • b) 
    mogen deze stoffen en preparaten:
 
  • slechts in de handel gebracht

worden in verpakkingen met een inhoud van minimaal 20 liter,

 
  • niet aan het grote publiek

worden verkocht.

 
  • 3. 
    Onverminderd de toepassing van andere communautaire bepalingen op het gebied van de indeling, de verpakking en de etikettering van gevaarlijke stoffen en preparaten dient op de verpakking van de stoffen en preparaten als bedoeld in de leden 1 en 2 duidelijk leesbaar en onuitwisbaar te zijn vermeld:

"Uitsluitend voor industrieel en beroepsmatig gebruik"

Deze bepaling is niet van toepassing op afvalstoffen die vallen onder de Richtlijnen 91/689/EEG en 2006/12/EG.

  • 23. 
    Cadmium

(CAS-nr. 7440-43-9)

EINECS-nr. 231-152-8

en cadmiumverbindingen

  • 1. 
    Mogen niet gebruikt worden om eindproducten te kleuren in de hiernagenoemde stoffen en bereidingen:
  • a) 
    -    polyvinylchloride (PVC)

3904 10 3904 21 3904 22

  • polytirethaan (PUR)

3909 50

  • polyethyleen met lage dichtheid met uitzondering van polyethyleen met lage dichtheid dat wordt gebruikt voor de vervaardiging van gekleurde basispolymeren 3901 10
  • celluloseacetaat (CA)

3912 11 3912 12

  • celluloseacetobutyraat (CAB) 3912 11 3912 12
  • epoxyharsen 3907 30
  • melamineformal-dehydeharsen (MF)

3909 20

3

 
  • ureumformaldehydeharsen (UF) 3909 10
  • onverzadigde polyesters (UP) 3907 91
  • polyethyleentereftalaat (PET) 3907 60
  • polybutyleentereftalaat (PBT)
  • kristallijn/standaard polystyreen 3903 11

3903 19

  • acrylonitril methylmethacrylaat (AMMA)
  • verknoopt polyethyleen (VPE)
  • slag/schokvast polystyreen
  • polypropyleen (PP)

390210

  • b) 
    verf 3208 3209

3

 

Indien de verf een hoog zinkgehalte heeft, moet de restconcentratie van cadmium echter zo laag mogelijk zijn en in ieder geval niet hoger zijn dan 0,1 massaprocent.

Ongeacht gebruik of eindbestemming is het in alle gevallen verboden eindproducten of componenten van voorwerpen die zijn vervaardigd uit de hierboven weergegeven met cadmium gekleurde stoffen en preparaten in de handel te brengen indien het cadmiumgehalte (uitgedrukt in Cd metaal) hoger is dan

0,01 massaprocent van de kunststof.

 
  • 2. 
    Het bepaalde in lid 1 is evenwel niet van toepassing op voorwerpen die om veiligheidsredenen dienen te worden gekleurd.
  • 3. 
    Mogen niet worden gebruikt als stabilisator in de hierna genoemde eindproducten die uit polyvinylchloride en copolymeren daarvan zijn vervaardigd:
 
  • verpakkingsmateriaal (zakken, containers, flessen, deksels)

3923 29 10 3920 41 3920 42

  • kantoor- en schoolbenodigdheden 3926 10
  • bekleding voor meubelen, carrosserieen en dergelijke

3926 30

  • kleding en kledingaccessoires (met inbegrip van handschoenen) 3926 20
  • bekleding van vloeren en muren 3918 10
  • weefsels, gei'mpregneerd, bekleed, bedekt of met inlagen 5903 10
  • synthetisch leder 4202
  • grammofoonplaten 8524 10
  • buizen en verbindingsstukken 3917 23
  • klapdeuren (“saloon”-deuren)
  • voertuigen voor wegtransport (inwendig, uitwendig en carrosseriebodem)
  • bekleding van in de bouw of in de industrie gebruikte staalplaat
  • isolatie van elektriciteitskabels

3

 

Ongeacht gebruik of eindbestemming is het in alle gevallen verboden de hierboven genoemde eindproducten of componenten van voorwerpen die uit polyvinylchloride en copolymeren daarvan zijn vervaardigd in de handel te brengen indien zij zijn gestabiliseerd met cadmiumhoudende stoffen en hun cadmiumgehalte (uitgedrukt in Cd metaal) hoger is dan 0,01 massaprocent van het polymeer.

  • 4. 
    Het bepaalde in lid 3 is echter niet van toepassing op eindproducten waarin om veiligheidsredenen stabilisatoren op basis van cadmium worden gebruikt.
  • 5. 
    In de zin van deze verordening wordt onder “oppervlaktebehandeling met cadmium” (cadmeren) verstaan het aanbrengen van lagen of bekledingen van metallisch cadmium op een metaaloppervlak.

Mogen niet worden gebruikt voor het cadmeren van metalen voorwerpen of onderdelen van voorwerpen die in de hierna genoemde sectoren/toepassingen worden gebruikt:

 
  • a) 
    apparatuur en machines voor
 
  • devoedingsindustrie8210 8417 20 8419 81 8421 11

8421 22 8422 8435 8437 8438 8476 11

  • de landbouw 8419 31

8424 81 8432 8433 8434

8436

  • koelen en invriezen 8418
  • drukkerijen en de pers

8440 8442 8443

3

 
  • b) 
    apparatuur en machines voor de

fabricage van

 
  • huishoudapparaten7321 8421 12 8450 8509 8516
  • meubilair 8465 8466 9401 9402 9403 9404
  • sanitaire installaties 7324
  • centrale verwarming en klimaatregeling 7322 8403 8404 8415

3

 

Ongeacht gebruik of eindbestemming is het in alle gevallen verboden met cadmium behandelde voorwerpen of met cadmium behandelde componenten van die voorwerpen die in de hierboven onder de punten a) en b) genoemde sectoren/ toepassingen worden gebruikt evenals de voorwerpen die in de onder punt b) genoemde sectoren worden vervaardigd in de handel te brengen.

  • 6. 
    Onder het bepaalde in lid 5 vallen eveneens de voorwerpen of componenten van die voorwerpen die in de hierna onder de punten a) en b) genoemde sectoren/ toepassingen worden gebruikt evenals de voorwerpen die in de hierna onder b) genoemde sectoren worden vervaardigd:
 
  • a) 
    apparatuur en machines voor de

fabricage van

 
  • papierenkarton8419 32 8439 8441
  • textiel en kleding 8444

8445 8447 8448 8449

8451 8452

3

 
  • b) 
    apparatuur en machines voor de

fabricage van

 
  • verladingsmaterieel 8425 8426 8427 8428 8429

8430 8431

  • weg- en landbouwvoer-tuigen hoofdstuk 87
  • treinen hoofdstuk 86
  • schepen hoofdstuk 89

3

 
  • 7. 
    De beperkingen in de leden 5 en 6 zijn echter niet van toepassing op:
  • voorwerpen en componenten van voorwerpen die worden gebruikt in lucht- en ruimtevaart, mijnbouw, “offshore” en de nucleaire sector waarbij van de toepassingen een hoog veiligheidsniveau wordt geeist, en tevens op veiligheids-voorzieningen in weg- en landbouwvoertuigen, treinen en schepen;
  • elektrische contacten, ongeacht de sector waarin zij worden toegepast, met het oog op de betrouwbaarheid van de toestellen waarin zij worden gei'nstalleerd.

In verband met de ontwikkeling van kennis en techniek op het gebied van vervangingsmiddelen die minder gevaarlijk zijn dan cadmium en cadmiumverbindingen, zal de Commissie in overleg met de lidstaten met regelmatige tussenpozen de situatie beoordelen overeenkomstig de procedure van artikel 133, lid 3, van deze verordening.

 
  • 24. 
    Monomethyl-

tetrachloordifenylmethaan

Handelsnaam: Ugilec 141

CAS-nr. 76253-60-6

  • 1. 
    Het in de handel brengen en het gebruik van deze stof en van preparaten en voorwerpen die deze stof bevatten, is verboden.
  • 2. 
    Bij wijze van uitzondering is lid 1 niet van toepassing op:
  • a) 
    installaties en apparatuur die op 18 juni 1994 reeds in dienst waren genomen, tot de afdanking van deze installaties en apparatuur.

De lidstaten mogen evenwel ter wille van de gezondheid en het milieu het gebruik op hun grondgebied van deze installaties of apparatuur voor hun afdanking verbieden;

  • b) 
    het onderhoud van installaties en apparatuur die op 18 juni 1994 reeds in een lidstaat in dienst waren genomen.
  • 3. 
    Het op de tweedehandsmarkt brengen van deze stof, preparaten die deze stof bevatten en installaties/apparatuur die deze stof bevatten, is verboden.
  • 25. 
    Monomethyl-

dichloordifenylmethaan

Handelsnaam: Ugilec 121, Ugilec 21

CAS-nr.: onbekend

Het in de handel brengen en het gebruik van deze stof en van preparaten en voorwerpen die deze stof bevatten, worden verboden.

  • 26. 
    Monomethyl

dibroomdifenylmethaan broombenzylbroomtolueen, mengsel van isomeren

Het in de handel brengen en het gebruik van deze stof en van preparaten en voorwerpen die deze stof bevatten, worden verboden.

Handel snaam: DBBT

 

CAS-nr.: 99688-47-8

 
  • 27. 
    Nikkel
  • 1. 
    Mogen niet worden gebruikt:

CAS-nr. 7440-02-0

  • a) 
    in alle staafjes die in gaatjes in de

oren en in andere delen van het

EINECS-nr. 231-111-4

menselijk lichaam worden geplaatst,

en de verbindingen daarvan

tenzij de hoeveelheid nikkel die uit dergelijke staafjes vrijkomt, niet groter is dan 0,2 p,g/cm2/week (migratielimiet);

  • b) 
    in voorwerpen bestemd om in direct

en langdurig contact met de huid te komen, zoals de volgende:

  • oorbellen,
  • halskettingen, armbanden en kettingen, enkelringen en vingerringen,
  • armbandhorlogekasten, horlogebanden en -sluitingen,
  • drukknopen, sluitingen, klinknagels, ritssluitingen en metalen merktekens, wanneer deze in kleding worden gebruikt,
  • indien de hoeveelheid nikkel die vrijkomt uit delen van deze voorwerpen die in direct en langdurig contact met de huid komen, groter is dan

0,5 pg/cm2/week;

 
  • c) 
    in voorwerpen zoals de in punt b),

genoemde, wanneer deze een niet-nikkelen coating hebben, tenzij deze coating voldoende is om ervoor te zorgen dat de hoeveelheid nikkel die vrijkomt uit de delen van dergelijke voorwerpen welke in direct en langdurig contact met de huid komen, niet groter is dan

0,5 pg/cm2/week gedurende een periode van ten minste twee jaar van normaal gebruik van het voorwerp .

  • 2. 
    Voorwerpen die onder lid 1 vallen, mogen niet in de handel worden gebracht tenzij zij voldoen aan de in deze punten genoemde voorschriften.
 
  • 3. 
    De door het Europees Comite voor normalisatie (CEN) vastgestelde normen worden gebruikt als testmethoden om aan te tonen dat voorwerpen aan de leden 1 en 2 voldoen.
  • 28. 
    Stoffen van bijlage I bij Richtlijn

67/548/EEG die zijn ingedeeld als “kankerverwekkende stof van categorie 1 of kankerverwekkende stof van categorie 2” en die ten minste als “giftig (T)” zijn gekenmerkt met waarschuwingszin

R 45: “Kan kanker veroorzaken”, of met waarschuwingszin R 49: “Kan kanker veroorzaken bij inademing”, met de volgende vermeldingen:

Kankerverwekkende stof van categorie 1: vermeld in aanhangsel 1;

Onverminderd de andere delen van deze bijlage, is het volgende op de punten 28 tot en met 30 van toepassing:

  • 1. 
    Mogen niet worden gebruikt in stoffen en preparaten die met het oog op verkoop aan het grote publiek in de handel worden gebracht, in afzonderlijke concentraties gelijk aan of groter dan:
  • hetzij de in bijlage I bij Richtlijn

67/548/EEG van de Raad vastgestelde desbetreffende concentratiegrens,

Kankerverwekkende stof van categorie 2: vermeld in aanhangsel 2.

  • 29. 
    Stoffen van bijlage I bij Richtlijn

67/548/EEG die zijn ingedeeld als “mutagene stof van categorie 1 of mutagene stof van categorie 2” en die zijn gekenmerkt met waarschuwingszin R 46: “Kan erfelijke genetische schade veroorzaken”, met de volgende vermeldingen:

Mutagene stof van categorie 1: vermeld in aanhangsel 3;

Mutagene stof van categorie 2: vermeld in aanhangsel 4 .

  • hetzij de in Richtlijn 1999/45/EG

vastgestelde desbetreffende concentratiegrens.

Onverminderd de toepassing van andere communautaire voorschriften inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen en preparaten, dient op de verpakking van dergelijke stoffen en preparaten op leesbare en onuitwisbare wijze de volgende vermelding te worden aangebracht:

"Uitsluitend bestemd voor gebruik door professionele gebruikers".

  • 30. 
    Stoffen van bijlage I bij Richtlijn

67/548/EEG die zijn ingedeeld als “voor de voortplanting giftige stoffen van categorie 1 of voor de voortplanting giftige stoffen van categorie 2” en die zijn gekenmerkt met waarschuwingszin R 60: “Kan de vruchtbaarheid schaden”en/of met waarschuwingszin R 61: “Kan het ongeboren kind schaden”, met de volgende vermeldingen:

Voor de voortplanting giftige stoffen van categorie 1: vermeld in aanhangsel 5;

Voor de voortplanting giftige stoffen van categorie 2: vermeld in aanhangsel 6.

  • 2. 
    Bij wijze van uitzondering is lid 1 niet van

toepassing op :

  • a) 
    geneesmiddelen voor menselijk of diergeneeskundig gebruik in de zin van Richtlijn 2001/82/EG en

Richtlijn 2001/83/EG;

  • b) 
    cosmetische producten in de zin van Richtlijn 76/768/EEG van de Raad;
  • c) 
    -    brandstoffen als bedoeld in

Richtlijn 98/70/EG ,

  • derivaten van minerale olien, bestemd voor gebruik als brandstof in mobiele of vaste verbrandingsinstallaties,
  • brandstoffen die in een gesloten systeem worden verkocht (bijvoorbeeld flessen vloeibaar gas);
  • d) 
    kleurstoffen voor kunstenaars die onder Richtlijn 1999/45/EG vallen.

31.

a)

Creosoot; Benzol-wasolie

  • 1. 
    Mogen niet worden gebruikt als stoffen of in preparaten voor de behandeling van hout.
   

CAS-nr. 8001-58-9

Evenmin mag met deze stoffen behandeld hout in de handel worden gebracht.

   

EINECS-nr. 232-287-5

  • 2. 
    In afwijking hiervan:
 

b)

Creosootolie; Benzol-wasolie

   

CAS-nr. 61789-28-4

  • a) 
    mogen de genoemde stoffen en
   

preparaten worden gebruikt voor de behandeling van hout in industriele installaties of door professionele

EINECS-nr. 263-047-8

 

c)

Destillaten (koolteer), naftaleenolien; naftaleenolie

gebruikers op wie de wetgeving van de Gemeenschap inzake de bescherming van werknemers van

   

CAS-nr. 84650-04-4

toepassing is, maar alleen voor herbehandeling in situ, indien zij

   

EINECS-nr. 283-484-8

  • i) 
    benz-a-pyreen in een
     

concentratie van minder dan 0,005 % in massa, en

     
  • ii) 
    met water extraheerbare

fenolen in een concentratie van minder dan 3 % in massa bevatten.

     

Deze stoffen en preparaten die voor de behandeling van hout in industriele installaties of door professionele gebruikers worden gebruikt,

d)

Creosootolie,

 
  • mogen uitsluitend in
 

acenafteenfractie; Benzol-

 

verpakkingen van 20 liter of

 

wasolie

 

meer in de handel worden gebracht;

 

CAS-nr. 90640-84-9

 
  • mogen niet aan consumenten
 

EINECS-nr. 292-605-3

 

worden verkocht.

e)

Destillaten (koolteer),

 

Onverminderd de toepassing van

 

bovenste; zware

 

andere communautaire voorschriften

 

anthraceenolie

 

inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke

 

CAS-nr. 65996-91-0

EINECS-nr. 266-026-1

 

stoffen en preparaten, dient op de verpakking van dergelijke stoffen en preparaten op leesbare en onuitwisbare wijze de volgende vermelding te worden aangebracht:

f)

Antraceenolie

 

"Uitsluitend bestemd voor gebruik in industriele installaties of voor

 

CAS-nr. 90640-80-5

 

behandeling door professionele gebruikers";

g)

EINECS-nr. 292-602-7

Teerzuren, kool, ruw; ruwe

b)

mag hout dat overeenkomstig punt a) in industriele installaties of door professionele gebruikers is behandeld en dat voor de eerste keer

 

fenolen

 

in de handel wordt gebracht of in situ wordt herbehandeld, uitsluitend

 

CAS-nr. 65996-85-2

EINECS-nr. 266-019-3

 

door professionele gebruikers en in industriele toepassingen worden gebruikt, bijvoorbeeld voor

h)

Creosoot, hout

 

spoorwegen, bij de transmissie van elektriciteit en telecommunicatie,

 

CAS-nr. 8021-39-4

 

voor omheiningen, voor agrarische doeleinden (bv. palen ter

 

EINECS-nr. 232-419-1

 

ondersteuning van bomen) en in haveninstallaties en waterwegen;

   

c)

is het verbod van lid 1 niet van

     

toepassing op het in de handel brengen van hout dat voor

31 december 2002 met de in punt 31, onder a) tot en met i), vermelde stoffen is behandeld, indien dit hout als tweedehands product voor hergebruik in de handel wordt gebracht.

  • i) 
    Lagetemperatuurkool-teerolie, alkalische; extractieresiduen (kool), lage-temperatuur-koolteer-alkalische

CAS-nr. 122384-78-5

EINECS-nr. 310-191-5

  • 3. 
    Het in lid 2, onder b) en c), bedoelde hout

mag echter niet worden gebruikt:

  • binnen gebouwen,    ongeacht de

bestemming ervan;

  • in speelgoed;
  • op speelplaatsen;
  • in parken, tuinen,    en andere

voorzieningen voor recreatie en vrijetijdsbesteding buitenshuis, indien het gevaar bestaat dat dit hout regelmatig met de huid in aanraking komt;

 
  • voor de vervaardiging van tuinmeubilair, zoals picknicktafels;
  • voor de vervaardiging, het gebruik

en de hernieuwde behandeling    van:

  • kweekbakken;
  • verpakkingen die in aanraking kunnen komen met voor menselijke en/of dierlijke voeding bestemde onbewerkte producten tussenproducten of eindproducten;
  • ander materiaal dat de

hierboven genoemde voorwerpen kan verontreinigen.

32.

33.

Chloroform

CAS-nr. 67-66-3 EINECS-nr. 200-663-8

Koolstoftetrachloride -tetrachloormethaan

CAS-nr. 56-23-5

  • 1. 
    Mogen niet worden gebruikt in concentraties van 0,1 % in massa of meer in stoffen en preparaten die in de handel worden gebracht voor verkoop aan het grote publiek en/of voor toepassingen waarbij de betrokken stoffen vervluchtigen, zoals oppervlaktereiniging en het reinigen van textiel.

34.

EINECS-nr. 200-262-8 1,1,2-Trichloorethaan CAS-nr. 79-00-5 EINECS-nr. 201-166-9 CAS-nr. 79-00-5

EINECS-nr. 201-166-9

  • 2. 
    Onverminderd de toepassing van andere communautaire voorschriften inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen en preparaten, dient op de verpakking van dergelijke stoffen en preparaten die deze in concentraties van 0,1 % in massa of meer bevatten, op leesbare en onuitwisbare wijze de volgende vermelding te worden aangebracht:

"Uitsluitend bestemd voor gebruik in industriele installaties".

Bij wijze van uitzondering geldt dit voorschrift niet voor:

 

35.

1,1,2,2-Tetrachloorethaan

a)

geneesmiddelen voor menselijk of diergeneeskundig gebruik in de zin

 

CAS-nr. 79-34-5

 

van Richtlijn 2001/82/EG en

Richtlijn 2001/83/EG ;

 

EINECS-nr. 201-197-8

 
   

b)

cosmetische producten in de zin van

36.

1,1,1,2-T etrachloorethaan

Richtlijn 76/768/EEG .

 

CAS-nr. 630-20-6

   

37.

Pentachloorethaan

   
 

CAS-nr. 76-01-7 EINECS-nr. 200-925-1

   

38.

1,1 -Dichlooretheen

   
 

CAS-nr. 75-35-4

   
 

EINECS-nr. 200-864-0

   

39.

1,1,1 -Trichloorethaan, methyl chl oroform

   
 

CAS-nr. 71-55-6

   
 

EINECS-nr. 200-756-3

   
  • 40. 
    Stoffen die aan de ontvlam-baarheidscriteria van Richtlijn 67/548/EEG voldoen en in de categorieen ontvlambaar, licht ontvlambaar of zeer licht ontvlambaar zijn ingedeeld, ongeacht of zij al dan niet in bijlage I bij die richtlijn zijn opgenomen.
  • 1. 
    Mogen niet als zodanig of in de vorm van preparaten worden gebruikt in aerosols die in de handel worden gebracht voor het grote publiek voor amusements- of decoratiedoeleinden , zoals daar zijn:
  • metaalglitter (hoofdzakelijk als

feestartikel);

kunstsneeuw en -rijp (decoratieartikel);

"scheetkussens" (fopartikel);


 
  • "silly string" (schertsartikel);
  • nepdrollen (fopartikel);
  • feesttoeters (amusementsartikel);
  • oplossende vlokken en schuim (decoratieartikel);
  • imitatiespinnewebben (fopartikel);
  • stinkbommen (schertsartikel);
  • enz.
  • 2. 
    Onverminderd de toepassing van andere communautaire bepalingen inzake indeling, verpakking en etikettering van gevaarlijke stoffen, moet op de verpakking van de hierboven bedoelde aerosols de volgende, goed leesbare en onuitwisbare vermelding worden aangebracht:

"Uitsluitend bestemd voor professionele gebruikers".

  • 3. 
    Bij wijze van uitzondering gelden de bepalingen van de leden 1 en 2 niet voor aerosols als bedoeld in artikel 9 bis van Richtlijn 75/324/EEG van 20 mei 1975 inzake onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende aerosols.
  • 4. 
    De in de leden 1 en 2 bedoelde voorwerpen mogen niet in de handel worden gebracht, tenzij zij voldoen aan de in die leden genoemde voorschriften.
  • 41. 
    Hexachl oorethaan

Mag niet worden gebruikt bij de fabricage of

CAS-nr. 67-72-1

bewerking van non-ferrometalen.

EINECS-nr. 200-6664

 
  • 42. 
    Alkanen, C10-C13, chloor

(gechloreerde paraffines met een korte keten) (SCCP)

EINECS-nr. 287-476-5

  • 1. 
    Mogen niet in de handel worden gebracht om in een hogere concentratie dan 1% te worden gebruikt als stof of als bestanddeel van andere stoffen of preparaten
  • bij metaalbewerking;
  • voor het "vetten" van leer.
  • 43. 
    Azokleurstoffen
  • 1. 
    Azokleurstoffen die door reductieve splitsing van een of meer azogroepen een of meer van de in aanhangsel 8 opgesomde amines kunnen afgeven in aantoonbare concentraties, d.w.z. concentraties hoger dan

30 ppm in het eindproduct of in de geverfde onderdelen daarvan, als bepaald volgens de in Bijlage 10 opgesomde beproevingsmethodes, mogen niet worden gebruikt in textiel- en lederproducten die langdurig rechtstreeks in aanraking kunnen komen met de menselijke huid of mondholte, zoals:

  • kleding, beddengoed, handdoeken, haarstukjes, pruiken, hoeden, luiers en andere toiletartikelen, slaapzakken;
  • schoeisel, handschoenen, horlogebandjes, handtassen, portemonnees en portefeuilles, aktetassen, stoelbekleding, nektasjes;
  • speelgoed van textiel of leder en speelgoed met kledingstukken van textiel of leder;
  • garen en weefsels bestemd voor de eindgebruiker.
  • 2. 
    Voorts mogen de in lid 1 bedoelde textiel-en lederproducten enkel in de handel worden gebracht indien zij aan de in dat lid omschreven eisen voldoen.
 
  • 3. 
    Azokleurstoffen, die zijn opgenomen in aanhangsel 9, “Lijst van azokleurstoffen”, mogen niet in de handel worden gebracht of voor het kleuren van textiel- of lederartikelen worden gebruikt als stof of bestanddeel van preparaten in concentraties van meer dan 0,1 massaprocent.
  • 4. 
    De Commissie zal de bepalingen inzake azokleurstoffen opnieuw bekijken in het licht van de nieuwe wetenschappelijke kennis.
  • 44. 
    Difenylether, pentabroomderivaat

C12H5Br5O

  • 1. 
    Mag niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of als bestanddeel van preparaten in hogere concentraties dan

0,1 massaprocent.

  • 2. 
    Voorwerpen mogen niet in de handel worden gebracht indien zij, ofwel brandvertragende onderdelen daarvan, hogere concentraties dan 0,1 massaprocent van deze stof bevatten.
  • 45. 
    Difenylether, octabroomderivaat

C12H2Br8O

  • 1. 
    Mag niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of als bestanddeel van preparaten in hogere concentraties dan

0,1 massaprocent.

  • 2. 
    Voorwerpen mogen niet in de handel worden gebracht indien zij, ofwel brandvertragende onderdelen daarvan, hogere concentraties dan 0,1 massaprocent van deze stof bevatten.

Mogen niet als verbinding of bestanddeel van

  • 46. 
    a) Nonylfenol C6H4(OH)C9H19 b) Nonylfenolethoxylaat

(C2H4O)nC15H24O

preparaten in de handel worden gebracht of worden gebruikt in concentraties van 0,1 %

(g/g) of meer voor de volgende toepassingen:

  • 1. 
    industriele en institutionele reiniging, behalve:
  • chemische reiniging in gecontroleerde gesloten systemen met recycling of verbranding van het wasmiddel;
  • reiniging in systemen waarbij het wasmiddel in een speciale behandeling wordt gerecycled of verbrand;
  • 2. 
    huishoudelijke reiniging;
  • 3. 
    textiel- en leerbewerking, behalve:
  • bewerking zonder lozing in afvalwater;
  • bewerking in systemen waarbij de organische fractie in een speciale behandeling volledig uit het proceswater wordt verwijderd voor het afvalwater biologisch wordt behandeld (ontvetting van schapenvachten);
 
 
  • 4. 
    emulgatoren in speendippers voor

landbouwgebruik;

 
  • 5. 
    metaalbewerking, behalve:
 
  • in gecontroleerde gesloten systemen

met recycling of verbranding van het wasmiddel;

 
  • 6. 
    vervaardiging van pulp en papier;
 
  • 7. 
    cosmetica;
 
  • 8. 
    andere persoonlijke

verzorgingsproducten, behalve:

 
  • spermiciden;
 
  • 9. 
    co-formulanten in gewasbeschermings-

middelen en biociden.

  • 1. 
    Cement en cementhoudende preparaten mogen niet worden gebruikt of niet in de handel worden gebracht indien het gehalte aan oplosbaar chroom (VI) bij de gehydrateerde vorm van het cement of het preparaat meer dan 0,0002% van het totale drooggewicht van het cement bedraagt.
  • 47. 
    Cement
  • 2. 
    Als reductansen worden gebruikt, moet op de verpakking van cement en cementhoudende preparaten bovendien leesbaar en onuitwisbaar informatie worden vermeld over de verpakkingsdatum, de opslagomstandigheden en de opslagperiode binnen welke de activiteit van de reductans gehandhaafd blijft en waarbinnen het gehalte oplosbaar chroom (VI) onder de in lid 1 vermelde limiet blijft, onverminderd de toepassing van andere communautaire bepalingen inzake de indeling, verpakking en etikettering van gevaarlijke stoffen en preparaten.
  • 3. 
    Bij wijze van uitzondering gelden de leden 1 en 2 niet voor het in de handel brengen voor en het gebruik in gecontroleerde, gesloten en volledig geautomatiseerde processen waarin cement en cementpreparaten alleen door machines worden behandeld en er geen enkele kans op huidcontact bestaat.
 
  • 48. 
    Tolueen

Mag niet op de markt gebracht worden of

CAS No 108-88-3

worden gebruikt als stof of bestanddeel van preparaten in concentraties van 0,1 massa-procent of meer in kleefstoffen en spuitverf die bestemd zijn om aan het grote publiek te worden verkocht.

De lidstaten passen deze bepalingen toe met ingang van 15 juni 2007.

  • 49. 
    Trichloorbenzeen

Mag niet op de markt gebracht worden of

CAS No 120-82-1

worden gebruikt als stof of bestanddeel van preparaten in concentraties van 0,1 massa-procent of meer voor alle toepassingen behalve

—    als tussenproduct van synthese, of

—    als procesoplosmiddel in gesloten chemische toepassingen voor chloreerreacties, of

—    bij de vervaardiging van 1,3,5-triamine-2,4,6-trinitrobenzeen (TATB).

De lidstaten passen deze bepalingen toe met ingang van 15 juni 2007.

  • 50. 
    Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s)
  • 1. 
    Benzo[a]pyreen (BaP)

CAS-nr. 50-32-8

  • 2. 
    Benzo[e]pyreen (BeP)

CAS-nr. 192-97-2

  • 3. 
    Benzo[a]antraceen (BaA) CAS-nr. 56-55-3
  • 4. 
    Chryseen (CHR)

CAS-nr. 218-01-9

  • 5. 
    Benzo[b]fluorantheen (BbFA) CAS-nr. 205-99-2
  • 6. 
    Benzo[j]fluorantheen (BjFA) CAS-nr. 205-82-3
  • 7. 
    Benzo[k]fluorantheen (BkFA) CAS-nr. 207-08-9
  • 8. 
    Dibenzo[a, h]antraceen (DBahA) CAS-nr. 53-70-3

Procesolien voor rubberverwerking mogen niet op de markt gebracht en voor de productie van banden of delen van banden gebruikt worden als zij:

—    meer dan 1 mg/kg BaP of

—    meer dan 10 mg/kg van alle in deze bijlage vermelde PAK’s tezamen bevatten.

Aan deze maximumgehalten wordt geacht te zijn voldaan als het PCA-extract minder dan 3 gewichtsprocenten bedraagt, gemeten volgens norm IP346: 1998 van het Institute of Petroleum (Bepaling van polycyclische aromaten (PCA) in ongebruikte smeerolien en asfalteenvrije petroleumfracties — dimethylzwaveloxide-extractie met brekingsindexmeting), mits de naleving van de grenswaarden voor BaP en de in de lijst vermelde PAK’s alsmede de correlatie tussen de meetwaarden en het PCA-extract, om de zes maanden of, als dit eerder is, na elke belangrijke operationele verandering, door de fabrikant of importeur worden gecontroleerd.

  • 2. 
    Banden en loopvlakken die na 1 januari 2010 worden vervaardigd en procesolien bevatten die niet aan de in punt 1 genoemde maximumgehalten voldoen, mogen niet op de markt gebracht worden.

Aan deze maximumgehalten wordt geacht te zijn voldaan als de gevulcaniseerde rubberverbindingen niet meer bevatten dan 0,35% Bay-protonen, zoals gemeten en berekend volgens ISO 21461 (Rubber gevulcaniseerd — Bepaling van de aromaticiteit van olie in gevulcaniseerde rubberverbindingen).

  • 3. 
    Punt 2 is echter niet van toepassing op banden die van een nieuw loopvlak zijn voorzien, als de procesolien die dit loopvlak bevat, aan de in punt 1 genoemde maximumgehalten voldoen.
  • 4. 
    De lidstaten passen deze bepalingen toe met ingang van 1 januari 2010.
 
  • 51. 
    De volgende ftalaten (of andere CAS- en Einecs-nummers die betrekking hebben op de stof)

bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP)

CAS-nr. 117-81-7

Einecs-nr. 204-211-0

dibutylftalaat (DBP)

CAS-nr. 84-74-2

Einecs-nr. 201-557-4

benzylbutylftalaat (BBP)

CAS-nr. 85-68-7

Einecs-nr. 201-622-7

Mogen niet worden gebruikt als stoffen of ls bestanddelen van preparaten in concentraties van meer dan 0,1% massaprocent van het week gemaakte materiaal in speelgoed- en kinderverzorgingsartikelen1.

Speelgoed en kinderverzorgingsartikelen die deze ftalaten bevatten in een hogere concentratie dan de hierboven genoemde grens, worden niet op de markt gebracht.

Uiterlijk op 16 januari 2010 zal de Commissie de maatregelen met betrekking tot dit punt herevalueren in het licht van nieuwe wetenschappelijke informatie over dergelijke stoffen of vervangende stoffen en deze maatregelen zonodig aan de hand daarvan wijzigen.


In verband met dit punt wordt onder "kinderverzorgingsartikel" artikelen verstaan voor het in slaap brengen van kinderen, ontspanning, hygiene, het voeden van kinderen of het zuigen door kinderen.

  • 52. 
    The following phthalates (or other CAS-and EINECS numbers covering the substance):

di-“isononyl” phthalate (DINP)

CAS No 28553-12-0 and 68515-48-0 Einecs No 249-079-5 and 271-090-9

di-“isodecyl” phthalate (DIDP)

CAS No 26761-40-0 and 68515-49-1 Einecs No 247-977-1 and 271-091-4

di-n-octyl phthalate (DNOP) CAS No 11784-0 Einecs No 204-214-7

Mogen niet worden gebruikt als stoffen of als bestanddelen van preparaten in concentraties van meer dan 0,1% massaprocent van het week gemaakte materiaal in speelgoed- en kinderverzorgingsartikelen1 die door kinderen in de mond kunnen worden gestopt.

Dergelijke speelgoed en kinderverzorgings-artikelen die deze ftalaten bevatten in een hogere concentratie dan de hierboven genoemde grens, worden niet op de markt gebracht.

Uiterlijk op 16 januari 2010 zal de Commissie de maatregelen met betrekking tot dit punt herevalueren in het licht van nieuwe wetenschappelijke informatie over dergelijke stoffen of vervangende stoffen en deze maatregelen zonodig aan de hand daarvan wijzigen.

PB L 377 van 31.12.1991, blz. 20. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 33 van 4.2.2006, blz. 1).

Chrysotiel heeft twee CAS-nummers (bevestigd door het ECB).

Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief-en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 426/2006 (PB L 79 van 16.3.2006, blz. 1).

PB L 147 van 9.6.1975, blz. 40. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 36).

In verband met dit punt wordt onder "kinderverzorgingsartikel" artikelen verstaan voor het in slaap brengen van kinderen, ontspanning, hygiene, het voeden van kinderen of het zuigen door kinderen.

Aanhangsels 1 tot en met 6

VOORWOORD

Toelichting bij de hoofdjes van de kolommen Naam van de stof:

De naam is dezelfde als die welke wordt gebruikt in bijlage I van Richtlijn 67/548/EEG. Waar mogelijk wordt voor de gevaarlijke stoffen de EINECS-naam (Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen) of ELINCS-naam (Europese lijst van stoffen waarvan kennisgeving is gedaan) gebruikt. In de tabellen wordt hiernaar verwezen met “EG-nummer”. Voor stoffen die niet in de EINECS of de ELINCS zijn vermeld, wordt een internationaal erkende naam gebruikt (bv. de ISO- of Iupac-naam). Soms wordt daarnaast tevens een triviale naam vermeld.

Catalogusnummer:

Het catalogusnummer is de in bijlage I van Richtlijn 67/548/EEG gebruikte identificatiecode. In het aanhangsel worden de stoffen gerangschikt aan de hand van dit catalogusnummer.

EINECS-nummer :

In de EINECS is voor de stoffen een identificatiecode vastgelegd. Deze code start met het nummer 200-001-8.

ELINCS-nummer:

Aan nieuwe stoffen waarvan in het kader van Richtlijn 67/548/EEG kennisgeving is gedaan, is een identificatiecode toegekend die is gepubliceerd in de ELINCS. Deze code start met het nummer 400-010-9.

CAS-nummer:

Het CAS-nummer (het nummer van de Chemical Abstracts Service) wordt vermeld om identificatie van de stof te vergemakkelijken.

Nota’s:

De volledige tekst van de nota’s kan worden gevonden in het voorwoord van bijlage I van Richtlijn 67/548/EEG.

De voor deze verordening van toepassing zijnde nota’s zijn de volgende:

Nota A:

De naam van de stof moet op het etiket worden vermeld in de vorm van een van de benamingen die in bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG voorkomen (zie artikel 23, lid 2, onder a)).

In bijlage I van Richtlijn 67/548/EEG wordt soms een algemene benaming gebruikt, zoals „... verbindingen” of „... zouten”. In dat geval moet de fabrikant of iedere andere persoon die een dergelijke stof op de markt brengt, op het etiket de juiste naam vermelden, rekening houdend met het hoofdstuk Nomenclatuur” van het voorwoord van die bijlage.

Richtlijn 67/548/EEG bepaalt ook dat de symbolen, gevaarsaanduidingen, R- en S-zinnen die voor iedere stof worden gebruikt, dezelfde zijn als in bijlage I (artikel 23, lid 2, onder c), d) en e) van die richtlijn).

Voor stoffen die onder een bepaalde groep stoffen van bijlage I van Richtlijn 67/ 548/EEG vallen, worden voor iedere stof de in de desbetreffende vermelding in die bijlage I voorgeschreven symbolen, gevaarsaanduidingen en R- en S-zinnen gebruikt.

Voor stoffen die onder meer dan een groep stoffen van bijlage I van Richtlijn 67/548/EEG vallen, worden voor iedere stof de in beide desbetreffende vermeldingen in bijlage I voorgeschreven symbolen, gevaarsaanduidingen en R- en S-zinnen gebruikt. Wanneer er in die twee vermeldingen voor hetzelfde gevaar twee verschillende indelingen worden gegeven, wordt de strengere gevaarsindeling gebruikt.

Nota C:

Sommige organische stoffen kunnen in de vorm van een specifiek isomeer of als een mengsel van verschillende isomeren in de handel worden gebracht.

Nota D:

Sommige stoffen die spontaan kunnen polymeriseren of ontleden, worden meestal in een gestabiliseerde vorm in de handel gebracht. In bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG zijn die stoffen in gestabiliseerde vorm opgenomen.

Dergelijke stoffen worden echter soms in een niet-gestabiliseerde vorm in de handel gebracht. In dat geval moet de fabrikant of iedere andere persoon die een dergelijke stof in de handel brengt, op het etiket de naam van de stof met daaraan toegevoegd de vermelding “niet-gestabiliseerd” aanbrengen.

Nota E:

Stoffen met specifieke effecten op de gezondheid van de mens (zie hoofdstuk 4 van bijlage VI bij Richtlijn 67/548/EEG) die als kankerverwekkend, mutageen en/of giftig voor de voortplanting in categorie 1 of 2 worden ingedeeld, krijgen nota E indien zij ook als zeer giftig (T+), giftig (T) of schadelijk (Xn) worden ingedeeld. Voor deze stoffen worden de waarschuwingszinnen R20, R21, R22, R23, R24, R25, R26, R27, R28, R39, R68 (schadelijk), R48 en R65 en alle combinaties van deze waarschuwingszinnen voorafgegaan door het woord “Ook”.

Nota H:

De voor deze stof vermelde indeling en etikettering heeft alleen betrekking op de gevaarlijke eigenschap(pen) die wordt (worden) aangeduid met de vermelde waarschuwingszin(nen) in combinatie met de vermelde gevaarscategorie(en). Voor alle andere aspecten die verband houden met de indeling en etikettering van deze stof, dienen de fabrikanten, de handelaars en de importeurs zich te houden aan de eisen van artikel 6 van Richtlijn 67/548/EEG. Voor het uiteindelijke etiket moeten de voorschriften van deel 7 van bijlage Vl van Richtlijn 67/548/EEG worden gevolgd.

Deze nota is alleen van toepassing op bepaalde steenkool- en aardoliederivaten en bepaalde groepsvermeldingen in bijlage I van Richtlijn 67/548/EEG

Nota J:

De stof behoeft niet als kankerverwekkend te worden ingedeeld als kan worden aangetoond dat deze minder dan 0,1 % (g/g) benzeen (EINECS-nr. 200-753-7) bevat.

Nota K:

De stof behoeft niet als kankerverwekkend of mutageen te worden ingedeeld als kan worden aangetoond dat deze minder dan 0,1 % (g/g) buta-1,3-dieen (EINECS-nr. 203-450-8) bevat.

Als de stof niet als kankerverwekkend of mutageen wordt ingedeeld, gelden hiervoor minimaal de S-zinnen (2-)9-16. Deze nota is alleen van toepassing op bepaalde complexe aardoliederivaten in bijlage I bij Richtlijn 67/548/EG.

Nota L:

De stof behoeft niet als kankerverwekkend te worden ingedeeld als kan worden aangetoond dat deze minder dan 3 % DMSO-extract bevat, gemeten volgens IP 346.

Nota M:

De stof behoeft niet als kankerverwekkend te worden ingedeeld als kan worden aangetoond dat deze minder dan 0,005 % (g/g) benzoapyreen (EINECS-nr. 200-028-5) bevat.

Nota N:

De stof behoeft niet als kankerverwekkend te worden ingedeeld als volledig bekend is hoe de raffinage daarvan is verlopen en kan worden aangetoond dat deze is geproduceerd uit een stof die niet kankerverwekkend is.

Nota P:

De stof behoeft niet als kankerverwekkend te worden ingedeeld als kan worden aangetoond dat deze minder dan 0,1 % (g/g) benzeen (EINECS-nr. 200-753-7) bevat.

Nota R:

Vezels waarvan de naar de lengte gewogen meetkundig gemiddelde diameter, minus tweemaal de standaardfout, groter is dan 6 p,m, behoeven niet als kankerverwekkend te worden ingedeeld.

Nota S:

Voor deze stof is misschien geen etiket overeenkomstig artikel 23 van Richtlijn 67/548/EEG vereist (zie hoofdstuk 8 van bijlage VI bij die richtlijn).

Aanhangsel 1

Punt 28 — Kankerverwekkende stoffen: categorie 1

 

Stoffen

Catalogus-

nummer

EG-nummer

CAS-nummer

Nota’s

Chroom (VI) trioxide

024-001-00-0

215-607-8

1333-82-0

E

Zinkchromaat met inbegrip van

zinkkaliumchromaat

024-007-00-3

     

Nikkelmonoxide

028-003-00-2

215-215-7

1313-99-1

 

Nikkeldioxide

028-004-00-8

234-823-3

12035-36-8

 

Dinikkeltrioxide

028-005-00-3

215-217-8

1314-06-3

 

Nikkelsulfide

028-006-00-9

240-841-2

16812-54-7

 

Trinikkelsulfide

028-007-00-4

234-829-6

12035-72-2

 

Diarseentrioxide; arseentrioxide

033-003-00-0

215-481-4

1327-53-3

 

Diarseenpentaoxide

033-004-00-6

215-116-9

1303-28-2

 

Arseenzuur en zijn zouten

033-005-00-1

     

Loodhydrogeenarsenaat

082-011-00-0

232-064-2

7784-40-9

 

Butaan met > 0,1 % butadieen (203450-8) 1

601-004-01-8

203-448-7 1

106-97-8 1

C, S

Isobutaan met > 0,1 % butadieen (203-450-8) 2

 

200-857-2 2

75-28-5 2

 

1,3-butadieen; buta-1,3-dieen

601-013-00-X

203-450-8

106-99-0

D

Benzeen

601-020-00-8

200-753-7

71-43-2

E

Triethyl arsenate

601-067-00-4

427-700-2

15606-95-8

 

Vinylchloride; chloorethyleen

602-023-00-7

200-831-0

75-01-4

 

Bis(chloormethyl)ether;

dichloordimethylether

603-046-00-5

208-832-8

542-88-1

 

Chloormethyl-methylether;

chloordimethylether

603-075-00-3

203-480-1

107-30-2

 

2-Naftylamine; beta-naftylamine

612-022-00-3

202-080-4

91-59-8

E

Benzidine; 4,4'-diaminobifenyl;

bifenyl-4,4'-ylenediamine

612-042-00-2

202-199-1

92-87-5

E

Zouten van benzidine

612-070-00-5

     

Zouten van 2-naftylamine

612-071-00-0

209- 030-01

210- 313-62

553-00-41

612-52-22

 

Bifenyl-4-ylamine; xenylamine;

4-aminobifenyl

612-072-00-6

202-177-1

92-67-1

 

Zouten van bifenyl-4-ylamine; zouten van xenylamine; zouten van 4-aminobifenyl

612-073-00-1

     

Teer, steenkool; koolteer

(Het bijproduct van de destructieve destillatie van steenkool. Nagenoeg zwarte halfvaste stof. Een complexe verzameling van aromatische koolwaterstoffen, fenolische verbindingen, stikstofbasen en thiofeen.)

648-081-00-7

232-361-7

8007-45-2

 

Teer, kool, hoge temperatuur; koolteer

648-082-00-2

266-024-0

65996-89-6

(Het condensatieproduct dat wordt verkregen door afkoeling tot ongeveer de omgevingstemperatuur van het gas dat vrijkomt bij de destructieve destillatie van kool bij hoge temperatuur (hoger dan 700 °C). Een zwarte viskeuze vloeistof met een dichtheid groter dan water. Voornamelijk samengesteld uit een complex mengsel van aromatische koolwaterstoffen met gecondenseerde ringen. Kan ondergeschikte hoeveelheden fenolhoudende verbindingen en aromatische stikstofbasen bevatten.)

     

Teer, kool, lage temperatuur; petroleum

648-083-00-8

266-025-6

65996-90-9

(Het condensatieproduct dat wordt verkregen door afkoeling tot ongeveer de omgevingstemperatuur van het gas dat vrijkomt bij de destructieve destillatie van kool bij lage temperatuur (lager dan 700 °C). Een zwarte viskeuze vloeistof met een grotere dichtheid dan water. Voornamelijk samengesteld uit aromatische koolwaterstoffen met gecondenseerde ringen, fenol-houdende verbindingen en aromatische stikstofbasen en hun alkylderivaten.)

     

Teer, bruinkool

(Een olie die is gedestilleerd uit bruinkoolteer. Voornamelijk samengesteld uit alifatische, naftenische en een- tot drierings aromatische koolwaterstoffen, de alkylderivaten daarvan, heteroaromaten en een- en tweerings fenolen, met een kooktraject van ongeveer 150 °C tot 360 °C.)

648-145-00-4

309-885-0

101316-83-0

 

Teer, bruinkool, lage temperatuur

(Een teer die wordt verkregen uit de carbonisatie bij lage temperatuur en vergassing bij lage temperatuur van bruinkool. Voornamelijk samengesteld uit alifatische, naftenische en cyclische aromatische koolwaterstoffen, heteroaromatische koolwaterstoffen en cyclische fenolen.)

648-146-00-X

309-886-6

101316-84-1

 

Destillaten (aardolie), lichte paraffinehoudende; niet of licht geraffineerde basisolie

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen verkregen door vacuumdestillatie van het residu van de atmosferische destillatie van ruwe olie. Bestaat uit koolwaterstoffen, overwegend C15 tot en met C30, en vormt een voltooide olie met een viscositeit van minder dan 19 10-6 m2.s-1 bij 40 °C. Bevat een relatief grote hoeveelheid alifatische koolwaterstoffen die normaal aanwezig zijn in dit destillatietraject van ruwe olie.)

649-050-00-0

265-051-5

64741-50-0

 

Destillaten (aardolie), zware paraffinehoudende; niet of licht geraffineerde basisolie

649-051-00-6

265-052-0

64741-51-1

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen verkregen door vacuumdestillatie van het residu van de atmosferische destillatie van ruwe olie. Bestaat uit koolwaterstoffen, overwegend C20 tot en met C50, en vormt een voltooide olie met een viscositeit van minstens 19 10-6 m2.s"

1 bij 40 °C. Bevat een relatief grote hoeveelheid alifatische koolwaterstoffen.)

     

Destillaten (aardolie), lichte nafteenhoudende; niet of licht geraffineerde basisolie

649-052-00-1

265-053-6

64741-52-2

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen verkregen door vacuumdestillatie van het residu van de atmosferische destillatie van ruwe olie. Bestaat uit koolwaterstoffen, overwegend C15 tot en met C30, en vormt een voltooide olie met een viscositeit die minder is dan 19 10-6 m2.s-1 bij 40 °C. Bevat relatief weinig normale paraffinen.)

     

Destillaten (aardolie), zware nafteenhoudende; niet of licht geraffineerde basisolie

649-053-00-7

265-054-1

64741-53-3

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen verkregen door vacuumdestillatie van het residu van de atmosferische destillatie van ruwe olie. Bestaat uit koolwaterstoffen, overwegend C20 tot en met C50, en vormt een voltooide olie met een viscositeit van minstens 19 10-6 m2.s"

1 bij 40 °C. Bevat relatief weinig normale paraffinen.)

     

Destillaten (aardolie), met zuur behandelde zware nafteenhoudende fractie; niet of licht geraffineerde basisolie

649-054-00-2

265-117-3

64742-18-3

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen verkregen als het raffinaat uit een

zwavelzuurbehandelingsproces. Bestaat uit koolwaterstoffen, overwegend C20 tot en met C50, en vormt een voltooide olie met een viscositeit van minstens 19 10-6 m2.s"

1 bij 40 °C. Bevat relatief weinig normale paraffinen.)

     

Destillaten (aardolie), zuurbehandelde lichte nafteenhoudende; niet of licht geraffineerde basisolie

649-055-00-8

265-118-9

64742-19-4

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt verkregen als het raffinaat uit een zwavelzuurbehandelingsproces. Bestaat uit koolwaterstoffen, overwegend C15 tot en met C30, en vormt een voltooide olie met een viscositeit die kleiner is dan 19 10-6 m2.s-1 bij 40 °C. Bevat relatief weinig normale paraffinen.)

     

Destillaten (aardolie), zuurbehandelde zware paraffinehoudende; niet of licht geraffineerde basisolie

649-056-00-3

265-119-4

64742-20-7

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt verkregen als het raffinaat uit een zwavelzuurbehandelingsproces. Bestaat voornamelijk uit verzadigde koolwaterstoffen, overwegend C20 tot en met C50, en vormt een voltooide olie met een viscositeit die minstens

19 10-6 m2.s-1 is bij 40 °C.)

     

Destillaten (aardolie), zuurbehandelde lichte paraffinehoudende; niet of licht geraffineerde basisolie

649-057-00-9

265-121-5

64742-21-8

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt verkregen als het raffinaat uit een zwavelzuurbehandelingsproces. Bestaat voornamelijk uit verzadigde koolwaterstoffen, overwegend C15 tot en met C30, en vormt een voltooide olie met een viscositeit die kleiner is dan 19 10-6 m2.s-1 bij 40 °C.)

     

Destillaten (aardolie), chemisch geneutraliseerde zware paraffinehoudende; niet of licht geraffineerde basisolie

649-058-00-4

265-127-8

64742-27-4

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt verkregen uit een behandelingsproces waarbij zure materialen worden verwijderd.

Bestaat voornamelijk uit koolwaterstoffen, overwegend C20 tot en met C50, en vormt een voltooide olie met een viscositeit die minstens 19 10-6 m2.s-1 is bij 40 °C. Bevat een relatief grote hoeveelheid alifatische koolwaterstoffen.)

     

Destillaten (aardolie), chemisch geneutraliseerde lichte paraffinehoudende; niet of licht geraffineerde basisolie

649-059-00-X

265-128-3

64742-28-5

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt verkregen uit een behandelingsproces waarbij zure materialen worden verwijderd.

Bestaat uit koolwaterstoffen, overwegend C15 tot en met C30, en vormt een voltooide olie met een viscositeit die kleiner is dan 19 10-6 m2.s-1 bij 40 °C.)

     

Destillaten (aardolie), chemisch geneutraliseerde zware nafteenhoudende; niet of licht geraffineerde basisolie

649-060-00-5

265-135-1

64742-34-3

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt verkregen uit een behandelingsproces waarbij zure materialen worden verwijderd.

Bestaat uit koolwaterstoffen, overwegend C20 tot en met C50, en vormt een voltooide olie met een viscositeit die minstens

19 10-6 m2.s-1 is bij 40 °C. Bevat relatief weinig normale paraffinen.)

     

Destillaten (aardolie), chemisch geneutraliseerde lichte nafteenhoudende; niet of licht geraffineerde basisolie

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt verkregen uit een behandelingsproces waarbij zure materialen worden verwijderd.

Bestaat uit koolwaterstoffen, overwegend C15 tot en met C30, en vormt een voltooide olie met een viscositeit die kleiner is dan 19 10-6 m2.s-1 bij 40 °C. Bevat relatief weinig normale paraffinen.)

649-061-00-0

265-136-7

64742-35-4

 

Gassen (aardolie), katalytisch gekraakte nafta

depropanisatortopproducten, C3-rijke zuurvrije; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen door fractionering van katalytisch gekraakte koolwaterstoffen en behandeld om zure onzuiverheden te verwijderen. Bestaat uit koolwaterstoffen, met carbonaatnummers tussen C2 tot en met C4, overwegend C3.)

649-062-00-6

270-755-0

68477-73-6

H, K

Gassen (aardolie), katalytische kraker; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen door de destillatie van de producten van een katalytisch kraakproces. Bestaat voornamelijk uit alifatische koolwaterstoffen, met carbonaatnummers overwegend tussen C1 tot en met C6.)

649-063-00-1

270-756-6

68477-74-7

H, K

Gassen (aardolie), katalytische kraker, C1-5-rijk; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen door de destillatie van de producten van een katalytisch kraakproces. Bevat alifatische koolwaterstoffen, met carbonaatnummers tussen C1 tot en met C6, overwegend C1 tot en met

C5.)

649-064-00-7

270-757-1

68477-75-8

H, K

Gassen (aardolie), katalytisch gepolymeriseerde nafta-stabilisator topfractie, C2-4-rijk; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen door de fractioneringsstabilisatie van katalytisch gepolymeriseerde nafta. Bevat alifatische koolwaterstoffen, met carbonaatnummers C2 tot en met C6, overwegend C2 tot en met C4.)

649-065-00-2

270-758-7

68477-76-9

H, K

Gassen (aardolie), katalytische reformator, C1-4-rijk; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, gevormd door destillatie van producten uit een katalytisch reformeringsproces.

Bestaat uit koolwaterstoffen, met carbonaatnummers C1 tot en met C6, overwegend C1 tot en met C4.)

649-066-00-8

270-760-8

68477-79-2

H, K

Gassen (aardolie), C3-5-olefinische en paraffinische

alkyleringsgrondstof; Petroleumgas

(Een complexe verzameling van olefinische en paraffinische koolwaterstoffen, , met carbonaatnummers overwegend C3 tot en met C5, die worden gebruikt als alkyleringsgrondstof. Omgevingstemperaturen overtreffen gewoonlijk de kritische temperaturen van deze combinaties.)

649-067-00-3

270-765-5

68477-83-8$

H, K

Gassen (aardolie), C4-rijk; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, gevormd door destillatie van producten uit een katalytisch fractioneringsproces. Bestaat uit alifatische koolwaterstoffen, met carbonaatnummers C3 tot en met C5, hoofdzakelijk C4.)

349-068-00-9

270-767-6

68477-85-0

H, K

Gassen (aardolie),

deethanisatortopproducten;

Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, gevormd door destillatie van de gas- en gasolinefracties uit het katalytische kraakproces. Bevat voornamelijk ethaan en ethyleen.)

649-069-00-4

270-768-1

68477-86-1

H, K

Gassen (aardolie),

dei'sobutanisatortoren-topproducten;

Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, gevormd door de atmosferische destillatie van een butaan-butyleenstroom. Bestaat uit alifatische koolwaterstoffen, met carbonaatnummers overwegend C3 tot en met C4.)

649-070-00-X

270-769-7

68477-87-2

H, K

Gassen (aardolie), depropanisator droog, propeen-rijk; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, gevormd door de destillatie van producten uit de gas-en gasolinefracties van een katalytisch kraakproces. Bestaat voornamelijk uit propyleen met wat ethaan en propaan.)

649-071-00-5

270-772-3

68477-90-7

H, K

Gassen (aardolie),

depropanisatortopproducten;

Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, gevormd door de destillatie van producten uit de gas-en gasolinefracties van een katalytisch kraakproces. Bestaat uit alifatische koolwaterstoffen, met carbonaatnummers overwegend C2 tot en met C4.)

649-072-00-0

270-773-9

68477-91-8

H, K

Gassen (aardolie), gasherwinningsinstallatie depropanisatortopproducten; Petroleumgas

649-073-00-6

270-777-0

68477-94-1

H, K

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen door de fractionering van verscheidene koolwaterstofstromen. Bestaat voornamelijk uit koolwaterstoffen, met carbonaatnummers C1 tot en met C4, voornamelijk propaan.)

       

Gassen (aardolie),

Girbatolinstallatie-grondstof;

Petroleumgas

649-074-00-1

270-778-6

68477-95-2

H, K

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt gebruikt als grondstof in een Girbatol-installatie om waterstofsulfide te verwijderen. Bestaat uit alifatische koolwaterstoffen, met carbonaatnummers overwegend C2 tot en met C4.)

       

Gassen (aardolie), gei'someriseerde naftafractionator, rijk aan C4, vrij van waterstofsulfide; Petroleumgas

649-075-00-7

270-782-8

68477-99-6

H, K

Restgas (aardolie), katalytisch gekraakte geklaarde olie en thermisch gekraakt vacuumresidu fractioneringsterugloopvat; Petroleumgas

649-076-00-2

270-802-5

68478-21-7

H, K

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen door fractionering van katalytisch gekraakte geklaarde olie en thermisch gekraakt vacuumresidu. Bestaat voornamelijk uit koolwaterstoffen, met carbonaatnummers overwegend C1 tot en met C6.)

       

Restgas (aardolie), katalytisch gekraakte nafta-stabiliseringsabsorbator;

Petroleumgas

649-077-00-8

270-803-0

68478-22-8

H, K

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen door de stabilisatie van katalytisch gekraakte nafta. Bestaat voornamelijk uit koolwaterstoffen, met carbonaatnummers overwegend C1 tot en met C6.)

       

Restgas (aardolie), fractionator van gecombineerde producten uit katalytische kraker, katalytische reformator en waterstofontzwavelaar;

Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen door de fractionering van producten uit katalytische kraak-, katalytische reformering- en

waterstofontzwavelingsprocessen en behandeld om zure onzuiverheden te verwijderen.

Bestaat voornamelijk uit koolwaterstoffen, met carbonaatnummers overwegend C1 tot en met C5.)

649-078-00-3

270-804-6

68478-24-0

H, K

Restgas (aardolie), katalytisch gereformeerde nafta-fractioneringsstabilisator; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen uit de fractioneringsstabilisatie van katalytisch gereformeerde nafta. Bestaat voornamelijk uit koolwaterstoffen, met carbonaatnummers overwegend C1 tot en met C4.)

649-079-00-9

270-806-7

68478-26-2

H, K

Restgas (aardolie), verzadigd-gasinstallatie gemengde stroom, rijk aan C4; Petroleumgas

649-080-00-4

270-813-5

68478-32-0

H, K

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt verkregen uit de

fractioneringsstabilisatie van restgas van de destillatie van nafta verkregen door directe fractionering en katalytisch gereformeerd naftastabilisator- restgas. Bestaat uit koolwaterstoffen, met carbonaatnummers C3 tot en met C6, overwegend butaan en isobutaan.)

       

Restgas (aardolie), verzadigdgasherwinningsinstallatie, rijk aan C1-2; Petroleumgas

649-081-00-X

270-814-0

68478-33-1

H, K

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt verkregen uit de fractionering van destillatierestgas, door directe fractionering verkregen nafta, katalytisch gereformeerd naftastabilisator-restgas. Bestaat voornamelijk uit koolwaterstoffen, met carbonaatnummers C1 tot en met C5, overwegend methaan en ethaan.)

       

Restgas (aardolie), thermische vacuumresiduenkraker-;

Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen uit het thermische kraken van vacuumresiduen. Bestaat uit koolwaterstoffen, met carbonaatnummers overwegend C1 tot en met C5.)

649-082-00-5

270-815-6

68478-34-2

H, K

Koolwaterstoffen, C3-4-rijk, aardoliedestillaat; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, gevormd door destillatie en condensatie van ruwe olie. Bestaat uit koolwaterstoffen, met carbonaatnummers C3 tot en met C5, overwegend C3 tot en met C4.)

649-083-00-0

270-990-9

68512-91-4

H, K

Gassen (aardolie), totaal bereik door directe fractionering verkregen nafta dehexanisatoruitstoot; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen door fractionering van het totale bereik van door directe fractionering verkregen nafta. Bestaat uit koolwaterstoffen, met carbonaatnummers overwegend C2 tot en met C6.)

649-084-00-6

271-000-8

68513-15-5

H, K

Gassen (aardolie), waterstofkrakendepropanisator-uitstoot-, koolwaterstofrijk; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen door de destillatie van producten van een waterstofkraakproces. Bestaat voornamelijk uit koolwaterstoffen, met carbonaatnummers overwegende C1 tot en met C4. Kan ook kleine hoeveelheden waterstof en waterstofsulfide bevatten.)

649-085-00-1

271-001-3

68513-16-6

H, K

Gassen (aardolie), lichte door directe fractionering verkregen nafta stabilisator-uitstoot-; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen door de stabilisering van lichte door directe fractionering verkregen nafta.

Bestaat uit verzadigde alifatische koolwaterstoffen, met carbonaatnummers overwegend C2 tot en met C6.)

649-086-00-7

271-002-9

68513-17-7

H, K

Residuen (aardolie), alkyleringssplitter, C4-rijk; Petroleumgas

(Een complex residu, afkomstig uit de destillatie van stromen uit uiteenlopende

zuiveringsbewerkingen. Bestaat uit koolwaterstoffen, met carbonaatnummers C4 tot en met C5, overwegend butaan en met een kooktraject van ongeveer -11,7 °C tot 27,8 °C.)

649-087-00-2

271-010-2

68513-66-6

H, K

Koolwaterstoffen, C1-4;

Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, gevormd door thermische kraak- en absorptieprocessen en door destillatie van ruwe olie. Bestaat uit koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C4, met een kooktraject van ongeveer -164 °C tot -0,5 °C.)

649-088-00-8

271-032-2

68514-31-8

H, K

Koolwaterstoffen, C1-4-, stankvrij gemaakt; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen door koolwaterstofgassen te onderwerpen aan een stankverwijderingsproces waarbij mercaptanen worden omgezet of zure onzuiverheden worden verwijderd. Bestaat uit koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C4, met een kooktraject van ongeveer -164 °C tot -0,5 °C.)

649-089-00-3

271-038-5

68514-36-3

H, K

Koolwaterstoffen, C1-3-;

Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C3, met een kooktraject van ongeveer -164 °C tot -42 °C.)

649-090-00-9

271-259-7

68527-16-2

H, K

Koolwaterstoffen, C1-4-, debutanisator- fractie; Petroleumgas

649-091-00-4

271-261-8

68527-19-5

H, K

Gassen (aardolie), C1-5, nat; Petroleumgas

649-092-00-X

271-624-0

68602-83-5

H, K

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen door de destillatie van ruwe olie en/of het kraken van gasolie uit een fractioneringstoren. Bestaat uit koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C5.)

       

Hydrocarbons, C2-4; Petroleum gas

649-093-00-5

271-734-9

68606-25-7

H, K

Hydrocarbons, C3; Petroleum gas

649-094-00-0

271-735-4

68606-26-8

H, K

Gassen (aardolie), alkyleringsinvoer; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen door het katalytisch kraken van gasolie.

Bestaat uit koolwaterstoffen, overwegend C3 tot en met C4.)

649-095-00-6

271-737-5

68606-27-9

H, K

Gassen (aardolie), depropanisatorbodemfracties fractioneringsuitstoot-; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen uit de fractionering van depropanisatorbodemfracties.

Bestaat voornamelijk uit butaan, isobutaan en butadieen.)

649-096-00-1

271-742-2

68606-34-8

H, K

Gassen (aardolie), raffinagemeng-; Petroleumgas

(Een complexe combinatie, verkregen uit verscheidene raffinageprocessen. Bestaat uit waterstof, waterstofsulfide en koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C5.)

649-097-00-7

272-183-7

68783-07-3

H, K

Gassen (aardolie), katalytisch kraken; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen door de destillatie van de producten van een katalytisch kraakproces. Bestaat voornamelijk uit koolwaterstoffen, overwegend C3 tot en met C5.)

649-098-00-2

272-203-4

68783-64-2

H, K

Gassen (aardolie), C2-4-, stankvrij gemaakte; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt verkregen door het onderwerpen van een aardoliedestillaat aan een stankverwijderend proces waarbij mercaptanen worden omgezet of zure onzuiverheden worden verwijderd. Bestaat voornamelijk uit verzadigde en onverzadigde koolwaterstoffen, overwegend C2 tot en met C4, met een kooktraject van ongeveer -51 °C tot -34 °C.)

649-099-00-8

272-205-5

68783-65-3

H, K

Gassen (aardolie), ruwe olie-fractionering uitstoot-; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt gevormd door de fractionering van ruwe olie. Bestaat uit verzadigde alifatische koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C5.)

649-100-00-1

272-871-7

68918-99-0

H, K

Gassen (aardolie), dehexanisatoruitstoot-;

Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt verkregen door de fractionering van gecombineerde naftastromen.

Bestaat uit verzadigde alifatische koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C5.)

649-101-00-7

272-872-2

68919-00-6

H, K

Gassen (aardolie), stabilisatoruitstootgassen

uit de fractionering

van door fractionering verkregen

lichte gasoline; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt verkregen door de fractionering van direct door fractionering verkregen lichte gasoline. Bestaat uit verzadigde alifatische koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C5.)

649-102-00-2

272-878-5

68919-05-1

H, K

Gassen (aardolie), nafta-unifinerontzwaveling

stripperuitstoot-; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt gevormd door een nafta-

unifinerontzwavelingsproces en gestript van het nafta-product.

Bestaat uit verzadigde alifatische koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C4.)

649-103-00-8

272-879-0

68919-06-2

H, K

Gassen (aardolie), direct door fractionering verkregen nafta katalytische reformeringsuitstoot; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt verkregen door de katalytische reformering van direct door fractionering verkregen nafta en fractionering van de totale uitstroom. Bestaat uit methaan, ethaan en propaan.)

649-104-00-3

272-882-7

68919-09-5

H, K

Gassen (aardolie), geflui'diseerde

katalytische kraker-splittertopproducten; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt verkregen door de fractionering van de invoer van de C3-C4-splitter.

Bestaat voornamelijk uit C3-koolwaterstoffen.)

649-105-00-9

272-893-7

68919-20-0

H, K

Gassen (aardolie), directe fractioneringsstabilisatoruitstoot-;

Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt verkregen uit de fractionering van de vloeistof uit de eerste destillatietoren die wordt gebruikt bij de destillatie van ruwe olie. Bestaat uit verzadigde alifatische koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C4.)

649-106-00-4

272-883-2

68919-10-8

H, K

Gassen (aardolie), katalytisch

gekraakte nafta debutanisator-;

Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt verkregen uit de fractionering van katalytisch gekraakte nafta. Bestaat uit koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C4.)

649-107-00-X

273-169-3

68952-76-1

H, K

Restgas (aardolie), katalytisch

gekraakt destillaat en nafta-stabilisator; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt verkregen door de fractionering van katalytisch gekraakt nafta en destillaat. Bestaat voornamelijk uit koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C4.)

649-108-00-5

273-170-9

68952-77-2

H, K

Restgas (aardolie), thermisch

gekraakt destillaat, gasolie en nafta absorptievat; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt verkregen uit de scheiding van thermisch gekraakte destillaten, nafta en gasolie. Bestaat voornamelijk uit koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C6.)

649-109-00-0

273-175-6

68952-81-8

H, K

Restgas (aardolie), thermisch gekraakte koolwaterstof-fractioneringsstabilisator-, aardolieverkooksing; Petroleumgas

649-110-00-6

273-176-1

68952-82-9

H, K

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt verkregen uit de fractioneringsstabilisatie van thermisch gekraakte koolwaterstoffen die afkomstig zijn uit het aardolieverkooksingproces. Bestaat uit koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C6.)

       

Gassen (aardolie), lichte stoomgekraakte,

butadieenconcentraat; Petroleumgas

649-111-00-1

273-265-5

68955-28-2

H, K

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt gevormd door de destillatie van producten van een thermisch kraakproces. Bestaat uit koolwaterstoffen, overwegend

C4.)

       

Gassen (aardolie), direct door fractionering verkregen naftakatalytische

reformatorstabilisatortopproducten;

Petroleumgas

649-112-00-7

273-270-2

68955-34-0

H, K

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt verkregen door de katalytische reformering van direct door fractionering verkregen nafta en fractionering van de totale uitstroom. Bestaat uit verzadigde alifatische koolwaterstoffen, overwegend C2 tot en met C4.)

       

Koolwaterstoffen, C4-; Petroleumgas

649-113-00-2

289-339-5

27741-01-3

H, K

Alkanen, C1-4, rijk aan C3; Petroleumgas

649-114-00-8

292-456-4

90622-55-2

H, K

Gassen (aardolie), stoomkraker C3-rijke; Petroleumgas

649-115-00-3

295-404-9

92045-22-2

H, K

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt gevormd door de destillatie van producten uit een stoomkraakproces. Bestaat voornamelijk uit propyleen met wat propaan en heeft een kooktraject van ongeveer -70 °C tot 0 °C.)

       

Koolwaterstoffen, C4-, stoomkrakerdestillaat;

Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt gevormd door de destillatie van de producten uit een stoomkraakproces. Bestaat voornamelijk uit C4-koolwaterstoffen, overwegend 1-buteen en 2-buteen, bevat ook butaan en isobuteen en heeft een kooktraject van ongeveer -12 °C tot 5 °C.)

649-116-00-9

295-405-4

92045-23-3

H, K

Aardoliegassen, vloeibaar gemaakt, van stank ontdaan, C4-fractie; Petroleumgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt verkregen door een vloeibaar gemaakt aardolie-gasmengsel aan een stankvrijmakingsproces te onderwerpen om mercaptanen te oxideren of om zure onzuiverheden te verwijderen. Bestaat voornamelijk uit C4- verzadigde en onverzadigde koolwaterstoffen.)

649-117-00-4

295-463-0

92045-80-2

H, K

Raffinaten (aardolie), stoomgekraakte C4-fractie na cuproammoniumacetaatextractie,C3_

5- en C3-5-onverzadigd, butadieenvrij; Petroleumgas

649-119-00-5

307-769-4

97722-19-5

H, K

Gassen (aardolie), aminesysteem

voedings-; Raffinaderijgas

(Het voedingsgas naar het aminesysteem voor de verwijdering van waterstofsulfide. Bestaat voornamelijk uit waterstof. Koolmonoxide, kooldioxide, waterstofsulfide en alifatische koolwaterstoffen, voornamelijk C1 tot en met C5, kunnen ook aanwezig zijn.)

649-112-00-0

270-746-1

68477-65-6

H, K

Gassen (aardolie), benzeeninstallatie-waterstofontzwavelaar afgassen; Raffinaderijgas

(Afgassen, gevormd door de benzeen-installatie. Bestaan voornamelijk uit waterstof. Koolmonoxide en koolwaterstoffen, voornamelijk C1 tot en met C6, inclusief benzeen, kunnen ook aanwezig zijn.)

649-121-00-6

270-747-7

68477-66-7

H, K

Gassen (aardolie),

benzeeninstallatie-terugvoer, rijk aan waterstof; Raffinaderijgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen door terugvoer van de gassen uit de benzeeninstallatie. Bestaat voornamelijk uit waterstof met verscheidene kleine hoeveelheden koolmonoxide en koolwaterstoffen,

C1 tot en met C6.)

649-122-00-1

270-748-2

68477-67-8

H, K

Gassen (aardolie), mengolie, rijk aan waterstof en stikstof; Raffinaderijgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen door destillatie van een mengolie. Bestaat voornamelijk uit waterstof en stikstof, met verscheidene kleine hoeveelheden koolmonoxide, kooldioxide en alifatische koolwaterstoffen, voornamelijk C1 tot en met C5.)

649-123-00-7

270-749-8

68477-68-9

H, K

Gassen (aardolie), katalytisch gereformeerde nafta strippertopproducten;

Raffinaderijgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen uit de stabilisatie van katalytisch gereformeerde nafta. Bestaat uit waterstof en verzadigde alifatische koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C4.)

649-124-00-2

270-759-2

68477-77-0

H, K

Gassen (aardolie), C6-8-katalytische reformator terugvoer;

Raffinaderijgas

649-125-00-8

270-760-3

68477-80-5

H, K

(Een complexe verzameling van koolwaterstoffen, verkregen door destillatie van producten van de

katalytische reformering van C6-8-aanvoer en teruggevoerd om waterstof te behouden. Bestaat voornamelijk uit waterstof. Kan ook verscheidene kleine hoeveelheden koolmonoxide, kooldioxide, stikstof en koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C6, bevatten.)

       

Gassen (aardolie), C6-8-katalytische reformator; Raffinaderijgas

649-126-00-3

270-762-9

68477-81-6

H, K

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, gevormd door destillatie van producten van de katalytische reformering van C6-8-aanvoer. Bestaat uit koolwaterstoffen, C1 tot en met C5, en waterstof.)

       

Gassen (aardolie), C6-8 katalytische reformator terugvoer, rijk aan waterstof; Raffinaderijgas

649-127-00-9

270-763-4

68477-82-7

H, K

Gassen (aardolie), C2-terugstroom; Raffinaderijgas

649-128-00-4

270-766-0

68477-84-9

H, K

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen door de extractie van waterstof uit een gasstroom die voornamelijk bestaat uit waterstof met kleine hoeveelheden stikstof, koolmonoxide, methaan, ethaan en ethyleen. Bevat voornamelijk koolwaterstoffen als methaan, ethaan en ethyleen met kleine hoeveelheden waterstof, stikstof en koolmonoxide.)

       

Gassen (aardolie), droge zure,

gasconcentratie-installatie-uitstoot-;

Raffinaderijgas

649-129-00-X

270-774-4

68477-92-9

H, K

(De complexe verzameling droge gassen die wordt verkregen uit een gasconcentratie-installatie. Bestaat uit waterstof, waterstofsulfide en koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C3.)

       

Gassen (aardolie), gasconcentratieherabsorbeerder-destillatie; Raffinaderijgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen die wordt gevormd door destillatie van producten van gecombineerde gasstromen in een gasconcentratie-herabsorbeerder. Bestaat voornamelijk uit waterstof, koolmonoxide, kooldioxide, stikstof, waterstofsulfide en koolwaterstoffen, C1 tot en met C3.)

649-130-00-5

270-776-5

68477-93-0

H, K

Gassen (aardolie), waterstofabsorbator- uitstoot-; Raffinaderijgas

(Een complexe combinatie die wordt verkregen door het absorberen van waterstof uit een waterstofrijke stroom. Bestaat uit waterstof, koolmonoxide, stikstof en methaan met kleine hoeveelheden C2-koolwaterstoffen.)

649-131-00-0

270-779-1

68477-96-3

H, K

Gassen (aardolie), waterstofrijk; Raffinaderijgas

(Een complexe combinatie die wordt afgescheiden als een gas uit diverse koolwaterstofgassen door koeling. Bestaat voornamelijk uit waterstof met verscheidene kleine hoeveelheden koolmonoxide, stikstof, methaan en C2-koolwaterstoffen.)

649-132-00-6

270-780-7

68477-97-4

H, K

Gassen (aardolie), waterstofbehandelaar-mengolie-terugvoer-, rijk aan waterstof en stikstof; Raffinaderijgas

649-133-00-1

270-781-2

68477-98-5

H, K

(Een complexe combinatie die wordt verkregen uit eruggevoerde met waterstof behandelde mengolie. Bestaat voornamelijk uit waterstof en stikstof met diverse kleine hoeveelheden koolmonoxide, kooldioxide en koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C5.)

       

Gassen (aardolie), terugvoer-, waterstofrijk; Raffinaderijgas

649-134-00-7

270-783-3

68478-00-2

H, K

(Een complexe combinatie die wordt verkregen uit teruggevoerde reactorgassen. Bestaat voornamelijk uit waterstof met diverse kleine hoeveelheden koolmonoxide, kooldioxide, stikstof, waterstofsulfide en verzadigde alifatische koolwaterstoffen, C1 tot en met C5.)

       

Gassen (aardolie), reformatorverzamel-, waterstofrijk; Raffinaderijgas

(Een complexe combinatie die wordt verkregen uit de reformatoren.

Bestaat voornamelijk uit waterstof met diverse kleine hoeveelheden koolmonoxide en alifatische koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C5.)

649-135-00-2

270-784-9

68478-01-3

H, K

Gassen (aardolie), reformerende waterstofbehandelaar;

Raffinaderijgas

(Een complexe combinatie die wordt verkregen uit het reformerende waterstofbehandelingsproces.

Bestaat voornamelijk uit waterstof, methaan en ethaan met diverse kleine hoeveelheden waterstofsulfide en alifatische koolwaterstoffen, overwegend C3 tot en met C5.)

649-136-00-8

270-785-4

68478-02-4

H, K

Gassen (aardolie), reformerende waterstofbehandelaar, rijk aan waterstof en methaan;

Raffinaderijgas

(Een complexe combinatie die wordt verkregen uit het reformerende waterstofbehandelingsproces.

Bestaat voornamelijk uit waterstof en methaan met diverse kleine hoeveelheden koolmonoxide, kooldioxide, stikstof en verzadigde alifatische koolwaterstoffen, overwegend C2 tot en met C5.)

649-137-00-3

270-787-5

68478-03-5

H, K

Gassen (aardolie), reformerende waterstofbehandelaar aanvullings-, waterstofrijk; Raffinaderijgas

(Een complexe combinatie die wordt verkregen uit het reformerende waterstofbehandelingsproces.

Bestaat voornamelijk uit waterstof met diverse kleine hoeveelheden koolmonoxide en alifatische koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C5.)

649-138-00-9

270-788-0

68478-04-6

H, K

Gassen (aardolie), thermisch kraken-destillatie-; Raffinaderijgas

(Een complexe combinatie die wordt gevormd door destillatie van producten van een thermisch kraakproces. Bestaat uit waterstof, waterstofsulfide, koolmonoxide, kooldioxide en koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C6.)

649-139-00-4

270-789-6

68478-05-7

H, K

Restgas (aardolie), katalytische

kraker-refractioneringsabsorbator;

Raffinaderijgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen door refractionering van producten uit een katalytisch kraakproces. Bestaat uit waterstof en koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C3.)

649-140-00-X

270-805-1

68478-25-1

H, K

Restgas (aardolie), katalytisch gereformeerde nafta-afscheider; Raffinaderijgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen uit de katalytische reformering van door directe fractionering verkregen nafta. Bestaat uit waterstof en koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C6.)

649-141-00-5

270-807-2

68478-27-3

H, K

Restgas (aardolie), katalytisch gereformeerde nafta-stabilisator; Raffinaderijgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen uit de stabilisatie van katalytisch gereformeerde nafta. Bestaat uit waterstof en koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C6.)

649-142-00-0

270-808-8

68478-28-4

H, K

Restgas (aardolie), gekraakt

destillaat

waterstofbehandelaarsafscheider;

Raffinaderijgas

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen door de behandeling van gekraakte destillaten met waterstof in de aanwezigheid van een katalysator. Bestaat uit waterstof en verzadigde alifatische koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C5.)

649-143-00-6

270-809-3

68478-29-5

H, K

Restgas (aardolie), waterstofontzwavelde door directe fractionering verkregen nafta-afscheider; Raffinaderijgas

649-144-00-1

270-810-9

68478-30-8

H, K

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen uit de waterstofontzwaveling van door directe fractionering verkregen nafta. Bestaat uit waterstof en verzadigde alifatische koolwaterstoffen, overwegend C1 tot en met C6.)

       

Gassen (aardolie), topproducten uit stabilisator van katalytisch gereformeerde door directe fractionering verkregen nafta; Raffinaderijgas

649-145-00-7

270-999-8

68513-14-4

H, K

(Een complexe verzameling koolwaterstoffen, verkregen door de katalytische reformering van door directe fractionering verkregen nafta gevolgd door fractionering van de totale uitstroom. Bestaat uit waterstof, ethaan en propaan.)

       

Gassen (aardolie), reformatoruitstroom hoge druk afdampvatuitstoot-; Raffinaderijgas

(Een complexe combinatie die wordt gevormd door het afdampen onder hoge druk van de uitstroom uit de reformeringsreactor. Bestaat voornamelijk uit waterstof met uiteenlopende kleine hoeveelheden methaan, ethaan en propaan.)

649-146-00-2

271-003-4

68513-18-8

H, K

Gassen (aardolie), reformatoruitstroom lage druk afdampvat uitstoot-; Raffinaderijgas

(Een complexe combinatie die wordt gevormd door het afdampen onder lage druk van de uitstroom uit de reformeringsreactor. Bestaat voornamelijk uit waterstof met uiteenlopende kleine hoeveelheden methaan, ethaan en propaan.)

6