Brief regering; Bijlagenboek bij de Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën - Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën

Deze bijlage(n) is onder nr. 2 toegevoegd aan dossier 35570 - Miljoenennota 2021.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën; Brief regering; Bijlagenboek bij de Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën
Document­datum 15-09-2020
Publicatie­datum 15-09-2020
Nummer KST355702
Kenmerk 35570, nr. 2
Externe link origineel bericht
Originele document in PDF

2.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2020-2021

35 570

Nr. 2

Nota over de toestand van 's rijks financiën

NOTA OVER DE TOESTAND VAN 'S RIJKS FINANCIËN

INHOUDSOPGAVE

1    Budgettaire kerngegevens en plafondtoetsen    4

1.1    Budgettaire kerngegevens    4

1.2    Plafondtoetsen    5

1.3    Coronagerelateerde uitgavenmaatregelen    23

1.4    Aansluiting visuele samenvatting met begrotingen en bijlagen

Miljoenennota    42

2    Uitgaven en niet-belastingontvangsten    44

3    Inkomstenkader    52

4    De belasting - en premieontvangsten    67

5    Toelichting op de belastingontvangsten    87

6    EMU-saldo    103

7    EMU-schuld    107

8    Overheidsbalans    110

9    Fiscale regelingen    113

10    Toelichting op de fiscale regelingen    129

11    Normeringssystematiek Gemeentefonds en Provinciefonds    157

12    Overzicht risicoregelingen van het Rijk    162

13    Regeerakkoordmiddelen op de aanvullende post    168

14    Verbetering informatievoorziening in en rond begrotingen    170

15    Europese begrotingsregels    172

16    Horizontale toelichting    176

De Koning    177

Staten Generaal    178

Hoge Colleges van Staat en Kabinetten    180

Algemene Zaken    182

Koninkrijksrelaties    183

Buitenlandse Zaken    185

Justitie en Veiligheid    186

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties    188

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap    191

Nationale Schuld (Transactiebasis)    194

Financiën    195

Defensie    198

Infrastructuur en Waterstaat    201

Economische Zaken en Klimaat    205

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit    208

Sociale Zaken en Werkgelegenheid    210

Volksgezondheid, Welzijn en Sport    214

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking    217

Nationaal Groeifonds    218

Sociale Verzekeringen    219

Premiegefinancierd Budgettair Plafond Zorg    221

Gemeentefonds    222

Provinciefonds    223

Infrastructuurfonds    224

Diergezondheidsfonds    226

Accres Gemeentefonds    227

Accres Provinciefonds    228

BES-fonds    229

Deltafonds    230

Defensiematerieelbegrotingsfonds    232

Prijsbijstelling    234

Arbeidsvoorwaarden    235

Koppeling Uitkeringen    236

Algemeen    237

Consolidatie    238

17    Verticale toelichting    244

De Koning    246

Staten Generaal    248

Hoge Colleges van Staat en Kabinetten    250

Algemene Zaken    252

Koninkrijksrelaties    254

Buitenlandse Zaken    257

Justitie en Veiligheid    260

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties    266

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap    274

Nationale Schuld (Transactiebasis)    279

Financiën    282

Defensie    291

Infrastructuur en Waterstaat    295

Economische Zaken en Klimaat    300

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit    312

Sociale Zaken en Werkgelegenheid    318

Volksgezondheid, Welzijn en Sport    332

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking    343

Sociale Verzekeringen    344

Zorg    349

Gemeentefonds    355

Provinciefonds    359

Infrastructuurfonds    361

Diergezondheidsfonds    366

Accres Gemeentefonds    368

Accres Provinciefonds    370

BES-fonds    371

Deltafonds    372

Defensiematerieelbegrotingsfonds    373

Prijsbijstelling    376

Arbeidsvoorwaarden    378

Koppeling Uitkeringen    379

Consolidatie    393

Homogene Groep Internationale Samenwerking    394

18    Taakopdracht IBO's    400

1 BUDGETTAIRE KERNGEGEVENS EN PLAFONDTOETSEN

1.1 Budgettaire kerngegevens

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de belangrijkste budgettaire kerngegevens tot en met 2025. Deze cijfers zijn gebaseerd op de Macro Economische Verkenning (MEV) van het Centraal Planbureau (CPB). Het kabinet verwacht in 2021 293,0 miljard euro aan inkomsten op te halen via belasting- en premieontvangsten. Er worden totale uitgaven verwacht van 336,6 miljard euro in 2021.

Tabel 1.1 Budgettaire kerngegevens

 

(in miljard euro, tenzij anders aangegeven)

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Inkomsten (belastingen en sociale premies)

283,0

293,0

297,6

313,3

322,3

333,1

Reguliere netto-uitgaven onder het uitgavenplafond

303,3

314,5

324,0

329,4

335,5

344,1

Rijksbegroting

144,2

148,4

151,6

153,0

154,3

156,9

Sociale zekerheid

85,8

90,9

93,2

94,5

96,2

98,7

Zorg

73,3

75,3

79,2

81,9

85,1

88,5

Noodmaatregelen corona relevant voor het EMU-saldo

30,9

12,3

1,0

0,3

0,1

0,0

Overige netto-uitgaven en correcties relevant voor het EMU-saldo

3,8

9,8

2,8

4,2

5,3

4,9

Totale netto-uitgaven relevant voor het EMU-saldo

338,0

336,6

327,7

333,9

340,9

349,1

EMU-saldo centrale overheid

  • - 
    55,0
  • - 
    43,5
  • - 
    30,2
  • - 
    20,6
  • - 
    18,6
  • - 
    16,0

EMU-saldo decentrale overheden

  • - 
    1,3
  • - 
    1,4
  • - 
    1,4
  • - 
    1,5
  • - 
    1,5
  • - 
    1,5

Feitelijk EMU-saldo

  • - 
    56,3
  • - 
    44,9
  • - 
    31,6
  • - 
    22,1
  • - 
    20,1
  • - 
    17,5

Feitelijk EMU-saldo (in procenten bbp)

  • - 
    7,2%
  • - 
    5,5%
  • - 
    3,7%
  • - 
    2,5%
  • - 
    2,2%
  • - 
    1,9%

EMU-schuld

462,7

502,0

533

559

583

603

EMU-schuld (in procenten bbp)

59,1%

61,1%

62,7%

64,0%

64,9%

65,3%

Bruto binnenlands product (bbp)

783

822

849

874

899

924

Het feitelijk EMU-tekort van de centrale overheid bedraagt 55,0 miljard euro in 2020 en 43,5 miljard euro in 2021. De decentrale overheden - onder andere de gemeenten, provincies en waterschappen - komen in 2021 naar verwachting uit op een tekort van 1,4 miljard euro. Het totale EMU-saldo van de overheid als geheel (centrale overheid en decentrale overheden) komt daarmee naar verwachting uit op een tekort van 56,3 miljard euro in 2020 en 44,9 miljard euro in 2021. Dit komt overeen met respectievelijk - 7,2 procent en - 5,5 procent van het bbp. De schuld bereikt in 2021 een niveau van 61,1 procent van het bbp.

1.2 Plafondtoetsen

Het kabinet stuurt in zijn begrotingsbeleid op uitgavenplafonds die voor de hele kabinetsperiode worden vastgesteld. Voor het overgrote deel van de rijksuitgaven geldt een uitgavenplafond. Het totale uitgavenplafond is onderverdeeld in drie deelplafonds: Rijksbegroting, Sociale Zekerheid en Zorg. Het kabinet toetst in de plafondtoetsen het verwachte uitgavenniveau aan het vooraf afgesproken uitgavenplafond voor de jaren van de kabinetsperiode. Het uitgavenplafond geeft de maximale ruimte weer voor uitgaven binnen de kabinetsperiode en hoeft niet maximaal benut te worden.

Tabel 1.2 laat zien dat het niveau van de begrote uitgaven in 2020 en 2021 gelijk is aan het totale uitgavenplafond. De uitgaven onder het deelplafond Rijksbegroting en Sociale zekerheid zijn hoger dan in het regeerakkoord vastgelegd. Deze worden gecompenseerd door een onderschrijding van het deelplafond Zorg. Na deze kabinetsperiode nemen de uitgaven structureel toe als gevolg van tegenvallers op de beleidsterreinen onderwijs, justitie en sociale zekerheid. Het kabinet kiest ervoor deze tegenvallers niet te dekken om bezuinigingen op staand beleid te voorkomen. Dit zorgt voor een verslechtering van het EMU-saldo vanaf 2022.

De grootste mutaties per deelplafond worden in deze paragraaf verder toegelicht. In bijlage 16 en in de suppletoire begrotingen worden de mutaties ten opzichte van Miljoenennota 2020 in meer detail toegelicht. Een overzicht van de noodmaatregelen in kader van corona is opgenomen in paragraaf 1.3.

 

Tabel 1.2 Plafondtoetsing totaalplafond en deelplafonds

(in miljarden euro, - is onderschrijding)

2020

2021

Totaal uitgavenplafond

   

Uitgavenplafond

334,2

326,8

Uitgavenniveau

334,2

326,8

Over-/onderschrijding

0,0

0,0

Rijksbegroting

   

Uitgavenplafond

155,4

154,3

Uitgavenniveau

156,6

155,1

Over-/onderschrijding

1,1

0,8

Sociale zekerheid

   

Uitgavenplafond

104,0

96,0

Uitgavenniveau

104,1

96,4

Over-/onderschrijding

0,1

0,4

Zorg

   

Uitgavenplafond

74,7

76,5

Uitgavenniveau

73,5

75,3

Over-/onderschrijding

  • - 
    1,2
  • - 
    1,1

Ontwikkeling uitgaven deelplafond Rijksbegroting

Tabel 1.3 Ontwikkeling uitgaven plafond Rijksbegroting

(in miljoenen euro, - is onderschrijding)    2020    2021    2022    2023    2024    2025

1 Uitgavenplafond bij Miljoenennota 2020    142.562    146.036

Aanpassingen van het uitgavenplafond naar aanleiding van:

 

2 Noodmaatregelen corona

12.383

6.708

       

3 Overboekingen met Sociale Zekerheid en Zorg

390

504

       

4 Loon- en prijsontwikkeling

387

  • 82
       

5 Volumebesluit gaswinning

  • 20
  • 140
       

6 Versnellen investeringen

0

279

       

7 Woningmarkt

0

195

       

8 Bedrijvenpakket

0

388

       

9 Meerjarig financieel kader EU-afdrachten '21-'27

0

352

       

10 Inzet ruimte 2020 en in 2021

  • 350

350

       

11 Valuta defensie

8

35

       

12 Overige plafondcorrecties

67

  • 344
       

13 Uitgavenplafond bij Miljoenennota 2021 (= 1 t/m 12)

155.426

154.281

       
 

14 Uitgaven bij Miljoenennota 2020

143.546

147.008

149.922

153.537

156.833

 

Uitgavenmutaties met aanpassing van het uitgavenplafond/zonder beslag op budgettaire ruimte:

           

15 Noodmaatregelen corona

12.383

6.708

674

269

65

21

16 Overboekingen met Sociale Zekerheid en Zorg

390

504

420

340

354

151

17 Loon- en prijsontwikkeling (incl. GFPF)

387

  • 82
  • 581
  • 1.134
  • 1.604
  • 1.914

18 Versnellen investeringen

0

279

382

536

67

58

19 Woningmarkt

0

195

100

100

100

100

20 Bedrijvenpakket

0

388

89

65

46

9

21 Meerjarig financieel kader EU-afdrachten '21-'27

0

352

  • 30
  • 267
  • 199
  • 194

22 Valuta defensie

8

35

51

51

31

26

23 Macro-economische mutaties na kabinetsperiode

0

0

  • 1.126
  • 1.838
  • 2.317
  • 2.629

24 Overige uitgavenmutaties zonder beslag budgettaire ruimte

67

  • 344
  • 156
  • 155
  • 128
  • 85

Uitgavenmutaties met beslag op budgettaire ruimte:

           

25 HGIS-bijstelling a.g.v. bni-volume t/m 2021

  • 370
  • 254
  • 254
  • 254
  • 254
  • 254

26 Intensivering HGIS n.a.v. AIV-advies en mitigatie krimp

540

272

152

  • 46
  • 164
  • 254

27 Gemeente-, Provincie- en BTW-Compensatiefonds

413

191

584

151

78

118

28 Overige EU-afdrachten

  • 265

0

0

0

0

0

29 Rente

  • 121
  • 1.036
  • 474
  • 474
  • 474
  • 474

30 Winstafdracht DNB en dividend staatsdeelnemingen

  • 223

497

387

335

311

  • 96

31 Prognosemodel justitiële ketens

113

143

336

331

336

332

32 Asielketen

143

173

57

51

22

24

33 Dekking J&V

  • 142
  • 63
  • 46
  • 44
  • 28
  • 28

34 Extra middelen tegen ondermijning

  • 22

141

150

150

150

150

35 Referentieraming en studiefinancieringsraming

42

270

303

390

464

510

36 Dekking OCW

  • 129
  • 36
  • 49
  • 54
  • 59
  • 61

37 Belasting- en invorderingsrente

  • 100
  • 150
  • 150
  • 150
  • 150
  • 150

38 Toeslagen: compensatie ouders en herstelacties

235

175

90

0

0

0

39 Borging stabiliteit en verbetering dienstverlening belastingdienst

252

450

451

451

415

374

40 Ramingsbijstelling SDE

0

  • 680

0

0

0

0

41 ETS-compensatie

0

179

0

0

0

0

42 Onttrekking begrotingsreserve duurzame energie

  • 63
  • 236

0

0

0

0

43 Maatregelen Urgenda

63

236

0

0

0

0

44 Maatregelenpakket stikstof

125

657

936

635

404

534

45 Veranderingsopgave inburgering

16

41

86

98

102

102

46 Jeugdzorg

0

0

300

0

0

0

(in miljoenen euro, - is onderschrijding)

2020

2021

2022

2023

2024

2025

47 Maatregelen gericht op werken in de zorg

0

20

80

130

130

130

48 Korting beleidsartikelen VWS-begroting

  • 133
  • 97
  • 97
  • 97
  • 97
  • 97

49 Eindejaarsmarge (incl. GF/PF en HGIS)

1.336

17

5

0

0

0

50 In=uit-taakstelling

  • 1.236
  • 17
  • 5

0

0

0

51 Taakstellende onderuitputting

0

  • 950

0

0

0

0

52 Kasschuiven

  • 865
  • 96

15

44

  • 54

441

53 Extrapolatie

0

0

0

0

0

160.067

54 Diversen

183

206

  • 286

89

14

56

55 Uitgaven bij Miljoenennota 2021 (= 14 t/m 54)

156.573

155.096

152.317

153.241

154.397

156.968

56    Over/onderschrijding uitgavenplafond bij Miljoenennota 2020 (=14-1)    985    972

57    Over/onderschrijding uitgavenplafond bij Miljoenennota 2021 (=55-13)    1.147    815

De toets op het deelplafond Rijksbegroting laat een verwachte overschrijding van het plafond zien van 1.147 miljoen euro in 2020 en 815 miljoen euro in 2021. In de Miljoenennota 2020 werd de overschrijding voor deze jaren nog ingeschat op 985 en 972 miljoen euro. De huidige overschrijding is een gevolg van zowel aanpassingen van de uitgaven als van het uitgavenplafond. Deze worden hieronder toegelicht. De uitgaven onder plafond Rijksbegroting zijn ten opzichte van de vorige Miljoenennota gestegen met grofweg 13 miljard euro in 2020 en 8 miljard euro in 2021. Het merendeel van deze uitgavenstijging wordt verklaard door de corona-noodmaatregelen die het kabinet getroffen heeft.

Aanpassingen van het uitgavenplafond

Het plafond Rijksbegroting wordt aangepast voor een aantal soorten mutaties. Op plafond Rijksbegroting zijn dit, conform de begrotingsregels, onder andere de overboekingen met de plafonds Sociale Zekerheid en Zorg, en de loon- en prijsbijstelling. Deze uitgavenmutaties waarvoor het plafond wordt aangepast worden verder uitgesplitst in de tabel onder 'uitgavenmutaties met aanpassing van het uitgavenplafond' en worden onder dat kopje verder toegelicht.

Ook is in de begrotingsregels opgenomen dat besluiten over het volume van gaswinning onder het uitgavenplafond gedekt worden. De technische uitwerking hiervan is dat het uitgavenplafond neerwaarts wordt bijgesteld waardoor er minder ruimte resteert onder het uitgavenplafond.

Daarnaast heeft het kabinet besloten om eenmalig het uitgavenplafond in 2020 te verlagen en het plafond 2021 met het gelijke bedrag te verhogen. Dit is gedaan om meer ruimte voor uitgaven in 2021 te creëren.

Uitgavenmutaties met aanpassing van het uitgavenplafond

  • 15. 
    Noodmaatregelen corona

Het kabinet heeft sinds de uitbraak van corona verschillende noodmaatregelen genomen. Het kabinet acht het niet wenselijk om voor deze noodmaatregelen andere uitgaven te verminderen, daarom gaan deze maatregelen buiten het reguliere uitgavenplafond om. In de technische verwerking wordt dit gerealiseerd via een plafondcorrectie. In paragraaf 1.3 van deze bijlage worden de coronamaatregelen verder uitgesplitst.

  • 16. 
    Overboekingen met Sociale Zekerheid en Zorg

Overboekingen van de deelplafonds Sociale Zekerheid en Zorg leiden tot een opwaartse bijstelling van de uitgaven onder het deelplafond Rijksbegroting. Deze bijstelling van het plafond is gelijk aan de grootte van de overboekingen. Het betreft hier onder andere de overboeking van aanvullende middelen voor dak- en thuislozen van deelplafond Zorg naar het Gemeentefonds en een overboeking van een reservering voor sectoraal maatwerk van deelplafond Sociale Zekerheid naar plafond Rijksbegroting

  • 17. 
    Loon- en prijsontwikkeling (incl. GFPF)

De uitgavenraming voor loon- en prijsontwikkeling is geactualiseeerd op basis van de economische ramingen van het CPB. De loon- en prijsontwikkeling 2020 is opwaarts bijgesteld ten opzichte van de Miljoenennota 2020 en de loon- en prijsontwikkeling 2021 is neerwaarts bijgesteld. De bijstellingen van de loon- en prijsontwikkeling zijn gelijk aan de aanpassing van het uitgavenplafond.

  • 18. 
    Versnellen investeringen

Het kabinet versnelt verschillende investeringen op de beleidsterreinen van IenW en BZK. Het gaat om een totaalbedrag van circa 1,5 miljard euro. Het betreft investeringen zoals onderhoud aan het spoor en (water)wegen, de veiligheid van (fiets)infrastructuur, versnelling van de woningbouwimpuls en verduurzaming van Rijksvastgoed. Hiervoor wordt het uitgavenplafond aangepast met een totaalbedrag van 1,3 miljard euro in de periode tot 2025.

  • 19. 
    Woningbouw

Het kabinet heeft besloten om meerjarig de uitgaven en het uitgavenplafond te verhogen voor de woningbouw. Tegelijkertijd wordt de overdachtsbe-lasting verhoogd voor bepaalde groepen en wordt de verhuurderheffing verlaagd. Aan de uitgavenkant wordt een eenmalige intensivering van 95 miljoen gedaan in 2021. Ook wordt er een reeks van 100 miljoen jaarlijks tot en met 2030 op de aanvullende post gereserveerd voor bronmaatregelen om een drempelwaarde voor de bouw in te kunnen voeren als onderdeel van de stikstofwet. Verder worden bestaande plannen voor de woningbouwimpuls versneld (zie «versnellen investeringen» onder punt 18).

  • 20. 
    Bedrijvenpakket

Voor het bedrijvenpakket worden meerjarig de uitgaven en het uitgavenplafond verhoogd. Tegelijkertijd wordt het tarief voor de vennootschapsbelasting bevroren. Als onderdeel van het pakket aan de uitgavenkant wordt een nationale scale-up faciliteit ingericht, met behulp van Europese middelen en bijdragen van private investeerders. Ook wordt uitgewerkt hoe startups en scale-ups lokaal beter gesteund kunnen worden. Voor het bedrijfsleven wordt ook gebruik gemaakt van Europese middelen voor cofinanciering bij nationale programma's en kunnen gemeenten uitwerken hoe met behulp van een Rijksbijdrage bedrijventerreinen en winkelcentra te herstructureren.

  • 21. 
    Meerjarig Financieel Kader EU-afdrachten '21-'27

Het MFK-akkoord vanaf 2021 is in deze Miljoenennota budgettair verwerkt. Binnen het MFK worden Europese investeringen naar voren gehaald. Daarom heeft het kabinet besloten de budgettaire effecten hiervan te corrigeren op het uitgavenplafond, zoals ook voor de investeringsver-snelling van het kabinet gedaan is (zie punt 18).

  • 22. 
    Valuta defensie

De nieuwe raming van de euro/dollarkoers uit het CEP van het Centraal Planbureau leidt tot een budgettaire tegenvaller op de uitgaven in dollars op het Defensiematerieelbegrotingsfonds. Conform kabinetsafspraak komen budgettaire mee- en tegenvallers als gevolg van valutaschomme-lingen direct ten gunste of ten laste van het EMU-saldo. De verwerking vindt plaats via een correctie van het uitgavenplafond.

  • 23. 
    Macro-economische mutaties na kabinetsperiode

Volgens de begrotingsregels worden macro-economische uitgavenmutaties na de kabinetsperiode niet betrokken in de besluitvorming. Zo wordt voorkomen dat deze beslag leggen op de budgettaire ruimte van het volgende kabinet. Het betreft hier de macro-economische doorwerking op de middelen voor de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) en de rente.

  • 24. 
    Overige uitgavenmutaties zonder beslag budgettaire ruimte

Deze post bevat de overige mutaties waarvoor het plafond is gecorrigeerd. Dit zijn onder meer het uitstel van de omzetting van de scholingsaftrek naar een subsidiemaatregel en de verwerking van Design, Build, Finance and Maintain-contracten (DBFM). Bij het aangaan van een DBFM-contract worden (kas)budgetten omgezet in meerjarige beschikbaarheidsbudgetten. Hiervoor worden zowel de uitgaven als het plafond gecorrigeerd.

Uitgavenmutatie met beslag op budgettaire ruimte

  • 25. 
    HGIS-bijstelling a.g.v. bni-volume t/m 2021

Conform de reguliere systematiek is het ODA-budget van de HGIS bijgesteld op basis van de verlaagde groeiverwachting van het BNI in de MEV van het Centraal Planbureau.

  • 26. 
    Intensivering HGIS n.a.v. AIV-advies en mitigatie krimp

De wereldwijde crisis is zo ingrijpend dat het kabinet ervoor kiest 500 miljoen extra beschikbaar te maken uit algemene middelen om de coronacrisis in de meest kwetsbare landen te bestrijden en het grootste deel van de terugval vanwege de BNI-daling eenmalig te compenseren op de BHOS-begroting.

  • 27. 
    Gemeente-, Provincie en BTW-Compensatiefonds

Deze post bestaat uit het accres voor de fondsen, voor zover dit beslag legt op de budgettaire ruimte en de overboekingen naar de fondsen vanaf andere begrotingen onder het plafond Rijksbegroting. In bijlage 11 'Norme-ringssystematiek' wordt het accres verder toegelicht.

  • 28. 
    Overige EU-afdrachten

De overige EU-afdrachten omvatten de bijstelling van de begroting voor 2020.

  • 29. 
    Rente

De raming van de rentelasten wijzigt als gevolg van geactualiseerde rentestanden in de MEV-raming van het CPB en doordat de verwachte financieringsbehoefte is geactualiseerd.

  • 30. 
    Winstafdracht DNB en dividend staatsdeelnemingen

De raming winstafdracht DNB en dividend staatsdeelnemingen is aangepast naar aanleiding van de meest recente winstramingen.

  • 31. 
    Prognosemodel justitiële keten (PMJ)

Het Prognosemodel Justitiële Keten (PMJ) van het WODC geeft de capaci-teitsbehoefte aan van de justitiële keten. Binnen de justitiële keten worden de komende jaren fors oplopende uitgaven geraamd, vooral voor het gevangeniswezen, de forensische zorg, TBS en de justitiële jeugdinrichtingen. Hiervoor worden middelen beschikbaar gesteld.

  • 32. 
    Asielketen

Als gevolg van de hoger dan verwachte asielinstroom en een langere verblijfsduur in de asielopvang loopt de bezetting in het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) op. De kosten van de eerstejaarsopvang van asielzoekers uit DAC-landen (Development Assistance Committee) worden toegerekend aan official development assistance (ODA). Het overige deel van de opvangkosten wordt generaal ingepast. Dit geldt ook voor de tegenvallers bij de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND), de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en de Raad voor de Rechtspraak (RvdR).

  • 33. 
    Dekking JenV

Deze post betreft meerdere maatregelen ter dekking van problematiek op de J&V-begroting Hieronder vallen ramingsbijstellingen, gedeeltelijke inzet van de prijsbijstelling, het afromen van exploitatieoverschotten bij uitvoeringsorganisaties, inzet van het surplus aan eigen vermogen van het COA, inzet van de asielreserve, inzet van een voorziening van de IND en meevallers uit de afrekeningen over 2019 bij COA en Nidos.

  • 34. 
    Extra middelen tegen ondermijning

Het kabinet stelt aanvullende middelen beschikbaar voor de aanpak van ondermijning. Voor deze aanpak komt vanaf 2022 structureel 150 miljoen euro beschikbaar.

  • 35. 
    Referentieraming en studiefinancieringsraming

Uit de Referentieraming 2020 bleek dit voorjaar dat de aantallen leerlingen en studenten hoger uitvallen dan de aantallen die in de OCW-begroting in 2019 zijn verwerkt. De voornaamste oorzaak van de tegenvaller is de nieuwe bevolkingsprognose van het CBS. Ook op de aanvullende bekostiging voor nieuwkomers in het primair en voortgezet onderwijs is er een tegenvaller. Bij studiefinanciering is sprake van hogere uitgaven vanwege meer studenten, onder andere bij het studentenreisproduct.

  • 36. 
    Dekking OCW

OCW levert structureel 61 mln. als dekking voor de hogere uitgaven die voortkomen uit de nieuwe referentieraming en studiefinancieringsraming. Deze dekking bestaat uit een deel van de eindejaarmarge, het stopzetten van het experiment vraagfinanciering in het hoger onderwijs, de loon- en prijsbijstelling (LPO) over regeerakkoordreeksen op de Aanvullende Post, een deel LPO buiten de bekostiging en een ramingsbijstelling op subsidies in het primair onderwijs.

  • 37. 
    Belasting- en invorderingsrente

Bij de belasting- en invorderingsrente (BIR) wordt een structurele ramings-bijstelling verwerkt van de ontvangsten. Dit wordt met name veroorzaakt door de stijging in de afgelopen jaren van het aantal (belastingplichtige) bedrijven en burgers en de gewijzigde verdeelsleutels van de BIR. Daarnaast wordt er voor de uitgavenkant een autonome tegenvaller verwacht als gevolg van hogere belastingteruggaven waarover rente moet worden betaald en vanwege de gewijzigde verdeelsleutels van de BIR.

  • 38. 
    Toeslagen: compensatie ouders en herstelacties

In de «Kabinetsreactie op het eindrapport van de Advies-commissie Uitvoering Toeslagen, het rapport van de Auditdienst Rijk (ADR) en het Zwartboek» worden middelen beschikbaar gesteld om de gevolgen van een onredelijk hard toeslagenstelsel zo veel mogelijk te repareren. Dit betreft cumulatief over de jaren 2020, 2021 en 2022 390 miljoen euro voor compensatie aan ouders en cumulatief 110 miljoen euro voor de uitvoeringskosten ervan door Toeslagen.

  • 39. 
    Borgen stabiliteit cruciale processen belastingdienst

De Belastingdienst wil nieuwe problemen voorkomen door de druk op cruciale processen te verlagen en door de uitvoeringscapaciteit op gelijk niveau te houden. Het betreft met name middelen voor de belastinginning en de ICT-dienstverlening.

  • 40. 
    Ramingsbijstelling SDE

De kasuitgaven van de SDE+ worden 680 miljoen euro neerwaarts bijgesteld om bij te dragen aan Rijksbrede problematiek. Dit is mogelijk omdat het geheel van de resterende meerjarig beschikbare middelen, inclusief de begrotingsreserve duurzame energie toereikend is voor het bereiken van de klimaatdoelstellingen.

  • 41. 
    ETS-compensatie

De subsidieregeling indirecte emissiekosten ETS biedt specifieke bedrijven die gevoelig zijn voor carbon leakage een subsidie ter compensatie voor hogere elektriciteitskosten als gevolg van de EU-emissiehandel. De raming voor 2021 is opwaarts bijgesteld. Hiervoor is 179 miljoen euro uit de algemene middelen aan de EZK-begroting toegevoegd.

  • 42. 
    Onttrekking begrotingsreserve duurzame energie en 43. Maatregelen Urgenda

Met een onttrekking aan de begrotingsreserve duurzame energie komen de middelen beschikbaar voor de Urgenda-maatregelen waarvan financiering bij Voorjaarsnota is verwerkt.

  • 44. 
    Maatregelenpakket stikstof

De structurele stikstofaanpak versterkt de natuur en biedt perspectief op ruimte voor economische en maatschappelijke ontwikkelingen. Hiertoe is dit voorjaar een omvangrijk maatregelenpakket geformuleerd. Voor het maatregelenpakket is ruim 5 miljard euro beschikbaar gesteld in de periode tot en met 2030.

  • 45. 
    Veranderingsopgave inburgering (VOI)

Per medio 2021 wordt het nieuwe inburgeringsstelsel VOI (Veranderopgave Inburgering) van kracht, waarbij gemeenten de regie krijgen over inburgering. Voor het nieuwe stelsel maakt SZW structureel extra middelen vrij op de eigen begroting. Een deel van deze middelen valt onder deelplafond Sociale Zekerheid, het overige deel valt onder het deelplafond Rijksbegroting.

  • 46. 
    Jeugdzorg

Het kabinet is eerder gemeenten voor de periode tot en met 2021 tegemoetgekomen met extra budget om te compenseren voor de extra groei in de jeugdzorg in combinatie met afspraken om de transitie- en transformatie-doelen van de decentralisatie van de jeugdhulp te realiseren. Deze periode wordt verlengd door eenmalig aanvullend 300 miljoen euro beschikbaar te stellen voor het jaar 2022.

  • 47. 
    Maatregelen gericht op werken in de zorg

Het kabinet trekt 130 miljoen euro structureel uit om werken in de zorg aantrekkelijker te maken. Dit gebeurt door het verminderen van werkdruk door meer zij-instromers en het verminderen van administratieve lasten, door meer loopbaanperspectief te bieden, door contracten te verbeteren en door de zeggenschap van professionals te vergroten.

  • 48. 
    Korting op beleidsartikelen VWS-begroting

Ter dekking van problematiek op de VWS-begroting wordt, vooruitlopend op de jaarlijkse onderuitputting, reeds een korting verwerkt op diverse beleidsartikelen. Daarmee wordt beoogd om gedurende het jaar minder onderuitputting op te laten treden.

  • 49. 
    Eindejaarsmarge en 50. In=uit-taakstelling

Departementen kunnen een deel van de middelen die in 2019 niet zijn besteed via de eindejaarsmarge meenemen naar 2020. Bij Voorjaarsnota 2020 is de eindejaarsmarge toegevoegd aan de departementale begrotingen. Als tegenhanger van de eindejaarsmarge is toen ook een in=uittaakstelling geboekt op de aanvullende post. Het inboeken van een in=uittaakstelling voorkomt dat het uitkeren van de eindejaarsmarge leidt tot belasting van het uitgavenplafond. De gedachte achter de in=uittaak-stelling is dat er aan het einde van dit jaar naar verwachting weer in min of meer dezelfde mate als in 2019 sprake zal zijn van onderbesteding op de begrotingen. Bij Miljoenennota 2021 is de in=uittaakstelling reeds met 100 miljoen euro ingevuld. De resterende in=uittaakstelling van 1236 miljoen euro dient gedurende 2020 te worden ingevuld.

  • 51. 
    Taakstellende onderuitputting

Bij Voorjaarsnota 2020 is, bovenop de jaarlijkse in=uittaakstelling, een taakstellende onderuitputting ingeboekt op de aanvullende post van 500 miljoen euro in 2020 en 950 miljoen euro in 2021. De taakstelling van 500 miljoen in 2020 is inmiddels bij Miljoenennota 2021 volledig ingevuld. Voor 2021 staat de taakstelling van 950 miljoen euro nog open. Deze taakstelling wordt gedurende 2021 ingevuld met onderuitputting en per saldo meevallers op de begrotingshoofdstukken. De reden voor het inboeken van taakstellende onderuitputting is dat in de afgelopen drie jaar sprake was van forse onderuitputting op de departementale begrotingen. Om te voorkomen dat ruimte onder het uitgavenplafond die gedurende de resterende kabinetsperiode ontstaat niet meer (doelmatig) kan worden ingezet, heeft het kabinet besloten hierop te anticiperen door een taakstellende onderuitputting te verwerken. Het kabinet creëert zo eenmalig maximale ruimte voor extra uitgaven in 2021.

  • 52. 
    Kasschuiven

Ten opzichte van de laatste Miljoenennota zijn een aantal middelen vanuit 2019 doorgeschoven naar 2020. Ook zijn middelen geschoven tussen 2020 en latere jaren. Het gaat onder andere om kasschuiven van middelen voor de Veranderopgave Inburgering, warme sanering van de varkenshouderij en de Rijksbijdrage voor de Woningbouw.

  • 53. 
    Extrapolatie

Onder deze post zijn de uitgaven voor het jaar 2025 vastgesteld.

  • 54. 
    Diversen

De post diversen bevat het saldo van de resterende uitgavenmutaties op de departementale begrotingen. Deze post bevat onder andere de in 2020 extra beschikbaar gestelde middelen voor veiligheid en defensie en de meerjarige aanvullende middelen voor de aanpak van het lerarentekort

Ontwikkeling uitgaven deelplafond Sociale Zekerheid

 

Tabel 1.4 Ontwikkeling uitgaven plafond Sociale Zekerheid

(in miljoenen euro, - is onderschrijding)

2020

2021

2022

2023

2024

2025

1 Uitgavenplafond bij Miljoenennota 2020

84.916

87.606

       

Aanpassingen van het uitgavenplafond naar aanleiding van:

           

2 Noodmaatregelen corona

18.245

5.497

       

3 Overboekingen met Rijksbegroting en Zorg

  • 157
  • 239
       

4 Loon- en prijsontwikkeling

178

  • 50
       

5 Niet-beleidsmatige mutatie WW en Bijstand

828

3.053

       

6 Betaald ouderschapsverlof

0

0

       

7 Wet kindgebonden budget (WKB)

0

150

       

8 Overige plafondcorrecties

  • 1
  • 1
       

9 Uitgavenplafond bij Miljoenennota 2021 (= 1 t/m 7)

104.008

96.016

       

10 Uitgaven bij Miljoenennota 2020

85.204

87.847

90.257

93.153

96.309

 

Uitgavenmutaties met aanpassing van het uitgavenplafond/ zonder beslag op budgettaire ruimte:

           

11 Noodmaatregelen corona

18.245

5.497

237

  • 6
  • 13
  • 7

12 Overboekingen met Rijksbegroting en Zorg

  • 157
  • 239
  • 276
  • 280
  • 280
  • 76

13 Loon- en prijsontwikkeling

178

  • 50
  • 752
  • 1.430
  • 1.908
  • 2.147

14 Niet-beleidsmatige mutatie WW en Bijstand

828

3.053

3.342

2.306

1.296

620

15 Betaald ouderschapsverlof

0

0

155

375

375

375

16 Wet kindgebonden budget (WKB) verhoging

0

150

150

150

150

150

17 Overige mutaties zonder beslag op budgettaire ruimte

  • 1
  • 1

149

25

4

2

Uitgavenmutaties met beslag op budgettaire ruimte:

           

18 Kinderopvangtoeslag (KOT)

109

57

68

78

89

105

19 Ziektewet (ZW)

132

172

178

169

154

139

20 Amendement 16/17-jarigen kinderbijslag (AKW)

57

57

56

56

55

55

21 Dekking amendement 16/17-jarigen kinderbijslag (AKW)

  • 53
  • 68
  • 69
  • 70
  • 72
  • 73

22 Arbeidsongeschiktheid

  • 1

68

92

95

152

226

23 Inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)

10

1

13

37

55

60

Inkomensvoorziening voor Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte

24 Werknemers (IOAW)

  • 19
  • 16

5

13

5

  • 7

25 Algemene Ouderdomswet (AOW)

  • 73
  • 19

6

5

1

  • 4

26 Veranderopgave Inburgering (VOI)

  • 43
  • 57
  • 32
  • 49
  • 67
  • 73

27 Transitievergoeding na twee jaar ziekte

  • 64
  • 12

0

0

0

0

28 Wet kindgebonden budget (WKB)

  • 167
  • 48
  • 42
  • 77
  • 129
  • 182

29 Wet tegemoetkoming loondomein (Wtl)

  • 80
  • 53
  • 83
  • 85
  • 63
  • 72

30 Toeslagenwet (TW)

12

47

54

45

36

31

31 Intensivering uitvoering

0

0

98

98

99

99

32 Eindejaarsmarge

47

0

0

0

0

0

33 In=uittaakstelling

  • 47

0

0

0

0

0

34 WKB herstelactie

133

0

0

0

0

0

35 Kasschuiven

  • 64

81

0

  • 9
  • 7

1

36 Extrapolatie uitgaven

0

0

0

0

0

99.550

37 Diversen

  • 118
  • 81
  • 141
  • 132
  • 100
  • 82

38 Uitgaven bij Miljoenennota 2021 (= 10 t/m 37)

104.067

96.385

93.466

94.467

96.142

98.687

39    Over/onderschrijding uitgavenplafond bij Miljoenennota 2020 (= 10-1)    288    241

40    Over/onderschrijding uitgavenplafond bij Miljoenennota 2021 (= 38-9)    59    368

De toets op het deelplafond Sociale Zekerheid laat een verwachte overschrijding van het plafond zien van 59 miljoen euro in 2020 en van 368 miljoen euro in 2021. Bij Miljoenennota 2020 was er sprake van een verwachte overschrijding van het uitgavenplafond Sociale Zekerheid van 288 miljoen euro in 2020 en van 241 miljoen euro in 2021. Ten opzichte van de Miljoenennota 2020 wordt in 2021 naar verwachting grofweg 8,5 miljard euro meer uitgegeven aan sociale zekerheid. Wanneer de uitgaven voor de coronamaatregelen hiervan worden uitgezonderd zijn de verwachte uitgaven grofweg 3 miljard euro hoger. Voor het uitgavenplafond Sociale Zekerheid geldt dat deze met de nieuwe plafondaanpassingen in 2021 naar boven wordt bijgesteld met 8.410 mln. ten opzichte van de stand bij Miljoenennota 2020. Gecorrigeerd voor de coronamaatregelen is dit 2.913 mln.

Aanpassingen van het uitgavenplafond

Het plafond Sociale Zekerheid wordt, conform de begrotingsregels, aangepast voor een aantal soorten mutaties. Dit zijn onder andere de overboekingen met de plafonds Rijksbegroting en Zorg en de geraamde loon- en prijsbijstelling. Deze uitgavenmutaties waarvoor het plafond wordt aangepast worden verder uitgesplitst in de tabel onder 'uitgavenmutaties met aanpassing van het uitgavenplafond' en worden onder dat kopje verder toegelicht.

Ook is in de begrotingsregels opgenomen dat het uitgavenplafond Sociale Zekerheid wordt aangepast voor niet-beleidsmatige mutaties in de WW en bijstand. Hierdoor hebben deze mutaties geen invloed op de ruimte onder uitgavenplafond Sociale Zekerheid.

Uitgavenmutaties met aanpassing van het uitgavenplafond

  • 11. 
    Noodmaatregelen corona

Het kabinet heeft sinds de uitbraak van corona verschillende noodmaatregelen genomen. Deze maatregelen gaan buiten het reguliere uitgavenplafond om. Het kabinet acht het niet wenselijk om voor deze noodmaatregelen andere uitgaven te verminderen, daarom gaan deze maatregelen buiten het reguliere uitgavenplafond om. In de technische verwerking wordt dit gerealiseerd via een plafondcorrectie. In paragraaf 1.3 van deze bijlage worden de coronamaatregelen verder uitgesplitst.

  • 12. 
    Overboekingen met Rijksbegroting en Zorg

Overboekingen van de plafonds Rijksbegroting en Zorg leiden tot een neerwaartse bijstelling van de uitgaven onder plafond Sociale Zekerheid. Deze bijstelling van het plafond is gelijk aan de grootte van de overboekingen. Het betreft onder andere de overboeking van een reservering voor sectoraal maatwerk naar plafond Rijksbegroting.

  • 13. 
    Loon- en prijsontwikkeling

De uitgavenraming voor loon- en prijsontwikkeling is geactualiseerd op basis van de economische ramingen van het CPB. De loon- en prijsontwikkeling 2020 is opwaarts bijgesteld ten opzichte van de Miljoenennota 2020 en de loon- en prijsontwikkeling 2021 is neerwaarts bijgesteld. De bijstelling en van de loon- en prijsontwikkeling zijn gelijk aan de aanpassing van het uitgavenplafond.

  • 14. 
    Niet-beleidsmatige mutaties WW en bijstand

In de begrotingsregels is afgesproken dat het uitgavenplafond Sociale Zekerheid wordt aangepast voor niet-beleidsmatige mutaties in de WW en bijstand. Hierdoor hebben deze mutaties geen invloed op de ruimte onder uitgavenplafond Sociale Zekerheid. Op basis van uitvoeringsinformatie van het UWV en gemeenten en de werkloosheidsraming van het CPB zijn de ramingen aangepast. Ook voor de uitvoeringskosten van het UWV die gerelateerd zijn aan de stijgende WW-instroom door de oplopende werkloosheid is het uitgavenplafond aangepast. Het CPB raamt dat we in korte tijd van een hoogtepunt van de conjunctuur naar een dieptepunt gaan. De verwachting is dat het aantal WW- en bijstandsuitkeringen gaat toenemen. Dit leidt tot een forse opwaartse bijstelling van de WW- en de bijstandsuitgaven.

  • 15. 
    Betaald ouderschapsverlof

Naar aanleiding van het IBO Deeltijdwerk en Richtlijn (EU) 2019/1158 i voert het kabinet vanaf 2 augustus 2022 betaald ouderschapsverlof in. Werknemers krijgen bij opname van ouderschapsverlof een vergoeding van 50% van het laatstverdiende loon (gemaximeerd op 50% van het maximum dagloon). Middels een aanpassing van de Aof-premie en de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) wordt het ouderschapsverlof via het inkomstenkader gedekt. Hiervoor word het uitgavenplafond en het inkomstenkader gecorrigeerd.

  • 16. 
    Wet kindgebonden budget (WKB) verhoging

Vorig jaar is 150 miljoen euro gereserveerd aan de lastenkant voor het verkleinen van het verschil tussen alleenverdieners en tweeverdieners. Dit wordt nu aangewend voor een verhoging van het bedrag in het kindgebonden budget (WKB) vanaf het derde kind. De kans op armoede onder kinderen in grote gezinnen wordt hierdoor verlaagd.

  • 17. 
    Overige uitgavenmutaties zonder beslag op budgettaire ruimte

Het uitgavenplafond wordt gecorrigeerd voor mutaties in het aandeel eigen-risicodragers in de Ziektewet (ZW). Er is een opwaartse bijstelling doordat minder werkgevers eigenrisicodrager zijn. Daarnaast vallen onder deze mutatie de middelen voor een intensivering in de uitvoering, waarbij budget beschikbaar wordt gesteld voor knelpunten in de uitvoering bij UWV, SVB en BKWI.

Uitgavenmutaties met beslag op budgettaire ruimte

  • 18. 
    Kinderopvangtoeslag (KOT)

Het gebruik van kinderopvang is in 2019 en begin 2020 sterker gestegen dan eerder werd verwacht. Hoewel het gebruik daarna licht is afgenomen vanwege de coronacrisis, komt het gebruik van kinderopvang per saldo hoger uit dan eerder geraamd. Voor 2021 is er een dempend effect door een lager gebruik van kinderopvang als gevolg van de coronacrisis. Verwachting is dat de conjunctuur zich in latere jaren geleidelijk herstelt. Daarnaast sluiten de voorschotten KOT naar verwachting beter aan bij het bedrag waar ouders uiteindelijk recht op hebben. Dit leidt in alle jaren tot minder nabetalingen en vooral tot minder ontvangsten uit terugvorderingen.

  • 19. 
    Ziektewet (ZW)

De verwachte uitgaven aan de Ziektewet zijn opwaarts bijgesteld door een stijging van het volume. Dit komt door een sterke toename van het aantal WW-gerechtigden. Daarnaast valt de stijging van het aantal flexkrachten met een ZW-uitkering in 2020 hoger uit dan werd verwacht. Door de verslechterde economische omstandigheden neemt de instroom van flexwerkers in latere jaren juist af, doordat naar verwachting minder mensen met een uitzendcontract of tijdelijk dienstverband aan het werk zijn.

  • 20. 
    Amendement 16/17-jarigen kinderbijslag (AKW)

De eisen die in de kinderbijslag (AKW) werden gesteld aan 16- en 17-jarigen zijn per 1 januari 2020 vervallen. Het gaat om verlies van het recht op kinderbijslag boven de bijverdiengrens en wanneer het kind gaat studeren in het hoger onderwijs. Hierdoor hebben meer ouders recht op AKW. Daarnaast hebben meer ouders recht op kindgebonden budget (WKB), omdat het recht op AKW een voorwaarde is voor het recht op WKB.

  • 21. 
    Dekking amendement 16-17-jarigen kinderbijslag (AKW)

Ter dekking van het amendement 16-17 jarigen wordt het kinderbijslag bedrag voor 2020 niet aangepast met de ontwikkeling van de consumentenprijsindex.

  • 22. 
    Arbeidsongeschiktheid

De tegenvaller op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (WAO, WGA en IVA) wordt met name veroorzaakt door verwerking van nieuwe inzichten over de ontwikkeling van de beroepsbevolking. De update van de beroepsbevolkingsprognose van het CPB van eind 2019 laat naast een stijging van het aantal werkenden een verschuiving in de samenstelling zien richting vrouwen en ouderen ten opzichte van de vorige prognose uit 2014.

  • 23. 
    Inkomensvoorziening Oudere Werklozen (IOW)

Er is een tegenvaller op de IOW-uitgaven vanaf 2022 als gevolg van de coronacrisis. Het CPB verwacht dat we in korte tijd van een hoogtepunt van de conjunctuur naar een dieptepunt gaan. De verwachting is dat het aantal ouderen met een WW-uitkering gaat toenemen. Een deel van deze groep stroomt na twee jaar WW de IOW in.

  • 24. 
    Inkomensvoorziening voor Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte Werknemers (IOAW)

De IOAW is in 2020 en 2021 neerwaarts bijgesteld. Dat is het saldo van een neerwaartse bijstelling door de verwerking van realisaties 2019 en een opwaartse bijstelling vanwege de verwachte doorstroom van oudere werklozen vanuit de WW naar de IOAW. Vanaf 2022 zorgt deze verhoogde doorstroom voor een tegenvaller op de IOAW-uitgaven.

  • 25. 
    Algemene Ouderdomswet (AOW)

De raming van de AOW-uitkeringslasten is neerwaarts bijgesteld. De hoger dan verwachte sterfte in de eerste helft van 2020 leidt naar verwachting tot een lager aantal AOW-gerechtigden in 2020 en 2021. Na 2021 is de bijstelling van de raming beperkt.

  • 26. 
    Veranderopgave Inburgering (VOI)

Per medio 2021 treedt het nieuwe inburgeringsstelsel VOI in werking, waarbij gemeenten de regie krijgen over inburgering. Voor het nieuwe stelsel maakt SZW structureel middelen vrij. Een deel van deze middelen valt onder uitgavenplafond Sociale Zekerheid, het overige deel valt onder het plafond Rijksbegroting.

  • 27. 
    Transitievergoeding na twee jaar ziekte

De raming op de compensatie transitievergoeding is naar beneden bijgesteld. Dit komt onder andere doordat er eerder nog geen rekening mee was gehouden dat transitievergoedingen die in 2020 door de werkgever betaald worden niet allemaal in 2020 door het UWV gecompenseerd worden (werkgever moet aanvragen, UWV moet beoordelen en uitbetalen).

  • 27. 
    Wet kindgebonden budget (WKB)

Er is een meevaller op de WKB door een afname van de uitgaven als gevolg van een positievere inkomensontwikkeling dan verwacht. Daar staat tegenover dat de coronacrisis in 2020 leidt tot een slechtere inkomenspositie van huishoudens en daarmee meer uitgaven aan de WKB. Deze impact is naar verwachting pas zichtbaar in de WKB-uitgaven in 2021; de meevaller is in dat jaar minder groot. In de jaren daarna herstelt de economie naar verwachting gestaag en wordt de WKB-meevaller weer groter.

  • 28. 
    Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl)

Binnen de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) laten de realisatiecijfers een meevaller zien op de loonkostenvoordelen (LKV), een tegenvaller op het lage-inkomensvoordeel (LIV) en een meevaller op het jeugd-LIV. Op basis van deze realisaties zijn de verwachte uitgaven aan de LKV meerjarig neerwaarts bijgesteld.

  • 29. 
    Toeslagenwet (TW)

Er is een tegenvaller op de TW-uitgaven als gevolg van de coronacrisis. Dit komt voor het grootste deel door een stijging van het aantal aanvullingen op WW-uitkeringen. Het CPB verwacht dat we in korte tijd van een hoogtepunt van de conjunctuur naar een dieptepunt gaan. De verwachting is dat het aantal mensen met een WW-uitkering gaat toenemen. Een deel van deze groep heeft recht op een aanvulling vanuit de Toeslagenwet.

  • 30. 
    Intensivering uitvoering

Vooruitlopend op de uitkomsten van Werk aan Uitvoering (WAU) heeft het kabinet structureel 100 miljoen beschikbaar gesteld voor knelpunten in de uitvoering bij UWV, SVB en BKWI. Deze knelpunten hebben te maken met het onderhoud en modernisering van ICT, het verbeteren en maatwerk bieden in de dienstverlening en voor artsen- en handhavingscapaciteit.

Het grootste gedeelte valt onder uitgavenplafond Sociale Zekerheid en is terug te zien in bovenstaande tabel. Het restant van de 100 miljoen valt onder plafond Rijksbegroting.

  • 31. 
    Eindejaarsmarge en 32. In=uit-taakstelling

Departementen kunnen een deel van de in 2019 niet-bestede middelen via de eindejaarsmarge doorschuiven naar 2020. Als tegenhanger van de eindejaarsmarge wordt een in=uittaakstelling geboekt op de aanvullende post. De gedachte achter de in=uittaakstelling is dat er aan het einde van dit jaar weer in dezelfde mate als in 2019 sprake zal zijn van onderbesteding op de begrotingen. Door hiervoor alvast een taakstelling in te boeken zorgt het uitkeren van de eindejaarsmarge 2019 niet voor een belasting van het uitgavenplafond.

  • 33. 
    WKB herstelactie

De verdeling van de uitgaven voor de WKB-herstelactie verloopt iets anders over de jaren dan oorspronkelijk geraamd. Dit leidt tot een verschuiving van

55,2 miljoen van 2019 naar 2020. Daarnaast is tijdens de uitvoering een extra groep in beeld gekomen die in aanmerking komt voor herstel. De meerkosten hiervan zijn 78,0 miljoen.

  • 34. 
    Kasschuiven bij Najaarsnota 2019

Dit betreft een kasschuif van de middelen voor de herstelactie Wet kindgebonden budget (WKB). Door vertraging van de uitvoering van de herstelactie werd het beoogde kasritme niet gehaald en zijn de middelen naar 2020 geschoven.

  • 35. 
    Kasschuiven

Er zijn verschillende kasschuiven onder het uitgavenplafond Sociale Zekerheid, waaronder kasschuiven voor Breed Offensief, Veranderopgave Inburgering (VOI) en uitvoeringskosten van het EU-ouderschapsverlof.

  • 36. 
    Extrapolatie uitgaven

Onder deze post zijn de uitgaven voor het jaar 2025 vastgesteld.

  • 37. 
    Diversen

Hieronder vallen onder andere herschikkingen binnen de begroting om verschillende moties te dekken, diverse mutaties op de uitvoeringskosten van het UWV en de SVB en de verwerking van het Beeld van de Uitvoering (BvdU) van gemeenten in de raming van de bijstand voor zelfstandigen (BBZ).

Ontwikkeling uitgaven deelplafond Zorg

 

Tabel 1.5 Ontwikkeling uitgaven plafond Zorg

(in miljoenen euro, - is onderschrijding)

2020

2021

2022

2023

2024

2025

1 Uitgavenplafond bij Miljoenennota 2020

74.713

78.364

       

Aanpassingen van het uitgavenplafond naar aanleiding van:

           

2 Noodmaatregelen corona

263

58

       

3 Schadelastdip ggz

 
  • 1.247
       

4 Doorwerking aanpassing box 3 op eigen betalingen Wlz

 

3

       

5 Overboekingen met Rijksbegroting en Sociale Zekerheid

  • 233
  • 265
       

6 Loon- en prijsontwikkeling

  • 17
  • 444
       

7 Uitgavenplafond bij Miljoenennota 2021 (= 1 t/m 6)

74.727

76.468

       
 

8 Uitgaven bij Miljoenennota 2020

73.443

77.154

80.692

85.047

89.566

 

Uitgavenmutaties met aanpassing van het uitgavenplafond/ zonder beslag op budgettaire ruimte:

           

9 Noodmaatregelen corona

263

58

       

10 Schadelastdip ggz

 
  • 1.247
       

11 Doorwerking aanpassing box 3 op eigen betalingen Wlz

 

3

3

11

11

11

12 Overboekingen met Rijksbegroting en Sociale Zekerheid

  • 233
  • 265
  • 144
  • 60
  • 74
  • 75

13 Loon- en prijsontwikkeling

  • 17
  • 444
  • 279
  • 250
  • 431
  • 327

14 Verwerking mlt 2022-2025

   
  • 987
  • 2.525
  • 3.740
  • 4.987

Uitgavenmutaties met beslag op budgettaire ruimte:

           

15 Actualisatie Wijkverpleging (VJN)

  • 341
  • 341
  • 341
  • 341
  • 341
  • 341

16 Actualisatie overige Zvw-uitgaven (niet HLA-sectoren; VJN)

56

  • 144
  • 144
  • 144
  • 144
  • 144

17 Actualisatie Zvw o.b.v. Q2 2020 (MN)

  • 79
         

18 Ramingsbijstelling apotheekzorg en hulpmiddelen

  • 168
  • 100
  • 100
  • 100
  • 100
  • 100

19 Besparingsverlies vertraging WGP

88

         

Standaardisatie inkoop- en verantwoordingseisen in aantal Zvw-20 sectoren

 

7

7

  • 100
  • 100
  • 100

21 Tegenvaller Wlz-kader

480

480

480

480

480

480

22 Ramingsbijstellingen overige Wlz-uitgaven

  • 11
  • 121
  • 138
  • 138
  • 138
  • 138

23 Sociaal domein

134

184

54

54

54

54

24    Kasschuif SectorplanPlus

25    Extrapolatie uitgaven

  • 62

20

42

   

94.090

26 Diversen

  • 22

81

19

13

15

40

27 Uitgaven bij Miljoenennota 2021 (= 8 t/m 26)

73.532

75.324

79.164

81.947

85.058

88.463

 

28 Over/onderschrijding uitgavenplafond bij Miljoenennota 2020 (= 8-1)

  • 1.270
  • 1.210
       

29 Over/onderschrijding uitgavenplafond bij Miljoenennota 2021 (= 27-7)

  • 1.195
  • 1.144
       

De toets op het deelplafond Zorg laat een een onderschrijding zien van

1.2    miljard euro in 2020 en 1,1 miljard euro in 2021. Bij Miljoenennota 2020 was er sprake van een onderschrijding van uitgavenplafond Zorg van

1.3    miljard euro in 2020 en 1,2 miljard euro in 2021. De huidige onderschrijding is een gevolg van zowel aanpassingen van de uitgaven als van het uitgavenplafond. Deze worden hieronder toegelicht. De uitgaven onder plafond Zorg zijn ten opzichte van de vorige Miljoenennota gedaald met

I, 8 miljard euro in 2021.

Aanpassing van het uitgavenplafond

Het plafond Zorg wordt, conform de begrotingsregels, aangepast voor een aantal soorten mutaties. Op plafond Zorg zijn dit overboekingen met de plafonds Rijksbegroting en Sociale Zekerheid en de loon- en prijsbijstelling. Deze uitgavenmutaties waarvoor het plafond wordt aangepast worden verder uitgesplitst in de tabel onder 'uitgavenmutaties met aanpassing van het uitgavenplafond' en worden onder dat kopje verder toegelicht.

Uitgavenmutaties met aanpassing van het uitgavenplafond

  • 9. 
    Noodmaatregelen corona

Het kabinet heeft sinds de uitbraak van corona verschillende noodmaatregelen genomen. Het kabinet acht het niet wenselijk om voor deze noodmaatregelen andere uitgaven te verminderen, daarom gaan deze maatregelen buiten het reguliere uitgavenplafond om. In de technische verwerking wordt dit gerealiseerd via een plafondcorrectie. In paragraaf 1.3 van deze bijlage worden de coronamaatregelen verder uitgesplitst.

  • 10. 
    Schadelastdip ggz

In de ggz wordt per 2022 een nieuw bekostigingsmodel ingevoerd, dit leidt eenmalig tot een boekhoudkundige verlaging van de uitgaven in 2021 en een even grote afname van het (norm)vermogen van het Zorgverzekering-fonds. Bij de invoering van het huidige bekostigingsmodel zagen we eenzelfde stijging. In de praktijk verandert er niks voor zorgaanbieders, zij krijgen op kasbasis dezelfde vergoeding van de zorgverzekeraar. Net als bij eerdere vergelijkbare wijzigingen in de bekostiging van de Zvw die geen effect hebben op het EMU-saldo, wordt voor deze uitgavenmutatie het uitgavenplafond gecorrigeerd.

II.    Doorwerking aanpassing box 3 op eigen betalingen Wlz

De aanpassingen in box 3 hebben effect op de eigen bijdrage Wlz. Omdat voor de eigen bijdrage volgens de Wlz het toetsinkomen een vertraging kent van twee jaar, treedt dit deel van het effect op in 2023.

  • 12. 
    Overboekingen met Rijksbegroting en Sociale zekerheid Overboekingen naar de deelplafonds Rijksbegroting en Sociale Zekerheid leiden tot een opwaartse bijstelling van de uitgaven onder het deelplafond Rijksbegroting. Deze bijstelling van de uitgaven is gelijk aan de plafondaan-passing hiervoor. Dit betreft onder andere 75 miljoen euro in 2020 en 125 miljoen euro in 2021 voor dak- en thuislozen, én 53 miljoen euro structureel voor vrouwenopvang.
  • 13. 
    Loon- en prijsontwikkeling

De loon- en prijsontwikkeling is in 2020 hoger dan geraamd in de Miljoenennota 2020, in 2021 is deze lager. Dit leidt tot een bijstelling van de uitgaven aan deze post. Om te voorkomen dat verandering in de loon- en prijsontwikkeling leidt tot budgettaire ruimte of problematiek, wordt het uitgavenplafond samen met de uitgaven aangepast.

  • 14. 
    Verwerking MLT 2022-2025

Deze bijstelling betreft de technische verwerking van de middellangeter-mijnverkenning (MLT) 2022-2025 van het CPB. De bijstelling wordt voornamelijk veroorzaakt door een lagere volumegroei voor de jaren vanaf 2022 dan waar eerder, op basis van de mlt voor de periode 2018-2021, van uit werd gegaan.

Uitgavenmutaties met beslag op budgettaire ruimte

  • 15. 
    Actualisatie wijkverpleging en 16. Actualisatie overige Zvw-uitgaven Op basis van de voorlopige realisatiecijfers over 2019 van het Zorginstituut Nederland zijn de uitgaven van niet HLA-sectoren geactualiseerd bij de Voorjaarsnota 2020. De uitgaven aan wijkverpleging zijn in 2019 441 miljoen euro lager uitgevallen dan geraamd. Vanaf 2020 wordt een neerwaartse bijstelling van 341 miljoen euro structureel verwerkt in de begroting. De budgettaire afspraken uit het hoofdlijnenakkoord worden in stand gehouden. Daarnaast zijn de uitgaven aan diverse niet-HLA-sectoren in 2019 lager uitgevallen dan geraamd. Vanaf 2020 wordt een deel van deze lagere uitgaven structureel verwerkt in de begroting. Het gaat onder meer om aanpassingen van 58 miljoen euro bij genees- en hulpmiddelen, 53 miljoen euro bij tweedelijnszorg en 30 miljoen euro bij ziekenvervoer. Bij de Miljoenennota 2020 is voor 2020 al 200 miljoen euro actualisatie verwerkt op nominaal en onverdeeld Zvw, per saldo resteert nu een overschrijding van 56 miljoen euro in 2020 (-144 miljoen euro + 200 miljoen euro).
  • 17. 
    Actualisatie Zvw o.b.v. Q2 2020

Op basis van de meest recente inschatting van zorgverzekeraars van de verwachte uitgaven inclusief de effecten van COVID-19 zijn de Zvw-uitgaven geactualiseerd. De ramingen van zorgverzekeraars zijn voor een deel gebaseerd op daadwerkelijke declaraties van de eerste twee kwartalen, maar voor een groter deel op bijschattingen op basis van trends en contracten tussen verzekeraars en aanbieders.

  • 18. 
    Ramingsbijstelling genees- en hulpmiddelen en 19. Besparingsverlies vertraging WGP

De uitgaven aan apotheekzorg zijn in 2020 en verder op basis van een raming van Zorginstituut Nederland naar verwachting lager dan eerder geraamd. Dit leidt tot een neerwaartse bijstelling van de uitgaven aan apotheekzorg van 88 miljoen euro in 2020 oplopend tot 100 miljoen euro in 2021 en verder. Daarnaast ontstaat in 2020 door uitstel van de aanpassing van Wet geneesmiddelenprijzen (Wgp) een besparingsverlies (zie reeks 15). Deze kosten worden opgevangen binnen de raming voor apotheekzorg en hulpmiddelen.

  • 20. 
    Standaardisatie inkoop- en verantwoordingseisen in aantal Zvw-sectoren

In een aantal Zvw-sectoren worden de inkoop- en verantwoordingseisen gestandaardiseerd. Hierdoor zijn zorgaanbieders minder tijd kwijt aan administratieve lasten. Dit leidt tot een besparing van 100 miljoen euro structureel.

  • 21. 
    Tegenvaller Wiz-kader

De NZa heeft in de Maartbrief een tekort van 550 miljoen euro geraamd voor de Wlz als gevolg van extra volumegroei en de groei van wachtlijsten. Na inzet van de resterende herverdeelmiddelen in het Wlz-kader resteert een knelpunt van 480 miljoen euro

  • 22. 
    Ramingsbijstelling overige Wlz-uitgaven

Voor het Kwaliteitskader verpleeghuiszorg is in totaal 300 miljoen euro geraamd voor de aanzuigende werking. Per 2021 komt de laatste plak van 110 miljoen euro hiervoor beschikbaar en wordt deze overgeheveld naar het Wlz-kader. Daarnaast wordt de raming voor zorginfrastructuur vanaf 2022 met 20 miljoen euro naar beneden bijgesteld.

  • 23. 
    Sociaal domein

Voor het sociaal domein gaan er extra middelen naar gemeenten. Ten eerste 39 miljoen euro structureel voor de uitbreiding van diverse taken voor Veilig Thuis. Ten tweede 16 miljoen euro structureel om 35 centrumgemeenten te ondersteunen in hun verantwoordelijk voor Vrouwenopvang. Als laatste incidentele middelen voor dak- en thuislozen voor preventie, vernieuwing van de opvang en het wonen met begeleiding (75 miljoen euro in 2020 en 125 miljoen euro in 2021). Volgens schattingen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) telt ons land namelijk bijna 40.000 dak- en thuislozen.

  • 24. 
    Kasschuif SectorplanPlus

Het kasritme van de regeling SectorplanPlus wordt op basis van de aanvragen voor het volgende en laatste tijdvak aangepast.

  • 25. 
    Extrapolatie

Onder deze post zijn de uitgaven voor het jaar 2025 vastgesteld.

  • 26. 
    Diversen

De diversen post betreft onder meer de structurele doorwerking van de laatste uitvoeringscijfers in de Zvw over 2019 (14 miljoen euro structureel), en een besparingsverlies van 40 miljoen euro in 2021 door het uitstellen van de modernisering van het geneesmiddelenvergoedingssysteem met een half jaar, en er worden middelen toegevoegd voor de bekostiging van ggz-opleidingen (17 miljoen euro structureel) en voor de herijking van de tarieven voor de kraamzorg (10 miljoen euro structureel).

1.3 Coronagerelateerde uitgavenmaatregelen

Gezien de plotselinge en uitzonderlijke situatie heeft het kabinet besloten tot noodmaatregelen om de economische gevolgen van het coronavirus het hoofd te bieden. Gegeven deze uitzonderlijke situatie heeft het kabinet besloten dat het reguliere uitgavenplafond niet geldt voor de uitgaven uit het noodpakket. Dit betekent dat de extra uitgaven niet ten koste gaan van andere uitgaven, maar dat ze zorgen voor een verslechtering van het EMU-saldo en een verhoging van de EMU-schuld.

De raming van het budgettair beslag van veel noodmaatregelen is met onzekerheid omgeven en hangt sterk af van het uiteindelijke beroep op bepaalde regelingen. Op basis van realisaties en uitvoeringsinformatie zijn een aantal regelingen bijgesteld. Daarnaast zijn de maatregelen uit het herstelpakket en het flankerend beleid toegevoegd. Omdat de noodmaatregelen in de praktijk buiten het uitgavenplafond vallen, leiden lagere uitgaven niet tot ruimte voor nieuwe maatregelen. Omgekeerd leidt een hoger dan verwacht gebruik van deze regelingen niet tot problematiek.

Tabel 1 en 2 geven een actueel overzicht van de coronagerelateerde uitgavenmaatregelen waarvoor het reguliere uitgavenplafond niet geldt. Departementen hebben daarnaast extra maatregelen genomen welke wel worden gedekt onder het uitgavenplafond, deze maatregelen worden toegelicht in de VT's van desbetreffende departementen.

Een uitgebreid overzicht van de overheidsfinanciën in coronatijd is ook terug te vinden op www.rijksfinancien.nl/overheidsfinancien-coronatijd.

 

Tabel 1 Uitgaven relevant voor EMU-saldo

(in miljoenen euro, + is hogere uitgaven)

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Totaal uitgaven relevant voor EMU-saldo

30.891

12.263

987

262

53

15

 

Koninkrijksrelaties en BES fonds

50

         

1 Voedselpakketten Landen en Openbare Lichamen

42

         

2 Inkomstenderving Openbare Lichamen

8

         

Buitenlandse Zaken

7

         

3 Consulaire bijstand (noodhulpfonds coronacrisis)

7

         

Justitie en Veiligheid

3

40

       

4 Verlopen rijbewijzen en APK's

3

         

5 Inhalen achterstanden strafrechtketen

 

40

       

Binnenlandse Zaken

86

22

19

15

   

6 Doorbouwen tijdens coronacrisis

70

         

Lagere terugontvangsten huurtoeslag door verlaging

7 invorderingsrente

8

7

4

     

8    Lokale culturele voorzieningen provincies

9    Verduurzaming woningen

8

15

15

15

   

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

654

201

11

     

10 Aanvullende ondersteuning culturele sector

300

         

11 Steunpakket onderwijs

307

176

11

     

12 Steunfonds voor lokale informatievoorziening (media)

24

         

13 Aanpak jeugdwerkeloosheid

5

19

       

14 Programmakosten landelijke publieke omroep

19

         

15 Tel mee met taal

 

6

       

Financiën en Nationale Schuld

1.269

528

58

  • - 
    55
  • - 
    92
  • - 
    79

16 Belasting- en invorderingsrente 1.0

88

114

28

13

8

 

Belasting- en invorderingsrente 2.0

66

16

14

12

8

8

Belasting- en invorderingsrente 3.0

20

119

102

23

12

5

17 Boetes en schikkingen en bekostiging 1.0

59

         

Boetes en schikkingen en bekostiging 2.0

158

105

       

18 Herverzekering leverancierskredieten

640

250

       

19 Garantieophoging Europese Investeringsbank

260

         

20 Premieontvangsten garantie en rentebaten lening KLM

  • 22
  • 76
  • 86
  • 103
  • 120
  • 92

Infrastructuur en Waterstaat

1.324

3

       

21 Caribisch Nederland (ferry en subsidie drinkwater)

3

3

       

22 Beschikbaarheidsvergoeding OV

1.321

         

Economische Zaken en Klimaat

2.907

1.756

200

200

100

100

23 Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

180

250

200

200

100

100

24 Borgstelling MKB

203

         

25 Qredits

31

         

26 TOGS (Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren COVID-19)

895

         

27 Telecom en netbeheer Caribisch Nederland

7

11

       

28 TVL 1.0 (Tegemoetkoming vaste lasten) (inclusief uitvoeringskosten)

892

4

       

TVL 1.0 - Caribisch Nederland

4

         

TVL 2.0

454

1.372

       

TVL 2.0 - Caribisch Nederland

3

6

       

29 Garantieregeling Kleine Kredieten Corona

164

         

30 Fondsvermogen Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen

75

75

       

31 Omscholing naar tekortsectoren

 

38

       

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

361

3

1

1

   

32 Borgstelling MKB-landbouw

29

         

33 Regeling tegemoetkoming land- en tuinbouwondernemers COVID-19

300

         

34 Ruimingkosten en stoppersregeling nertsen

32

3

1

1

   

(in miljoenen euro, + is hogere uitgaven)

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

18.342

6.000

273

  • - 
    6
  • - 
    13
  • - 
    7

35 NOW 1.0 (Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid)

7.887

7791

971

     

NOW 1.0 - Caribisch Nederland

13

         

NOW 2.0

4.455

9351

1101

     

NOW 2.0 - Caribisch Nederland

16

         

Uitvoeringskosten NOW 1 en 2

148

108

34

     

36 NOW 3.0 (inclusief uitvoeringskosten)

2.204

3.204

       

37 Caribisch Nederland 3.0

7

18

       

38 TOZO 1.0 (Tijdelijke Overbruggingsregeling Zelfstandig Ondernemers)

2.150

   
  • 5
  • 10
  • 5

Subsidie voor Voedselbanken Nederland

4

         

TOZO 2.0

729

   
  • 1
  • 2
  • 1

39 TOZO 3.0

229

339

 
  • 0
  • 1
  • 1

40 Compensatie eigen bijdrage kinderopvang

331

2

       

41 TOFA (Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Flexibele Arbeidskrachten) (inclusief uitvoeringskosten)

21

0

0

     

42 NL leert door

27

23

       

43 Verlaging invorderingsrente terugbetalingen KOT en WKB

5

4

       

44 Noodopvang kinderopvang

23

         

45 Vergoeding voor burgers die geen kinderopvangstoeslag ontvangen

9

         

46 Van werk(loosheid) naar werk en dienstverlening gemeenten

54

318

13

     

47 Jeugdwerkloosheid

9

51

       

48 Scholing en leven lang ontwikkelen (LLO)

 

170

18

     

49 Aanpak armoede en schulden

23

48

       

50 Flankerend beleid arbeidsbemiddeling Caribisch Nederland

0

1

1

     

Volksgezondheid, Welzijn en Sport    4.794    1.897    20

 

51 Aanschaf en distributie medische hulpmiddelen

1.589

  • 60
 

52 GGD'en en veiligheidsregio's

511

459

 

53 IC-capaciteit

118

167

20

54 Ondersteuning sportsector

110

   

55 Ondersteuning zorgpersoneel

23

3

 

56 Onderzoek inzake Covid-19

42

25

 

57 Testcapaciteit RIVM en GGD

300

   

58 Vaccin ontwikkeling en medicatie

455

300

 

59 Zorgbonus

1.327

834

 

60 Zorgkosten en bijstand Caribisch Nederland

57

13

 

61 Overige maatregelen (plafond Rijksbegroting)

56

111

 

62 Meerkosten Corona Wlz (plafond Zorg)

190

   

63 Overige maatregelen (plafond Zorg)

16

45

 

Gemeentefonds

822

160

 

64 Bijdrage SW bedrijven

90

   

Verlenging compensatie SW bedrijven

50

   

65 Continuïteit zorg, uitstel noodzakelijke zorg en meerkosten Jeugdwet en Wmo 2015

144

   

66 Lokale cultuur

60

   

67 Tegemoetkoming decentrale overheden - Toeristen- en parkeerbelasting

225

   

68 Verkiezingen

29

   

69 Buurt- en dorpshuizen

17

   

70 Toezicht en handhaving

50

   

71 Inkomstenderving tot 1 juni

20

   

72 Cultuur (huur) gemeenten

60

   

73 Vrijwilligersorganisaties

7

   

74 Incidenteel schrappen opschalingskorting COVID-19

70

160

 

(in miljoenen euro, + is hogere uitgaven)

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Reserveringen Aanvullende post

273

1.653

405

108

57

 

75 Reservering Stoppersregeling nertsen

 

130

5

5

   

76 Reservering OV-beschikbaarheidsvergoeding

 

740

       

77 Reservering Solvabiliteitsfonds

50

250

       

78 Reservering Programma DG Covid-19

14

16

       

79    Reservering Cultuurpakket

80    Reservering Noodvoorraad persoonlijke beschermingsmiddelen

81    Reservering Armoede en schulden

70

414

45

     

82 Reservering Van werk(loosheid) naar werk en dienstverlening gemeenten

   

215

     

83    Reservering Flankerend beleid jeugdwerkloosheid

84    Reservering Inkomstenderving na 1 juni (indicatief)

100

33

100

88

42

 

85    Reservering Regeling tegemoetkoming dierentuinen

86    Reservering Garantiefonds (fonds voor hulp bij schulden)

39

30

       

87 Reservering Compensatie energielasten

 

25

25

     

88 Reservering Regionale podiumkunsten

 

15

15

15

15

 

1 Uitgaven in 2021 en 2022 hebben betrekking op de verleende subsidie in 2020 en zijn daarom relevant voor het EMU-saldo

in 2020.

   

Tabel 2 Uitgaven niet relevant voor EMU-saldo

(in miljoenen euro, + is hogere uitgaven)

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Totaal uitgaven niet relevant voor EMU-saldo

2.097

181

  • - 
    62
  • - 
    157
  • - 
    212
  • - 
    400
 

Koninkrijksrelaties en BES fonds

355

         

89 1e Tranche Aruba, Curagao en Sint Maarten

170

         

2e Tranche liquiditeitssteun Aruba, Curagao, Sint Maarten

185

         

Financiën en Nationale Schuld

1.000

         

90 Lening KLM

1.000

         

Economische Zaken en Klimaat

300

160

  • - 
    62
  • - 
    62
  • - 
    62
  • - 
    242

91 Lening Stichting Garantiefonds Reisgelden (SGR)

 

150

  • 30
  • 30
  • 30
  • 30

92 Lening kleine garantiefondsen/regelingen

 

10

  • 2
  • 2
  • 2
  • 2

93 Regionale ontwikkelingsmaatschappijen

300

 
  • 30
  • 30
  • 30
  • 210

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

442

21

 
  • - 
    95
  • - 
    150
  • - 
    158

38 Tozo 1.0 - Lening

350

   
  • 75
  • 115
  • 120

Tozo 2.0 - Lening

71

   
  • 16
  • 24
  • 24

39 Tozo 3.0 - Lening

21

21

 
  • 5
  • 12
  • 14

Toelichtingen

  • 1. 
    Voedselpakketten Landen en Openbare Lichamen

Het kabinet stelt in totaal twee subsidies van respectievelijk maximaal 16,5 miljoen euro (16 miljoen euro voor Aruba, Sint Maarten en Curagao en 0,5 miljoen euro voor de Openbare Lichamen) en 25,2 miljoen euro (voor Aruba, Sint Maarten en Curagao) beschikbaar om de kwetsbare groepen te kunnen voorzien van voedselpakketten en hygiëneproducten tot en met het einde van 2020.

  • 2. 
    Inkomstenderving Openbare Lichamen

Ten gevolge van de Covid-19 crisis lopen de openbare lichamen geraamde inkomsten uit lokale belastingen mis, terwijl de uitgaven op sommige gebieden stijgen. De openbare lichamen ontvangen compensatie voor de gederfde inkomsten in 2020.

  • 3. 
    Consulaire bijstand (noodhulpfonds coronacrisis)

De Rijksoverheid levert een bijdrage aan het convenant Bijzondere Bijstand Buitenland, voor het waarborgen van een veilige terugkeer van

Nederlandse reizigers naar Nederland of - waar niet mogelijk - in urgente gevallen tijdelijk te voorzien in voortgezet veilig verblijf in het land in kwestie.

  • 4. 
    Verlopen rijbewijzen en APK's

Het kabinet biedt coulance voor rijbewijzen en APK-keuringen die verlopen in de periode van 16 maart tot 1 juli 2020. De handhaving op APK-keuringen is op 1 juli hervat. De maatregel voor rijbewijzen is verlengd tot 1 juni 2021. Dit leidt tot een derving van naar verwachting ongeveer 2,5 miljoen euro op de generale ontvangsten uit Boeten en Transacties op de begroting van Justitie en Veiligheid.

  • 5. 
    Inhalen achterstanden strafrechtketen

Ook in 2021 zal het ministerie van Justitie en Veiligheid achterstanden in de strafrechtketen die zijn ontstaan door corona moeten inhalen. De reclas-seringsorganisaties, DJI, de Raad van de Rechtspraak, het OM en slachtofferhulp Nederland moeten hiervoor extra kosten maken. Hiertoe wordt 40 miljoen euro toegevoegd aan de begroting van Justitie en Veiligheid.

  • 6. 
    Doorbouwen tijdens coronacrisis

Een bedrag van 70 miljoen euro wordt vrijgemaakt voor een investeringsimpuls maatschappelijk vastgoed (50 miljoen euro) en het ondersteunen van gemeenten bij doorbouwlocaties (20 miljoen euro).

  • 7. 
    Lagere terugontvangsten huurtoeslag door verlaging invorderingsrente Het kabinet heeft de invorderingsrente tijdelijk van 4% naar 0,01% verlaagd. Dit leidt bij op de begroting van BZK tot lagere ontvangsten op de huurtoeslag. De generale compensatie voor deze lagere ontvangsten is aan de begroting van BZK toegevoegd. De verlenging van de verlaging van de in rekening te brengen invorderingsrente leidt tot een derving van 9 miljoen euro in 2020 en 2021 vanwege de doorwerking op de huurtoeslag.
  • 8. 
    Lokale culturele voorzieningen provincies

Het kabinet heeft een tweede pakket aan maatregelen getroffen ter compensatie van de medeoverheden voor de gevolgen van de coronacrisis. De provincies krijgen voor de periode van medio maart tot en met 1 juni 2020, 8 miljoen euro beschikbaar voor de borging van de lokale en regionale culturele infrastructuur. Dit bedrag zal worden uitgekeerd via een specifiek e uitkering.

  • 9. 
    Verduurzaming woningen

Voor de verduurzaming van woningen stelt het kabinet 15 miljoen euro beschikbaar in de jaren 2020 tot en met 2022. De middelen worden beschikbaar gesteld via de subsidieregeling energiebesparing eigen huis (SEEH).

  • 10. 
    Aanvullende ondersteuning culturele sector

Het kabinet stelt 300 miljoen euro ter beschikking om cruciale instellingen, makers en ondernemers in de culturele en creatieve sector door de financieel zware maanden heen te helpen en in staat te stellen om te investeren voor het volgende seizoen.

  • 11. 
    Steunpakket onderwijs

In dit onderwijspakket zijn verschillende maatregelen opgenomen:

  • • 
    Compensatie voor laatstejaarsstudenten in het middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs (bedrag is inclusief uitvoeringskosten) die door coronamaatregelen vertraging oplopen;
  • • 
    Ondersteuning om extra onderwijstijd te organiseren voor leerlingen in een kwetsbare positie, zodat zij leer- en ontwikkelachterstanden door de coronacrisis kunnen inhalen en het voorkomen van studievertraging in funderend onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs;
  • • 
    Inzet tot behoud van stages en leerwerkbanen in het middelbaar beroepsonderwijs;
  • • 
    Uitbreiding aanvullende bekostiging nieuwkomers funderend onderwijs met een kwartaal, om een stevige start, met intensief onderwijs, te faciliteren. De ouders spreken in veel gevallen de Nederlandse taal niet en het afstandsonderwijs is daarmee minder effectief vormgegeven.
  • 12. 
    Steunfonds voor lokale informatievoorziening (media)

Het steunfonds voor lokale informatievoorziening door huis-aan-huiskranten en lokale publieke omroepen wordt met 6 maanden verlengd, hiervoor wordt 24 miljoen euro beschikbaar gesteld.

  • 13. 
    Aanpak jeugdwerkeloosheid

De laatste tijd is de jeugdwerkloosheid snel opgelopen. Voortijdig schoolverlaters hebben een bovengemiddelde kans om de komende tijd werkloos te worden. Ook jongeren die al eerder voortijdig schoolverlater zijn geworden, maar wel werken, lopen een bovengemiddelde kans om werkloos te worden. Deze middelen zijn bedoeld voor de RMC-regio's en mbo-instellingen om deze groepen jongeren naar school of naar werk te begeleiden.

  • 14. 
    Programmakosten landelijke publieke omroep

In 2020 wordt 19 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de publieke omroep. De omroepen hebben extra kosten moeten maken om de programmering aan te passen, omdat evenementen zijn weggevallen en omdat geplande programma's op een aangepaste manier moesten worden opgenomen.

  • 15. 
    Tel mee met taal

De Subsidieregeling Tel mee met Taal wordt in 2021 met 6 miljoen euro verhoogd. Het doel is werknemers weerbaarder te maken voor veranderingen in hun werk (zoals digitalisering) en voor te bereiden op eventueel toekomstige beroepsgerichte scholing waarvoor voldoende basisvaardigheden een randvoorwaarde zijn.

  • 16. 
    Belasting en invorderingsrente

Het kabinet heeft tijdelijk de belasting- en invorderingsrente van 4% naar 0,01% verlaagd. De verlaging is per 23 maart 2020 ingegaan en gold oorspronkelijk voor drie maanden. Vervolgens heeft het kabinet in het Noodpakket 2.0 besloten de verlaging van de belasting- en invorderingsrente te verlengen tot 1 oktober 2020. Met het Steun- en herstelpakket wordt de verlaagde in rekening te brengen invorderingsrente van 0,01 procent per 1 oktober 2020 verlengd tot en met 31 december 2021. Invorderingsrente is verschuldigd op openstaande belastingschulden. Deze verlenging zorgt er voor dat ondernemers de komende tijd vrijwel geen extra rentekosten hebben op belastingschulden.

De belastingrente wordt per 1 oktober 2020 weer verhoogd tot het niveau van 4%. Belastingrente wordt in rekening gebracht als een aanslag door toedoen van de ondernemer te laat kan worden vastgesteld of als in de aanslag wordt afgeweken van de aangifte. Belastingrente geeft hierdoor een prikkel om op tijd en juist aangifte te doen en/of een voorlopige aanslag aan te vragen. Als ondernemers dit doen hoeven zij geen belastingrente te betalen. Voor alle belastingsoorten met uitzondering van de vennootschapsbelasting komt deze 4% overeen met het percentage zoals dat oorspronkelijk, voorafgaand aan de Coronacrisis, gold. Het percentage voor de vennootschapsbelasting bedroeg oorspronkelijk 8%, maar zal vanaf 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2021 op het lagere niveau van 4% (gelijk aan de andere belastingsoorten) liggen. De reeks voor de belastingen invorderingsrente betreft een gesaldeerde reeks waarbij de gevolgen voor de uitgaven en inkomsten zijn verrekend.

  • 17. 
    Boetes en schikkingen en bekostiging

Het kabinet komt ondernemers tegemoet door het tijdelijk achterwege laten of terugdraaien van betaalverzuimboetes. Deze verzuimboete brengt de Belastingdienst normaliter in rekening als een belastingplichtige niet (tijdig) betaalt. Deze maatregel wordt verlengd tot het moment dat het bijzondere uitstel vervalt en ondernemers weer aan hun lopende fiscale verplichtingen moeten voldoen.

  • 18. 
    Herverzekering leverancierskredieten

Op de herverzekering van leverancierskredieten wordt een schade-uitkering geraamd van 1,3 miljard euro in 2020 en 2021. De geraamde uitvoeringskosten bedragen 80 miljoen euro. De premieontvangsten op de COVID-19-gerelateerde leverancierskredieten in de portefeuille worden geraamd op 200 miljoen euro. De schaderestituties op de COVID-19-gerelateerde leverancierskredieten in de portefeuille worden geraamd op 290 miljoen euro. De bedragen zijn bijgesteld, omdat een deel van de geraamde schade-uitkering op de herverzekering leverancierskredieten voor 2020 wordt verwacht in 2021 en de uitvoeringskosten hoger zijn uitgevallen dan eerder werd geraamd.

  • 19. 
    Garantieophoging Europese Investeringsbank

De EIB-groep heeft als onderdeel van maatregelen op Europees niveau een voorstel gedaan om de negatieve economische gevolgen van de COVID-19 crisis op te vangen door de oprichting van een pan-Europees garantiefonds (EGF). De investeringen onder het garantiefonds zullen een hoog risicoprofiel hebben. Nederland acht het daarom waarschijnlijk dat de garantie ingeroepen zal worden. De verwachte netto verliezen van het garantiefonds van 25 miljard euro worden ingeschat op 20%. Het percentage verwachte verliezen is sterk afhankelijk van de uiteindelijke productmix die ingezet wordt (leningen, garanties, equity). Het Nederlandse aandeel in de verwachte verliezen komt - op basis van het percentage verwachte verliezen van 20%, toegepast op het Nederlandse aandeel in de garantie van 1,3 miljard euro - neer op circa 260 miljoen euro, verdeeld over de looptijd van het fonds.

  • 20. 
    Premieontvangsten garantie en rentebaten lening KLM

De Nederlandse Staat ontvangt rente voor de verstrekte lening en premie voor de afgegeven garantie aan KLM.

  • 21. 
    Caribisch Nederland (ferry en subsidie drinkwater)

Het kabinet stelt 2 miljoen euro beschikbaar voor een ferryverbinding voor twee jaar tegen gereduceerd tarief tussen Sint Maarten, St Eustatius en Saba. Het kabinet stelt daarnaast in totaal 0,7 miljoen euro beschikbaar voor een tijdelijke verlaging van kosten voor drinkwater in Caribisch Nederland voor de periode van 1 mei t/m 31 december 2020. De coronamaatregel van 2020 voor tijdelijke verlaging van het tarief voor drinkwater wordt verlengd met een kalenderjaar tot 1 januari 2022.

  • 22. 
    Beschikbaarheidsvergoeding OV

Het kabinet heeft de openbaarvervoerbedrijven gevraagd om per 1 juni de dienstregeling weer op te schalen, waarbij het doel is met een optimale inzet van personeel en materieel te streven naar een maximale capaciteit. Dat geldt voor de treinen van de NS, de trams, bussen en metro van de stadsvervoerders HTM, GVB en RET, de bussen en treinen van de regionale vervoerders zoals Arriva en Connexxion en de veerdiensten naar de Friese Waddeneilanden. Voor al deze vervoerdiensten gelden concessieafspraken tussen de decentrale overheden of Rijksoverheid en de bedrijven. Het kabinet heeft besloten een beschikbaarheidsvergoeding te bieden die past bij deze vraag. In totaal kost de regeling naar verwachting tot eind 2020 1,5 miljard euro. Hiervoor wordt door het kabinet 1,3 miljard euro extra beschikbaar gesteld.

  • 23. 
    Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

Binnen de GO wordt een extra corona-module toegevoegd voor garanties op bankleningen, 80% voor het grootbedrijf en 90% voor het kleinbedrijf. Het garantieplafond van de Garantie Ondernemingsfinanciering (GO) wordt verhoogd van 400 miljoen euro naar 10 miljard euro. Hierdoor kunnen meer bedrijven aanspraak maken op deze regeling. Dit leidt naar verwachting tot hogere kosten voor de overheid om toekomstige verliesdeclaraties op te vangen.

  • 24. 
    Borgstelling MKB

Het garantiebudget van de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) wordt verhoogd tot 1,5 miljard euro. Onder het coronaluik binnen de BMKB wordt tijdelijk het borgstellingskrediet verhoogd van 50 naar 75% (BMKB-c). De overheid staat voor 90 procent borg op het borgstellingskrediet. Daarnaast is de premie voor het coronaluik binnen de BMKB verlaagd van 3,9% naar 2% voor looptijden tot en met twee jaar. Voor looptijden van vanaf twee jaar tot en met vier jaar is de premie 3%. Financiers kunnen daardoor gemakkelijker en sneller krediet verruimen waardoor meer MKB-bedrijven eerder meer geld kunnen lenen. Dit leidt naar verwachting tot hogere kosten voor de overheid om toekomstige verliesdeclaraties op te vangen.

  • 25. 
    Qredits

Qredits, verstrekker van kleine kredieten, wordt gecompenseerd voor minder opbrengsten door het uitstel van de aflossingsverplichting en een rentekorting op leningen voor geraakte ondernemingen in de kredietportefeuille. Daarnaast is er nog 25 miljoen euro beschikbaar gesteld voor overbruggingskredieten met rentekorting.

  • 26. 
    Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren COVID-19 (TOGS) Er is een noodloket ingericht voor een tegemoetkoming van eenmalig 4.000 euro als noodvoorziening naast de overige regelingen, voor ondernemers die direct zijn getroffen door overheidsmaatregelen ter bestrijding van de coronacrisis en die hun omzet daardoor geheel of grotendeels zien verdwijnen. In lijn met de beleidsregel Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren (TOGS, voorheen Noodloket) is er een beleidsregel gepubliceerd voor Bonaire, Saba en Sint Eustatius. De voorwaarden zijn enigszins aangepast aan de specifieke omstandigheden op deze eilanden.
  • 27. 
    Telecom en netbeheer Caribisch Nederland

Voor Caribisch Nederland wordt 25 US-dollar per aansluiting per maand beschikbaar gesteld tot eind 2020 om de kosten van een vaste internetverbinding te verlagen. Daarnaast wordt budget beschikbaar gesteld aan de energiebedrijven, zodat het netbeheertarief voor elektriciteit in de periode 1 mei tot en met 31 december 2020 naar nul verlaagd kan worden. De coronamaatregel van 2020 voor tijdelijke verlaging van de tarieven voor energie en telecom wordt verlengd met een kalenderjaar tot 1 januari 2022.

  • 28. 
    Tegemoetkoming Vaste Lasten MKB (TVL)

De TVL biedt bedrijven in sectoren die hard geraakt zijn door de overheidsmaatregelen ter bestrijding van het coronavirus een tegemoetkoming voor de vaste lasten. Het kabinet biedt deze bedrijven ook na 1 oktober ondersteuning, om ze in staat te stellen de noodzakelijke aanpassingen in hun bedrijfsvoering te doen.

De TVL wordt verlengd voor een periode van negen maanden, waarbij het maximale subsidiebedrag wordt verhoogd naar 90.000 euro per drie maanden. Zo kan de TVL beter tegemoetkomen aan de behoeften van het (midden)grote mkb, voor wie de huidige cap van 50.000 euro voor vier maanden te laag is om een wezenlijke bijdrage aan de vaste kosten te leveren. Voor de tranche tot en met 31 december wordt de TVL verlengd onder de huidige voorwaarden, dat wil zeggen dat bedrijven met een omzetverlies van meer dan 30% in aanmerking komen. Vanaf 1 januari worden de voorwaarden voor de TVL aangescherpt door deze omzetder-vingsgrens te verhogen naar 40%. Voor de periode 1 april tot en met 30 juni wordt de grens op 45% gesteld. De overige voorwaarden voor de TVL blijven ongewijzigd: zo blijft het percentage van de vaste kosten dat de TVL vergoedt 50%. Het budgettair beslag voor deze negen maanden bedraagt (inclusief Caribisch Nederland) 1.820 miljoen euro.

  • 29. 
    Garantieregeling Kleine Kredieten Corona

Om in het kader van de coronaproblematiek ook ondernemers te helpen die geen bestaande kredietrelatie hebben met een bank of maar een kleine kredietbehoefte hebben, wordt in samenwerking met de banken een garantieregeling in uitvoering genomen voor kredieten tot 50.000 euro.

  • 30. 
    Fondsvermogen Regionale Ontwikkel Maatschappijen

Er wordt 150 miljoen euro (75 miljoen euro in 2020 en 75 miljoen euro in 2021) beschikbaar gesteld ter versterking van het fondsvermogen van de Regionale Ontwikkel Maatschappijen (ROMs). Met de Corona-Overbrug-gingslening heeft het kabinet via de ROM's straks circa 800 mkb-onderne-mingen met overbruggingskredieten geholpen. Door het fondsvermogen van ROM's te versterken, kunnen de ROM's in nieuwe financieringsrondes ook het eigen vermogen van deze veelal innovatieve mkb-ondernemingen versterken. Daarmee wordt de solvabiliteitspositie van deze bedrijven verstevigd. Voorwaarde is wel dat de regio's zelf cofinanciering verschaffen.

  • 31. 
    Omscholing naar tekortsectoren

In 2021 wordt 37,5 miljoen beschikbaar gesteld voor intersectorale scholing naar tekortberoepen in het mkb. Hiermee kunnen 10.000 trajecten met een gemiddeld subsidiebedrag van 3.750 euro per stuk worden gesubsidieerd.

  • 32. 
    Borgstelling MKB-landbouw

De regeling Borgstelling MKB-Landbouwkredieten (BL) wordt opgehoogd, verruimd en uitgebreid om liquiditeitsproblemen van land- en tuinbouwbedrijven te verlichten zodat bedrijven met een gezond toekomstperspectief gefinancierd kunnen blijven. Voor uitvoeringskosten en verwachte verlies-declaraties is 29 miljoen euro gereserveerd.

  • 33. 
    Regeling tegemoetkoming land- en tuinbouwondernemers COVID-19 Voor ondernemers in de sierteeltsector en delen van de voedingstuinbouw is een compensatieregeling opengesteld van maximaal 600 miljoen euro. Ook telers van fritesaardappelen kunnen gebruik maken van een compensatieregeling van maximaal 50 miljoen euro. Bij sluiting van de inschrijving bleek het budget voor de sierteeltsector niet volledig te worden uitgeput. Dit was aanleiding om de raming met 350 miljoen euro naar beneden bij te stellen.
  • 34. 
    Ruimingskosten en stoppersregeling nertsen

Er wordt 37 miljoen euro toegevoegd aan de begroting van LNV voor de kosten die samenhangen met de ruiming van de met COVID-19 besmette nertsenfokkerijen. LNV voegt hier een eigen bijdrage van 3 miljoen euro aan toe uit het diergezondheidsfonds. Daarnaast zijn er ook middelen op de LNV-begroting (10 miljoen euro) gereserveerd voor de uitvoeringskosten van de verplichte stoppersregeling nertsenhouderijen. Van deze middelen wordt 5 miljoen euro door middel van een kasschuif naar latere jaren geschoven.

  • 35. 
    Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW) Middels de NOW ontvangen werkgevers maximaal 90% van hun loonkosten als subsidie. Het vergoedingspercentage is gerelateerd aan het omzetverlies dat werkgevers verwachten door het coronavirus. Werkgevers committeren zich eraan om de lonen van de betrokken werknemers voor 100% door te betalen. De initiële subsidieperiode duurde drie maanden (maart, april, mei). Met het tweede noodpakket is de subsidieperiode verlengd met vier maanden tot en met september. Vanuit de middelen voor de NOW zijn de kosten van de tijdelijke subsidie compensatie loonkosten en inkomensvoorziening ten behoeve van Caribisch Nederland bekostigd, in de tabel staan deze apart vermeld. Ook de uitvoeringskosten van de NOW-regeling t/m september staan apart in de tabel vermeld.
  • 36. 
    Verlenging NOW (NOW 3.0)

De NOW-3 gaat in per 1 oktober, en bestaat uit drie tranches van drie maanden. De NOW duurt dus tot 1 juli 2021. Dat betekent langdurige steun voor banen en bedrijven. Bedrijven moeten zich kunnen aanpassen aan de nieuwe economische situatie. Vandaar dat ook in toenemende mate ruimte wordt geboden om de loonsom te laten dalen, zonder dat dit leidt tot een subsidieverlaging. Een loonsomdaling is geen criterium om subsidie aan te kunnen vragen. Verder wordt het subsidiepercentage stapsgewijs verlaagd (80% tot 1 januari, 70% tot 1 april, en 60% tot 1 juli) ), gaat het minimale omzetverlies om in aanmerking te komen omhoog (naar 30% per 1 januari 2021), en vervalt de korting (bovenop de verrekening van de subsidie) op de subsidie bij bedrijfseconomisch ontslag. De bedragen in de tabel zijn inclusief de geraamde uitvoeringskosten vanaf oktober.

  • 37. 
    Caribisch Nederland 3.0

De subsidieregeling loonkosten en inkomensverlies voor Caribisch Nederland wordt met 9 maanden verlengd en geleidelijk afgebouwd. Verder wordt net als in Europees Nederland via flankerend beleid de dienstverlening met betrekking tot arbeidsbemiddeling tijdelijk geïntensiveerd.

  • 38. 
    Tijdelijke Overbruggingsregeling Zelfstandig Ondernemers (Tozo)

De Tozo is een tijdelijke voorziening voor zelfstandige ondernemers (waaronder zzp'ers) met financiële problemen als gevolg van het coronavirus. De Tozo is een aangepaste variant op de reeds bestaande regeling Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz). De ondersteuning kent twee vormen, (1) een aanvullende uitkering voor levensonderhoud als het inkomen door de coronacrisis tot onder het sociaal minimum is gedaald en/of (2) een lening voor bedrijfskapitaal. De uitkering voor levensonderhoud vult het inkomen aan tot het sociaal minimum. De lening is gericht op het oplossen van liquiditeitsproblemen. Uit de middelen van de Tozo-1 hebben de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een eenmalige subsidie van 4 miljoen euro beschikbaar gesteld als vangnet voor het calamiteitenfonds Voedselbanken. Bij de verlenging van de Tozo in het tweede noodpakket is een partnertoets ingevoerd als voorwaarde. Gemeenten voeren de regeling uit.

  • 39. 
    Verlenging Tozo

De Tozo wordt verlengd met 9 maanden tot 1 juli 2021, en gaandeweg afgebouwd. Zo krijgen zelfstandigen de tijd om zich aan te passen. Per 1 oktober 2020 wordt een beperkte vermogenstoets ingevoerd, namelijk de lage vermogensgrens van 46.250 euro uit het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz). Die ziet op direct beschikbare geldmiddelen en niet op ander vermogen (bijv. woning, bedrijfspand of voorraden). Vanaf (uiterlijk) 1 januari 2021 krijgen ondernemers heroriëntatiegesprekken met gemeenten. Vanaf 1 juli 2021 stopt de TOZO en blijft de Bbz als vangnet dienen voor de groep zelfstandigen.

  • 40. 
    Compensatie eigen bijdrage kinderopvang

Omdat ouders wordt gevraagd de factuur van de kinderopvangorganisaties door te betalen, terwijl de kinderopvang en de BSO (gedeeltelijk) gesloten waren, compenseert het kabinet de eigen bijdrage aan de kinderopvang. Het bedrag van 333 miljoen euro heeft betrekking op de periode van 16 maart tot en met 7 juni. Dit is de periode dat de kinderopvang en de BSO (gedeeltelijk) gesloten waren. De compensatieregeling stopte na 7 juni en is niet verder verlengd.

  • 41. 
    Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Flexibele Arbeidskrachten (TOFA) De TOFA had als doel om flexwerkers die door de coronacrisis substantieel inkomensverlies hebben geleden, maar geen aanspraak kunnen maken op een uitkering, tegemoet te komen in de kosten voor hun levensonderhoud. Deze tegemoetkoming bedroeg 550 euro bruto per maand en is door het UWV verstrekt over de maanden maart, april en mei 2020.
  • 42. 
    NL leert door

NL leert door is een flankerend crisispakket dat tezamen met noodpakket 2.0 is aangekondigd, met als doel degenen die door de crisis hard en onverwacht zijn getroffen tijdig de transitie naar ander werk te laten maken, door zich te oriënteren op actuele loopbaankansen en eventueel daarvoor benodigde (online) scholing. Met de subsidie worden ontwikkeladviezen en cursussen gericht op om- en bijscholing gratis toegankelijk gemaakt.

  • 43. 
    Verlaging invorderingsrente terugbetalingen KOT en WKB

Het kabinet heeft de invorderingsrente tijdelijk van 4% naar 0,01% verlaagd. Dit leidt op de begroting van SZW tot lagere ontvangsten op de kinderop-vangtoeslag (KOT) en het kindgebonden budget (WKB). De generale compensatie voor deze lagere ontvangsten is aan de begroting van SZW toegevoegd. De verlenging van de verlaagde in rekening te brengen invorderingsrente leidt ook tot een derving van 5 miljoen euro in 2020 en 2021 vanwege de doorwerking op het kindgebondenbudget en de kinderopvang-toeslag.

  • 44. 
    Noodopvang kinderopvang

Het kabinet heeft ten tijde van de sluiting van scholen en kinderopvang besloten om noodopvang te organiseren voor kinderen van wie één of beide ouders een cruciaal beroep hebben. Gemeenten coördineren de noodopvang, in overleg met kinderopvangorganisaties en scholen. Het bedrag van 23 miljoen euro heeft betrekking op de periode 16 maart tot 1 juli 2020 en is uitgekeerd middels een overboeking aan het gemeentefonds.

  • 45. 
    Vergoeding voor burgers die geen kinderopvangtoeslag ontvangen De eigen bijdrage van ouders die geen kinderopvangtoeslag ontvangen en niet onder de gemeentelijke doelgroep vallen, wordt gecompenseerd. Het gaat om de eigen bijdrage die betaald is gedurende de periode dat de kinderopvang gesloten was.
  • 46. 
    Van werk(loosheid) naar werk en dienstverlening gemeenten

De tijdelijke nieuwe crisisdienstverlening van werk(loosheid) naar werk is bedoeld om met werkloosheid bedreigde werknemers, de mensen die al werkloos zijn geworden, schoolverlaters en ex-ZZP'ers zo snel mogelijk naar werk te begeleiden, en zo langdurige werkloosheid te voorkomen. Het kabinet stelt middelen beschikbaar zodat werkgevers, sociale partners, beroepsonderwijs, UWV en gemeenten in de arbeidsregio's gezamenlijk mensen kunnen helpen bij het vinden van nieuw werk en (om)scholing. Hiervoor komen er regionale mobiliteitsteams om deze crisisdienstverlening in de regio's en met sectoren aan te bieden.

Aanvullend worden middelen vrijgemaakt voor werkgeversdienstverlening bij het UWV, ondersteuningstrajecten voor zelfstandigen en ontwikkelad-viezen bij (dreigende) werkloosheid. Daarnaast wordt het re-integratie-budget bij gemeenten tijdelijk verhoogd in lijn met de verwachte verhoogde instroom van de bijstand en worden incidenteel aanvullende middelen vrijgemaakt voor de dienstverlening aan de nieuwe instroom in de bijstand. Tot slot wordt een impuls gegeven om mensen uit de banenafspraak betrokken te houden bij de arbeidsmarkt.

  • 47. 
    Jeugdwerkloosheid

Om jeugdwerkloosheid onder jongeren tegen te gaan worden middelen vrijgemaakt voor de begeleiding van jongeren naar werk of een vervolgopleiding. De maatregelen richten zich op schoolverlaters uit het praktijkonderwijs, voortgezet speciaal onderwijs, voortijdig schoolverlaters en kwetsbare schoolverlaters uit het mbo.

  • 48. 
    Scholing en leven lang ontwikkelen (LLO)

Er worden middelen vrijgemaakt voor extra inzet op verschillende vormen van scholing. Naast een tijdelijke werkgeverssubsidie ter bevordering van de leercultuur op de werkvloer wordt de subsidie voor online scholing uit het crisispakket 'NL leert door' verlengd, wordt het scholingsbudget WW bij het UWV verhoogd en worden middelen gereserveerd voor praktijkleren in het MBO.

  • 49. 
    Aanpak rmoede en schulden

Ten behoeve van het terugdringen van armoede en problematische schulden worden aanvullende middelen gereserveerd voor het gemeentelijk schuldenbeleid, de bijzondere bijstand en wordt een deel van de maatregelen in de brede schuldenaanpak versneld ingevoerd.

  • 50. 
    Flankerend beleid arbeidsbemiddeling Caribisch Nederland

Net als in Europees Nederland wordt via flankerend beleid tijdelijk geïntensiveerd in arbeidsmarktbeleid om werklozen naar een nieuwe baan te begeleiden/om te scholen. Wat betreft de duur van flankerend beleid wordt aangesloten bij het besluit voor Europees Nederland.

  • 51. 
    Aanschaf en distributie medische beschermingsmiddelen

De totale uitgaven aan medische beschermingsmaterialen worden in 2020 geraamd op 1,6 miljard euro en 25 miljoen euro in 2021. Dit zijn zowel uitgaven die door VWS zijn gedaan voor persoonlijke beschermingsmaterialen als de verleende bevoorschotting aan het Landelijk Consortium Hulpmiddelen (LCH). Het is momenteel nog onzeker welk deel van de ingekochte medische beschermingsmiddelen wordt verkocht aan zorginstellingen. Voor de uitlevering van medische beschermingsmiddelen aan zorginstellingen in 2020 is in 2021 een teruggave van verleende voorschotten vanuit het LCH aan VWS van 85 miljoen euro geraamd. Dit ontvangstenbudget wordt in 2021 herijkt.

  • 52. 
    GGD'en en veiligheidsregio's

De GGD'en en veiligheidsregio's vervullen een belangrijke rol tijdens de coronacrisis. De extra middelen zijn benodigd, zodat deze partijen hun rol blijven vervullen. Zo maken GGD'en kosten voor het opzetten, bemensen en uitvoeren van het bron- en contactonderzoek en het opzetten van teststraten. Daarnaast zijn er middelen nodig voor bemonstering en dienstverlening. Voor de veiligheidsregio's zijn middelen beschikbaar gesteld voor de extra kosten die gemaakt worden voor onder andere de coronacentra, distributie van beschermingsmiddelen en crisiscommunicatie.

  • 53. 
    IC-capaciteit

Op basis van het opschalingplan van het Landelijk Netwerk Acute Zorg worden voor de opschaling naar 1.350 IC-bedden en de flexibele verdere opschaling naar 1.700 IC-bedden en de daarmee corresponderende uitbreiding van het aantal klinische bedden middelen gereserveerd in 2020 en 2021. Daarnaast worden er middelen beschikbaar gesteld voor kosten van opleidingen die samenhangen met het opschalen van de IC-capaciteit.

  • 54. 
    Ondersteuning sportsector

Voor de sportsector (sportbonden, sportverenigingen en sportaanbieders) wordt 146 miljoen euro beschikbaar gesteld als aanvullende compensatie voor het waarborgen van de continuïteit van de sportinfrastructuur. Hiermee kunnen de voornaamste problemen als gevolg van Covid-19 maatregelen voor ruim 800 zwembaden, ruim 50 sportbedrijven en ruim 24.000 sportverenigingen worden weggenomen. De 146 miljoen euro bestaat uit 110 miljoen euro extra middelen, 25 miljoen euro die beschikbaar wordt gesteld via de Aanvullende post van Financiën. Daarnaast is 11 miljoen euro specifiek gedekt binnen de VWS-begroting voor de Stichting waarborgfonds voor sportverenigingen.

  • 55. 
    Ondersteuning zorgpersoneel

Naast de zorgbonus zijn er ook ondersteunende maatregelen genomen, zodat personeel dat beschikbaar wilde zijn tijdens de coronacrisis geregistreerd kon worden en een aangepaste opleiding kon volgen. (Her)Registratie is ook in 2021 nog mogelijk. Naast de 23 miljoen euro is 10 miljoen euro beschikbaar voor een bijdrage aan de Stichting Zorg na Werk in Coronazorg (ZWIC) (dit is specifiek gedekt binnen de VWS-begroting).

  • 56. 
    Onderzoek inzake Covid-19

In 2020 en 2021 zijn er middelen beschikbaar gesteld om noodzakelijk onderzoek te doen naar Covid-19, waaronder rioolonderzoek. De onderzoeken wordt uitgevoerd door ZonMW, RIVM, GGD en derden.

  • 57. 
    Testcapaciteit RIVM en GGD

Vanaf 1 juni kan iedereen met (milde) klachten getest worden op corona. Hiervoor is een uitbreiding van de testcapaciteit nodig. De testen worden uitgevoerd door de GGD'en.

  • 58. 
    Vaccin ontwikkeling en medicatie

Door de EU worden overeenkomsten gesloten om de beschikbaarheid van vaccins veilig te stellen. Hieruit volgen ook financiële verplichtingen voor de lidstaten om vaccins af te nemen. Het kan daarbij gaan om aanschaf-, productie- en ontwikkelkosten. Hiervoor is 400 miljoen euro in 2020 beschikbaar gesteld en 300 miljoen euro in 2021. Tevens is 50 miljoen euro beschikbaar gesteld voor onderzoek aan de Coalition for Epidemic Preparedness Innovations (CEPI).

  • 59. 
    Zorgbonus

Naar aanleiding van de motie Van Kooten-Arissen heeft het kabinet een bonusregeling voor zorgprofessionals uitgewerkt, van 1.000 euro (netto) per betrokken zorgprofessional in 2020. De verwachte uitgaven voor de bonus bedragen 1.440 miljoen euro in 2020, waardoor ca. 800.000 zorgprofessionals een bonus kunnen ontvangen en het bedrag wordt aangevuld met de eindheffing loonbelasting. Om de noodzakelijke inzet van mensen voor de uitvoering van de zorgbonus, die normaal voor de uitvoering van het stagefonds worden ingezet, mogelijk te maken moet het laatste deel uit het proces van de jaarlijkse uitvoering van het stagefonds naar begin 2021 worden verplaatst. De uitgaven voor het stagefonds vinden daarom pas plaats in 2021 (113 miljoen euro).

Tenslotte is besloten dat in 2021 nogmaals een zorgbonus van 500 euro (netto) wordt uitgekeerd. De verwachte uitgaven bedragen 720 miljoen euro in 2021.

  • 60. 
    Zorgkosten en bijstand Caribisch Nederland

Het Caribisch deel van het Koninkrijk wordt op basis van het Koninkrijks-tatuut ondersteund in de coronacrisis. Conform adviezen van het Outbreak Management Team (OMT) wordt de zorgcapaciteit op deze eilanden opgebouwd. VWS helpt bij de tijdelijke uitbreiding van IC-capaciteit, het versterken van de publieke gezondheid, extra capaciteit bij medische evacuaties en voldoende persoonlijke beschermingsmiddelen.

  • 61. 
    Overige maatregelen (plafond Rijksbegroting)

Er zijn meerdere kleine maatregelen waaronder een vergoeding voor JGZ-instellingen, middelen voor de campagne samen sterk, bijdragen aan het landelijk coördinatiecentrum patiënten spreiding. Ook worden kosten gemaakt voor het opzetten van een app, een nieuw digitaal registratiesysteem voor de testen en een klantencontactcentrum om digitale gegevensuitwisseling mogelijk te maken.

  • 62. 
    Meerkosten Corona Wlz (plafond Zorg)

Zorgaanbieders maken extra personele en materiële kosten in verband met het Covid-19. In de beleidsregel SARS-CoV-2 virus van de NZa is geregeld dat deze kosten buiten de contracteerruimte vergoed worden. Het financiële effect hiervan wordt ingeschat op 150 miljoen euro. Daarnaast bevat deze post 40 miljoen euro voor pgb-budgethouders als gevolg van extra kosten voor aanvullende zorg of vervangende zorg door Covid-19.

  • 63. 
    Overige maatregelen (plafond Zorg)

Dit betreft geraamde kosten in het kader van de opschaling van de IC- en ELV-capaciteit, alsmede een pakketmaatregel over extra fysiotherapie voor ex-Covid-19-patiënten.

  • 64. 
    Bijdrage SW bedrijven en verlenging compensatie SW bedrijven Als gevolg van het coronavirus zijn de sociale werkbedrijven geheel of gedeeltelijk gesloten. Daardoor vallen bedrijfsopbrengsten weg waarmee (deels) de loonkosten van medewerkers die werkzaam zijn voor een sociale werkbedrijf worden gefinancierd. Tekorten in de exploitatie worden in de reguliere systematiek opgevangen door een hogere gemeentelijke bijdrage. Deze financieringsbron staat onder druk omdat gemeenten meer financiële gevolgen hebben van de coronacrisis. Het kabinet heeft daarom besloten om de Rijksbijdrage Wet sociale werkvoorziening (Wsw) te verhogen met 90 miljoen euro voor de periode 1 maart 2020 tot 1 juni 2020 ter compensatie van een deel van de loonkosten. Dit bedrag is toegevoegd aan de integratie-uitkering Participatie. Deze bijdrage wordt verlengd middels een additionele bijdrage van 50 miljoen euro.
  • 65. 
    Continuïteit zorg, uitstel noodzakelijke zorg en meerkosten Jeugdwet en Wmo 2015

De medeoverheden spannen zich in om te zorgen dat de dienstverlening aan burgers en ondernemers zo goed mogelijk doorgaat. Denk daarbij aan de continuïteit van de zorgverlening en ondersteuning in het sociaal domein. Omwille van de continuïteit van zorg voor cliënten tijdens corona-maatregelen én voor continuïteit van het stelsel nadien zijn maatregelen genomen, teneinde cliënten op grond van de Jeugdwet en de Wmo 2015 hulp en ondersteuning te kunnen blijven bieden. Er is besloten een voorschot te verlenen van 144 miljoen euro voor de meerkosten en inhaalzorg. Dit wordt uitgekeerd via de algemene uitkering (46 miljoen euro) en de decentralisatie-uitkeringen Maatschappelijke opvang (91 miljoen euro) en Vrouwenopvang (7 miljoen euro).

  • 66. 
    Lokale cultuur

Het kabinet heeft besloten om een bevoorschotting op de compensatie aan medeoverheden te verstrekken van 60 miljoen euro voor de lokale culturele infrastructuur voor de periode van medio maart 2020 tot en met 1 juni 2020.

  • 67. 
    Tegemoetkoming decentrale overheden - Toeristen- en parkeerbelasting Gemeenten worden op dit moment geconfronteerd met dalende inkomsten uit toeristen- en parkeerbelasting als gevolg van de coronamaatregelen. Het is de vraag of de geleden derving van de afgelopen maanden dit jaar nog geheel wordt ingehaald. Het kan wel zijn dat de inkomsten uit deze heffingen de tweede helft van het jaar weer stijgen richting het gebruikelijk niveau. Het kabinet heeft besloten de gemeenten voor de periode van

1 maart 2020 tot en met 1 juni 2020 te compenseren. Hiermee is een bedrag van 225 miljoen euro gemoeid, waarvan 100 miljoen euro voor de toeristenbelasting en 125 miljoen euro voor gederfde parkeerinkomsten op grond van de geraamde gederfde inkomsten in deze periode.

  • 68. 
    Verkiezingen

Het kabinet stelt 29 miljoen euro beschikbaar om gemeenten te compenseren voor de extra kosten bij de herindelingsverkiezingen in november 2020 en de Tweede Kamer-verkiezing in 2021 als gevolg van de corona-maatregelen. De extra kosten hangen onder meer samen met aanvullende kosten voor de inrichting van stemlokalen, voor het mogelijk moeten huren van alternatieve locaties die in de coronacrisis beter geschikt zijn om als stemlokaal in te richten, voor toegankelijkheid van die locaties en voor de aanvullende werkzaamheden die gemeenten moeten doen ter voorbereiding van de verkiezingen. Dit bedrag wordt uitgekeerd in de vorm van een decentralisatie-uitkering.

  • 69. 
    Buurt- en dorpshuizen

Het kabinet stelt 17 miljoen euro voor 2020 beschikbaar om gemeenten te compenseren voor de extra uitgaven voor de dorps- en buurthuizen. De extra uitgaven bestaan onder andere uit het kwijtschelden van huur en het compenseren van tegenvallende inkomsten uit bijvoorbeeld horeca en zaalverhuur van buurt- en dorpshuizen. Dit bedrag zal worden toegevoegd aan de algemene uitkering.

  • 70. 
    Toezicht en handhaving

Het kabinet stelt 50 miljoen euro voor 2020 beschikbaar om gemeenten te compenseren voor de extra toezicht- en handhavingskosten als gevolg van onder andere de extra inzet van boa's en de extra verkeersmaatregelen. Ook dit bedrag zal worden toegevoegd aan de algemene uitkering.

  • 71. 
    Inkomstenderving tot 1 juni

Door de corona-maatregelen waren er in de periode van 1 maart tot 1 juni geen terrassen opgesteld en zijn er geen markten- en evenementen geweest. Gemeenten zijn daardoor geconfronteerd met een terugval van inkomsten uit terrasprecario en uit markt- en evenementenleges. Het kabinet heeft besloten de gemeenten voor de periode van 1 maart 2020 tot en met 1 juni 2020 voor dit doel te compenseren voor een bedrag van 20 miljoen euro. Dit bedrag wordt uitgekeerd in de vorm van een decentralisatie-uitkering.

  • 72. 
    Cultuur (huur) gemeenten

Eerder heeft het kabinet de gemeenten, voor de periode van medio maart tot en met 1 juni 2020, 60 miljoen euro verstrekt voor de borging van de lokale en regionale culturele infrastructuur. Deze organisaties missen onder andere inkomsten uit kaartverkoop en horeca, terwijl de vaste lasten zoals huisvesting en beveiliging doorlopen. Het kabinet stelt aan gemeenten nogmaals 60 miljoen euro beschikbaar voor de periode van 1 juni tot en met 31 december 2020. Dit bedrag zal worden toegevoegd aan de algemene uitkering.

  • 73. 
    Vrijwilligersorganisaties

Het kabinet stelt 7,3 miljoen euro beschikbaar om lokale vrijwilligersorganisaties, zoals de scouting en speeltuinen, te compenseren. Hiermee wordt opvolging gegeven aan de motie van het lid Peters c.s.. Dit bedrag zal worden toegevoegd aan de algemene uitkering.

  • 74. 
    Incidenteel schrappen opschalingskorting COVID-19

Gezien de toegenomen financiële druk bij gemeenten door corona heeft het kabinet besloten de oploop in de opschalingskorting voor gemeenten in de jaren 2020 en 2021 incidenteel te schrappen. Dit leidt tot een verhoging van de algemene uitkering van het gemeentefonds van 70 miljoen euro in 2020 en 160 miljoen euro in 2021.

  • 75. 
    Reservering Stoppersregeling nertsen

Op de aanvullende post is 140 miljoen euro gereserveerd voor een nog nader uit te werken verplichte stoppersregeling voor nertsenfokkerijen. Inclusief de 10 miljoen euro die op de LNV-begroting is gereserveerd komt het totaal bedrag voor de verplichte stoppersregeling op 150 miljoen euro.

  • 76. 
    Reservering OV-beschikbaarheidsvergoeding

De beschikbaarheidsvergoeding voor het openbaar vervoer wordt verlengd tot 1 juli 2021. In afwachting van uitwerking van de afspraken is de reservering op de aanvullende post geplaatst.

  • 77. 
    Reservering Solvabiliteitsfonds

VNO-NCW heeft het initiatief genomen om samen met institutionele beleggers een investeringsfonds op te richten dat Nederlandse (middel)grote bedrijven zou kunnen herkapitaliseren. De initiatiefnemers zien graag een bijdrage van de Staat in het fonds om het volume van het fonds te vergroten en als bevestiging dat met het fonds bijgedragen wordt aan het economische herstel van Nederland. Het kabinet vindt het belangrijk dat in de kern gezonde bedrijven voor Nederland worden behouden. In het voorstel van de private initiatiefnemers wordt beoogd dat de staat op gelijke voet participeert qua materiële voorwaarden zoals rendement, voorwaarden en duur van de investering. Het fonds zelf zal niet door de Staat, maar door een fondsmanager worden beheerd op basis van marktconforme parameters. De Staat zal zich hier opstellen als een stille investeerder op gelijke voet met de andere private investeerders, zodat geen sprake zal zijn van staatssteun. Het kabinet vindt het positief dat private partijen met dit initiatief zijn gekomen. Omwille van de budgettaire systematiek reserveert het Kabinet nu alvast 300 miljoen euro voor een overheidsbijdrage in het fondskapitaal. Definitieve besluitvorming vindt plaats later dit najaar, waarbij zal worden getoetst of dit fonds een probleem oplost en of er voldoende interesse is bij institutionele beleggers zoals bijvoorbeeld pensioenfondsen. Ook is een nadere uitwerking van het investeringsfonds door de private initiatiefnemers van belang.

  • 78. 
    Reservering Programma DG Covid-19

In juli 2020 is een interdepartementaal programma DG opgericht, gehuisvest bij het ministerie van Justitie en Veiligheid. Op de aanvullende post wordt cumulatief 30 miljoen euro gereserveerd voor de programmakosten en de operationele kosten in de jaren 2020 en 2021.

  • 79. 
    Reservering Cultuurpakket

Voor aanvullende steun aan de culturele en creatieve sector wordt in 2021 414 miljoen euro beschikbaar gesteld. Deze middelen worden in afwachting van nadere uitwerking gereserveerd op de aanvullende post. Van dit bedrag is 200 miljoen euro bedoeld voor verlenging van het eerdere steunpakket cultuur tot de eerste helft van 2021. Daarnaast wordt 64 miljoen euro beschikbaar gesteld voor diverse doeleinden, zoals het behoud van private collecties, het opstarten van pilots om wendbaarheid en weerbaarheid van de sector te vergroten en voor een regeling voor historisch erfgoed. Voor lokale culturele infrastructuur wordt 150 miljoen euro beschikbaar gesteld. Hierdoor worden gemeenten in staat gesteld om de cruciale lokale culturele infrastructuur te ondersteunen.

  • 80. 
    Reservering Noodvoorraad persoonlijke beschermingsmiddelen

Als onderdeel van de bescherming tegen het coronavirus is besloten om 70 miljoen euro te reserveren op de aanvullende post voor het aanleggen van een noodvoorraad persoonlijke beschermingsmiddelen voor medewerkers in de publieke sector of werkzaam in vitale processen en cruciale beroepen (m.u.v. van de zorg). De noodvoorraad wordt aangelegd om gedurende 45 dagen essentiële processen te kunnen voortzetten.

  • 81. 
    Reservering Armoede en schulden

Ten behoeve van het terugdringen van armoede en problematische schulden worden aanvullende middelen gereserveerd voor het gemeentelijk schuldenbeleid en bijzondere bijstand. In 2021 worden middelen vrijgemaakt voor een garantiefonds schulden dat de inzet van het saneringskrediet bevordert. Zie ook 'Aanpak armoede en schulden' bij SZW.

  • 82. 
    Reservering van werk(loosheid) naar werk, dienstverlening gemeenten Het kabinet reserveert middelen voor werkgevers, sociale partners, beroepsonderwijs, UWV en gemeenten die met elkaar samenwerken in regionale mobilitietsteams om crisisdienstverlening aan te bieden. Daarnaast worden middelen gereserveerd voor het re-integratiebudget bij gemeenten (dienstverlening aan bijstandsgerechtigden). Zie ook 'Van werk(loosheid) naar werk en dienstverlening gemeenten' bij SZW.
  • 83. 
    Reservering flankerend beleid jeugdwerkloosheid

In verband met de maatregelen - als onderdeel van het flankerend beleid SZW - waarmee kwetsbare leerlingen en studenten te maken kunnen krijgen, is de verwachting dat een deel van de kwetsbare leerlingen en studenten die laag- of niet gekwalificeerd het onderwijs zouden verlaten en naar de arbeidsmarkt uit zouden stromen, door deze nazorg en begeleiding langer zullen doorleren. In verband hiermee ontstaan extra uitgaven voor bekostiging van het mbo/pro/vso (186 miljoen euro), de regeling praktijkleren (29 miljoen euro) en extra studiefinanciering (49 miljoen euro). Deze uitgaven zijn op de AP gereserveerd en worden voor zover nodig in het voorjaar van 2021 en 2022 op basis van de meest actuele ramingen van de leerlingen- en studentenaantallen overgeheveld.

  • 84. 
    Reservering Inkomstenderving na 1 juni (indicatief)

In aanvulling op de reeds genomen compensatiemaatregelen voor inkomstenderving is 100 miljoen euro gereserveerd voor nadere compensatie van gemeenten in 2020. Zodra meer bekend is over de financiële impact van de inkomstenderving op gemeentelijk niveau zal de uitkering verder worden uitgewerkt. Naar verwachting zal dit in de Najaarsnota 2020 en in de decem-bercirculaire 2020 van het gemeentefonds kunnen worden verwerkt.

  • 85. 
    Reservering Regeling tegemoetkoming dierentuinen Dierentuinen zijn zwaar geraakt door de coronacrisis en leiden als gevolg daarvan grote verliezen. Naar verwachting loopt het omzetverlies in 2020 op tot 132 miljoen euro, terwijl de vaste hoge kosten voor specialistische zorg, huisvesting en noodzakelijk onderhoud voor de dieren doorlopen. Faillissement dreigt daardoor voor veel dierentuinen. Het kabinet stelt in totaal maximaal 39 miljoen euro beschikbaar om faillissement voor dierentuinen af te wenden. Alleen instellingen die in het bezit zijn van een dierentuinvergunning, bij de Kamer van Koophandel ingeschreven staan onder SBI-code 91041 en die financieel gezond waren voor de crisis kunnen aansprak maken op de tegemoetkoming. De precieze invulling van de regeling wordt momenteel uitgewerkt. In afwachting van een nadere uitwerking worden de middelen op de aanvullende post bij het ministerie van Financiën gereserveerd.
  • 86. 
    Reservering Garantiefonds (fonds voor hulp bij schulden)

Voor het jaar 2021 worden er middelen gereserveerd op de Aanvullende Post voor een garantiefonds schulden dat de inzet van saneringskrediet bevordert. Dit fonds wordt momenteel verder uitgewerkt.

  • 87. 
    Reservering Compensatie energielasten

Het kabinet stelt 25 miljoen euro beschikbaar in de jaren 2021 en 2022 ten behoeve van een regeling aan de uitgavenkant van de begroting om tegemoet te komen in de energiekosten van specifieke sectoren, namelijk de glastuinbouw, de chemie en de papier- en voedselindustrie. Deze middelen worden in afwachting van nadere uitwerking gereserveerd op de aanvullende post.

  • 88. 
    Reservering Regionale podiumkunsten

Op de aanvullende post is 15 miljoen euro voor vier jaar (2021-2024) gereserveerd voor het fonds podiumkunsten.

  • 89. 
    Liquiditeitssteun Aruba, Curagao en Sint Maarten

Aruba, Sint Maarten en Curagao ontvangen een eerste en een tweede tranche liquiditeitssteun in de vorm van een lening voor de periode april tot en met juni voor een pakket aan noodmaatregelen om de effecten van Covid-19 te mitigeren. De lening heeft een looptijd van twee jaar en een rentepercentage van 0%.

  • 90. 
    Lening KLM

De Nederlandse Staat verstrekt een directe lening aan KLM met een omvang van 1 miljard euro. De lening is een achtergestelde lening. Dit betekent dat wanneer KLM haar crediteuren niet kan terugbetalen, deze lening (en daarmee de Nederlandse Staat) pas als laatste wordt terugbetaald. Daarmee neemt de Nederlandse Staat relatief veel risico op zich via deze lening, hetgeen weerspiegeld wordt door de eveneens relatief hoge rente die KLM op deze lening betaalt. De verwachting is dat de trekkingen van de directe lening verspreid in tranches zullen zijn over de looptijd, zij het met een concentratie in het eerste jaar wanneer de behoefte aan additionele liquiditeit het grootste is.

  • 91. 
    Lening Stichting Garantiefonds Reisgelden (SGR)

Als steunmaatregel wordt een lening van 150 miljoen euro verstrekt aan Stichting Garantiefonds Reisgelden (SGR). Door deze lening kan SGR consumenten schadeloos blijven stellen bij faillissement van aangesloten reisorganisaties. Ook kan door deze steun het vouchersysteem voor pakketreizen na 1 juni 2020 in stand blijven. Het vouchersysteem voorkomt dat consumenten massaal hun reisgelden terugvragen bij geannuleerde pakketreizen, met mogelijke faillissementen van reisorganisaties tot gevolg.

  • 92. 
    Lening kleine garantiefondsen/regelingen

Er wordt 10 miljoen euro gereserveerd voor leningen aan kleine garantiefondsen/regelingen in de reisbranche.

  • 93. 
    Regionale ontwikkelingsmaatschappijen

De corona overbruggingslening (COL) draagt bij aan de verbetering van de liquiditeitspositie van innovatieve bedrijven. Er wordt hiervoor 100 miljoen euro beschikbaar gesteld aan regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM's). Vanwege het grote aantal ingediende aanvragen en de inschatting van de ROM's dat dit aantal de komende maanden verder stijgt, heeft het kabinet besloten om een tweede tranche van 200 miljoen euro aan leningen voor de COL beschikbaar te stellen.

1.4 Aansluiting visuele samenvatting met begrotingen en bijlagen Miljoenennota

De visuele samenvatting bij de Miljoenennota biedt een toegankelijk overzicht van de belangrijkste cijfers voor het Miljoenennotajaar. Deze presentatie verschilt op een aantal punten van de begrotingssystematiek zoals die wordt gehanteerd in de rest van de Miljoenennota en haar bijlagen. Deze bijlage behandelt de samenhang tussen de cijfers uit de visuele samenvatting en de rest van de Miljoenennota en geeft deze aansluiting weer in tabel 1.4.1.

De visuele samenvatting gaat uit van een netto-uitgavenbegrip; dat wil zeggen, de (bruto)uitgaven (tabel 2.2 in bijlage 2) verminderd met de zogenaamde niet-belastingontvangsten (tabel 2.3 in bijlage 2). Dit zijn ontvangsten die tot de uitgavenkant van de begroting worden gerekend, waaronder boete-opbrengsten, leges en teruggevorderde toeslagen.

Een ander verschil in presentatie tussen de visuele samenvatting en de Miljoenennota betreft de individuele begrotingsposten. De visuele samenvatting gaat uit van een thematische indeling die niet exact aansluit bij de afzonderlijke begrotingshoofdstukken. Zo wordt het Btw-compensatiefonds in de visuele samenvatting samengevoegd met het Gemeentefonds en het Provinciefonds, terwijl het begrotingstechnisch wordt verantwoord op de begroting van Financiën. Een meer complex voorbeeld is de verwerking van de middelen bestemd voor internationale samenwerking (HGIS = homogene groep internationale samenwerking). In de visuele samenvatting worden al deze middelen gegroepeerd onder de uitgavenpost 'Buitenlandse Zaken/Internationale Samenwerking', omdat het ministerie van Buitenlandse Zaken deze middelen coördineert. In de begrotingssystematiek worden deze middelen echter toegewezen aan verschillende begrotingshoofdstukken, zoals die van Justitie en Veiligheid en Defensie. Het overzicht van de toewijzing van deze middelen is terug te vinden in tabel 2.9 in bijlage 2.

Tabel 1.4.1 Aansluiting visuele samenvatting met begrotingen en bijlagen Miljoenennota

2021 Bron

Inkomsten

293 0 Budgettaire kerngegevens en visuele ' samenvatting

Uitgaven

97,8

96,4 Tabel 2.6 bijlagen MN

1.4    Tabel 2.5 bijlagen MN

86.7

75,3 Tabel 2.7 bijlagen MN 5,8 Tabel 2.5 bijlagen MN 5,6 Hoofdstuk 16 artikel 8.1 en 8.3 0,0 Tabel 2.9 bijlagen MN 40,0

40,1 Tabel 2.5 bijlagen MN 0,1 Tabel 2.9 bijlagen MN

35.7

29,6 Tabel 2.5 bijlagen MN

2.5    Tabel 2.5 bijlagen MN

3.6    Hoofdstuk 9 artikel 6

Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt

Plafond S totaal begrotings- en premiegefinancierd Plafond R Sociale Zekerheid en Werkgelegenheid

Zorg

Plafond Z totaal begrotings- en premiegefinancierd Plafond R Volksgezondheid, Welzijn en Sport Plafond R Volksgezondheid, Welzijn en Sport af: HGIS Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Plafond R Onderwijs, Cultuur en Wetenschap af: HGIS Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Gemeentefonds, Provinciefonds en Btw-compensatiefonds

Plafond R Gemeentefonds en accres Gemeentefonds Plafond R Provinciefonds en accres Provinciefonds Btw-compensatiefonds

 

Buitenlandse Zaken en Internationale Samenwerking

 

14,0

 

Plafond R Buitenlandse Zaken

10,5 Tabel 2.5 bijlagen MN

 

af: HGIS Buitenlandse Zaken

1,5 Tabel 2.9 bijlagen MN

 

bij: totale plafondrelevante uitgaven Internationale Samenwerking (HGIS)

5,0 Tabel 2.9 bijlagen MN

Justitie en Veiligheid

 

12,6

 

Plafond R Justitie en Veiligheid

12,6 Tabel 2.5 bijlagen MN

 

af: HGIS Justitie en Veiligheid

0,0 Tabel 2.9 bijlagen MN

Defensie

 

11,2

 

Plafond R Defensie

11,5 Tabel 2.5 bijlagen MN

 

af: HGIS Defensie

0,2 Tabel 2.9 bijlagen MN

Infrastructuur en Waterstaat

 

9,3

 

Plafond R Infrastructuur en Waterstaat

9,3 Tabel 2.5 bijlagen MN

 

af: HGIS Infrastructuur en Waterstaat

0,0 Tabel 2.9 bijlagen MN

 

bij: plafond R Infrastructuurfonds

0,0 Tabel 2.5 bijlagen MN

Rentelasten

 

3,7

 

Rentelasten staatsschuld

3,8 Hoofdstuk 9A artikel 11

 

Rentelasten schatkistbankieren

  • 0,1 Hoofdstuk 9A artikel 12

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

 

6,1

 

Plafond R Binnenlandse Zaken

6,0 Tabel 2.5 bijlagen MN

 

Plafond R Koninkrijksrelaties

0,0 Tabel 2.5 bijlagen MN

 

Plafond R BES-fonds

0,0 Tabel 2.5 bijlagen MN

Economische Zaken en Klimaat

 

6,5

 

Plafond R Economische Zaken en Klimaat

6,5 Tabel 2.5 bijlagen MN

 

af: HGIS EZK

0,0 Tabel 2.9 bijlagen MN

Financiën

 

3,1

 

Plafond R Financiën

6,8 Tabel 2.5 bijlagen MN

 

af: Btw-compensatiefonds

3,6 Hoofdstuk 9B artikel 6

 

af: HGIS Financiën

0,0 Tabel 2.9 bijlagen MN

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

 

1,8

 

Plafond R Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

1,8 Tabel 2.5 bijlagen MN

 

af: HGIS LNV

0,0 Tabel 2.9 bijlagen MN

Overig

 

8,1

293 0 Budgettaire kerngegevens en visuele ' samenvatting

  • 1. 
    Totaal inkomsten
  • 2. 
    Totale netto-uitgaven relevant voor het EMU-saldo

Budgettaire kerngegevens en visuele

336,6

samenvatting

  • 3. 
    EMU-saldo centrale overheid    43 5 Budgettaire kerngegevens en visuele

(=1-2)    ' samenvatting

2 UITGAVEN EN NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

Deze bijlage biedt een overzicht van de verschillende manieren waarop de uitgaven en de niet-belastingontvangsten van de overheid worden weergegeven. De overheidsuitgaven kunnen op kasbasis, maar ook op transactiebasis worden geregistreerd. In het eerste geval worden betalingen geboekt in de periode waarin betaling plaatsvindt, in het tweede geval de periode waarin rechten en verplichtingen zijn ontstaan. Op de departementale begrotingen worden de uitgaven op kasbasis geregistreerd: welke bedragen worden van de bankrekeningen van het Rijk afgeschreven. Bij het saldo van de overheid (EMU-saldo) wordt niet uitgegaan van de uitgaven op kasbasis, maar op transactiebasis: de uitgaven worden geboekt in de periode waarin rechten en verplichtingen zijn ontstaan. Bij de tabellen hieronder worden de gebruikte begrippen verder toegelicht.

Tabel 2.1. bevat alle netto-uitgaven van de Rijksoverheid: de optelsom van de uitgaven minus de niet-belastingontvangsten. Om de uitgaven te beheersen is er een uitgavenplafond. De uitgaven mogen het uitgavenplafond niet overschrijden. Het uitgavenplafond is gesplitst in drie deelpla-fonds: het plafond Rijksbegroting, het plafond Sociale Zekerheid en het plafond Zorg. De meeste netto-uitgaven vallen onder een van de drie plafonds. Er zijn echter ook uitgaven en ontvangsten die niet onder een plafond vallen, deze worden de niet-plafondrelevante uitgaven genoemd.

In het bovenste deel van de tabel zijn de uitgaven uitgesplitst in de begro-tingsgefinancierde en de premiegefinancierde uitgaven. De begrotingsge-financierde uitgaven worden betaald uit belastingen en zijn de optelling van alle uitgaven en niet-belastingontvangsten op de departementale begrotingen. Dit zijn de uitgaven waarvoor het parlement autorisatie verleent door de begrotingen aan te nemen. Naast de begrotingsgefinan-cierde uitgaven zijn er ook premiegefinancierde uitgaven. De uitgaven aan zorg en sociale zekerheid worden voor een groot deel gefinancierd uit sociale premies. In het onderste deel van de tabel zijn de begrotings- en premiegefinancierde uitgaven per plafond opgeteld.

Tabel 2.1 Netto-uitgaven naar type en plafond

 

(in miljoenen euro)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025    bron

Begrotingsgefinancierde netto-uitgaven

Plafond Rijksbegroting

138.995

156.573

155.096

152.317

153.241

154.400

156.968 Tabel 2.5

Plafond Sociale Zekerheid

22.553

41.855

30.104

25.399

25.210

25.508

25.854 Tabel 2.6

Plafond Zorg

2.271

2.483

2.094

2.104

1.994

1.991

2.004 Tabel 2.7

Netto-uitgaven buiten het uitgavenplafond

18.032

33.677

38.894

40.459

44.831

47.399

49.051 Tabel 2.8

Totaal begrotingsgefinancierde netto-uitgaven

181.852

234.588

226.188

220.279

225.276

229.298

233.877 Tabel 2.4

Premiegefinancierde netto-uitgaven

Plafond Sociale Zekerheid

58.207

62.212

66.281

68.067

69.257

70.634

72.834 Tabel 2.6

Plafond Zorg

67.462

71.049

73.230

77.059

79.953

83.067

86.459 Tabel 2.7

Totaal premiegefinancierde netto-uitgaven

125.669

133.261

139.511

145.127

149.210

153.701

159.292

Totaal netto-uitgaven

307.521

367.849

365.699

365.406

374.486

382.999

393.169

Plafond Rijksbegroting

138.995

156.573

155.096

152.317

153.241

154.400

156.968 Tabel 2.5

Plafond Sociale Zekerheid

80.760

104.067

96.385

93.466

94.467

96.142

98.687 Tabel 2.6

Plafond Zorg

69.733

73.532

75.324

79.164

81.947

85.058

88.463 Tabel 2.7

Totaal netto-uitgaven onder het uitgavenplafond

289.488

334.172

326.805

324.947

329.655

335.600

344.118

Netto-uitgaven buiten het uitgavenplafond

18.032

33.677

38.894

40.459

44.831

47.399

49.051 Tabel 2.8

Totaal netto-uitgaven

307.521

367.849

365.699

365.406

374.486

382.999

393.169

Tabel 2.2 geeft alle uitgaven zoals die vermeld zijn in de individuele begrotingshoofdstukken van de Rijksbegroting. In die hoofdstukken zelf zijn de uitgaven verdeeld over verschillende beleids- en niet-beleidsartikelen, maar in de tabel wordt alleen het totaal per hoofdstuk weergegeven. Deze tabel bevat dus alle geraamde uitgaven waarvoor het parlement goedkeuring geeft door het betreffende begrotingswetvoorstel aan te nemen. Deze uitgaven worden daarom ook wel de begrotingsgefinancierde uitgaven genoemd. Voor vrijwel alle begrotingshoofdstukken geldt dat de genoemde bedragen ook de raming is van wat de rijksoverheid op kasbasis denkt te gaan uitgeven. Alleen voor het begrotingshoofdstuk van Nationale Schuld geldt dat die begroting deels op transactiebasis wordt opgesteld. Omdat inzicht wordt gegeven in de uitgaven en verderop in bijlage 6 het saldo van de overheid, zijn de uitgaven aan het aflossen van de staatsschuld niet in deze tabel opgenomen.

Tabel 2.2 Uitgaven begrotingen

 
 

(in miljoenen euro)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

1

De Koning

44

45

46

47

47

47

47

2A

Staten-Generaal

173

191

191

173

171

171

175

2B

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten van de Gouverneurs

134

149

137

132

132

132

131

3

Algemene Zaken

66

75

82

75

76

77

78

4

Koninkrijksrelaties

196

506

86

90

90

107

107

5

Buitenlandse Zaken

10552

10.183

11.393

11.232

11.267

11.660

11.971

6

Justitie en Veiligheid

13662

14.451

14.211

13.946

13.757

13.620

13.729

7

Binnenlandse Zaken

5617

6.791

6.643

6.159

6.056

6.097

6.230

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

43075

44.624

43.684

44.121

44.562

44.439

44.509

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

7023

6.561

5.914

5.464

4.272

3.875

3.664

9B

Financiën

9434

11.099

9.265

8.838

8.656

8.613

8.289

10

Defensie

10719

11.480

11.629

12.057

11.796

11.825

11.401

12

Infrastructuur en Waterstaat

8005

10.138

16.476

9.566

10.815

10.098

10.098

13

Economische Zaken en Klimaat

5337

9.669

7.837

5.984

6.447

6.364

6.145

14

Landbouw, Natuur en

Voedselveiligheid

1534

2.033

2.065

1.423

1.407

1.295

1.337

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

39076

61.821

52.494

47.930

47.863

48.351

49.115

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

18014

26.632

25.887

26.359

27.621

29.157

30.417

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

3047

3.141

3.064

3.046

3.026

3.022

3.107

19

Nationaal Groeifonds

0

0

1.000

2.000

3.000

4.000

4.000

50

Gemeentefonds

31298

33.444

32.819

32.419

31.864

31.672

31.466

51

Provinciefonds

2467

2.608

2.483

2.432

2.422

2.412

2.402

55

Infrastructuurfonds

5761

6.237

13.804

6.714

7.694

7.258

7.110

58

Diergezondheidsfonds

63

72

34

34

34

34

34

64

BES-fonds

44

55

47

35

35

35

35

65

Deltafonds

1076

1.068

1.219

1.272

1.511

1.430

1.571

66

Defensiematerieelbegrotingsfonds

0

0

4.610

4.947

4.774

4.828

4.417

AP

Aanvullende posten

0

  • 362

4.206

6.976

9.219

12.041

15.579

90

Consolidatie1

  • 6010
  • 6.432
  • 7.062
  • 7.105
  • 8.191

(7.990)

(8.048)

HGIS

Internationale Samenwerking2

(5.289)

(5.395)

(5.114)

(5.313)

(5.259)

(5.320)

(5.438)

1    Dit betreft een correctie voor dubbeltellingen die ontstaan door het <<bruto>> boeken van bijdragen. Het bruto-boeken houdt in dat zowel het departement dat bijdraagt, als het departement dat ontvangt de uitgaven op zijn begroting opneemt.

2    In deze en volgende tabellen zijn de uitgaven voor Internationale Samenwerking (HGIS) toegerekend aan de begrotingen waarop deze worden verantwoord. De totale uitgaven HGIS zijn tussen haken vermeld en lopen niet mee in de totaaltelling.

Tabel 2.3 bevat alle niet-belastingontvangsten op de verschillende begrotingshoofdstukken van de Rijksbegroting. Dit betreft alle ontvangsten die geen belasting- of premie-ontvangst zijn. Denk bijvoorbeeld aan het dividend dat uitgekeerd wordt door staatsdeelnemingen, terugbetaalde studieschulden of de opbrengst van boetes en schikkingen. Ook hier geldt dat alle bedragen op kasbasis zijn, behalve de begroting van Nationale Schuld, die deels op transactiebasis is opgesteld. Omdat inzicht wordt gegeven in de niet-belastingontvangsten en verderop in bijlage 6 het saldo van de overheid, worden de ontvangsten vanuit het uitgeven van nieuwe staatschuld niet meegeteld.

 

Tabel 2.3 Niet-belastingontvangsten begrotingen

 

(in miljoenen euro)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

1

De Koning

0

0

0

0

0

0

0

2A

Staten-Generaal

4

4

4

4

4

4

4

2B

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten van de Gouverneurs

6

6

6

6

6

6

6

3

Algemene Zaken

6

7

7

7

7

7

7

4

Koninkrijksrelaties

56

40

38

31

31

31

31

5

Buitenlandse Zaken

805

750

921

938

954

974

991

6

Justitie en Veiligheid

1.646

1.485

1.574

1.576

1.585

1.596

1.578

7

Binnenlandse Zaken

753

763

666

608

608

571

561

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

1.398

1.405

1.445

1.513

1.563

1.629

1.688

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

12.155

5.215

11.187

6.534

4.710

4.889

4.801

9B

Financiën

4.254

2.811

2.231

3.063

3.192

3.218

3.504

10

Defensie

406

285

160

160

160

160

160

12

Infrastructuur en Waterstaat

52

33

20

17

14

16

14

13

Economische Zaken en Klimaat

3.455

5.683

4.816

3.557

4.179

4.331

4.417

14

Landbouw, Natuur en

Voedselkwaliteit

124

281

237

89

76

74

70

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

1.896

1.830

1.837

1.865

1.986

2.059

2.076

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

749

173

205

113

113

113

113

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

59

69

57

52

47

42

42

50

Gemeentefonds

0

0

0

0

0

0

0

51

Provinciefonds

             

55

Infrastructuurfonds

5.614

6.188

13.804

6.714

7.694

7.258

7.110

58

Diergezondheidsfonds

40

72

34

34

34

34

34

64

BES-fonds

             

65

Deltafonds

1.090

1.024

1.219

1.272

1.511

1.430

1.571

66

Defensiematerieelbegrotingsfonds

0

0

4.610

4.947

4.774

4.828

4.417

AP

Aanvullende posten

0

0

60

92

91

91

91

90

Consolidatie

  • 6.010
  • 6.432
  • 7.062
  • 7.105
  • 8.191
  • 7.990
  • 8.048

HGIS

Internationale Samenwerking

(181)

(186)

(165)

(160)

(155)

(153)

(152)

 

Totaal

28.558

21.691

38.077

26.089

25.149

25.372

25.238

Tabel 2.4 geeft per begrotingshoofdstuk de netto-uitgaven weer, oftewel de uitgaven (tabel 2.2) minus de niet-belastingontvangsten (tabel 2.3).

Tabel 2.4 Netto-uitgaven begrotingen

 
 

(in miljoenen euro)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

1

De Koning

44

45

46

47

47

47

47

2A

Staten-Generaal

169

187

187

169

167

167

171

2B

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten van de Gouverneurs

128

143

131

126

125

125

125

3

Algemene Zaken

60

68

75

68

68

70

70

4

Koninkrijksrelaties

141

467

48

59

59

76

76

5

Buitenlandse Zaken

9.747

9.433

10.472

10.294

10.313

10.686

10.980

6

Justitie en Veiligheid

12.017

12.966

12.637

12.370

12.172

12.023

12.150

7

Binnenlandse Zaken

4.864

6.027

5.977

5.550

5.449

5.525

5.670

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

41.678

43.220

42.239

42.608

42.999

42.810

42.821

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

  • 5.132

1.346

  • 5.274
  • 1.071
  • 438
  • 1.014
  • 1.136

9B

Financiën

5.181

8.288

7.033

5.775

5.464

5.395

4.785

10

Defensie

10.313

11.195

11.469

11.897

11.636

11.665

11.241

12

Infrastructuur en Waterstaat

7.953

10.105

16.457

9.549

10.801

10.082

10.084

13

Economische Zaken en Klimaat

1.883

3.986

3.021

2.427

2.268

2.033

1.728

14

Landbouw, Natuur en

Voedselkwaliteit

1.410

1.752

1.828

1.335

1.331

1.221

1.267

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

37.179

59.990

50.657

46.065

45.877

46.292

47.039

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

17.265

26.459

25.682

26.246

27.508

29.044

30.303

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

2.988

3.072

3.007

2.994

2.979

2.979

3.064

19

Nationaal Groeifonds

0

0

1.000

2.000

3.000

4.000

4.000

50

Gemeentefonds

31.298

33.444

32.819

32.419

31.864

31.672

31.466

51

Provinciefonds

2.467

2.608

2.483

2.432

2.422

2.412

2.402

55

Infrastructuurfonds

147

49

0

0

0

0

0

58

Diergezondheidsfonds

23

0

0

0

0

0

0

64

BES-fonds

44

55

47

35

35

35

35

65

Deltafonds

  • 14

44

0

0

0

0

0

66

Defensiematerieelbegrotingsfonds

0

0

0

0

0

0

0

AP

Aanvullende posten

0

  • 362

4.147

6.884

9.128

11.949

15.488

HGIS

Internationale Samenwerking

(5.108)

(5.209)

(4.950)

(5.154)

(5.104)

(5.167)

(5.286)

De volgende tabellen (2.5 tot en met 2.7) geven per deelplafond aan welke uitgaven er onder vallen, op welk begrotingshoofdstuk deze staan, en of de uitgaven begrotings- of premiegefinancierd zijn.

 
 

(in miljoenen euro)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

1

De Koning

44

45

46

47

47

47

47

2A

Staten-Generaal

169

187

187

169

167

167

171

2B

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten van de Gouverneurs

128

143

131

126

125

125

125

3

Algemene Zaken

60

68

75

68

68

70

70

4

Koninkrijksrelaties

78

91

27

37

36

52

51

5

Buitenlandse Zaken

9.747

9.433

10.472

10.294

10.313

10.686

10.980

6

Justitie en Veiligheid

12.017

12.966

12.637

12.370

12.172

12.023

12.150

7

Binnenlandse Zaken

4.886

6.054

6.009

5.583

5.481

5.558

5.702

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

39.929

41.258

40.094

40.315

40.689

40.526

40.562

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

5.446

4.675

3.708

3.268

2.126

1.801

1.677

9B

Financiën

5.549

7.030

6.753

6.095

5.819

5.781

5.516

10

Defensie

10.308

11.191

11.463

11.896

11.633

11.664

11.241

12

Infrastructuur en Waterstaat

7.953

10.105

9.310

9.549

10.801

10.082

10.084

13

Economische Zaken en Klimaat

4.267

7.536

6.497

5.750

5.773

5.740

5.768

14

Landbouw, Natuur en

Voedselkwaliteit

1.410

1.752

1.828

1.335

1.331

1.221

1.267

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

452

724

1.391

1.159

1.121

1.135

932

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

3.407

8.210

5.787

3.639

3.499

3.451

3.369

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

3.001

3.109

3.037

3.018

2.999

2.994

3.079

50

Gemeentefonds

27.501

29.555

29.414

29.050

28.543

28.399

28.240

51

Provinciefonds

2.467

2.608

2.483

2.432

2.422

2.412

2.402

55

Infrastructuurfonds

147

49

0

0

0

0

0

58

Diergezondheidsfonds

0

0

0

0

0

0

0

60

Accres Gemeentefonds

0

0

209

1.370

2.268

3.174

4.240

61

Accres Provinciefonds

0

0

32

138

221

305

403

64

BES-fonds

44

55

47

35

35

35

35

65

Deltafonds

  • 14

44

0

0

0

0

0

66

Defensiematerieelbegrotingsfonds

0

0

0

0

0

0

0

80

Prijsbijstelling

0

0

478

977

1.455

1.925

2.351

81

Arbeidsvoorwaarden

0

0

1.118

1.943

3.112

4.271

5.585

86

Algemeen

0

  • 315

1.862

1.654

984

751

918

HGIS Internationale Samenwerking

(5.071)

(5.245)

(4.979)

(5.178)

(5.124)

(5.182)

(5.300)

 

Begrotingsgefinancierde netto-uitgaven

138.995

156.573

155.096

152.317

153.241

154.400

156.968

 

Totaal netto-uitgaven onder plafond Rijksbegroting

138.995

156.573

155.096

152.317

153.241

154.400

156.968

 

Tabel 2.6 Netto-uitgaven onder plafond Sociale Zekerheid

 

(in miljoenen euro)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

20.566

39.946

27.768

22.801

22.453

22.450

22.461

50

Gemeentefonds

1.987

1.957

1.903

1.855

1.808

1.760

1.712

AP

Aanvullende posten

0

  • 47

432

742

949

1.298

1.680

 

Begrotingsgefinancierde netto-uitgaven

22.553

41.855

30.104

25.399

25.210

25.508

25.854

40

Sociale verzekeringen

58.207

62.212

66.281

68.067

69.257

70.634

72.834

 

Premiegefinancierde netto-uitgaven

58.207

62.212

66.281

68.067

69.257

70.634

72.834

 

Totaal netto-uitgaven onder plafond Sociale zekerheid

80.760

104.067

96.385

93.466

94.467

96.142

98.687

Tabel 2.7 Netto-uitgaven onder plafond Zorg

 
 

(in miljoenen euro)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

461

550

584

573

456

444

447

50

Gemeentefonds

1.809

1.933

1.501

1.514

1.514

1.514

1.514

AP

Aanvullende posten

0

0

9

17

23

32

43

 

Begrotingsgefinancierde netto-

2.271

2.483

2.094

2.104

1.994

1.991

2.004

 

uitgaven

             

41

Zorg

67.462

71.049

73.230

77.059

79.953

83.067

86.459

 

Premiegefinancierde netto-uitgaven

67.462

71.049

73.230

77.059

79.953

83.067

86.459

 

Totaal netto-uitgaven onder plafond

69.733

73.532

75.324

79.164

81.947

85.058

88.463

Zorg

Tabel 2.8 geeft per begrotingshoofdstuk de uitgaven weer die buiten het totale uitgavenplafond vallen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om uitgaven die niet meetellen in het overheidstekort (EMU-saldo), zoals het verstrekken van leningen, de bijdrage van het Rijk aan de sociale fondsen of de opbrengst van het verkopen van staatsdeelnemingen. Daarnaast zijn er uitgaven die wel EMU-saldorelevant zijn, maar buiten het uitgavenplafond zijn geplaatst, zoals de uitgaven aan de zorgtoeslag.

Tabel 2.8 Netto-uitgaven buiten het uitgavenplafond

 
 

(in miljoenen euro)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

4

Koninkrijksrelaties

63

376

21

22

23

24

24

7

Binnenlandse Zaken

  • 23
  • 27
  • 33
  • 33
  • 33
  • 33
  • 33

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

1.749

1.962

2.145

2.293

2.311

2.283

2.259

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

  • 10.577
  • 3.330
  • 8.982
  • 4.339
  • 2.564
  • 2.814
  • 2.814

9B

Financiën

  • 368

1.258

280

  • 320
  • 355
  • 387
  • 731

10

Defensie

5

4

5

1

3

2

0

12

Infrastructuur en Waterstaat

0

0

7.147

0

0

0

0

13

Economische Zaken en Klimaat

  • 2.384
  • 3.550
  • 3.477
  • 3.323
  • 3.504
  • 3.708
  • 4.040

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

16.161

19.321

21.498

22.105

22.303

22.707

23.646

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

13.397

17.698

19.311

22.035

23.552

25.149

26.487

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

  • 13
  • 36
  • 29
  • 25
  • 20
  • 15
  • 15

19

Nationaal Groeifonds

0

0

1.000

2.000

3.000

4.000

4.000

58

Diergezondheidsfonds

23

0

0

0

0

0

0

AP

Aanvullende posten

0

0

6

42

115

191

266

HGIS

Internationale Samenwerking

(37)

(36)

(29)

(25)

(20)

(15)

(15)

 

Begrotingsgefinancierde netto-uitgaven buiten het plafond

18.032

33.677

38.894

40.459

44.831

47.399

49.051

 

Totaal netto-uitgaven buiten het uitgavenplafond

18.032

33.677

38.894

40.459

44.831

47.399

49.051

Tabel 2.9 geeft een overzicht van de uitgaven aan de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) per begrotingshoofdstuk. De HGIS-uitgaven staan op verschillende begrotingen maar worden gecoördineerd door de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Deze stelt ook de HGIS-nota op, die een gedetailleerder overzicht van de HGIS-uitgaven bevat en gelijktijdig met de Miljoenennota wordt gepubliceerd.

 
 

(in miljoenen euro)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

5

Buitenlandse Zaken

1.359

1.537

1.475

1.430

1.417

1.448

1.449

6

Justitie en Veiligheid

35

34

35

35

35

34

34

7

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

1

1

1

1

1

0

0

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

62

63

63

63

63

63

63

9B

Financiën

327

190

47

267

313

347

379

10

Defensie

184

194

224

224

210

209

209

12

Infrastructuur en Waterstaat

26

37

30

21

21

21

21

13

Economische Zaken en Klimaat

25

29

27

27

27

27

27

14

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

30

35

32

32

32

32

32

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

1

1

1

1

1

1

1

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

22

15

7

5

5

5

5

17

Buitenlandse Handel &

Ontwikkelingssamenwerking

3.001

3.109

3.037

3.018

2.999

2.994

3.079

86

Algemeen

0

0

0

53

0

0

0

 

Totaal plafondrelevante netto-uitgaven HGIS

5.071

5.245

4.979

5.178

5.124

5.182

5.300

9B

Financiën

37

0

0

0

0

0

0

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

0

  • 36
  • 29
  • 25
  • 20
  • 15
  • 15
 

Totaal niet-plafondrelevante netto-uitgaven HGIS

37

  • - 
    36
  • - 
    29
  • - 
    25
  • - 
    20
  • - 
    15
  • - 
    15

3 INKOMSTENKADER

  • 1. 
    Uitleg inkomstenkader

In het Regeerakkoord en de Startnota zijn de financiële afspraken en het begrotingsbeleid van het kabinet vastgelegd. Het inkomstenkader speelt een belangrijke rol binnen het begrotingsbeleid. Om de lastendruk voor burgers en bedrijven te beheersen, wordt bij het Regeerakkoord een pad afgesproken voor de beleidsmatige lastenontwikkeling, die in de Startnota voor de duur van de kabinetsperiode in het inkomstenkader wordt vastgelegd.

Gedurende de kabinetsperiode kunnen er om verschillende redenen wijzigingen optreden in het inkomstenkader:

  • 1. 
    Nieuw beleid dat van na het Regeerakkoord dateert (tariefs- dan wel grondslagwijzigingen). Bij additionele lastenverlichting is compenserende lastenverzwaring nodig, en vice versa.
  • 2. 
    Zorgpremies (de nominale premie en de iab-premie) zijn inkomstenka-derrelevant. Fluctuaties in zorgpremies hebben in de huidige systematiek geen gevolgen voor het EMU-saldo, omdat zowel de zorguitgaven als zorgpremies zijn ingekaderd en de uitgaven voor de Zvw lastendekkend zijn gefinancierd. Een voorbeeld illustreert dit. Stel dat zich een meevaller voordoet in de zorguitgaven. Dit geeft ruimte binnen de uitgavenplafonds, die mag worden ingezet voor uitgaven elders. Per saldo worden de totale uitgaven daarmee niet lager. Tegelijkertijd leiden de lagere uitgaven automatisch tot lagere zorgpremies vanwege de lastendekkende financiering van de zvw, waardoor de inkomsten dus wel afnemen. Om de inkomsten op peil te houden, is dan een compenserende lastenverzwaring nodig. Per saldo is het effect op het EMU-saldo dan nul. Incidentele wijzigingen in de premies die onder meer het gevolg zijn van het wegwerken van tekorten en overschotten in het zorgverzekeringsfonds en het verschil tussen de VWS-raming en de door verzekeraars vastgestelde nominale premie worden niet binnen het inkomstenkader gecompenseerd. Ook worden wijzigingen in de ZVW-premiegrondslag nadat de hoogte van de zorgpremies eenmaal is vastgesteld niet gecompenseerd binnen het inkomstenkader.
  • 3. 
    Maatregelen uit het Regeerakkoord en nieuwe maatregelen die onderdeel uitmaken van het inkomstenkader worden, voordat ze worden omgezet in wetgeving, eenmaal opnieuw geraamd ('herijkt'). Het CPB certificeert deze herijkte raming. Zo wordt geborgd dat in de wet een zo goed mogelijke raming van de maatregel staat. Eventuele verschillen tussen de oorspronkelijke raming en de herijkte raming moet volgens de begrotingsregels binnen het inkomstenkader worden gecompenseerd.

Het inkomstenkader beheerst alleen de beleidsmatige keuzes van lasten. Wijzigingen in de lasten door beleid moeten gecompenseerd worden met tegengestelde lastenmaatregelen om te borgen dat het inkomstenkader per saldo weer sluit.

Verschillen in de (geraamde) belasting- en premiekomsten die niet het gevolg zijn van hierboven genoemde oorzaken, maar veroorzaakt worden doordat de conjunctuur zich anders ontwikkelt dan verwacht ten tijde van de Startnota, lopen in het saldo. Een toename van de werkgelegenheid bijvoorbeeld leidt tot hogere inkomsten uit de inkomstenbelasting en hoeft niet gecompenseerd te worden binnen het inkomstenkader.

  • 2. 
    Ontwikkeling inkomstenkader tot MN2020
  • Bij Miljoenennota 2019 is het inkomstenkader gesloten ten opzichte van Startnota.
  • Bij Miljoenennota 2020 is bij het Klimaat- en Pensioenakkoord en bij het lastenverlichtingspakket huishoudens augustus gekozen voor een kader-correctie, waardoor de lasten minder stijgen dan beoogd bij Startnota. Voor de overige pakketten is het inkomstenkader gesloten bij Miljoenennota 2020.
  • Sinds Miljoenennota 2020 hebben er meerdere wijzigingen plaats gevonden in het inkomstenkader. Deze worden hieronder verder toegelicht.
  • 3. 
    Ontwikkeling inkomstenkader tussen MN2020 en MN2021

3a. Ontwikkeling regulier inkomstenkader kader tussen MN2020 en MN2021

Tabel 3.3.1 Overzicht lastenrelevante ontwikkelingen regulier kader sinds

Miljoennnota 2020

In miljarden euro's, - is lastenverlichting    2021

w.v. burgers    -    0,46

w.v. bedrijven    -    0,03

Verhoging basistarief box 1    0,46

Verhoging aof premie    0,03

w.v. burgers    0,14

w.v. bedrijven    0,12

  • (4) 
    Reguliere maatregelen inkomstenkader MN2020 tm cMEV2021 (zie ook paragraaf

3b)    -    0,10

w.v. burgers    0,07

w.v. bedrijven    -    0,17

(3+4) Totaal inkomstenkader tot cMEV2021    0,17

w.v burgers    0,22

w.v. bedrijven    -    0,05

w.v. Verlaging basistarief box 1 (burgers)    -    0,22

w.v. Verhoging aof-premie (bedrijven)    0,05

w.v burgers    -    0,08

w.v. bedrijven    -    0,12

w.v burgers    -    1,21

w.v. bedrijven    1,09

  • - 
    0,32

(1 t/m 7) Totaal inkomstenkader tussen MEV2020 en MEV2021

w.v burgers    - 1,29

w.v. bedrijven    0,97

Toelichting

Tabel 3.3.1 geeft de lastenrelevante ontwikkelingen tussen Miljoennnota 2020 en Miljoennnota 2021 weer. Hieronder volgt een puntsgewijze toelichting.

Ad (1) en Ad (2)

De lagere lastenrelevante zorgpremies bij kMEV2021 ten opzichte van de MEV2020 van ongeveer 0,5 miljard euro (1) zijn gedekt door het basistarief box 1 en aof-premie te verhogen (2).

Ad (3) en Ad (4)

De lastenrelevante zorgpremies de nieuwe cMEV2021 raming leidden t.o.v. kMEV2021 tot een lastenrelevante opbrengst van 262 miljoen euro in 2021 (3). Na het oplossen van deze dervingen binnen het eigen domein resteert er tussen MN2020 toen het kader is gesloten en cMEV2021 een tekort in het reguliere kader van 96 miljoen euro (4) (zie ook paragraaf 3b voor een overzicht van deze maatregelen). De derving in het reguliere kader samen met de lastenrelevante opbrengst van de hoger geraamde zorgpremies bij cMEV2021 zorgen voor lastenrelevante opbrengst van 166 miljoen euro, waarvan 218 miljoen euro bij burgers (en een tekort van 52 miljoen euro bij bedrijven.

Ad (5)

Het inkomstenkader bij cMEV2021 is gesloten door het basistarief box 1 met 218 miljoen euro te verlagen en de aof-premie met 52 miljoen euro te verhogen.

Ad (6)

Tussen cMEV2021 en MEV2021 is er nog een bijstelling geweest van de zorgpremies. De lastenrelevante zorgpremies vallen €0,2 mld lager uit dan bij cMEV2021. Omdat de besluitvorming ten tijde van deze raming was afgerond is er geen sprake van compenserende lastenverzwaring.

Ad (7)

Het additionele lastenpakket leidt per saldo tot een tekort in het inkomstenkader van €0,1 miljard. In paragraaf 3f wordt dit pakket verder toegelicht.

Ad (1 t/m 7)

De lagere zorgpremies tussen cMEV2021 en MEV2021 en het additionele lastenpakket leiden per saldo tot een tekort in het inkomstenkader van €0,3 miljard in 2021.

3b. Uitsplitsing maatregelen regulier kader (Ad (4) in tabel 1)

Tabel 3.3.2 Uitsplitsing maatregelen regulier kader (regel (4) in tabel 3.3.1)

Nummer In € miljoen (-/- is lastenverlichting)    2021

Maatregelen tussen MN2020 en MN2021

1    Later afschaffen betalingskorting Vpb    -    160

2    Pensioen bedrag ineens    -    19

3    Later invoeren gelijktrekken tweede en derde pijler pensioen    100

4    Verlenging verlaagde EB-tarief openbare laadpalen    -    4

5    Wijzigingen Natuurschoonwet    0

6    Btw e-commerce    0

7    Liquidatieverliesregeling    -    20

8    Vrijstelling EB walstroom    -    1

9    Vrijstelling RVU    -    5

10    Uitbreiding verlofsparen    0

11    Reparatie mede-eigendomsbepaling verhuurderheffing    -    3

12    Voorkomen vrijstelling valutawinsten en negatieve rente op schulden    42

13a    Derving AT1 (inc. tegenmaatregel)    -    241

13b    Verhogen bankenbelasting ter dekking    241

14a    IACK HR co-ouderschap    -    33

14b    Verlagen IACK ter dekking HR co-ouderschap    33

15a    EZK wbso aanpassing 2021    -    157

15b    Dekking voorstel wbso onderuitputting uit 2019 en envelop 2017 en    2018    157

16    btw hoger onderwijs    -    26

17a    Verhogen basistarief box 1 (gebruik reservering €150 mln)    150

Kadercorrectie: gebruik reservering €150 mln voor wkb derde kind 17b    verhogen (+€544)    -    150

18a    Doorwerking knip in toeslagjaar    op zorgtoeslag    -    39

Gedekt uit verhogen normpercentages zorgtoeslag alleenstaanden en 18b    paren (+0,04%-punt).    39

19a    Maximum ouderenkorting verhogen (+ € 55)    -    100

19b    gedekt uit verhoging TES (+0,03%)    100

20a    Maximum algemene heffingskorting verhogen (+€ 20)    -    185

20b    Dekking verhoging AHK met €20 door verlaging maximale arbeidskorting    185

21a    verruimen gerichte vrijstelling scholingskosten    -    16

21b    Verlaging vrije ruimte 2e schijf wkr    21

22    Envelop aandelenopties    -    5

Stand regulier inkomstenkader    - 96

w.v. burgers    73

w.v. bedrijven    - 169

Toelichting per maatregel

  • 1. 
    Uitstel afschaffen vpb betalingskorting

Het afschaffen van de vpb betalingskorting wordt wegens uitvoerbaarheid uitgesteld. De huidige verwachte inwerkingtreding is 2023.

  • 2. 
    Pensioen bedrag ineens

Uitstel van de maatregel leidt tot een incidentele derving in 2021.

  • 3. 
    Uitstel fiscale ruimte 3e en 2de pijler gelijk maken (2022 ipv 2021)

In pensioenakkoord is ruimte gereserveerd voor het gelijktrekken van de tweede en de derde pijler. Door vertraging valt gereserveerde ruimte van 100 miljoen in 2021 vrij.

4 Verlengen verlaagde EB-tarief openbare laadpalen

Over elektriciteit geleverd aan laadpalen met een zelfstandige aansluiting wordt tot een verbruik van 50.000 kWh het EB tarief 2e schijf toegepast. Tot 10.000 kWh geldt normaal gesproken het EB tarief 1e schijf. Het gaat om een verlenging van 2 jaar, waardoor de maatregel structureel geen geld kost.

  • 5. 
    Wijzigingen natuurschoonwet

Naar aanleiding van de evaluatie van de Natuurschoonwet worden de voorwaarden om in aanmerking te komen voor fiscale voordelen op basis van natuurbeheer op landgoederen strenger. Dit levert een opbrengst op van 1 miljoen euro in 2031 verdeeld over enkele verschillende belasting-soorten, maar met name in box 1 IB.

  • 6. 
    btw e-commerce

Verschillende moderniseringen in de btw-behandeling van grensoverschrijdende leveringen via e-commerce. Onder andere afschaffing van de btw-vrijstelling voor invoer van pakketjes van buiten de EU van minder dan € 22. De invoeringsdatum is wegens uitvoerbaarheid nog onzeker, huidige inschatting is 2022. De opbrengst is €150 mln structureel.

7 Liquidatieverliesverrekening

Levert minder op door herijking van maatregel. 8 Vrijstelling EB walstroom

Het introduceren van een vrijstelling of een verlaagd tarief voor walstroom stimuleert dat aanmerende schepen in de haven gebruikmaken van een aansluiting op het elektricieitsnet van de wal. De maatregel kost €1 mln structureel vanaf 2021.

11 Reparatie mede-eigendomsbepaling verhuurderheffing

Repareert een gebrek in de bepaling over huurwoningen in mede-eigendom, kost in 2020 incidenteel 3 miljoen euro, structureel 1 miljoen euro.

12 Voorkomen vrijstelling valutawinsten en negatieve rente op schulden

Het voorkomen dat valutawinsten worden vrijgesteld door toepassing van artikel 10a Wet Vpb 1969. Hetzelfde geldt voor negatieve rente op 10a-schulden. Technische wijziging. De maatregel wordt getroffen om opportunistisch gebruik van de tegenbewijsregeling in een anti-misbruikbepaling tegen te gaan.

13a Derving AT1 (inclusief tegenmaatregel)

Als gevolg van een recent arrest van de Hoge Raad (HR) kwalificeert aanvullend tier 1 kapitaal (AT1 kapitaal) van banken en verzekeraars fiscaal als schuld.[1] Hierdoor kan de vergoeding over AT1 kapitaal naar alle waarschijnlijkheid in aftrek worden gebracht bij het bepalen van de fiscale winst. In het belastingplan wordt de minimumkapitaalregel aangepast, waardoor deze inconsistentie wordt opgelost (vanaf 2021 wordt ATI niet langer meegenomen als eigen vermogen voor de toepassing van deze regel en gaat de eigenvermogenratio van 8% naar 9%).

13b Verhogen bankenbelasting

De hogere derving in 2021 van het AT1 arrest wordt binnen de financiële sector gedekt door middel van een eenmalige compensatie in 2021 via de bankenbelasting. Op deze manier wordt de dekking opgehaald bij grootbanken, de groep die ook het meeste voordeel heeft bij de aftrekbaarheid van AT1 kapitaal.

14 IACK HR co-ouderschap

De maximale iack gaat met € 113 omlaag in 2021, ter dekking van een ruimere interpretatie van het begrip co-ouderschap (uitspraak Hoge Raad). In 2022 en verder is de verlaging € 36 (na 2021 stijgt de iack dus weer met € 77), omdat in 2021 incidenteel meer dekking nodig was vanwege het feit dat de uitspraak van de Hoge Raad leidt tot een derving in belastingjaren 2019, 2020 en 2021;

15 EZK wbso aanpassing 2021 en dekking

In 2021 wordt het eerste tarief van de wbso voor starters en niet starters incidenteel verhoogd. Dit wordt gefinancierd uit de onderuitputting uit 2019 als ook door gebruik te maken van envelop met onderuitputting uit eerdere jaren.

16 btw hoger onderwijs

Sinds een arrest van de Hoge Raad uit 2018 bestaat er verschil in de mate waarin instellingen die hoger openbaar onderwijs en instellingen die hoger bijzonder onderwijs (hbo/universiteit) verzorgen de aan hen in rekening gebrachte btw op algemene kosten in aftrek kunnen brengen. Deze maatregel herstelt dit verschil, waardoor ook instellingen die hoger openbaar onderwijs verzorgen een ruimer percentage in aftrek mogen brengen van de aan hen in rekening gebrachte btw op algemene kosten.

  • 17. 
    Verhogen basistarief box 1 (gebruik reservering €150 mln)

De reservering van €150 mln vanaf 2021 structureel, die tijdelijk als verlaging van het basistarief box 1 was geboekt, wordt gebruikt aan de uitgavenkant om de wkb voor het derde kind te verhogen, wat een kader-correctie vergt.

18 Zorgtoeslag verbetervoorstellen en dekking

Enkele maatregelen n.a.v. IBO-Toeslagen en de Adviescommissie Uitvoering Toeslagen leiden tot hogere uitgaven, waarvan 38,5 miljoen euro voor de zorgtoeslag. Dekking komt uit door extra verhoging van de normpercentages (+0,04%-punt) in de zorgtoeslag, conform de afspraak uit het voorjaar.

  • 19. 
    Maximum ouderenkorting verhogen

Verhoging van de maximale ouderenkorting met €55 naar €1.703, gefinancierd uit een verhoging van TES (+0,03%-punt). Dit verbetert de mediane koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden met +0,1%.

  • 20. 
    Budgetneutrale schuif tussen de AHK (maximum + €20) en de AK (bedrag bij knikpunt 2 en 3 -€30):

_Een budgettair neutrale schuif tussen een verhoging van de algemene heffingskorting en een verlaging van de arbeidskorting.

  • 21. 
    Verruiming gerichte vrijstelling scholingskosten en dekking uit verlagen wkr

De gerichte vrijstelling voor scholing in de loonbelasting wordt uitgebreid zodat ex-werknemers die bijvoorbeeld werkloos zijn geraakt in bepaalde gevallen nog op kosten van hun ex-werkgever een opleiding of studie kunnen volgen, zonder dat daar loonheffingen over zijn verschuldigd. Dit biedt ook een oplossing voor bepaalde fiscale belemmeringen die worden ervaren bij het aanbieden van private individuele leerrekeningen.

Als dekking van de verruiming van de gerichte vrijstelling voor scholing, wordt het percentage van de vrije ruimte boven de eerste € 400.000 van de loonsom ingeperkt van 1,2% naar 1,18%.

  • 22. 
    Envelop aandelenopties

Om de fiscale behandeling van aandelenopties als loon voor start-ups en scale-ups te verbeteren is een maatregel uitgewerkt dat was opgenomen in het wetsvoorstel Belastingplan 2021 met beoogde inwerkingstredings-datum 1 januari 2021. Na uitvoerig overleg met deskundigen op het gebied van aandelenopties is gebleken dat het niet duidelijk is of deze maatregel in genoeg gevallen het beoogde effect heeft. Het voorstel wordt daarom verder uitgewerkt, waarbij bijvoorbeeld een later tijdstip van belastingheffing wordt voorgesteld. Hiervoor wordt € 5 mln gereserveerd per 2022. Beoogde inwerkingtreding van de maatregel wordt dan per 1 januari 2022 en de maatregel wordt dan opgenomen in het Belastingplan 2022.

3c. Aanpassingen aof-premie

Invoeren mkb knop aof per 2022

Tabel 3.3.3. laat de aanpassingen zien bij de aof premie in het kader van het invoeren van een apart verlaagd tarief voor het mkb. Het oorspronkelijke plan was om in 2021 een premiekorting aof in te voeren van €450 mln, gefinancierd uit een verhoging van de aof en gebruik makend van de envelop van €200 mln uit het heroverwegingspakket dividendbelasting. Deze optie bleek niet uitvoerbaar. Er wordt volgens de bestaande plannen daarom een gedifferentieerde Aof-premie ingevoerd per 2022. Dit betekent een lager tarief voor bedrijven tot 25 werknemers (gemeten naar de loonsom van een gemiddelde werknemer). Met de beschikbare 450 mln. kan het Aof-tarief voor MKB (tot 25 werknemers) structureel ongeveer 1,1%-punt worden verlaagd ten opzichte van het reguliere tarief. In de augustus-besluitvorming is afgesproken om het budget van 450 mln. uit 2021 door te schuiven naar 2022 en 2023. Dit vergt wat betreft het niet gebruik van de envelop in 2021 wel een kadercorrectie van €200 mln.

 

Tabel 3.3.3 Aanpassingen door invoering mkb knop aof per 2022

In €miljoen, in mutaties, - is lastenverlichting

2021

2022

2023

2024

Uitboeken premiekorting wegens niet uitvoerbaar

450

     

Uitboeken tariefstijging Aof alle wergevers tbv premiekorting

  • 250
     

Kadercorrectie: niet gebruik envelop €200 mln in 2021

  • 200

200

   

Invoeren gedifferentieerde premie aof (mkb knop)

 
  • 450
   

Verhogen generieke aof premie ter dekking

 

250

   

Incidenteel extra verhogen mkb knop

 
  • 300

150

150

Kadercorrectie: Gebruik mkb envelop deel 2021

 

150

  • 100
  • 50

Incidenteel verhogen generieke aof premie ter dekking

 

150

  • 50
  • 100

saldo

0

0

0

0

Verhoging aof-premie commissie Heerts

De commissie Vergemakkelijking Schadeafhandeling bij Beroepsziekten stelt in zijn advies van 14 mei 2020 onder meer voor een algemene tegemoetkoming in te stellen voor (ex) werkenden die lijden aan een ernstige beroepsziekte, veroorzaakt door blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Een ander voorstel betreft een versterking van de kennisinfrastructuur op het terrein van beroepsziekten. In de Kabinetsreactie van 13 juli 2020 neemt het Kabinet deze voorstellen over. Dit wordt gefinancieerd door de aof premie in 2022 met grofweg €46 mln te verhogen in 2022 en vanaf 2023 structureel met €85 mln.

3d. Overige kadercorrecties

Tabel 3.3.4 Overzicht kadercorecties sinds MN 2020

In € miljoen (- is lastenverlichting)    2021

1a Derving Sofina arrest    - 910

1b    Kadercorrectie: dekking Sofina 2021 uit opbrengst latere jaren    910

2a Derving verhuurderheffing tot €1 mld    - 800

Kadercorrectie: dekking verhuurderheffing tot €1 mld door reeks incidenteel te 2b    maken    800

Derving overschrijding verhuurderheffing en heffingsvermindering uit Urgenda 2c boven €1 mld    - 10 00

Kadercorrectie: dekking overschrijding verhuurderheffing en heffingsvermindering uit Urgenda boven €1 mld door structurele verhoging vhh 2d    en lagere huurtoeslag door lagere huren    1000

3a Afschaffen scholingsaftrek per 2022 ipv 2021    - 218

3b    Kadercorrectie: afschaffen scholingsaftrek per 2022    ipv 2021    218

5a    Afschaffen postcoderoosregeling    2,5

5b Kadercorrectie afschaffen postcoderoosregeling    - 2,5 1. Derving Sofina arrest

Door de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Sofina tegen de Franse staat kunnen ook in Nederland buitenlandse verlieslatende vennootschappen de ingehouden dividendbelasting over hun portfoliobelangen terugkrijgen.

Dit zal leiden tot een incidentele derving van de dividendbelasting door claims uit het verleden en, bij ongewijzigd beleid, een structurele derving van dividendbelasting in de toekomst. Er wordt daarom, per 2022 een maatregel genomen die in binnenlandse situaties de verrekening van dividendbelasting in de vpb beperkt tot maximaal het bedrag aan verschuldigde vpb. Deze maatregel voorkomt de eerder genoemde derving in de dividendbelasting voor toekomstige gevallen en levert bovendien een opbrengst op in de vpb.

2 Derving verhuurderheffing

In de augustusbesluitvorming is ook besproken om de overschrijding van het budget van de heffingsvermindering in de verhuurderheffing te dekken. Samen met de heffingsvermindering uit Urgenda tot een derving van 1,8 miljard euro bovenop de ruimte van 200 miljoen euro in 2020 en 2021. Voor 0,8 miljard euro is dit opgelost door een kadercorrectie toe te passen waarmee de structurele reeks van 100 miljoen euro wordt omgevormd tot een incidenteel bedrag van 1 miljard in 2021. Het resterende tekort van 1 miljard euro wordt onder andere opgelost door een woningcorporaties te verplichten de huren ter verlagen voor huurders met lage inkomens en hoge huren. Deze huurverlaging zorgt cumulatief voor een daling van de huren met 157 mln., en geeft een inverdieneffect op de huurtoeslag van 38 mln. Het resterende deel wordt opgelost door de verhuurderheffing structureel met €62 mln te verhogen.

  • 3. 
    Afschaffen scholingsaftrek per 2022

De scholingsaftrek wordt een jaar later afgeschaft (per 2022 ipv 2021). Dit leidt tot de noodzaak tot een kadercorrectie in 2021 van €218 mln.

  • 4. 
    Afschaffen postcoderoosregeling

Het verlaagd tarief lokaal opgewekte duurzame energie (ook wel de postcoderoosregeling genoemd) is ingevoerd in 2014. De postcoderoosregeling (PCR) heeft betrekking op kleinschalige, duurzame opwekking van (zonne)energie waarvoor geen rijkssubsidie wordt ontvangen.

Sinds 1 januari 2016 is het verlaagde tarief gelijkgesteld aan het EB tarief eerste schijf elektriciteit, waar voorheen een vaste vergoeding per kWh elektriciteit van toepassing was. In tegenstelling tot bij de salderingsre-geling hebben gebruikers van de postcoderoosregeling geen ODE voordeel. De salderingsregeling wordt per 1 januari 2023 geleidelijk afgebouwd tot nul in 2031.

Om te voorkomen dat de postcoderoosregeling een ontwijkingsmoge-lijkheid wordt voor huidige gebruikers van de salderingsregeling heeft het kabinet besloten om de postcoderoosregeling vanaf 1 januari 2021 om te zetten in een uitgavensubsidie. Hiermee wordt voorkomen dat er aan de inkomstenkant van de begroting alsnog uitholling van de belastinggrondslag kan plaatsvinden. Dit is geboekt al oplopende belastinginkomsten, waar daarnaast een kadercorrectie wordt ingeboekt.

3e. Fiscale coronamaatregelen

Alle fiscale coronamaatregelen worden buiten het inkomstenkader geplaatst, om zo de economie te ondersteunen.

3f. Aanvullend pakket augustus

Tabel 3.3.5 geeft een overzicht van de aanvullende besluitvorming aan de lastenkant.

Tabel 3.3.5 Aanvullend besluitvormingspakket augustus inkomstenkant

 

Pakket A

in €miljard, - is lastenverlichting, in standen

2020

2021

2022

2023 Struc

 

1

Commissie Ter Haar: basispakket

 

0,12

1,17

1,06

0,73

1a

Beperking verrekening verliesverrekening

 

117 mln.

995 mln

889 mln

555 mln

1b

Aanpassing arm's-lengthbeginsel (informeel kapitaal)

   

173 mln

173 mln

173 mln

2

Earningsstrippingmaatregel icm vermogensaftrek (onderzoek nodig) (saldoneutraal vormgegeven)

   

0,00

0,00

0,00

3a

Borstlap: Zelfstandigenaftrek verder/ sneller afbouwen (tot €3240 in 2036)

(hangt samen met naar voren halen arbeidskorting naar 2021)

 

0,03

0,07

0,10

0,53

3b

Arbeidskorting €73 uit 2022 naar

2021 halen (compensatie voor ZA in

2022)

 
  • - 
    0,52

0,00

0,00

0,00

3c

Lastenverlichting burgers: verlagen basistarief box 1 in stappen naar

0,2%-punt structureel (verzachting borstlap zelfstandigen)

 
  • 0,50
  • - 
    0,59
  • 0,68
  • - 
    0,76

4a

Differentiatie OVB starters en beleggers (8%)

 

0,46

0,48

0,49

0,63

4b

Verhuurderheffing verlagen met 200 mln

 
  • 0,20
  • 0,20
  • - 
    0,20
  • - 
    0,20

5

Box 3: hvv naar €50.000

 
  • 0,10
  • 0,11
  • - 
    0,11
  • - 
    0,11

1 t/m 5

totaal 1 t/m 5

 
  • - 
    0,71

0,81

0,66

0,82

Pakket B

Bevriezen tarieven hoog vpb tarief

 
 

6 op 25%

2,86

2,86

2,86

2,86

 

verlengen vpb eerste schijf structureel met 195.000 vanaf 2022

7 (45.000 in 2021)

  • - 
    0,27
  • - 
    0,87
  • - 
    0,87
  • - 
    0,87
 

8 BIK invoeren

  • - 
    2,00
  • - 
    2,00
  • - 
    2,00
  • - 
    2,00

6+7+8

totaal 6+7+8

0,59

  • - 
    0,01
  • - 
    0,01
  • - 
    0,01

A+B

totaal A+B

  • - 
    0,12

0,79

0,65

0,80

Toelichting

1 Commissie Ter Haar: Beperking verrekening verliesverrekening

Deze maatregel stelt een in de tijd onbeperkte voorwaartse verliesverrekening voor (terwijl dat nu zes jaar voorwaarts is). Daarbij zijn de verliezen slechts tot een bedrag van € 1 miljoen aan belastbare winst volledig verrekenbaar. Daarboven zijn de verliezen slechts tot 50% van de belastbare winst in een jaar verrekenbaar, waarbij die winst eerst wordt verminderd met € 1 miljoen.

1b Aanpassing arm's-lengthbeginsel (informeel kapitaal)

In het voorjaar van 2021 komt het kabinet met een afzonderlijk wetsvoorstel om het arm's-lengthbeginsel aan te passen in gevallen dat er bij een neerwaartse bijstelling van de winst in Nederland in een ander land -kortgezegd - geen of een te lage corresponderende bate in aanmerking wordt genomen. Deze maatregel houdt kort gezegd in dat een neerwaartse correctie van de fiscale winst niet in aanmerking wordt genomen indien bij de andere, gelieerde partij geen of een te lage opwaartse bijstelling van de winst plaatsvindt. Met deze maatregel loopt Nederland internationaal meer in de pas.

2    Earningsstrippingmaatregel i.c.m. vermogensaftrek

Met deze maatregel wordt voorgesteld om de earningsstripping verder te beperken om de fiscale behandeling van eigen en vreemd vermogen meer evenwichtig te maken en de opbrengst te gebruiken voor een vermogensaftrek. Dit is een ingrijpende wijziging, daarom moet deze optie onderzocht worden hoe vorm te geven.

3    Borstlap: Zelfstandigenaftrek verder/sneller afbouwen, arbeidskorting naar voren halen en lasten burgers verlagen

De zelfstandigenaftrek wordt jaarlijks met €110 extra verlaagd tot 3.240 euro in 2036. Dat levert structureel 538 mln op. Daardoor duurt de afbouw langer. In 2021 worden zzp'ers gecompenseerd door de voorgenomen verhoging van de AK van 73 euro in 2022 naar voren te halen. Dit kost incidenteel ca 520 mln. (structureel nul). Daarnaast wordt het tarief eerste schijf verlaagd met 0,13%-punt in 2021 en 0,2%-punt vanaf 2022. Het tarief van de eerste schijf in de inkomstenbelasting bedraagt in 2020 37,35% en wordt in 2021 37,10%.

4a. Differentiatie OVB starters en beleggers (8%)

Natuurlijke personen tussen de 18 en 35 jaar die de verkregen woning zelf gaan bewonen worden eenmalig vrijgesteld van OVB, de toepassing van het tarief van 2% wordt ingeperkt tot natuurlijke personen die de woning zelf gaan bewonen, de overige verkrijgers (beleggers) gaan het normale OVB-tarief betalen van 6% (8% vanaf 1 januari 2021).

4b verlagen verhuurderheffing met €200 mln per jaar

5    Box 3: hvv naar 50.000 euro

Het heffingvrij vermogen gaat naar 50.000 euro per persoon en 100.000 euro voor partners. Dit wordt voor een deel gedekt door de tarieven.

6    Bevriezing hoog tarief vpb

HEt hoge vpb tarief blijft structureel 25%. Dit geeft een opbrengst van 2,8 mld.

7    verlengen vpb eerste schijf structureel met 195.000 euro vanaf2022 (circa 45.000 euro in 2021)

De eerste schijf van de vpb wordt structureel verlengd met 45.000 euro in 2021 en circa 195.000 euro vanaf 2022.

9 BIK invoeren

Het kabinet heeft besloten tot het invoeren van een Bijzondere Investerings-korting (BIK). De BIK laat ondernemers een percentage van de gedane investeringen in mindering brengen op de loonheffing. De maatregel zou een budgettair belang hebben van 2 mld. euro per jaar. Van de regeling zijn uitgesloten investeringen die naar hun aard in aanmerking komen voor de EIA, MIA of VAMIL. De precieze afbakening en het daarbij passende percentage wordt nog uitgezocht.

Het kabinet wil deze korting tijdelijk invoeren per 2021, en bekostigen uit het bevriezen van het hoge tarief in de vennootschapsbelasting (vpb) op het huidige niveau. Na afloop van de BIK zal deze budgettaire ruimte worden gebruikt voor een nader te bepalen maatregel met hetzelfde doelbereik (het verlagen van werkgeverskosten).

De regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2021 en ziet op investeringen waarvoor de beslissing is genomen na 1 oktober 2020 en die plaatsvinden vanaf 1 januari 2021. De in 2021 gedane investeringen kunnen dan worden verzilverd in 2022 op basis van een goedkeurende beschikking van RVO.nl. Deze beschikking is leidend voor de Belastingdienst voor de toekenning van de afdrachtvermindering.

De maatregel beoogt investeringen te stimuleren in de huidige crisissituatie. Als de economische crisis voorbij is, is de maatregel in deze vorm niet langer nodig. Op basis van een evaluatie van de maatregel zal het budget gebruikt worden voor een regeling met een soortgelijk doelbereik (het verlagen van werkgeverskosten).

3g. Totaal inkomstenkader

Het lastenpakket in paragraaf 3f leidt tot een lastenverlichting in 2021 van €0,1 mld. Daarnaast is tussen de cMEV2021 en de MEV2021 nog een nieuwe raming van de zorgpremies gemaakt. Hierdoor komen de lastenrelevante zorgpremies in 2021 €0,2 mld lager uit dan geraamd bij cMEV2021. Omdat de besluitvorming aan de lastenkant al was afgerond voor deze raming leidt dit tot een lastenverlichting in het inkomstenkader. Voor het overige is het inkomstenkader zoals hierboven beschreven gesloten. Ten opzichte van de Miljoenennota 2020 is er daar om in 2021 sprake van een tekort in het

 

kader van €0,3 mld.

 

Tabel 3.3.6 Totaalstand inkomstenkader MEV2021

 

In €miljard, - is lastenverlichting

2021

totaal additioneel lastenpakket A+B

  • 0,1

Totaal zorgpremies tussen cMEV2021 en MEV2021

  • 0,2

Totaal tekort inkomstenkader

  • - 
    0,3
  • 4. 
    Nieuwe definitie beleidsmatige lastenontwikkeling

Zowel het ministerie van Financiën als het CPB hanteren in hun publicaties het begrip «beleidsmatige lastenontwikkeling» (blo). De definities van dit begrip wijken echter van elkaar af. De afgelopen jaren is er telkens veel discussie geweest over verschillende definities rondom de beleidsmatige lasten. Het kabinet heeft het afgelopen jaar daarom samen met het CPB een nieuwe gezamenlijke definitie van de beleidsmatige lasten ontwikkeld.

Nieuwe beleidsmatige lastenontwikkeling

In onderstaande tabel staat de ontwikkeling van de beleidsmatige lastenontwikkeling (blo) deze kabinetsperiode. De nieuwe lastendefinitie wordt uitgesplitst tussen burgers, bedrijven en het buitenland. Er is in 2020 en 2021 sprake van een lastenverlichting van circa €5 mld. Deze lastenverlichting zit volledig bij burgers. In totaal stijgen de lasten deze kabinetsperiode met €0,3 mld. Onderliggend is er sprake van een lastenverlichting van circa €5 mld bij burgers en een lastenverzwaring van €5 miljard bij bedrijven. De ontwikkeling van de blo komt vrijwel geheel overeen met wat het CPB in de MEV2021 heeft gepubliceerd. Alleen in 2021 is de blo bij het CPB €0,2 mld lager, met name omdat het CPB een eigen, lagere zorgpre-mieraming hanteert. Dit is een begrijpelijk verschil wat ook wenselijk is om te zien in de blo.

Tabel 3.4.1. Beleidsmatige lastenontwikkeling nieuwe definitie cum

 

In €mld, - is lastenverlichting

2018

2019

2020

2021

2018-2021

Totaal

1,4

3,7

  • 4,4
  • 0,4

0,3

burgers

0,5

0,2

  • 3,9
  • 1,5
  • 4,8

bedrijven

1,0

3,5

  • 0,6

1,1

5,1

buitenland

0,0

0,0

0,1

0,0

0,1

Ontwikkeling blo sinds start kabinet

Onderstaande tabel laat de ontwikkeling van de blo zien ten opzichte van het zogeheten basispad. In het basispad zouden de beleidsmatige lasten deze kabinetsperiode met meer dan €10 mld stijgen. Dit basispad bestaat uit oude maatregelen die doorlopen in deze kabinetsperiode en hogere zorgpremies door de stijgende zorgkosten en de doorwerking van het Regeerakkoord op de zorgpremies en de compensatie hiervan. Ten opzichte van dit basispad verlicht het kabinet de lasten met €10 miljard deze kabinetsperiode, waardoor de lasten over de kabinetsperiode slechts met €0,3 mld stijgen.

Tabel 3.4.2 Beleidsmatige lastenverlichting ten opzichte van basispad cum

 

In €mld, - is lastenverlichting

2018

2019

2020

2021 2018-2021

Basispad (inclusief zorgpremies

RA en compensatie)

2,4

4,2

2,7

1,2

10,5

Regeerakkoord t/m MN2021

  • 1,0
  • 0,5
  • 7,0
  • 1,6
  • 10,1

Totale blo

1,4

3,7

  • 4,4
  • 0,4

0,3

Verschil nieuwe definitie blo met oude definitie blo (inkomstenkader)

Onderstaande tabel laat de ontwikkeling van de beleidsmatige lasten volgens zowel de oude als de nieuwe definitie zien. De oude definitie was gelijk aan de ontwikkeling van het inkomstenkader. De nieuwe definitie wijkt hiervan af op onderstaande punten.:

  • • 
    De zorgtoeslag is niet relevant nieuwe blo-definitie, wel voor het inkomstenkader
  • • 
    Kadercorrecties worden niet meegenomen in de nieuwe blo-definitie. Voor de begrotingssystematiek zijn deze kadercorrecties van belang, maar deze zijn niet relevant voor de beleefde lastenontwikkeling van burgers en bedrijven.
  • • 
    Premiebijstellingen zorgverzekeraars na de MEV worden voor aankomend jaar wel meegenomen in de nieuwe BLO-definitie. Ook veranderingen in de zorgpremies als gevolg van incidentele oorzaken worden wel in de nieuwe blo meegenomen. Zo sluit de nieuw blo-definitie beter aan bij hoe burgers en bedrijven de ontwikkeling van de zorgpremies ervaren.
  • • 
    Regelingen aan de uitgavenzijde die via het fiscale instrumentarium worden verrekend zijn wel relevant voor de nieuwe blo maar niet voor het inkomstenkader
  • • 
    Gerechtelijke uitspraken met fiscale consequenties woren op een andere manier meegenomen in de nieuwe definitie van de blo.

Wat het kabinet en het CPB betreft sluit deze nieuwe definitie hierdoor beter aan bij de daadwerkelijke ervaren lastenontwikkeling van burgers en bedrijven.

 

Tabel 3.4.3 Verschil nieuwe lastenontwikkeling

en oude definitie beleidsmatige

   

Beleidsmatige lastenontwikkeling (in €mld, in mutaties)

2018

2019

2020

2021

cum

2018-2021

Nieuwe blo (gezamenlijke definitie met CPB)

1,4

3,7

  • 4,4
  • 0,4

0,3

Oude blo (definitie inkomstenkader)

2,1

3,8

  • 1,9
  • 3,3

0,7

Verschil nieuwe en oude blo

  • 0,7
  • 0,1
  • 2,5

2,9

  • 0,3

Over de kabinetsperiode stijgen de lasten in de nieuwe definitie blo minder hard dan onder de oude definitie. Het grootste verschil zit in de jaren 2020 en 2021. In 2020 is de lastenverlichting in de blo €2,5 mld hoger dan onder de oude definitie, terwijl in 2021 de lastenverlichting juist €2,9 mld lager is. Dit verschil komt voor een belangrijk deel omdat de fiscale Coronamaatre-gelen buiten het inkomstenkader zijn geplaatst, maar wel meetellen in de nieuwe beleidsmatige lastenontwikkeling. Aangezien deze fiscale Corona-maatregelen leiden tot een incidentele lastenverlichting in 2020 is de lastenverlichting in de nieuwe definitie blo hoger dan in de oude definitie inkomstenkader. Dit lijkt te passen in de wens om in 2020 de directe Corona-maatregelen te verzachten door incidentele maatregelen.

Ook kent het inkomstenkader specifieke regels voor de zorgpremies en wordt de zorgtoeslag aan de inkomstenkant geboekt, terwijl de nieuwe blo zoveel mogelijk probeert aan te sluiten bij de daadwerkelijke ontwikkeling van de zorgpremies. Dit leidt tot lagere zorgpremies in de blo bij de nieuwe definitie in 2020 en hogere zorgpremies in 2021.

Een uitgebreider overzicht van de aansluiting tussen de oude en nieuwe definitie blo is te vinden in een gezamenlijk met het CPB geschreven Achter-gronddocument.1

4 DE BELASTING - EN PREMIEONTVANGSTEN

4.1    Inleiding

Deze bijlage bevat een toelichting op de raming van de belasting- en premieontvangsten van het Rijk en de Sociale fondsen. Om inzicht te geven in de ontwikkeling van het totale ontvangstenbeeld worden de belastingen premieontvangsten gezamenlijk gepresenteerd.

Net als in hoofdstuk 2 van deze Miljoenennota wordt de ontwikkeling van de verschillende belastingsoorten op EMU-basis toegelicht. Vanzelfsprekend zijn voor het EMU-saldo de belastingen en premies volksverzekeringen op EMU-basis2 relevant. Daarnaast worden in overeenstemming met de Comptabiliteitswet de belastingontvangsten op kasbasis getoond in de tabel aan het einde van deze bijlage. In deze tabel wordt tevens de aansluiting van de ontvangsten op kasbasis naar EMU-basis gemaakt.

De ramingen voor de premieontvangsten komen overeen met de ramingen in de begrotingen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Begroting XV) en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Begroting XVI). In de begroting van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is een nadere toelichting opgenomen van de ramingen voor de WLZ en de ZVW. De overige fondsen worden toegelicht in de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

In paragraaf 4.2 wordt de raming van de totale belastingen, premies volksverzekeringen en premies werknemersverzekeringen weergegeven. De ontwikkeling in 2020 en 2021 ten opzichte van het jaar ervoor wordt op hoofdlijnen besproken. Vervolgens worden in paragraaf 4.3 de ramingen van de belasting- en premieontvangsten van 2020 (de Vermoedelijke Uitkomsten) vergeleken met de stand van het vorige ramingsmoment (Update overheidsfinanciën juni 2020), waarbij de belangrijkste ramingsbij-stellingen worden toegelicht. Paragraaf 4.4 bevat vervolgens een toelichting op de raming van 2021 (de Ontwerpbegroting), onderverdeeld naar endogene ontwikkeling en beleidsmaatregelen. Paragraaf 4.5 gaat over de bijstellingen van het ramingsmodel ('expert opinion'). Paragraaf 4.6 presenteert de meerjarige ontvangstenraming tot en met 2024. Tot slot geeft paragraaf 4.7 een gedetailleerd overzicht van de raming van de belastingen premieontvangsten voor 2020 en 2021 op EMU-basis en op kasbasis. Voor een verdere toelichting op de raming van de belastingen wordt verwezen naar bijlage 5 van deze Miljoenennota.

4.2    Ontwikkeling belasting- en premieontvangsten 2020 en 2021

Het Rijk realiseert in 2020 in totaal 19,7 miljard euro minder belasting en premieontvangsten dan in 2019. Dit is te zien in tabel 4.2.1. Deze tabel is op EMU-basis en bevat dus geen uitstel van belastingbetaling. In bijlage 5 van deze Miljoenennota wordt de raming van het uitstel toegelicht. De afname komt voor 9,8 miljard euro door de negatieve endogene ontwikkeling van de belasting- en premieontvangsten. De endogene ontwikkeling hangt samen met de economische ontwikkelingen, in het bijzonder de corona-crisis. Dat is bijvoorbeeld zichtbaar in de daling van de waarde van het bbp. Daarnaast leiden beleidsmaatregelen in totaal tot 9,9 miljard euro lagere belasting- en premieontvangsten. Dat bevat genomen beleidsmaatregelen zowel voor als tijdens de coronacrisis. Zo heeft aangepast beleid een neerwaarts effect van 4,4 miljard euro op het EMU-saldo ten opzichte van de Miljoenennota 2020. Dat nieuwe beleid bestaat voor het overgrote deel uit fiscale maatregelen die volgen uit de noodpakketten banen en economie. De grootste budgettaire impact in 2020 volgt uit de mogelijkheid voor bedrijven om een fiscale reserve in de winst over 2019 op te nemen (-3 miljard euro in de vennootschapsbelasting), de mogelijkheid voor direc-teurgrootaandeelhouders om hun gebruikelijk loon te verlagen (-1 miljard in de loonheffing), de vrijstelling van btw voor de aanschaf van mondkapjes, medische hulpmiddelen en het uitlenen van zorgpersoneel (gezamenlijk - 0,4 miljard euro), en de tijdelijke opschorting van de premiedifferentiatie bij overwerk op grond van de wet Arbeidsmarkt in Balans (-0,1 miljard euro in de premies werknemersverzekeringen).

 

Tabel 4.2.1 Ontwikkeling inkomsten op EMU-basis 2019-2021 (in miljoenen euro's)

 

2019

2020

2021

Belastingen en premies volksverzekeringen

234,4

214,1

220,9

waarvan belastingen

194,9

176,2

183,9

waarvan premies volksverzekeringen

39,4

37,9

37,1

Premies Werknemersverzekeringen

68,3

68,9

72,1

Totaal

302,7

283,0

293,0

Jaar-op-jaarmutatie

 
  • 19,7

10,1

waarvan endogene groei

 
  • 9,8
  • 1,7

waarvan beleidsmaatregelen

 
  • 9,9

11,7

Endogene mutatie (in %)

 
  • 3,2%
  • 0,6%

Waardeontwikkeling BBP (in %)

 
  • 3,4%

5,0%

In 2021 groeien de belasting- en premieontvangsten met 10,1 miljard euro. De beleidsmatige mutatie is 11,7 miljard euro opwaarts. Dit is in belangrijke mate vertekend door de omvorming van ProRail naar een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) per 2021. Dit levert eenmaligebelastingontvangsten van 7,1 miljard euro op, waar navenante uitgaven van het Rijk tegenover staan. Daarnaast lopen in 2021 incidentele fiscale beleidsmaatregelen voor 2020 vanwege de coronacrisis af. De fiscale coronareserve zorgt dat vpb-plichtige ondernemingen in 2021 minder verlies kunnen verrekenen. Op die manier leidt gebruik van de fiscale coronareserve in de vennootschapsbelasting in 2020 tot meer vennootschapsbelastingontvangsten in 2021 van 6 miljard euro ten opzichte van 2020. Ook beleidsmaatregelen die niet samenhangen met de coronacrisis hebben invloed op de belasting- en premieontvangsten in 2021. Deze worden nader toegelicht in paragraaf 4.4.2. Tegelijkertijd blijven de economische ontwikkelingen een neerwaarts effect hebben op de belasting- en premieontvangsten, met 1,7 miljard euro. Voor een groot deel hangt dat samen met minder vpb-ontvangsten in 2021 als gevolg van lagere winsten in 2020. Ook neemt de geraamde werkloosheid in 2021 verder toe, wat leidt tot minder loonheffing.

4.3 De belasting- en premieontvangsten in 2020

In tabel 4.3.1 wordt de nieuwe raming voor 2020 vergeleken met de stand van de Miljoenennota 2020. De nieuwe raming voor 2020 is gebaseerd op het macro-economisch beeld conform de MEV 2021 van het CPB en de gerealiseerde belasting- en premieontvangsten tot en met juli 2020. Ten opzichte van de Miljoenennota 2020 is de raming van de totale belastingen premieontvangsten op EMU-basis per saldo 22,5 miljard euro neerwaarts bijgesteld. Dat hangt samen met het fors negatievere economische beeld voor 2020 ten gevolge van de coronacrisis ten opzichte van het economische beeld voor 2020 onderliggend aan de Miljoenennota 2020 en maatregelen vanwege de coronacrisis. Ten opzichte van de Miljoenennota 2020 is de geraamde waardeontwikkeling van het bbp in 2020 met - 6,5 procentpunt neerwaarts bijgesteld.

 

Tabel 4.3.1 Raming belasting- en premieontvangsten 2020 op EMU-basis (in miljoenen euro's)

Miljoenennota

2020

Vermoedelijke uitkomsten

2020

Verschil

Indirecte belastingen

96.522

87.379

  • 9.142

Invoerrechten

3.500

3.151

  • 348

Omzetbelasting

60.478

54.057

  • 6.421

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

2.462

1.620

  • 842

Accijnzen

12.388

11.110

  • 1.278

Overdrachtsbelasting

3.131

3.122

  • 9

Assurantiebelasting

2.914

2.946

32

Motorrijtuigenbelasting

4.392

4.259

  • 133

Belastingen op een milieugrondslag

4.520

4.569

49

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

296

267

  • 29

Belasting op zware motorrijtuigen

202

194

  • 9

Verhuurderheff ing

1.791

1.635

  • 155

Bankbelasting

447

449

2

Directe belastingen en premies volksverzekeringen

138.704

126.449

  • 12.255

Loon- en inkomensheffing

105.116

102.666

  • 2.449

Dividendbelasting

5.153

3.938

  • 1.215

Kansspelbelasting

590

321

  • 269

Vennootschapsbelasting

26.167

17.489

  • 8.678

Schenk- en erfbelasting

1.679

2.035

356

Overige belastingontvangsten

230

280

50

Totaal belastingen en premies volksverzekeringen

235.456

214.108

  • 21.347

Premies werknemersverzekeringen

70.056

68.874

  • 1182

waarvan zorgpremies

43.163

42.636

  • 527

Totaal belasting- en premieontvangsten

305.511

282.982

  • 22.529

De raming van de totale indirecte belastingen is met 9,1 miljard euro neerwaarts bijgesteld opzichte van de Miljoenennota 2020. De grootste bijdrage komt van de geraamde btw-ontvangsten (-6,4 miljard euro). De consumptie van huishoudens krimpt 4,4%. Ook de accijnzen zijn neerwaarts bijgesteld (-1,3 miljard euro). Dat hangt vooral samen met de accijnzen op minerale en lichte olie. Het afgelopen halfjaar nam het wegverkeer af door bijvoorbeeld minder woon-werkverkeer.

De ontvangsten uit de directe belastingen en premies volksverzekeringen zijn voor 2020 met 12,3 miljard euro neerwaarts bijgesteld ten opzichte van de Miljoenennota 2020. De vennootschapsbelasting (vpb) levert met - 8,7 miljard euro de grootste bijdrage. Bedrijfswinsten zijn zeer conjunctureel gevoelig. De economische krimp werkt sterk door in de bedrijfswinsten. Vpb-plichtige ondernemers hebben de mogelijkheid om hun voorlopige aangifte over de verwachte winst in 2020 neerwaarts te herzien. De loon- en inkomensheffing is ook neerwaarts bijgesteld (-2,4 miljard euro). Zo maken ondernemers voor de inkomstenbelasting (ib-ondernemers) minder winst en hebben ook zij de mogelijkheid tot het bijstellen van hun voorlopige aangifte. Ook de door het CPB geraamde werkgelegenheid neemt af. De dividendbelasting neemt 1,2 miljard euro af. Door de verslechterde economische situatie keren ondernemingen minder dividend uit aan aandeelhouders.

Ten slotte komen de ontvangsten uit de premies werknemersverzekeringen 1,2 miljard euro lager uit. Dat hangt samen met de daling van de geraamde werkgelegenheid, zoals bij de loonheffing.

In 2020 nemen de belasting- en premieontvangsten met ongeveer

4,4 miljard euro extra af als gevolg van beleidsmaatregelen ten opzichte van de Miljoenennota 2020. Tot en met de Miljoenennota 2020 zorgen beleidsmaatregelen voor 5,4 miljard euro minder belasting- en premieontvangsten (tabel 4.3.2). In bijlage 4 van de Miljoenennota 2020 wordt daar meer informatie over gegeven. Daar komt in 2020 sinds de Miljoenennota 2020

4,4 miljard extra minder ontvangsten door beleid bovenop. Dat zit vooral in maatregelen vanwege de coronacrisis. De maatregel met het grootste budgettaire belang is de mogelijkheid voor vpb-plichtige ondernemers om inde aangifte over 2019 een 'fiscale coronareserve' te treffen. Daarmee hoeven ondernemers minder belasting over hun winst te betalen in 2020, maar kunnen ze later ook minder verlies verrekenen. De mogelijkheid tot minder verliesverrekening uit zich echter in de kas van 2021 bij het doen van de aangifte over de winst van 2020.

Tabel 4.3.2 Verticale toelichting beleidsmutaties 2020 op EMU-basis (in miljoenen euro's)

Miljoenennota 2020    -    5.435

coronapakketten    -    4.419

overig    - 76

Miljoenennota 2021    -    9.930

4.4 De belasting- en premieontvangsten in 2021

In figuur 4.4.1 zijn de geraamde belasting- en premieontvangsten voor 2021 opgenomen.

Figuur 4.4.1 Raming belasting- en premieontvangsten 2021 op EMU-basis

Loon- en inkomensbelasting

Omzetbelasting (btw)

Zorgpremies

Premies volksverzekeringen

Premies werknemersverzekeringen

Vennootschapsbelasting

Accijnzen

Overdrachts- en assurantiebelasting

Motorrijtuigenbelasting

Belastingen op een milieugrondslag

Dividendbelasting

Invoerrechten

Schenk- en erfbelasting Belasting op personenauto's en motorrijwielen (BPM) Verhuurderheffing

Bankbelasting

Overig

0    20    40    60    80

Miljarden euro's

Tabel 4.4.1 geeft een overzicht van de ontwikkeling van de geraamde belasting- en premieontvangsten in 2021. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het effect van fiscale beleidsmaatregelen op de ontwikkeling van de ontvangsten van 2020 naar 2021 en de endogene ontwikkeling. Dat is de ontwikkeling van de ontvangsten die vooral samenhangt met macro-economische ontwikkelingen.

Tabel 4.4.1 Raming belasting- en premieontvangsten 2021 op EMU-basis (in miljoenen euro's)

 

Vermoedelijke uitkomsten 2020

Maatregelen

Endogeen

Endogeen in %

2021

Indirecte belastingen

87.379

1.525

4.470

5,1%

93.375

Invoerrechten

3.151

0

324

10,3%

3.475

Omzetbelasting

54.057

1.024

3.359

6,2%

58.440

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

1.620

  • 306

157

9,7%

1.471

Accijnzen

11.110

131

932

8,4%

12.173

Overdrachtsbelasting

3.122

758

  • 454
  • 14,5%

3.426

Assurantiebelasting

2.946

  • 1

87

3,0%

3.032

Motorrijtuigenbelasting

4.259

  • 52

158

3,7%

4.365

Belastingen op een milieugrondslag

4.569

3

  • 217
  • 4,7%

4.355

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

267

0

6

2,4%

274

Belasting op zware motorrijtuigen

194

0

11

5,5%

204

Verhuurderheffing

1.635

  • 273

106

6,5%

1.468

Bankbelasting

449

241

0

0,0%

690

Directe belastingen en premies

         

volksverzekeringen

126.449

8.167

  • 7.325
  • 5,8%

127.291

Loon- en inkomensheffing

102.666

  • 3.452

1.805

1,8%

101.019

Dividendbelasting

3.938

891

  • 762
  • 19,4%

4.067

Kansspelbelasting

321

12

192

59,8%

525

Vennootschapsbelasting

17.489

10.722

  • 8.473
  • 48,4%

19.737

Schenk- en erfbelasting

2.035

  • 5
  • 87
  • 4,3%

1.944

Overige belastingontvangsten

280

0

0

0,0%

280

Totaal belastingen en premies volksverzekeringen

214.108

9.692

  • 2.855
  • 1,3%

220.946

Premies werknemersverzekeringen

68.874

2022

1203

1,7%

72.099

waarvan zorgpremies

42.636

1621

916

2,1%

45.174

Totaal belasting- en premieontvangsten

282.982

11.715

  • 1.652
  • 0,6%

293.045

In 2021 bedragen de totale belasting- en premieontvangsten op EMU-basis naar verwachting 293,0 miljard euro. Ten opzichte van de meest actuele raming van de ontvangsten voor 2020 stijgen de ontvangsten in 2021 daarmee met 9,9 miljard euro. Beleidsmaatregelen zorgen voor 11,7 miljard euro hogere ontvangsten in 2021 ten opzichte van het jaar daarvoor. Het gaat om zowel maatregelen waartoe dit kabinet en vorige kabinetten eerder hebben besloten als maatregelen die het kabinet met deze Miljoenennota voorstelt alsmede eerdere fiscale maatregelen vanwege de coronacrisis. De verwachte endogene krimp van de belasting- en premieontvangsten in 2021 bedraagt 1,8 miljard euro (-0,6 procent). In de volgende paragrafen wordt nader op de endogene ontwikkeling ingegaan. In bijlage 5 van deze Miljoenennota staat een uitgebreidere toelichting op de ramingsmethodiek en wordt ingegaan op de ramingen op transactiebasis zoals opgesteld voor de grootste belastingsoorten.

4.4.1 Endogene ontwikkeling belasting- en premieontvangsten 2021 De endogene ontwikkeling van de ontvangsten wordt toegelicht aan de hand van de relevante economische indicatoren zoals deze geraamd zijn in de Macro Economische Verkenning 2021. Voor 2021 verwacht het Centraal Planbureau (CPB) een waardeontwikkeling van het bbp van 5,0 procent.

De endogene groei van de totale belasting- en premieontvangsten in 2021 blijft daar bij achter, omdat de totale belasting- en premieontvangsten in 2021 juist afnemen vanwege economische ontwikkelingen.

De endogene groei van de ontvangsten uit de indirecte belastingen in 2021 bedraagt 5,1 procent. Deze ontwikkeling wordt voor een groot deel bepaald door de btw-ontvangsten, verreweg de grootste post bij de indirecte belastingen. De btw-ontvangsten hangen vooral af van de consumptieve bestedingen, de investeringen in woningen en de overheidsinvesteringen. De waardeontwikkeling van de particuliere consumptie groeit in 2021 met 6,0 procent sneller dan de de totale economische groei in waardetermen. Ook de duurzame consumptie herstelt in 2021. De investeringen in woningen nemen met 1,4 procent af, terwijl de overheidsinvesteringen toenemen met 10,8 procent. Daarmee komt de endogene ontwikkeling van de btw-ontvangsten naar verwachting uit op 6,2 procent in 2021. De endogene ontwikkeling van de ontvangsten uit de bpm komt uit op 9,7 procent in 2020. De bpm-ontvangsten hangen af van het aantal autoverkopen en de CO2 -uitstoot daarvan. De verwachting is dat de verkoop van auto's in 2021 herstel vertonen conform de ontwikkeling van de duurzame consumptie. De ontvangsten uit de motorrijtuigenbelasting - waarvoor het gewicht van de in Nederland geregistreerde auto's de grondslag vormt - nemen naar verwachting met 3,7 procent toe in 2021 door een groter wagenpark. De ontvangsten uit de overdrachtsbelasting komen in 2021 14,5 procent lager uit. Het CPB verwacht dat zowel de transacties als de verkoopprijzen dalen. De totale WOZ-waarde van sociale huurwoningen vormt de grondslag van de verhuurderheffing. In 2021 nemen de ontvangsten uit de verhuurderheffing naar verwachting met 6,5 procent toe. Een groei van zowel het volume als de prijs van ingevoerde goederen zorgen voor een toename van de ontvangsten uit invoerrechten met 10,3%. De ontvangsten uit de accijnzen nemen 8,4% toe in 2021. De verwachting is dat vooral de accijnzen op lichte en minerale oliën herstellen na 2020, waarin bijvoorbeeld minder woon-werkverkeer plaatsvond vanwege de coronacrisis. De belastingen op een milieugrondslag bevat vanaf 2021 de naar verwachting per 2021 ingevoerde vliegbelasting. Door de gevolgen van de coronacrisis op het vliegverkeer zal deze belasting in 2021 waarschijnlijk minder ophalen dan oorspronkelijk beoogd. Door deze endogene ontwikkeling gaat de raming nu uit van een opbrengst van 80 miljoen euro in 2021.3

De endogene ontwikkeling van de directe belastingen en de premies volksverzekeringen - de belastingen op inkomen en vermogen - bedraagt - 5,8 procent in 2021. Een grote bijdrage aan deze daling levert de vennootschapsbelasting (vpb) met - 48,4%. Hoewel de economie in 2021 verder herstelt met positieve gevolgen voor de bedrijfswinsten, zullen veel vpb-plichtige ondernemers hun definitieve aanslag voor hun winst over 2020 krijgen. Door lagere bedrijfswinsten in 2020 en de mogelijkheid om hun eventuele verliezen in 2020 te verrekenen met eventuele winst in 2019 zullen deze definitieve aanslagen naar verwachting lager uitvallen. Tevens zullen winsten in 2021 weliswaar herstellen, maar wel lager zijn dan voor de coronacrisis. Daarmee zullen de voorlopige aanslagen, die begin 2021 worden opgelegd, over de winsten in 2021 lager uitvallen.

De qua omvang belangrijkste directe belastingsoort is de loon- en inkomensheffing.4 Voor de ontwikkeling van de ontvangsten uit deze belastingsoort zijn vooral de verwachte loonontwikkeling, de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de ontwikkeling van winsten van zelfstandigen van belang. De grondslag van de loon- en inkomensheffing wordt daarnaast ook beïnvloed door de omvang van de hypotheekrenteaftrek en pensioenpremies. De ontvangsten uit de loon- en inkomensheffing stijgen in 2021 met 1,8 procent, wat lager is dan de groei van het bbp in waardetermen. De arbeidsmarkt volgt vertraagd op de ontwikkeling van het bbp. De werkgelegenheid zal in 2021 verder dalen, terwijl de contractloonstijging wat terugloopt. Contractlonen worden vaak meerjarig afgesproken in cao's. Deze factoren hebben een drukkende werking op de loonheffingsontvangst in 2021. De inkomensheffing neemt relatief meer toe. De bedrijfswinsten van ib-ondernemers zullen in 2021 herstellen en veel directeurgrootaandeel-houders zullen in 2021 belasting betalen over belastingjaar 2019. In dat jaar ontvingen veel directeurgrootaandeelhouders dividend uit hun onderneming om te anticiperen op een verhoging van het box-2-tarief. De raming van de dividendbelasting laat een afname van 19,4 procent zien in 2021. Ondernemingen keren minder dividend uit door de lagere winsten. Daarnaast loopt de extra ontvangst door anticipatie op het box-2-tarief van 2019 en januari 2020 niet in die mate door in 2021. De raming van de schenken erfbelasting voor 2021 bedraagt 1,9 miljard euro en volgt uit de negatieve ontwikkeling van huizenprijzen als benadering voor de ontwikkeling van het nagelaten vermogen.

De ontvangsten uit de premies werknemersverzekeringen - waar ook de zorgpremies onder vallen - nemen met 1,7 procent toe in 2021. Onderliggend gaat het om een negatieve ontwikkeling van de grondslag door minder hogere lonen en minder werkgelegenheid, zoals bij de loonheffing, in combinatie met de stijging van de aan de zorguitgaven gekoppelde zorgpremies.

4.4.2 Het effect van beleidsmaatregelen op de belasting- en premieontvangsten

In 2021 nemen de belasting- en premieontvangsten met 11,7 miljard euro toe als gevolg van beleidsmaatregelen. In tabel 4.4.1 wordt het effect van de beleidsmaatregelen op de ontvangsten in 2021 per belastingsoort getoond. Dit is zowel beleid van vorige kabinetten met in 2021 nog een op-of neerwaarts effect op de inkomsten ten opzichte van 2020, als (nieuw) beleid van het huidige kabinet dat in 2021 effect heeft.

Bij de indirecte belastingen is de beleidsmatige toename per saldo

1,5 miljard euro. Onderliggend nemen de btw-ontvangsten beleidsmatig met 1,0 miljard euro toe ten opzichte van 2020. Dat hangt ter eerste samen met de omvorming van ProRail tot een ZBO, wat tot een eenmalige opbrengt in de btw leidt van 0,7 miljard euro. Daarnaast lopen de incidentele maatregelen in 2020 vanwege de coronacrisis tot een einde, zoals de btw-verlaging op mondkapjes en inhuur van zorgpersoneel. Ook de opbrengst van de overdrachtsbelasting neemt beleidsmatig toe (0,8 miljard euro). Dit hangt samen met de verhoging van het reguliere tarief van 6% naar 8% per 2021, in combinatie met de introductie van een startersvrijstelling en beperking van het verlaagde tarief van 2%. Beleidsmatige mutaties in de bpm zorgen juist voor 0,3 miljard lagere ontvangsten en hangen samen met het Klimaatakkoord. De accijnzen hebben 0,1 miljard euro hogere ontvangsten door beleidsmatige mutaties. Vanaf 2021 wordt de verhuur-derheffing met 0,2 miljard euro verlaagd. Daarnaast spelen in 2021 de eerste heffingsverminderingen voor verduurzaming van woningen. Tot slot wordt in 2021 de bankenbelasting eenmalig verhoogd.

Als gevolg van beleidsmaatregelen nemen de ontvangsten uit de directe belastingen en premies volksverzekeringen met 8,2 miljard euro toe in 2021. Voor 10,7 miljard euro is sprake van hogere vennootschapsbelastingont-vangsten door beleidsmutaties. Dat hangt ten eerste samen met de mogelijkheid om een 'fiscale coronareserve' over de winst van 2019 te (zie hierboven) Ten opzichte van 2020 leidt dat in 2021 tot 6,0 miljard euro extra vpb-ontvangst. Bovendien is sprake van een incidentele opbrengst van

4,5 miljard euro in de vennootschapsbelasting door de omvorming van ProRail tot ZBO. Deze omvorming leidt bovendien tot een incidentele opbrengst in de dividendbelasting van 2,0 miljard euro. Daarnaast is voor de dividendbelasting sprake van een incidentele derving als gevolg van het Sofina-arrest van 0,9 miljard euro.

Voor de loon- en inkomensheffing speelt in 2021 de invoering van de Baangerelateerde Investeringskorting (BIK) een rol. Werkgevers kunnen tijdelijk een korting krijgen op de loonheffing die zijn voor hun werknemers afdragen wanneer zij investeren in voor de BIK kwalificerende bedrijfsmiddelen. Dit leidt tot een derving van 2,0 miljard euro vanaf 2021. Daarnaast wordt de arbeidskorting verhoogd. Hiertegenover staat dat werkgevers in de zorg in 2020 een bedrag ontvangen om hun medewerkers een bonus van 1000 euro netto uit te keren. De loonheffing die hiermee gepaard gaat leidt in 2021 tot een incidentele ontvangst van 0,6 miljard euro.5

Beleid met betrekking tot de premies werknemersverzekeringen leidt per saldo tot 2,0 miljard euro hogere ontvangsten in 2021. Dat wordt bijna in zijn geheel verklaard door de stijging bij de premies zorgverzekeringswet van 1,6 miljard euro. Deze beleidsmutatie hangt samen met stijgende zorgkosten en een lastendekkende premie voor het zorgverzekeringsfonds.

In tabel 4.4.2 wordt de totale beleidsmatige mutatie in 2021 van 11,7 miljard uitgesplitst naar de opeenvolgende momenten waarop tot beleidsmaatregelen is besloten en wanneer deze in de begroting zijn verwerkt en/of de ramingen zijn geüpdatet. Dit noemen we ook wel de «verticale mutaties» van de beleidsmatige ontwikkeling van de ontvangsten in 2021. Ook wordt zo inzichtelijk dat ook beleid van vóór deze kabinetsperiode in 2021 nog budgettaire effecten heeft.

Tabel 4.4.2 Verticale toelichting beleidsmutaties 2021 op EMU-basis (in miljoenen euro's)

Beleid vorige kabinetten    1.009

waarvan zorgpremies    1.106

waarvan overig    - 97

Beleid Startnota    -    3.271

waarvan verlaging vpb-tarieven    -    1.362

waarvan verlaging lasten op arbeid (zoals invoering tweeschijvenstelstel)    -    2.919

waarvan overig    1.009

Miljoenennota 2019    2.786

waarvan BP2019 en augustusbesluitvorming (incl. update ramingen)    2.522

waarvan overig    264

Miljoenennota 2020    -    2.155

waarvan effect heroverweging afschaffing dividendbelasting    op    inkomensheffing    -    1.849

waarvan overig    - 306

Miljoenennota 2021    13.345

waarvan omvorming Prorail    7.130

waarvan coronapakketten    7.546

waarvan BP2021 en augustusbesluitvorming (incl. update ramingen)    - 515

waarvan overig    - 817

Totaal    11.715

Het in de Startnota verwerkte beleid heeft - op basis van de op dat moment ingeboekte beleidsramingen - in 2021 een lastenverlichtend effect van

3,3 miljard euro. Onderliggend is vooral sprake van lastenverlichtingen door de toen voorgenomen verlaging van de vpb-tarieven en door verlaging van de lasten op arbeid. Beleid dat voor het eerst tot uiting komt in Miljoenennota 2019 met (tevens) een budgettair effect in 2021 is per saldo inkom-stenverhogend met 2,8 miljard euro. Hierbij speelt met name de verhoging van het box-2-tarief per 2020 een rol. Dga's anticipeerden hierop door eind 2019 extra dividend uit te keren, wat zich in 2021 vertaalt in extra belastingopbrengsten in de inkomensheffing. In de Miljoenennota 2020 zijn ook weer verschillende beleidsmaatregelen met een budgettair effect verwerkt. Het belangrijkste pakket is hierbij de 'heroverweging pakket vestigingsklimaat'. Bij deze heroverweging heeft het kabinet gekeken naar het gehele pakket aan fiscalemaatregelen gericht op het versterken van het vestigingsklimaat. Dit pakket heeft in 2021 een neerwaarts effect op de belastingontvangsten doordat is afgezien van afschaffing van de dividendbelasting per 2020. Zonder dividendbelasting als voorheffing zouden de opbrengsten in de inkomensheffing in 2021 groter zijn geweest. Maar na de heroverweging hebben bedrijven in 2020 reeds voorheffing betaald via de dividendbelasting en zijn belastingplichtigen in 2021 dus minder inkomensheffing verschuldigd.

De belangrijkste budgettaire maatregelen die in de Miljoenennota 2021 zijn verwerkt zijn de reeds toegelichte maatregelen uit het fiscale steunpakket om de economische gevolgen van de coronacrisis te beperken. Deze maatrelen leiden tot een incidentele lastenverlichting in 2020, wat zich juist vertaalt in een beleidsmatige lastenverzwaring in 2021. Dit geldt met name voor de fiscale coronareserve, waarbij sprake is van een kasschuif. De omvorming van ProRail heeft een aanzienlijk incidenteel effect op de ontvangsten in 2021, waar navenante uitgaven van het Rijk tegenover staan.

 

Tabel 4.4.3 Budgettair effect van belasting-(in miljoenen euro's)

en premiemaatregelen 2021

Belastingen en premies op EMU-basis

Lasten ontwikkeling

Belastingen en premies op transactiebasis

Zorgpremies

1.621

229

1.621

Zorgtoeslag

 

124

 

Premies werknemersverzekeringen

432

412

432

Opslag Duurzame Energie (inclusief klimaatakkoord)

 

300

 

ETS-veilingopbrengsten

 

70

 

Omvorming Prorail

7.130

0

7.130

Tabaksaccijns

100

96

100

fiscale coronareserve

6.000

0

 

Coronapakketten exclusief fiscale coronareserve

1.546

1.546

1.546

Overdrachtsbelasting

758

758

758

Lagere lasten op arbeid

  • 1.540
  • 1.876
  • 1.539

Baangerelateerde Investeringskorting

  • 2.000
  • 2.000
  • 2.000

Verhuurderheff ing

  • 210

1.708

1.683

Dividendbelasting

  • 1.084
  • 1.850
  • 1.158

Vennootschapsbelasting (tarieven en grondslag)

  • 53

441

56

BPM

  • 306
  • 318
  • 306

Energiebelasting

  • 199
  • 200
  • 199

Kadercorrecties

 
  • 2.246
 

Overig

  • 480
  • 233
  • 595

Totaal

11.715

  • 3.040

7.529

In tabel 4.4.3 wordt een relatie gelegd tussen het effect van beleidsmaatregelen op de belasting- en premieontvangsten op EMU-basis6, het effect daarvan op transactiebasis en het effect op de lastenontwikkeling zoals relevant voor het inkomstenkader in 20217. Voor de belasting- en premieontvangsten op EMU-basis, die relevant zijn voor het EMU-saldo, gaat het voor de meeste belastingsoorten om de één-maands-verschoven-kasont-vangsten. Bij de ontvangsten op transactiebasis wordt - in dit geval - het beleid toegerekend aan het jaar waarin de daadwerkelijke economische transactie waaruit het effect op de ontvangsten volgt zich voordoet. Daarop sluit het op de lastenontwikkeling gebaseerde inkomstenkader zoveel mogelijk aan. Een uitzonderingen vormen anticipatie-effecten. De aanpassing van het box 2 tarief heeft anticipatie tot gevolg op EMU- en transactiebasis, maar is niet relevant voor het inkomstenkader en daarmee de lastenontwikkeling. Ook de rekeningcourantmaatregel gaat gepaard met anticipatie-effecten en kent daarnaast intertemporele effecten die ook niet relevant zijn voor het lastenkader.

Het budgettaire effect van zorgpremies in 2021 verschilt op lastenbasis van het effect op EMU-basis. Dit wordt veroorzaakt omdat incidentele wijzigingen in de premies zoals (1) het effect op de premies van het wegwerken van tekorten en overschotten in het zorgverzekeringsfonds, (2) incidentele bijstellingen in het saldo verzekeraars en (3) het verschil tussen de VWS-raming en de door verzekeraars vastgestelde nominale premie, niet binnen het inkomstenkader gecompenseerd maar wel relevant zijn voor het EMU-saldo.

Een ander verschil ontstaat door de zorgtoeslag. Vanwege de directe koppeling met de nominale premie is de zorgtoeslag wel relevant voor de beleidsmatige lastenontwikkeling, terwijl dit geen belasting- en premieontvangsten betreft. Dat geldt ook voor de Opslag Duurzame Energie, de ETS-veilingopbrengsten8 en het verschuiven van het lage-inkomensvoordeel (LIV) naar de uitgavenkant van de vergroting. Ook kadercorrecties spelen alleen een rol voor de beleidsmatige lastenontwikkeling zoals vastgelegd in het inkomstenkader.9 Bij andere belastingsoorten kan sprake zijn van een verschil tussen de lastenontwikkeling en het transactiebegrip door het hanteren van constante prijzen van het jaar waarin de wetgeving gemaakt wordt voor de lastenontwikkeling en lopende prijzen bij omvangrijke maatregelen uit een eerder ingeboekt beleidspakket zoals het Regeerakkoord voor de transactie- en EMU-basis begrippen. Verschillen tussen de effecten op EMU- en transactiebasis ontstaan hoofdzakelijk door de duur van het aanslag- en aangifteproces van sommige belastingsoorten. Daardoor ontstaat bij een deel van de belastingsoorten een achterwaartse verschuiving bij de ontvangsten op EMU-basis

4.5 Bijstellingen van het ramingsmodel

Net zoals in de vorige Miljoenennota maakt het ministerie van Financiën ook in deze Miljoenennota de handmatige bijstellingen bij het ramingsproces inzichtelijk. Onderstaande tabel 4.5.1 toont het effect dat deze ramingsbij-stellingen (deskundigenoordeel; 'expert opinion') hebben op de ramingen in 2020. Het werkelijke transactiebegrip is als uitgangspunt genomen voor de ontvangsten op EMU-basis. Dat betekent dat een deel van de ontvangsten en teruggaven in de kas van een bepaald jaar worden toegerekend aan het voorgaande jaar op EMU-basis als percentage van de desbetreffende belastingontvangst. Dat is immers relevant voor het EMU-saldo. Daarbij is expert opinion gedefinieerd als de handmatige bijstellingen van de ramingen op kas- of transactiebasis. Daarnaast kan de raming ook nog beïnvloed worden door aanpassing van de kas-transpara-meters of in het geval van de raming op EMU-basis via de omvang van het kas/EMU-verschil.

De eerste kolom toont de raming voor 2020 zoals eerder toegelicht in miljoenen euro's. De tweede kolom bevat de bijstelling ten opzichte van de raming volgens het ramingsmodel als percentage van de raming in de eerste kolom. Per saldo komt de ontvangstenraming 5,0 procent lager uit door expert opinion. De belangrijkste verklaring voor deze bijstellingen zijn de gerealiseerde kasontvangsten tot en met de maand juli in combinatie met de coronacrisis en de daarmee gepaard gaande economische conjunc-tuuromslag. De coëfficiënten van het ramingsmodel zijn geschat op langjarige data en zijn daarmee indicatief voor een gemiddeld effect van een macro-economische variabele op de ontvangst van een belastingsoort over verschillende stadia van de economische conjunctuur.

Bij de indirecte belastingen vallen de relatieve bijstellingen in de bpm (+15,4%) en accijnzen (-11,3%) op. De bpm hangt in het ramingsmodel samen met de 'duurzame consumptie'. Deze daalt in 2020 fors. Tegelijkertijd geven de kasrealisaties tot en met juli aanleiding om deze niet in die mate te laten dalen. De neerwaartse bijstelling in 2020 van de accijnzen hangt samen met de bijstelling van de accijns van lichte en minerale oliën vanwege minder woon-werkverkeer in vooral de eerste helft van 2020. Dergelijke incidenten zit niet in de geschatte coëfficiënt. In algemene zin zijn ramingsbijstellingen bij een aantal indirecte belastingsoorten op basis van de kasontvangsten mede toe te schrijven aan de keuze om meer algemene economische variabelen te gebruiken. De ramingsvergelijking van de BPM is daar een voorbeeld van. Ontwikkelingen specifiek op het terrein van autoverkopen zullen daardoor per definitie via bijstellingen in de raming verwerkt moeten worden.

Bij de directe belastingen en premies volksverzekeringen, die een bijstelling hebben van - 6,8% op het totaal, vallen de kansspelbelasting (-90,3%), dividendbelasting (+10,9%) en de vennootschapsbelasting (-54,9%) op. Casino's waren een tijd gesloten in 2020 en dat drukte de kansspelbelasting. De vennootschapsbelasting is zeer gevoelig voor conjuncturele omslagpunten en zeker door mogelijkheden zoals verliesverrekening kunnen de vennootschapsbelastingen hard dalen, ook als rekening wordt gehouden met de daling van de bedrijfswinsten. De dividendbelasting is tenslotte opwaarts bijgesteld vanwege kasrealisaties tot en met juli vanwege hoge ontvangsten aan het begin van 2020, die samenhangen met het grote anticipatie-effect van directeur-grootaandeelhouders op de verhoging van het box-2-tarief.

 
 

Raming 2020

Bijstelling ramingsmodel in % raming

Indirecte belastingen

87.379

  • 2,5%

Invoerrechten

3.151

  • 4,8%

Omzetbelasting

54.057

  • 2,2%

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

1.620

15,4%

Accijnzen

11.110

  • 11,3%

Overdrachtsbelasting

3.122

  • 4,2%

Assurantiebelasting

2.946

7,6%

Motorrijtuigenbelasting

4.259

1,8%

Belastingen op een milieugrondslag

4.569

  • 0,3%

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

267

0,0%

Belasting op zware motorrijtuigen

194

0,0%

Verhuurderheff ing

1.635

0,0%

Bankbelasting

449

0,0%

Directe belastingen en premies volksverzekeringen

126.449

  • 6,8%

Loon- en inkomensheffing

102.666

0,9%

Dividendbelasting

3.938

10,9%

Kansspelbelasting

321

  • 90,3%

Vennootschapsbelasting

17.489

  • 54,9%

Schenk- en erfbelasting

2.035

0,0%

Overige belastingontvangsten

280

0,0%

Totaal belastingen en premies volksverzekeringen

214.108

  • 5,0%

Omdat voor de raming van 2021 de raming van 2020 - en niet de gerealiseerde kasontvangsten - het uitgangspunt vormt, werkt de expert opinion in 2020 één-op-één door naar 2021. Dat geldt in principe voor alle belas-tingsoorten. Bij de ramingen op transactiebasis kan het belang van een bijstelling afnemen door een verschil tussen de kas/transparameters waarmee de aansluiting tussen de raming op transactie- en kasbasis wordt gemaakt. Bij een deel van de belastingen loopt de bijstelling in 2021 verder op ten opzichte van 2020, in lijn met de bijstellingen in 2020 op basis van de kasontvangsten.

 
 

Raming 2021

Bijstelling ramingsmodel in % raming

Indirecte belastingen

93.375

2,3%

Invoerrechten

3.475

1,4%

Omzetbelasting

58.440

2,6%

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

1.471

51,0%

Accijnzen

12.173

  • 3,8%

Overdrachtsbelasting

3.426

  • 3,8%

Assurantiebelasting

3.032

4,1%

Motorrijtuigenbelasting

4.365

1,1%

Belastingen op een milieugrondslag

4.355

6,0%

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

274

0,0%

Belasting op zware motorrijtuigen

204

0,0%

Verhuurderheff ing

1.468

0,0%

Bankbelasting

690

0,0%

Directe belastingen en premies volksverzekeringen

127.291

  • 3,0%

Loon- en inkomensheffing

101.019

0,0%

Dividendbelasting

4.067

  • 26,3%

Kansspelbelasting

525

  • 9,5%

Vennootschapsbelasting

19.737

  • 13,3%

Schenk- en erfbelasting

1.944

  • 2,1%

Overige belastingontvangsten

280

0,0%

Totaal belastingen en premies volksverzekeringen

220.946

  • 0,8%

4.6 Meerjarige ontvangstenontwikkeling en raming

De ontwikkeling van de belasting- en premieontvangsten voor de periode 2020-2024 is weergegeven in tabel 4.6.1. De ramingen voor 2020 en 2021 zijn in voorgaande paragrafen toegelicht. Voor 2022 tot en met 2024 betreft dit verwerking van de recentste CPB-MLT-raming.

 

Tabel 4.6.1. Meerjarige belasting- en premieraming (in

miljarden

euro's)

     
 

2020

2021

2022

2023

2024

Totaal belasting- en premieontvangsten op EMU-basis

283,0

293,0

297,6

313,3

322,3

waarvan belastingen op kasbasis

167,9

189,5

191,8

202,1

208,2

Tabel 4.6.2. bevat - in aanvulling op de ramingen voor 2020 en 2021 die reeds besproken zijn - een technische extrapolatie van de geraamde belasting-soorten voor 2020 tot en met 2024.

Tabel 4.6.2 Raming belasting- en premieontvangsten 2020-2024 op EMU-basis (in miljoenen euro's)

 
 

2020

2021

2022

2023

2024

Indirecte belastingen

87.379

93.375

95.868

98.182

100.733

Invoerrechten

3.151

3.475

3.597

3.706

3.794

Omzetbelasting

54.057

58.440

60.006

62.007

63.844

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

1.620

1.471

1.614

1.671

1.633

Accijnzen

11.110

12.173

12.531

12.654

12.854

Overdrachtsbelasting

3.122

3.426

3.596

3.692

3.816

Assurantiebelasting

2.946

3.032

3.131

3.241

3.341

Motorrijtuigenbelasting

4.259

4.365

4.457

4.523

4.633

Belastingen op een milieugrondslag

4.569

4.355

4.483

4.636

4.772

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

267

274

280

284

288

Belasting op zware motorrijtuigen

194

204

208

211

214

Verhuurderheffing

1.635

1.468

1.516

1.107

1.095

Bankbelasting

449

690

449

449

449

Directe belastingen en premies volksverzekeringen

126.449

127.291

127.943

138.955

142.441

Loon- en inkomensheffing

102.666

101.019

102.399

106.862

109.592

Dividendbelasting

3.938

4.067

3.385

4.289

4.578

Kansspelbelasting

321

525

554

580

605

Vennootschapsbelasting

17.489

19.737

19.688

25.313

25.735

Schenk- en erfbelasting

2.035

1.944

1.918

1.912

1.932

Overige belastingontvangsten

280

280

280

280

280

Totaal belastingen en premies volksverzekeringen

214.108

220.946

224.091

237.417

243.454

Premies werknemersverzekeringen

68.874

72.099

73.467

75.852

78.808

waarvan zorgpremies

42.636

45.174

46.481

47.972

49.844

Totaal belasting- en premieontvangsten

282.982

293.045

297.558

313.269

322.262

4.7 De belastingraming 2020-2021

Tabel 4.7.1 bevat een gedetailleerd overzicht van de raming van de belastingen premieontvangsten 2019 en 2020 op EMU-basis.

 

Tabel 4.7.1 Overzicht van belasting- en EMU-basis (in miljoenen euro's)

premieontvangsten 2020-2021 op

 

Vermoedelijke uitkomsten

Ontwerpbegroting

 

2020

2021

Indirecte belastingen

87.379

93.375

Invoerrechten

3.151

3.475

Omzetbelasting

54.057

58.440

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

1.620

1.471

Accijnzen

11.110

12.173

  • Accijns van lichte olie

4.093

4.600

  • Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.494

3.862

  • Tabaksaccijns

2.560

2.646

  • Alcoholaccijns

319

320

  • Bieraccijns

314

407

  • Wijnaccijns

329

338

Belastingen van rechtsverkeer

6.068

6.459

  • Overdrachtsbelasting

3.122

3.426

  • Assurantiebelasting

2.946

3.032

Motorrijtuigenbelasting

4.259

4.365

Belastingen op een milieugrondslag

4.569

4.355

  • CO2-heffingen

0

0

  • Afvalstoffenbelasting

194

191

  • Energiebelasting

4.067

3.769

  • Waterbelasting

306

314

  • Brandstoffenheffingen

1

1

  • Vliegbelasting

0

80

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

267

274

Belasting op zware motorrijtuigen

194

204

Verhuurderheff ing

1635

1.468

Bankbelasting

449

690

Directe belastingen

88.550

90.234

Inkomstenbelasting

4.412

5.349

Loonbelasting

60.356

58.613

Dividendbelasting

3.938

4.067

Kansspelbelasting

321

525

Vennootschapsbelasting

17.489

19.737

  • Gassector

200

220

  • niet-gassector

17.289

19.517

Bronbelasting op rentes en royalties

0

0

Schenk- en erfbelasting

2.035

1.944

Overige Belastingontvangsten

280

280

waarvan Belasting- en premieontvangsten Caribisch

 

Nederland

144

155

Totaal belastingen

176.209

183.889

Premies volksverzekeringen

37.899

37.057

Premies werknemersverzekeringen

68.874

72.099

waarvan zorgpremies

42.636

45.174

Totaal belasting- en premieontvangsten

282.982

293.045

Tabel 4.72 bevat een gedetailleerd overzicht van de raming van de belastingen premieontvangsten 2020 en 2021 op kasbasis met op de laatste regels de aansluiting naar de totaalraming op EMU-basis.

 

Tabel 4.7.2. Overzicht van belasting- en premieontvangsten 2020-2021 op kasbasis (in miljoenen euro's)

 

Vermoedelijke uitkomsten

2020

Ontwerpbegroting

2021

Indirecte belastingen

83.229

96.008

Invoerrechten

3.118

3.463

Omzetbelasting

51.154

60.339

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

1.489

1.550

Accijnzen

10.261

12.577

  • Accijns van lichte olie

3.669

4.802

  • Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.102

4.072

  • Tabaksaccijns

2.542

2.645

  • Alcoholaccijns

319

320

  • Bieraccijns

300

403

  • Wijnaccijns

328

337

Belastingen van rechtsverkeer

6.027

6.429

  • Overdrachtsbelasting

3.091

3.409

  • Assurantiebelasting

2.936

3.021

Motorrijtuigenbelasting

4.250

4.357

Belastingen op een milieugrondslag

4.387

4.656

  • CO2-heffingen

0

0

  • Afvalstoffenbelasting

195

192

  • Energiebelasting

3.886

4.070

  • Waterbelasting

306

313

  • Brandstoffenheffingen

1

1

  • Vliegbelasting

0

80

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

267

273

Belasting op zware motorrijtuigen

192

204

Verhuurderheff ing

1635

1.468

Bankbelasting

449

690

Directe belastingen

84.435

93.199

Inkomstenbelasting

3.664

5.872

Loonbelasting

57.566

60.711

Dividendbelasting

3.938

4.067

Kansspelbelasting

245

517

Vennootschapsbelasting

16.987

20.088

  • Gassector

200

220

  • niet-gassector

16.787

19.868

Bronbelasting op rentes en royalties

0

0

Schenk- en erfbelasting

2.035

1.944

Overige Belastingontvangsten

280

280

waarvan Belasting- en premieontvangsten Caribisch Nederland

137

160

Totaal belastingen

167.944

189.488

Premies volksverzekeringen

36.553

38.222

Premies werknemersverzekeringen

66.597

73.693

Aansluiting naar EMU-basis

11.889

  • 8.358

Totaal belasting- en premieontvangsten op EMU-basis

282.982

293.045

5 TOELICHTING OP DE BELASTINGONTVANGSTEN

5.1    Inleiding

Deze bijlage bevat een nadere toelichting op de raming van belasting- en premieontvangsten. De uitkomsten van de raming op EMU-basis zijn reeds gepresenteerd in paragraaf 2.5 en bijlage 4 van deze Miljoenennota. Deze bijlage gaat in op de methodiek die ten grondslag ligt aan de raming. Het ramingsmodel inclusief de toegepaste ramingsvergelijkingen wordt uitgebreid toegelicht. Vervolgens wordt de endogene en beleidsmatige ontwikkeling van de verschillende belastingsoorten op kasbasis gepresenteerd, waarbij ook ingegaan wordt op de regeling voor bijzonder uitstel van betaling die getroffen is in licht van de coronacrisis. Tot slot besteden we specifiek aandacht aan belastingen en premies die op transactiebasis (naar belastingjaar) geraamd worden en vervolgens naar kasbasis en EMU-basis worden vertaald. Dit betreffen de loon- en inkomensheffing, de omzetbelasting en de vennootschapsbelasting.

5.2    Het belang van een raming van belasting- en premieontvangsten

Het ministerie van Financiën maakt jaarlijks de rijksbegroting op. De raming van de belasting- en premieontvangsten is hierbij een belangrijke bouwsteen. De geraamde ontvangsten zijn immers noodzakelijk om het te verwachten begrotingssaldo (EMU-saldo) te bepalen. De ontvangstenraming is bovendien relevant voor de financieringsbehoefte van de Nederlandse Staat.

De belasting- en premieontvangsten zijn, in tegenstelling tot de meeste overheidsuitgaven, zeer gevoelig voor economische ontwikkelingen. Zo leiden toenemende werkgelegenheid en hogere lonen direct tot meer ontvangsten via de loonheffing. Via hogere consumptieve bestedingen van huishoudens stijgen bovendien de btw-ontvangsten. Dalende winsten in een laagconjunctuur kunnen zelfs tot negatieve kasontvangsten bij de vennootschapsbelasting leiden (door verliesverrekening). Onder andere deze gevoeligheid voor macro-economische ontwikkelingen is reden voor het kabinet om niet op het EMU-saldo te sturen bij de opstelling van de begroting maar te kiezen voor een trendmatig begrotingsbeleid. Dit betekent dat de overheidsinkomsten mogen meebewegen met de economische ontwikkeling. Binnen dit begrotingsbeleid leidt een opwaartse bijstelling van de inkomsten, en daarmee van het EMU-saldo, niet tot intensivering van de overheidsuitgaven of lastenverlichting. Dit werkt stabiliserend op de economie. Fiscale beleidsmaatregelen zijn wel begrensd. Met het inkomstenkader houdt het kabinet vast aan een pad van beleidsmatige lastenverlichting of lastenverzwaring over de kabinetsperiode (zie bijlage 3). Dat pad legt het kabinet bij de start van de kabinetsperiode vast in de Startnota.

Een zo trefzeker mogelijke raming kan ervoor zorgen dat het uiteindelijk gerealiseerde EMU-saldo (relatief) in de buurt ligt van de raming in de begroting. Tegelijkertijd is het goed om te beseffen dat het gaat om een raming gebaseerd op een macro-economisch model. De uitkomsten van het belasting- en premiemodel blijven macro-inschattingen en zijn daarmee vooral sterk afhankelijk van de raming van macro-economische variabelen, die als input voor het model gebruikt worden.

5.3    Ramingsmethodiek Ministerie van Financiën

Voor de raming van de belasting- en premieontvangsten gebruikt het ministerie van Financiën een econometrisch geschat ramingsmodel. Input voor dat model vormen ten eerste de gerealiseerde belasting- en premieontvangsten van het meest recente volledige jaar, zoals aangeleverd door de Belastingdienst.

Tweede input zijn de ramingen van relevante macro-economische variabelen voor toekomstige jaren, aangeleverd door het Centraal Planbureau (CPB). Het CPB maakt periodiek een onafhankelijke raming van de ontwikkeling van de Nederlandse economie. Het kabinet baseert de opstelling van de begroting zowel aan de uitgaven- als de inkomstenkant op deze ramingen van het CPB. Daarmee is gegarandeerd dat er niet politiek gestuurd kan worden op de cijfers over de economie.

Als derde beïnvloeden ook wijzigingen in beleid de belasting- en premieontvangsten. Beleidseffecten worden ingeboekt in een database, waarna het effect per belastingsoort wordt meegenomen bij de raming.

Tot slot speelt zogenoemde 'expert opinion' een rol. De uitkomsten van het model - de geraamde ontwikkeling op basis van macro-economische variabelen en beleidswijzigingen - worden gewogen in samenhang met onder andere de gerealiseerde belastingontvangsten in het lopende jaar (als daar al sprake van is), informatie over de uitvoering van de Belastingdienst (waaronder opgelegde aanslagen) en meer sectorspecifiek e informatie. Ook de trefzekerheid van het model in de meest recente jaren wordt daarbij bezien. Voor de raming van de belasting- en premieontvangsten in deze Miljoenennota zijn voor 2020 de gedetailleerde kasgegevens tot en met juli bekend en meegewogen in de raming. De inkomsten voor 2020 zijn deels dus reeds gerealiseerd. Voor ramingsjaar 2021 zijn daarentegen nog geen kasgegevens beschikbaar. De geraamde belasting- en premieontvangsten voor 2020 vormen daarom de basis voor de raming van 2021.

Een voorbeeld waarbij specifieke uitvoeringsinformatie van de Belastingdienst een rol speelt, is de vpb-raming voor 2020. Vanwege de coronacrisis dalen de winsten van ondernemingen, en daarmee de ontvangsten uit de vpb. Maar de precieze mate waarin is vanwege de grote economische onzekerheid moeilijk vast te stellen. Door het verloop van het aantal door de Belastingdienst opgelegde aanslagen te volgen, en de aanpassingen die ondernemers hierop aanvragen in beeld te brengen, kan een betere prognose gemaakt worden van de te verwachten kasontvangsten in 2020.

Sectorspecifieke informatie speelt een rol bij bijvoorbeeld de raming van de bpm. Naast de op macro-economische variabelen gebaseerde vergelijking wordt gekeken naar het aantal verkochte voertuigen in het lopende jaar in relatie tot de gerealiseerde kasontvangsten en verwachtingen voor de rest van het jaar en het komende jaar. Deze informatie wordt naast de modeluitkomst gehouden en indien nodig wordt de modeluitkomst bijgesteld.

5.4    Ramingsmodel voor de belasting- en premieontvangsten

Het ministerie van Financiën raamt de opbrengst per belasting- en premiesoort. Het ramingsmodel houdt hierbij rekening met beleidsmaatregelen en economische ontwikkelingen. Beleidsmatige keuzes beïnvloeden de hoogte van belastingtarieven en de omvang van belastinggrondslagen. De omvang van belastinggrondslagen wordt bovendien beïnvloedt door economische ontwikkelingen, vooral door de stand van de conjunctuur. Zo raamt het CPB dat door de coronacrisis de werkloosheid in 2020 en 2021 oploopt. Dit leidt tot een dalende opbrengst van de loonheffing. Het ramingsmodel bestaat uit meerdere vergelijkingen: elke belastingsoort heeft namelijk een specifieke ramingsvergelijking, aansluitend op de grondslag van de betreffende belastingsoort. Deze vergelijkingen zijn econometrisch geschat.

Bovenstaand kan samengevat worden in onderstaande vergelijking:

Tt = Tt-1 + At + Et

Tt = Ontvangst van een belastingsoort in jaar t

Tt-1 = Ontvangst van een belastingsoort in jaar t-1

At = Beleidsmatig effect op ontvangst belastingsoort in jaar t

Et = Effect van economische ontwikkeling op ontvangst belastingsoort in jaar t

De geraamde opbrengst van een belastingsoort in een bepaald jaar is gelijk aan de opbrengst van de belastingsoort uit het voorafgaande jaar plus de veranderingen door beleid en als gevolg van economische ontwikkelingen in dat jaar. Het startpunt van de raming in deze Miljoenennota is daarom de gerealiseerde stand van de belasting- en premieontvangsten in 2019. Het Financieel Jaarverslag Rijk 2019 bevat nadere informatie over de gerealiseerde belasting- en premieontvangsten over 2019. Middels de geraamde beleidsmatige en economische ontwikkelingen komt het ministerie vervolgens tot een raming voor de belasting- en premieontvangsten in 2020. Deze raming geldt vervolgens als startpunt voor de raming van belasting- en premieontvangsten in 2021, welke eveneens wordt aangevuld met de beleidsmatige en verwachte economische veranderingen van dat jaar.

Beleidsmatige ontwikkelingen

Beleidsmatige ontwikkelingen beïnvloeden de hoogte van de belasting- en premieontvangsten. Een aanpassing van belastingtarieven zorgt bijvoorbeeld voor een verandering van de belastingopbrengsten. Het budgettaire effect van een beleidsmaatregel ex ante wordt vastgesteld met inachtneming van een eerste-orde-gedragseffect.10 In hoofdstuk 3 van de Miljoenennota 2018 is een box opgenomen over de systematiek van de eerste-orde-gedragseffecten. Deze ex ante-inschatting met eerste-orde-gedragseffect is de best mogelijk inschatting van het effect van beleid op de desbetreffende grondslag of het tarief. Mogelijke effecten van het beleid op macro-economische ontwikkelingen spelen hierbij geen rol. Economische ontwikkelingen worden immers apart geraamd: opname hiervan in beleidsramingen leidt tot dubbeltelling.

Endogene ontwikkeling

De verdere verandering van de belasting- en premieontvangsten wordt hoofdzakelijk gedreven door economische ontwikkelingen. In de

Miljoenennota wordt dit ook de endogene ontwikkeling genoemd. Het gaat hier bijvoorbeeld om hogere belastingopbrengsten door hogere consumptie van huishoudens, of door hogere lonen bij een gunstige economische ontwikkeling. De endogene ontwikkeling van elke belasting-soort wordt geraamd met een model waarin macro-economische variabelen zijn opgenomen. Deze macro-economische variabelen hebben bewezen samenhang met de betreffende belastingsoort. Hierbij maakt het ministerie van Financiën gebruik van de economische raming van het CPB. Bij deze Miljoenennota betreft dit de Macro-economische Verkenning 2021 (MEV 2021).

De relatie tussen een macro-economische variabele en de endogene verandering van de belastingopbrengst is vaak niet één-op-één. Daarom wordt deze relatie vastgesteld op basis van empirische schatting op historische gegevens, deskundigenoordeel, wetenschappelijke inzichten of andere relevante informatie. De relatie wordt weergegeven door een coëfficiënt. Onderstaande tabel met ramingsvergelijkingen geeft de verschillende coëfficiënten weer. Een negatieve coëfficiënt geeft aan dat de macro-economische ontwikkeling en de endogene ontwikkeling van de belastingopbrengst tegen elkaar in bewegen. Een positieve coëfficiënt geeft aan dat de endogene ontwikkeling en de ontwikkeling van de macro-economische variabele in dezelfde richting bewegen. Deze coëfficiënten worden periodiek herzien. In 2019 zijn de vergelijkingen van het model tegen het licht gehouden en herschat. De beschikbaarheid van (specifieke) macro-economische variabelen en de kwaliteit daarvan is een duidelijke randvoorwaarde bij het empirisch schatten van de ramingsvergelijkingen. Zo is bij de bpm en MRB gekozen voor koppeling aan respectievelijk de ontwikkeling van de duurzame consumptie en het bbp in plaats van meer specifiek e 'auto'-gerichte variabelen vanwege de beperkte voorspelkracht van laatstgenoemde variabelen.

De meeste belastingensoorten worden op kasbasis geraamd. Dat wil zeggen dat het moment van betaling bepaalt aan welk jaar de belasting wordt toegerekend. Omdat de begroting en de verantwoording op EMU-basis - doorgaans de één-maands-verschoven-kas - plaatsvindt, wordt deze raming voor de meeste belastingsoorten gecorrigeerd met het verschil tussen de verwachte kasontvangsten in januari van jaar t en jaar t+1.11

De grootste belastingsoorten - de vennootschapsbelasting, de btw, de loonheffing en de inkomensheffing - worden niet op kasbasis geraamd.11 12 Die belastingsoorten worden op 'transactiebasis' geraamd. Dat wil zeggen dat de belastingopbrengsten worden toegerekend aan de jaren waarin de daadwerkelijke economische transactie waaruit de belastingopbrengst voortkomt zich heeft voorgedaan. Dat maakt een betere raming mogelijk, omdat zo omvangrijke kasstromen uit eerdere jaren modelmatig gekoppeld worden aan de macro-economische ontwikkeling van het betreffende jaar. De Belastingdienst splitst gerealiseerde kasontvangsten uit in transactie-jaren. Door deze systematiek zijn de gerealiseerde belastinginkomsten op transactiebasis pas enkele jaren na afloop van het jaar bekend. Na het maken van de transactiebasisraming vertaalt het ministerie van Financiën deze naar kasontvangsten. Hiertoe maakt het gebruik van kan-transpara-meters. Deze parameters delen de ontvangsten in een economisch jaar toe aan kasjaren. De grootte van deze parameters is in eerste instantie gebaseerd op historische kaspatronen van de desbetreffende belasting-soort en op uitvoeringsinformatie van de Belastingdienst.

Verklarende variabelen ramingsmodel

Afkorting    Variabele arbvu    Arbeidsvolume in arbeidsjaren, mutatie bbpvu    BBP marktprijzen, volumemutatie bbpwu    BBP marktprijzen, waardemutatie

Box2    Waardemutatie grondslag box 2

Box3    Waardemutatie grondslag box 3

clpu    Contractloonstijging hznpu    Huizenverkoop prijsmutatie hznvu    Huizenverkoop volumemutatie ihhyptr    Grondslag hypotheekrenteaftrek en eigenwoningforfait incpu    Incidentele loonstijging iond    Waardemutatie inkomen box 1 ondernemers invpu    Invoer, prijsmutatie invvu    Invoer, volumemutatie ivswu    Investeringen in woningen, waardemutatie oiwu    Overheidsinvesteringen, waardemutatie pcdvu    Consumptie van duurzame goederen, volumemutatie pcdwu    Consumptie van duurzame goederen, waardemutatie pcvgvu    Consumptie van voeding en genot, volumemutatie pcwu    Particuliere consumptie, waardemutatie prpsv    Aftrekbare premies loonheffing, waardemutatie tcf    Tabelcorrectiefactor verr    Waardemutatie verrekende dividendbelasting en heffingskortingen grvpb    Ontwikkeling grondslag vpb wozwu    Waardemutatie gemiddelde woz-waarde

 

Overzicht ramingsvergelijkingen

Belastingsoort

Ramingsvergelijking voor Et

Accijns op lichte oliën

0,19 * bbpvu, + 1 * tof,

Accijns op minerale oliën uitgezonderd lichte oliën

0,63 * bbpvu, + 1 * tof,

Afvalstoffenbelasting

1 * bbpvu, + 1 * tof,

Alcoholaccijns

  • - 
    0,027 + 1,24 * povgvu,

Assurantiebelasting

1,05 * powu,

Bankbelasting

0

Belasting zware motorrijtuigen (bzm)

0,96 * bbpvu,

Belasting op personenauto's en motorrijwielen (bpm)

  • - 
    0,045 + 4,320 * podvu, + 1 * Of,

Bieraccijns

0,42 * povgvu,

Bronbelasting op rente en royalty's

1 * bbpwut

CO2-heffing

1 * bbpvut

Dividendbelasting

  • - 
    0,106 + 5,87 * bbpwu,

Energiebelasting

  • - 
    0,03 + 0,62 * bbpvu, + 1 * Of,

Inkomensheffing

 

Box 1 ondernemers

1 * iond,

Box 2

1 * box2,

Box 3

1 * box3,

Eigen woning

1 * ihhyp,r,

Inkomensheffing overig Kansspelbelasting

Loonheffing

Motorrijtuigenbelasting (mrb) Omzetbelasting (btw)

Overdrachtsbelasting Rechten bij invoer Schenk- en erfbelasting Tabaksaccijns

Vennootschapsbelasting (niet-gas)

Verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken

Verhuurderheff ing

Vliegbelasting

Waterbelasting

Wijnaccijns

1 * verrt 1,45 * pcwut

0,6 * arbvut+ 1,53 * clput + 1,13 * incput - 0,62 * tcft - 0,81 * prpsv0,77 * bbpvut+ 1 * tcft

0,44* pcwut + 0,29 * pcdwut + 0,18 * ivswut + 0,02 * oiwut

1 * hznvut + 1 * hznput

0,63 * invvut+ 0,51 * invput

1 * hznput

0,97 * pcvgvut

1 * winstwut

1,05 * pcvgvut

1 * wozwut

1* pcvut

0,008 + 1 * tcft

1,16 * pcvgvut

Als voorbeeld voor de werking van het ramingsmodel en de totstandkoming van een raming van een belastingsoort nemen we de bieraccijns. Deze belasting wordt geraamd op kasbasis. Volgens bovenstaande vergelijking zijn de geraamde bieraccijnsontvangsten afhankelijk van de volumemutatie van de 'consumptie van voeding en genot'. De positieve coëfficiënt betekent een positieve relatie: als het CPB een hogere consumptie van voeding en genot raamt, dan leidt dit tot hogere geraamde bieraccijnsontvangsten.

De grootte van de coëfficiënt bedraagt 0,42. Dit betekent dat de bieraccijnsontvangsten met 0,42% stijgen ten opzichte van voorgaand jaar als het CPB een stijging van het volume van de consumptie van voeding en genot raamt met 1% in dat jaar. In dit voorbeeld spelen geen beleidsmatige ontwikkelingen. Voorts wordt deze uitkomst uit het ramingsmodel in vergeleken met reeds gerealiseerde kasontvangsten in het lopende jaar, uitvoeringsinfor-matie, de voorgaande raming en/of andere relevante (sectorspecifiek e) informatie. Zo nodig wordt de uitkomst van het model op basis van expert opinion bijgesteld.

Ontwikkelingen ramingsmodel

De Commissie Toetsing systematiek raming van de belasting- en premieontvangsten heeft op het verzoek van de minister van Financiën een onafhankelijke toetsing verricht voor de systematiek van de raming van de belasting- en premieontvangsten. Voorzitter van de commissie was Honorair hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen (RuG) Mr. C.A. (Flip) de Kam. Het eindrapport is gepubliceerd in bijlage 6 van de Miljoenennota

2019. Bijlage 5 van de Miljoenennota's 2019 en 2020 bevatten een reactie op de aanbevelingen en implementatie daarvan.

Ten aanzien van het advies is het Ministerie van Financiën voornemens om, gezamenlijk met het CPB, contact op te nemen met het PBL. Mogelijk kunnen hieruit nieuwe inzichten verschaft worden relevant voor macro-economische indicatoren die relevant zijn voor de raming van enkele milieubelastingen. Daarnaast werkt het Ministerie momenteel aan een herziening van de premies werknemersverzekeringen in de ramingsmethodiek. Daarbij wordt in kaart gebracht of de premies werknemersverzekeringen op een vergelijkbare wijze kunnen worden geraamd als de loonheffing. Hierin zijn reeds stappen gezet, maar als gevolg van werkzaamheden die ontstonden door de coronacrisis is de beoogde implementatie hiervan nog niet afgerond.

Bij de Miljoenennota 2019 zijn de ramingsvergelijkingen in het model empirisch herschat. Daarmee is een vierjaarlijkse cyclus ingezet: de resultaten van de herschatting zijn met de Miljoenennota 2020 geïmplementeerd, waar de laatste herschatting in 2015 werd gecompleteerd. Het Ministerie van Financiën is voornemens om deze cyclus ook in de toekomst voort te zetten.

5.5 De belastingramingen voor 2020 en 2021 op kasbasis

De volgende twee tabellen geven de opbouw weer van de belastingramingen op kasbasis. Tabel 5.5.1 toont de ontwikkeling van de realisaties in 2019 naar de Vermoedelijke Uitkomsten in 2020. Tabel 5.5.2 toont vervolgens de ontwikkeling van de Vermoedelijke Uitkomsten in 2020 naar de Ontwerpbegroting 2021. De tabel splitst de verandering per belasting-soort uit naar beleidsmatige mutatie en endogene mutatie. Beleidsmatige mutaties zijn mutaties als gevolg van fiscale beleidsmaatregelen of van overige maatregelen. Endogene mutaties zijn mutaties van de belastingopbrengsten als gevolg van de economische ontwikkeling.

 

Tabel 5.5.1 Raming belastingontvangsten 2020 op kasbasis (in mi euro's)

ljoenen

 

2019

Beleids- mutaties

Endogene mutaties

Endogene mutatie in

%

2020

Indirecte belastingen

92.428

  • 810
  • 8.389
  • 9,1%

83.229

Invoerrechten

3.397

0

  • 279
  • 8,2%

3.118

Omzetbelasting

56.473

8

  • 5.327
  • 9,4%

51.154

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

2.288

1

  • 801
  • 35,0%

1.489

Accijnzen

12.067

147

  • 1.954
  • 16,2%

10.261

  • Accijns van lichte olie

4.559

0

  • 890
  • 19,5%

3.669

  • Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.911

1

  • 810
  • 20,7%

3.102

  • Tabaksaccijns

2.509

146

  • 113
  • 4,5%

2.542

  • Alcoholaccijns

331

0

  • 12
  • 3,6%

319

  • Bieraccijns

426

0

  • 126
  • 29,7%

300

  • Wijnaccijns

331

0

  • 3
  • 0,8%

328

Belastingen van rechtsverkeer

5.863

  • 5

169

2,9%

6.027

  • Overdrachtsbelasting

3.016

0

75

2,5%

3.091

  • Assurantiebelasting

2.847

  • 5

94

3,3%

2.936

Motorrijtuigenbelasting

4.222

49

  • 21
  • 0,5%

4.250

Belastingen op een milieugrondslag

5.528

  • 900
  • 241
  • 4,4%

4.387

  • Afvalstoffenbelasting

196

46

  • 47
  • 23,9%

195

  • Energiebelasting

5.033

  • 946
  • 201
  • 4,0%

3.886

  • Waterbelasting

298

0

7

2,4%

306

  • Brandstoffenheffingen

1

0

0

  • 5,8%

1

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

269

0

  • 2
  • 0,8%

267

Belasting op zware motorrijtuigen

184

17

  • 9
  • 4,8%

192

Verhuurderheff ing

1.687

  • 127

75

4,5%

1.635

Bankbelasting

449

0

0

0,0%

449

Directe belastingen

100.507

  • 6.624
  • 9.447
  • 9,4%

84.435

Loon- en inkomstenbelasting

65.773

  • 2.785
  • 1.758
  • 2,7%

61.230

Dividendbelasting

6.286

  • 851
  • 1.497
  • 23,8%

3.938

Kansspelbelasting

572

0

  • 326
  • 57,1%

245

Vennootschapsbelasting

25.949

  • 2.983
  • 5.979
  • 23,0%

16.987

  • Gassector

450

0

  • 250
  • 55,6%

200

  • Niet-gassector

25.499

  • 2.983
  • 5.729
  • 22,5%

16.787

Schenk- en erfbelasting

1.926

  • 5

114

5,9%

2.035

Overige belastingontvangsten

281

  • 1

0

0,0%

280

Totaal belastingen op kasbasis

193.216

  • 7.436
  • 17.836
  • 9,2%

167.944

Tabel 5.5.2 Raming belastingontvangsten 2021 euro's)

op kasbasis (in mi

ljoenen

 

2020

Beleids- mutaties

Endogene mutaties

Endogene mutatie in

%

2021

Indirecte belastingen

83.229

1.351

11.429

13,7%

96.008

Invoerrechten

3.118

0

345

11,1%

3.463

Omzetbelasting

51.154

887

8.299

16,2%

60.339

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

1.489

  • 274

336

22,6%

1.550

Accijnzen

10.261

154

2.163

21,1%

12.577

  • Accijns van lichte olie

3.669

0

1.132

30,9%

4.802

  • Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.102

28

942

30,4%

4.072

  • Tabaksaccijns

2.542

126

  • 23
  • 0,9%

2.645

  • Alcoholaccijns

319

0

1

0,2%

320

  • Bieraccijns

300

0

103

34,3%

403

  • Wijnaccijns

328

0

9

2,7%

337

Belastingen van rechtsverkeer

6.027

681

  • 278
  • 4,6%

6.429

  • Overdrachtsbelasting

3.091

682

  • 365
  • 11,8%

3.409

  • Assurantiebelasting

2.936

  • 2

86

2,9%

3.021

Motorrijtuigenbelasting

4.250

  • 49

156

3,7%

4.357

Belastingen op een milieugrondslag

4.387

  • 83

352

8,0%

4.656

  • CO2-heffingen

0

0

0

 

0

  • Afvalstoffenbelasting

195

  • 12

10

5,1%

192

  • Energiebelasting

3.886

  • 291

475

12,2%

4.070

  • Waterbelasting

306

0

7

2,4%

313

  • Brandstoffenheffingen

1

0

0

4,4%

1

  • Vliegbelasting

0

220

  • 140
 

80

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

267

0

6

2,4%

273

Belasting op zware motorrijtuigen

192

5

6

3,3%

204

Verhuurderheff ing

1.635

  • 210

43

2,6%

1.468

Bankbelasting

449

241

0

0,0%

690

Directe belastingen

84.435

9.026

  • 261
  • 0,3%

93.199

Loon- en inkomstenbelasting

61.230

  • 2.592

7.946

13,0%

66.584

Dividendbelasting

3.938

891

  • 762
  • 19,4%

4.067

Kansspelbelasting

245

10

261

106,6%

517

Vennootschapsbelasting

16.987

10.722

  • 7.620
  • 44,9%

20.088

  • Gassector

200

1

19

9,5%

220

  • Niet-gassector

16.787

10.721

  • 7.639
  • 45,5%

19.868

Bronbelasting op rentes en royalties

0

0

0

 

0

Schenk- en erfbelasting

2.035

  • 5
  • 87
  • 4,3%

1.944

Overige belastingontvangsten

280

0

0

0,0%

280

Totaal belastingen

167.944

10.377

11.168

6,6%

189.488

Nadere toelichting

De raming voor de totale belastingontvangsten in 2020 komt op kasbasis 25,3 miljard euro lager uit dan de realisatie van de totale belastingontvangsten in 2019 (zie tabel 5.5.1). Deze daling is het totaal van de beleidsmatige mutatie van - 7,4 miljard euro en de endogene daling van - 17,8 miljard euro. Voor 2021 geldt een toename van de totale belastingontvangsten op kasbasis met 21,6 miljard euro ten opzichte van

2020. Dit is het saldo van een beleidsmatige mutatie van 10,4 miljard euro en een endogene ontwikkeling van 11,2 miljard euro (zie tabel 5.5.2). De volgende paragrafen lichten deze beleidsmatige en endogene mutaties toe.

Beleidsmatige ontwikkeling

De belastingontvangsten in 2020 nemen met 7,4 miljard euro af als gevolg van fiscale en overige maatregelen. In tabel 5.5.3 staat aangegeven welke wijzigingen sinds de Miljoenennota 2020 hebben plaatsgevonden.

 

Tabel 5.5.3 Effecten beleidsmaatregelen (waaronder nabetalingen) op belastingontvangsten in 2020 (in mln euro)

 

Kas 2020

Totaal maatregelen, zoals gemeld in Miljoenennota 2020 (bijlage 5)

  • 3.839

Mutatie vanwege nabetalingen

58

Mutatie vanwege beleid

  • 3.655

Totaal maatregelen

  • 7.436

Beleidsmatige wijzigingen vloeien voort uit het Regeerakkoord, maatregelen die het kabinet sindsdien heeft genomen en maatregelen van eerdere kabinetten met effecten in 2020. Daarnaast zijn er mutaties als gevolg van nabetalingen tussen het Rijk en de sociale fondsen. Deze nabetalingen vinden plaats omdat via de inkomensheffing en de loonheffing de belastingen en premies volksverzekeringen geïntegreerd worden geheven. De verdeling van deze ontvangsten tussen het Rijk en de sociale fondsen gebeurt op basis van voorlopige verdeelsleutels. Wanneer de Belastingdienst de gegevens over de feitelijke inkomens van mensen binnen heeft, kan nauwkeurig worden bepaald welk deel van de heffingen het Rijk toekomen en welk deel de sociale fondsen. Bij de loonheffing gebeurt dit na twee jaar, omdat dan het grootste deel van de aanslagen en aangiften is afgehandeld. Bij de inkomensheffing gebeurt dit om dezelfde reden pas na vier jaar. Hierdoor vinden er in de jaren nadat een transactiejaar is afgesloten nog nabetalingen plaats tussen het Rijk en de sociale fondsen. Tabel 5.5.3 laat zien dat dit in 2020 leidt tot een mutatie in de belastingontvangsten voor het Rijk van 0,1 miljard ten opzichte van wat in Miljoenennota 2020 aan nabetalingen werd verwacht. Omdat het hier onderlinge nabetalingen betreft tussen premieontvangsten (volksverzekeringen) en de ontvangsten uit de loon- en inkomstenbelasting, zijn deze verschuivingen niet relevant voor het EMU-saldo.

Voor 2021 bedraagt de geraamde beleidsmatige mutatie van de belastingontvangsten per saldo 10,4 miljard euro (tabel 5.5.2). Deze mutatie betreft voor - 1,1 miljard euro verwachte onderlinge nabetalingen tussen premieontvangsten (volksverzekeringen) en ontvangsten uit de loon- en inkomstenbelasting. Deze verschuivingen zijn niet relevant voor het EMU-saldo. Het voor het EMU-saldo relevante, beleidsmatige deel van de mutatie bij de belastingontvangsten (exclusief premieontvangsten) bedraagt daarom

9,3 miljard euro. Bijlage 4 van deze Miljoenennota licht de beleidsmatige mutatie van de totale belasting- en premieontvangsten toe.

Endogene ontwikkeling

De belastingontvangsten (exclusief premies volksverzekeringen) nemen in 2020 met 17,8 miljard euro af als gevolg van de endogene ontwikkeling. Dit betekent een krimp van 9,2 procent. In 2021 nemen de ontvangsten ten opzichte van 2020 toe met 11,2 miljard euro als gevolg van de endogene ontwikkeling, een groei van 6,7 procent. Bijlage 4 van de Miljoenennota bevat een toelichting van de endogene ontwikkeling voor het totaal van de belasting- en premieontvangsten. Dat zijn de totale belastingen inclusief premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en premies zorgverzekeringen.

Bijzonder uitstel van betaling

Inbegrepen in de raming van de belastingontvangsten in 2020 en 2021 op kasbasis is het effect van de regeling voor bijzonder uitstel van betaling vanwege de coronacrisis. Ondernemers kunnen tot 1 oktober een aanvraag doen voor versoepeld uitstelbeleid voor een groot aantal belastingen, waaronder de loonheffing en de omzetbelasting. Dit leidt tot minder ontvangsten in 2020 en juist meer in 2021 en 2022. Deze kasschuif is niet relevant voor de bepaling van de ontvangsten op EMU-basis, omdat voor het EMU-begrip aangesloten wordt bij het onderliggende transactiemoment waarop de betalingsverplichting ontstaat.

De geraamde omvang van de kasschuif die uitgaat van het bijzonder uitstel van betaling is 12,2 miljard euro. Hiervan wordt naar verwachting 8,6 miljard euro alsnog betaald in 2021, en de resterende 3,6 miljard euro in 2022. Deze uitstelbedragen zijn verwerkt in tabel 5.5.1 en 5.5.2. Omdat het bijzonder uitstel van betaling een uitzonderlijke situatie betreft, is een afzonderlijke raming opgesteld. Deze wordt hieronder toegelicht. Als het uitstelbeleid verandert, dan verandert de uitstelraming ook.

Per belastingsoort waarvoor het bijzondere uitstelbeleid van toepassing is, is ten eerste in kaart gebracht wat de te verwachten opbrengst per maand geweest zou zijn, wanneer geen sprake zou zijn van bijzonder uitstelbeleid. Dit bedrag per maand is het potentieel waar het uitstelbeleid op van toepassing is.

Vervolgens wordt ingeschat welk percentage van dit bedrag uitgesteld wordt. Bij de eerdere raming voor het gebruik van uitstel in de brief 'Update overheidsfinanciën juni 2020' moest hier bij gebrek aan inzicht in realisaties noodzakelijkerwijs een percentage geprikt worden. Inmiddels bestaat inzicht in het daadwerkelijke gebruik van uitstel tot en met juli per belastingsoort. In de huidige berekening wordt voor de maanden tot en met juli bij deze realisatie aangesloten. Verder blijkt dat gedurende juni en juli de maandelijkse omvang van uitstel van betaling dalende is ten opzichte van voorgaande maanden. Dit komt doordat voor ondernemers die in maart of april een aanvraag hebben gedaan, inmiddels de periode van drie maanden waarvoor automatisch uitstel wordt verleend, verstreken is. Wanneer geen verlenging wordt aangevraagd, betalen deze ondernemers vanaf het aflopen van deze periode hun lopende verplichtingen. Bij de raming in bovengenoemde brief uit juni werd juist aangenomen dat bijna alle ondernemers verlenging zouden aanvragen. De inschatting is nu dat het maandelijks uitgestelde bedrag na juli verder daalt.

Naast maandelijks uitstel is inmiddels ook sprake van maandelijkse afbetalingen op eerder genoten uitstel. Voor het afbetalen van opgebouwde schuld geldt per 1-1-2021 een betalingsregeling, waarbij de schuld in 24 maandelijkse termijnen wordt voldaan. Sommige ondernemers betalen echter op eigen initiatief sneller hun schuld af. De openstaande belastingschuld ultimo juli is dan ook lager dan het totale bedrag waarvoor uitstel is verleend. De inschatting is dat deze terugbetalingen op eigen initiatief zich de rest van het jaar voortzetten, zij het in een lager tempo dan in juni en juli het geval was. De verwachting is namelijk dat een groot deel van de tot nog toe geobserveerde terugbetalingen afkomstig is van ondernemers die de maanden met de strengste restricties (maart-mei) relatief goed hebben doorstaan. De resterende ondernemers in de regeling zijn gemiddeld dan juist zwaarder getroffen. Dit is nadrukkelijk een onzekere prognose omdat deze volledig afhangt van het gedrag van ondernemers de komende maanden. Vermoedelijk spelen hierbij de verdere beheersing van het virus en het verloop van de economische restricties een belangrijke rol.

Door de stand van het verleende uitstel tot en met juli te combineren met de genoemde verwachte daling van nieuw uitstel per maand en het verloop van verdere afbetalingen, volgt een geraamde stand van de openstaande schuld ultimo december. Deze bedraagt 12,2 miljard euro. Figuur 5.5.1 geeft deze prognose weer. Voor dit resterende bedrag geldt per 1-1-2021 een betalingsregeling, waardoor de restschuld in beginsel in 24 gelijke termijnen wordt afgebouwd en ultimo 2022 nul bedraagt. Omdat uit de ervaring blijkt dat ondernemers wanneer mogelijk hun schuld liever sneller afbetalen, en omdat per 2022 de invorderingsrente niet langer 0,01% maar 2% bedraagt, zal het tempo van terugbetalingen gedurende 2021 hoger liggen dan de afbetalingsregeling vereist. Aangenomen wordt dat 70% van de openstaande schuld in 2021 wordt voldaan, en de resterende 30% in 2022. Het is daarbij overigens mogelijk dat een deel van de uitgestelde ontvangsten in geheel niet meer binnenkomt als gevolg van faillissementen. Hier wordt in de raming van de belasting- en premieontvangsten op EMU-basis geen aanvullende correctie voor gemaakt, omdat het effect van de coronacrisis op faillissementen en dus op belasting- en premieontvangsten onderdeel is van de reguliere geraamde macro-economische variabelen van het CPB, die als input dienen voor het reguliere ramings-model voor de belasting- en premieontvangsten.

Figuur 5.5.1 Prognose bijzonder uitstel van betaling 2020 (in miljarden euro's)

5.6 Nadere toelichting ramingen op transactiebasis

Deze paragraaf bevat een nadere toelichting op de endogene ontwikkeling van de op transactiebasis geraamde belastingsoorten. Dat zijn de vennootschapsbelasting, de loon- en inkomensheffing (de som van het belas-tingdeel en het premiedeel van de loon- en inkomensheffing) en de omzetbelasting. Deze belastingsoorten vormen samen ruim 80 procent van de totale belastingontvangsten inclusief premies volksverzekeringen.

Vennootschapsbelasting

Bij de vennootschapsbelasting wordt onderscheid gemaakt tussen de gassector en de niet-gassector. Voor de vennootschapsbelasting afkomstig uit de gassector wordt een aparte raming opgesteld op basis van de winst-ontwikkeling in die sector, die in belangrijke mate afhangt van de beursprijs van TTF-gas. Voor een toelichting op de aardgasbatenraming, inclusief de vpb-afdracht uit de gassector, wordt verwezen naar de begroting van Economische Zaken en Klimaat (Begroting XIII). Deze bijlage bespreekt alleen de ontwikkeling van de vpb-opbrengst in de niet-gassector.

Voor een nader inzicht in de ontwikkeling van de kasontvangsten volgt een korte toelichting op het proces van aanslagoplegging. De heffing van de vennootschapsbelasting vindt in eerste instantie plaats via voorlopige aanslagen. In januari wordt een inschatting gemaakt van de winst voor dat jaar op basis van winsten uit de afgelopen twee jaren, eventueel gecorrigeerd voor verwachtingen betreffende de winsten van dat jaar zelf. Op basis hiervan worden voorlopige aanslagen verstuurd. Vervolgens kan op basis van tussentijdse inschattingen van de winstontwikkeling een bijstelling van de voorlopige aanslag plaatsvinden. In juli / augustus van het daaropvolgende jaar (t+1) vindt vervolgens de voorlopige aangifte plaats. Dit kan wederom leiden tot een nadere voorlopige aanslag. Afhankelijk van de omvang van het bedrijf en de aard van de aangifte vindt in een van de daaropvolgende jaren de definitieve vaststelling van de winst plaats. Meestal wordt circa driekwart van de uiteindelijke aanslagopleggingen reeds in het eerste jaar via voorlopige aanslagen ontvangen, maar dit percentage fluctueert.

Voor het opstellen van de begroting zijn de kasontvangsten van de vennootschapsbelasting relevant. Daarom is het van belang hoe het verloop van aanslagoplegging zich vertaalt in kasontvangsten. Tabel 5.6.1 toont de ontwikkeling van de totale kasopbrengst per jaar met een opsplitsing naar transactiejaar. Deze tabel laat zien dat het grootste deel van de opbrengst in een bepaald jaar voortkomt uit de voorlopige aanslagen over dat jaar zelf. Deze opbrengst stijgt bovendien door bijstellingen in de voorlopige aanslagen over de twee voorgaande jaren. Maar als gevolg van verliesver-rekening is de bijdrage van jaar t-3 en ouder over het algemeen negatief.

Tabel 5.6.1 Opbrengst en ontwikkeling van de vennootschapsbelasting (exclusief gas) op kasbasis naar transactiejaar (in miljoenen euro's)

 
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Jaar T

14.565

16.630

17.772

20.175

14.887

19.316

Jaar T-1

5.518

4.211

4.996

4.949

2.327

377

Jaar T-2

828

629

650

521

115

244

Jaar T-3

  • 172
  • 102
  • 317
  • 145
  • 398
  • 103

Jaar T-4 en ouder

  • 17
  • 112
  • 96

0

  • 146

34

Totaal kasopbrengst VPB niet-gas

20.722

21.256

23.005

25.499

16.787

19.868

Per saldo bedraagt de verwachte endogene mutatie van 2019 naar 2020 - 5,7 miljard euro bij de niet-gassector. Ook beleidsmaatregelen hebben in 2020 per saldo een neerwaarts effect op de ontvangsten (-3,0 miljard euro). Dit hangt grotendeels samen met de mogelijkheid voor bedrijven om in de aangifte voor 2019 een fiscale coronareserve met betrekking tot het verwachte verlies in 2020 te treffen, en betreft een kasschuif ten opzichte van

2021. De totale mutatie in 2020 komt daarom uit op - 8,7 miljard euro. In 2021 bedraagt de endogene afname van de vpb-ontvangsten bij de niet-gassector naar verwachting - 7,6 miljard euro. Het beleidsmatige effect is

10,7 miljard euro. Naast de genoemde coronareserve speelt hierbij de omvorming van ProRail tot een ZBO een belangrijke rol. Per saldo stijgen de vpb-ontvangsten van de niet-gassector in 2021 afgerond 3,1 miljard euro.

Loon- en inkomensheffing

De loonheffing is een voorheffing van de inkomensheffing. In eerste instantie wordt door inhoudingsplichtigen maandelijks loonbelasting afgedragen op basis van het loon of de uitkering van de belastingplichtigen. Na het verstrijken van het kalenderjaar dient de belastingplichtige voor 1 mei van het volgende jaar belastingaangifte te doen. Op basis hiervan wordt bepaald hoeveel belasting in totaal verschuldigd is (met inachtneming van andere bronnen van inkomen, belastingkortingen en aftrekposten). Wanneer dit bedrag hoger is dan de reeds betaalde loonheffing, moet men het resterende bedrag aan inkomensheffing voldoen. Wanneer de verschuldigde belasting lager is, krijgt men geld terug van de Belastingdienst. In onderstaande alinea wordt gekeken naar de ontwikkeling van de loon- en inkomensheffing. Dit betreft naast de belasting tevens de ontvangsten van de premies volksverzekeringen, welke geïntegreerd worden geheven. Voor analysedoeleinden zijn de ontvangsten op heffings-niveau beter bruikbaar, omdat deze eenvoudiger kunnen worden waargenomen.

Loonheffing

De raming van de loonheffing vindt net als bij de vennootschapsbelasting op transactiebasis plaats. Het ontvangstpatroon van de transactieopbrengst in de kas is bij de loonheffing echter veel stabieler dan bij de vpb. Daarnaast geldt dat de transactieopbrengst ook aanzienlijk sneller wordt ontvangen en binnen drie maanden na afloop van het jaar bijna volledig gerealiseerd is. Hierdoor treden minder grote verschillen op tussen de ontwikkeling van de transactieopbrengst en de kasopbrengst dan bij de vpb.

 

Tabel 5.6.2 Ontwikkeling loonheffing op transactiebasis (in miljoenen euro's)

 

2019    2020

 

2021

Opbrengst op transactiebasis

102.629    100.979

98.142

Mutatie

  • 1.651

-

2.837

waarvan endogeen

3.263

 

704

waarvan beleidsmatig

  • 4.913

-

3.540

Endogene groei (in %)

3,2%

 

0,7%

Tabel 5.6.2 toont de (geraamde) endogene ontwikkeling van de loonheffing in 2020 en 2021. De verwachte endogene ontwikkeling bedraagt in 2020

3,3 miljard euro. In 2021 bedraagt deze 0,7 miljard euro. De ontwikkeling van de loonheffing is afhankelijk van de ontwikkeling van de totale belastbare loonsom. De ontwikkeling van de totale belastbare loonsom wordt bepaald door de groei van het arbeidsvolume, de stijging van de contractlonen, de hoogte van verschillende aftrekbare premies en de ontwikkeling van uitkeringen en pensioenen. Onderstaande tabel 5.6.3 geeft een overzicht van enkele relevante gegevens uit de Macro Economische Verkenning 2021 van het CPB.

Tabel 5.6.3 Relevante economische indicatoren voor de loonheffing

 
 

2020

2021

Arbeidsvolume in arbeidsjaren

  • 1,8%
  • 0,1%

contractloonstijging

2,6%

1,3%

Incidentele loonstijging

0,0%

0,1%

Tabelcorrectiefactor

1,6%

1,6%

Uit de economische indicatoren kan de ontwikkeling van de loonheffing worden verklaard. In 2020 neemt de werkgelegenheid af met 1,8 procent. De contractloonstijging komt uit op 2,6 procent, terwijl de incidentele loonontwikkeling 0,0 procent bedraagt. Dat leidt gezamenlijk tot een endogene ontwikkeling van de loonheffing in 2020 van 3,3 miljard op transactiebasis. In 2021 neemt de werkgelegenheid met 0,1 procent af. De loonontwikkeling valt met een contractloonontwikkeling en een incidentele loonstijging van respectievelijk 1,3 procent en - 0,1 procent beperkt positief uit. Per saldo leidt dit in 2021 tot een endogene ontwikkeling van de loonheffing van 0,7 miljard euro op transactiebasis.

Inkomensheffing

De ontvangsten uit de inkomensheffing zijn het saldo van de belastingontvangsten van particulieren en zelfstandige ondernemers. Voor de particulieren geldt de loonheffing als voorheffing. Bij de inkomensheffing voor particulieren hebben de ontvangsten dan ook betrekking op bijtel- en aftrekposten en heffingskortingen die niet al via de loonheffing zijn verrekend. Bij de zelfstandigen wordt de ontwikkeling daarnaast ook bepaald door de winstontwikkeling.

De raming van de ontvangsten van de inkomensheffing is opgesteld op basis van de beleidsmaatregelen, de geraamde endogene ontwikkeling en de kasrealisaties tot en met juli.

 

Tabel 5.6.4 Ontwikkeling inkomensheffing op transactiebasis (in miljoenen euro's)

 

2019

2020

2021

Inkomensheffing op transactiebasis

3.028

1.319

3.089

mutatie

 
  • 1.708

1.770

waarvan endogeen

 
  • 1.477

1.472

waarvan beleidsmatig

 
  • 231

298

De endogene ontwikkeling van de ontvangsten inkomensheffing is in 2020 negatief en in 2021 positief. Onderliggend is in 2020 vooral sprake van beperktere inkomsten bij IB-ondernemers en uit box 2. Hierbij spelen dalende winsten als gevolg van de coronacrisis een rol. In 2021 is juist weer sprake van toenemende winsten. Daarnaast wordt een negatieve ontwikkeling van de hypotheekrenteaftrek geraamd, wat met vertraging een positief effect op de ontvangsten uit de inkomensheffing.

Omzetbelasting

De omzetbelasting is verantwoordelijk voor circa 30 procent van de totale belastingontvangsten. De endogene groei van de omzetbelasting wordt vooral bepaald door de waardeontwikkeling van de bestedingen waarop btw rust, te weten de particuliere consumptie, de overheidsinvesteringen en de investeringen in woningen. De ramingen van het CPB voor deze bestedingscategorieën zijn samengevat in tabel 5.6.5.

 

Tabel 5.6.5 Raming van de procentuele ontwikkeling van 2019 en 2020

bestedingen in

2020 2021

Particuliere consumptie, waardemutatie

  • 4,4%    6,0%

Investeringen in woningen, waardemutatie

  • 2,6%    - 1,4%

Overheidsinvesteringen, waardemutatie

4,8%    10,8%

Bij de particuliere consumptie speelt ook de samenstelling van de consumptie een rol, omdat er verschillende bestedingscategorieën zijn waarvoor een verschillend btw-tarief geldt. Bij de huidige laagconjunctuur is het bijvoorbeeld de verwachting dat er een verschuiving plaatsvindt van consumptie waarvoor het normale tarief geldt (inclusief alle «luxe goederen») naar consumptie waarvoor het verlaagde btw-tarief geldt. Hierdoor neemt het gemiddelde btw-tarief over de totale particuliere consumptie af en daarmee de btw-ontvangsten. In hoogconjunctuur is sprake van het omgekeerde.

De btw-ontvangsten op transactiebasis bedragen naar verwachting 54,1 miljard euro in 2020. In 2021 wordt een positieve ontwikkeling naar 58,4 miljard euro verwacht.

5.6.6 Raming van de omzetbelasting op transactiebasis (in miljoenen

 

euro's)

 

2019

2020

2021

Omzetbelasting op transactiebasis

57.992

54.057

58.440

mutatie

 
  • 3.936

4.383

waarvan endogeen

 
  • 3.583

3.359

waarvan beleidsmatig

 
  • 353

1.024

Endogene mutatie in procent

 
  • 6,2%

6,2%

De endogene ontwikkeling van de btw-ontvangsten wordt voor een groot deel bepaald door de waardeontwikkeling van de particuliere consumptie. Deze is in 2020 negatief: - 4,4 procent. Ook de investeringen in woningen vallen met een mutatie van - 2,6 procent negatief uit. Wel nemen de overheidsinvesteringen met 4,8 procent toe. Op basis van de ontwikkeling van deze relevante macro-economische indicatoren wordt per saldo een negatieve endogene ontwikkeling (-3,6 miljard euro) van de btw-ontvangsten op transactiebasis in 2020 verwacht. In 2021 neemt de particuliere consumptie weer toe met 6,0 procent, terwijl de investeringen in woningen verder dalen met - 1,4 procent. De overheidsinvesteringen ontwikkelen zich met 10,8 procent in 2021 juist sterk positief. Dat leidt gezamenlijk tot een positieve endogene ontwikkeling (3,4 miljard euro) van de btw-ontvangsten op transactiebasis.

6 EMU-SALDO

Tabel 6.1 geeft het EMU-saldo van de hele collectieve sector weer. Dit EMU-saldo (ook wel overheidssaldo genoemd) is de optelsom van alle inkomsten en uitgaven van de Rijksoverheid en de decentrale overheden. De inkomsten en uitgaven van de Rijksoverheid zijn in meer detail te vinden in respectievelijk bijlage 2 en bijlage 4. Om tot het EMU-saldo te komen moeten hier nog een paar correcties op worden toegepast: sommige uitgaven tellen niet mee voor het EMU-saldo (zie tabel 6.2) en voor sommige posten telt een ander bedrag mee voor het EMU-saldo dan in de Rijksbegroting (op kasbasis) is opgenomen (zie tabel 6.3).

 

1

Belasting- en premieontvangsten

302.424

282.982

293.045

297558

313.269

322.261

333.101 Tabel 4.3.1

2

Totale netto-uitgaven

307.521

367.849

365.699

365.406

374.486

382.999

393.169 Tabel 2.1

3

Af: niet EMU-saldo relevante uitgaven

  • 17.531
  • 33.602
  • 30.175
  • 37.988
  • 41.377
  • 42.930
  • 44.644 Tabel 6.2

4

Bij: Kas-transverschillen en overige posten

3.224

  • 3.748
  • 1.047
  • 329
  • 786
  • 783
  • 538 Tabel 6.3

5

Bij: EMU-saldo decentrale overheden

  • 1.621
  • 1.316
  • 1.371
  • 1.404
  • 1.456
  • 1.489
  • 1.532 Tabel 6.7

6

EMU-saldo collectieve sector (1-2-3+4+5)

14.037

  • 56.329
  • 44.897
  • 31.593
  • 22.082
  • 20.080
  • 17.493

Tabel 6.1 EMU-saldo

             

(in miljoenen euro, + is overschot)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025 bron

De uitgaven die wel op de Rijksbegroting staan, maar die niet meetellen voor het EMU-saldo staan vermeld in tabel 6.2. Wat er wel en niet meetelt voor het EMU-saldo is vastgesteld door Eurostat. Financiële transacties, zoals het verstrekken van (studie)leningen of het verkopen van staatsbezit, zijn meestal ook niet relevant voor het EMU-saldo. Ook de rente ontvangen op renteswaps en uit de verkoop ervan tellen niet mee. De rijksbijdrage en rente van het Rijk aan de sociale fondsen zijn niet relevant, omdat die een transactie vormen tussen twee onderdelen van de collectieve sector: de uitgave van het Rijk is een ontvangst voor de sociale fondsen. Ook de post kasbeheer is een transactie binnen de collectieve sector, deze bestaat uit de toe- of afname van het geld dat de deelnemers aan het schatkistbank-ieren bij het Rijk aanhouden.

Tabel 6.2 Uitgaven niet-relevant voor het EMU-saldo

 

(in miljoenen euro, + is uitgave)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Rente-ontvangsten swaps

  • 1.095
  • 1.109
  • 1.411
  • 1.446
  • 1.020
  • 670
  • 576

Opbrengst beëindigen renteswaps

1

0

0

0

0

0

0

Studieleningen

1.749

1.962

2.145

2.293

2.311

2.283

3.365

Netto-verkoop staatsbezit

335

2.081

718

415

320

231

  • 254

Diverse leningen

98

301

  • 135
  • 161
  • 157
  • 150
  • 150

Rijksbijdragen aan de sociale fondsen

25.836

32.449

36.508

39.714

41.403

43.312

45.533

Rente sociale fondsen

0

0

0

0

0

0

0

Kasbeheer

  • 9.448
  • 2.186
  • 7.550
  • 2.873
  • 1.524
  • 2.124
  • 2.218

Overig

56

105

  • 100

46

45

47

  • 1.055

Totaal

17.531

33.602

30.175

37.988

41.377

42.930

44.644

Tabel 6.3 geeft de posten weer die wel meetellen voor het EMU-saldo, maar die niet, of niet op dezelfde manier in de Rijksbegroting staan. Voor een deel ervan geldt dat voor het EMU-saldo wordt gerekend met de uitgaven en ontvangsten op transactiebasis, terwijl de Rijkbegroting op kasbasis wordt opgesteld. Om tot het EMU-saldo te komen moet daarom bovenop de uitgave of ontvangst op kasbasis ook nog een kas-transverschil worden meegeteld. Daarnaast is er een aantal posten die niet op de Rijkbegroting staan, zoals bijvoorbeeld het positieve of negatieve saldo van agentschappen en de kosten van zorgverzekeraars.

 

Tabel 6.3 Kas-transverschillen en overige posten

(in miljoenen euro, + is EMU-saldoverbe-terend)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

KTV gasbaten

72

  • 164

0

0

0

0

0

KTV EU-afdrachten

289

0

0

0

0

0

0

KTV LIV/LKV

  • 13

0

0

0

0

0

0

KTV OV-jaarkaart

31

  • 75
  • 825

0

0

0

0

KTV Defensie

138

0

0

0

0

0

0

Overige kas-transverschillen

203

  • 3.828

1.284

40

264

388

261

Mutatie begrotingsreserves

1.610

642

  • 539

50

  • 400
  • 350

50

EMU-saldo agentschappen en rest centrale overheid

613

0

0

0

0

0

0

Overig

1.469

332

504

344

181

0

0

Subtotaal Rijk

4.411

  • 3.093

424

433

45

38

311

Eigen risico dragers WGA/ZW

313

336

356

378

404

429

447

Zorgbemiddelingskosten

  • 1.429
  • 991
  • 1.827
  • 1.141
  • 1.235
  • 1.249
  • 1.296

Overig

  • 71

0

0

0

0

0

0

Subtotaal sociale fondsen

  • 1.187
  • 655
  • 1.471
  • 763
  • 831
  • 821
  • 849

Totaal

3.224

  • 3.748
  • 1.047
  • 329
  • 786
  • 783
  • 538
 

Tabel 6.4 geeft de verdeling van het EMU-saldo over de verschillende onderdelen van de collectieve sector. In tabel 6.5 tot en met tabel 6.7 wordt

 

het EMU-saldo per sector verder toegelicht.

   

Tabel 6.4 Opbouw EMU-saldo collectieve sector

(in miljoenen euro, - is tekort)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

EMU-saldo Rijk

8.949

  • 60.319
  • 48.208
  • 31.813
  • 22.443    -

20.864

  • 18.100

EMU-saldo sociale fondsen

6.709

5.306

4.681

1.625

1.817

2.274

2.138

EMU-saldo decentrale overheden

  • 1.621
  • 1.316
  • 1.371
  • 1.404
  • 1.456
  • 1.489
  • 1.532

EMU-saldo collectieve sector

14.037

  • 56.329
  • 44.897
  • 31.593
  • 22.082 -

20.080

  • 17.493

EMU-saldo collectieve sector (in procenten bbp)

1,7

  • 7,2
  • 5,5
  • 3,7
  • 2,5
  • 2,2
  • 1,9
 

Tabel 6.5 EMU-saldo Rijk

(in miljoenen euro, - is uitgave / tekort)

2019

2020

2021

2022

2023    2024

2025 bron

Belastingontvangsten

194.695

176.209

183.889

189.758

202.814    208.778

216.354

Tabel 4.3.1

Netto begrotingsgefinancierde uitgaven

  • 181.852
  • 234.588
  • 226.188
  • 220.279    -

225.276    - 229.298

  • 233.877

Tabel 2.1

Af: niet EMU-saldo relevante uitgaven

17.531

33.602

30.175

37.988

41.377    42.930

44.644

Tabel 6.2

Betaalde rijksbijdrage en rente aan sociale fondsen    - 25.836

  • 32.449
  • 36.508
  • 39.714
  • 41.403    - 43.312
  • 45.533

Tabel 6.2

Kas-transverschillen en overige posten Rijk

4.411

  • 3.093

424

433

45    38

311

Tabel 6.3

EMU-saldo Rijk (centrale overheid )

8.949

  • 60.319
  • 48.208
  • 31.813
  • 22.443    - 20.864
  • 18.100
 

Tabel 6.6 EMU-saldo sociale fondsen

 

(in miljoenen euro, - is uitgave / tekort)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025 bron

Premie-ontvangsten

107.729

106.773

109.156

107.800

110.455

113.483

116.747

Tabel 4.3.1

Ontvangen rijksbijdragen en rente

25.836

32.449

36.508

39.714

41.403

43.312

45.533

Tabel 6.2

P remiegefinancierde uitgaven

  • 125.669
  • 133.261
  • 139.511
  • 145.127
  • 149.210
  • 153.701
  • 159.292

Tabel 2.1

Eigen risico dragers

WGA/ZW

313

336

356

378

404

429

447

Tabel 6.3

Zorgbemiddelingskosten

  • 1.429
  • 991
  • 1.827
  • 1.141
  • 1.235
  • 1.249
  • 1.296

Tabel 6.3

Overige uitgaven

  • 71

0

0

0

0

0

0

Tabel 6.3

EMU-saldo sociale fondsen

6.709

5.306

4.681

1.625

1.817

2.274

2.138

 
 

Tabel 6.7 EMU-saldo decentrale overheden

(in miljoenen euro, - is uitgave / tekort)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Belastinginkomsten

 

10.546

10.776

11.468

11.903

12.193

12.535

12.883

Rijksbijdragen

 

78.000

83.265

83.822

85.712

87.207

89.153

91.654

Overige inkomsten

 

14.529

15.222

15.254

15.250

15.277

15.207

15.056

Uitgaven decentrale overheden

 
  • 104.696
  • 110.579
  • 111.915
  • 114.270
  • 116.134
  • 118.384
  • 121.124

EMU-saldo decentrale overheden

 
  • 1.621
  • 1.316
  • 1.371
  • 1.404
  • 1.456
  • 1.489
  • 1.532

Het overheidssaldo komt in 2021 naar verwachting uit op een tekort van 5,5 procent van het bbp. Tabel 6.8 bevat de toelichting op dit cijfer.

 

Tabel 6.8 Horizontale toelichting EMU-saldo

(- is een verslechtering)

Miljarden euro

Procenten bbp

EMU-saldo 2020

  • 56,3
  • 7,2%

Noemereffect

 

0,3%

Uitgaven aan Rijksbegroting

1,5

0,2%

Uitgaven aan Sociale Zekerheid

7,7

0,9%

Uitgaven aan Zorg

  • 1,8
  • 0,2%

Niet plafondrelevante uitgaven

  • 8,5
  • 1,0%

Inkomsten

10,1

1,2%

Kastransverschillen

3,4

0,4%

Overig

  • 0,9
  • 0,1%

EMU-saldo 2021

  • 44,9
  • 5,5%

Het saldo voor zowel 2020 als 2021 is naar beneden bijgesteld. Dit wordt zichtbaar wanneer de verandering van het saldo niet van jaar op jaar (horizontaal) wordt bekeken, maar als ontwikkeling sinds vorige Miljoenennota (verticaal). Deze verticale ontwikkeling is weergeven in tabel 6.9.

 

Tabel 6.9 Verticale toelichting EMU-saldo

(in procenten bbp, - is een verslechtering)

2020

2021

 

2022

2023

2024

2025

EMU-saldo Miljoenennota 2020

0,2%

  • 0,3%
 
  • 0,4%
  • 0,6%
  • 0,7%
 

Noemereffect

0,0%

  • 0,0%
 
  • 0,0%
  • 0,0%
  • 0,0%
 

Belasting- en premie-inkomsten

  • 2,9%
  • 2,2%
 
  • 2,5%
  • 1,8%
  • 1,8%
 

Loon- en prijsbijstelling

  • 0,1%

0,1%

 

0,3%

0,5%

0,6%

 

Niet-beleidsmatige mutatie WW en bijstand

  • 0,1%
  • 0,4%
 
  • 0,4%
  • 0,3%
  • 0,1%
 

Noodmaatregelen corona (uitgaven)

  • 3,9%
  • 1,5%
 
  • 0,1%
  • 0,0%
  • 0,0%
 

Overige plafondrelevante uitgaven

0,0%

0,0%

 
  • 0,3%

0,0%

0,3%

 

Aardgasbaten

  • 0,1%
  • 0,1%
 

0,0%

0,0%

0,0%

 

Mutatie reserver duurzame energie

0,1%

0,0%

 

0,0%

0,0%

0,0%

 

Nationaal Groeifonds

0,0%

  • 0,1%
 
  • 0,2%
  • 0,3%
  • 0,4%
 

Overig

  • 0,5%
  • 0,9%
 

0,0%

0,0%

0,0%

 

EMU-saldo Miljoenennota 2021

  • 7,2%
  • 5,5%
 
  • 3,7%
  • 2,5%
  • 2,2%
  • 1,9%
   

Tabel 6.10 bevat een overzicht van de gerealiseerde EMU-saldi vanaf 2005 en de verwachte EMU-saldi tot en met het jaar 2025, uitgedrukt in

   

zowel miljarden euro als in procenten van het bbp.

 

Tabel 6.10 Historisch overzicht EMU-saldo

(in miljarden euro, - is tekort)

 

2005

2006

2007

2008

2009    2010    2011

EMU-saldo

 
  • 2,2

0,6

  • 0,6

1,3

  • 31,8    - 33,5    - 28,8

BBP

 

551

585

619

647

625    639    650

EMU-saldo (in procenten bbp)

 
  • 0,4

0,1

  • 0,1

0,2

  • 5,1    - 5,2    - 4,4
   

2012

2013

2014

2015

2016    2017    2018

EMU-saldo

 
  • 25,6
  • 19,3
  • 14,5
  • 14,0

0,1    9,3    10,6

BBP

 

653

660

672

690

708    738    774

EMU-saldo (in procenten bbp)

 
  • 3,9
  • 2,9
  • 2,2
  • 2,0

0,0    1,3    1,4

   

2019

2020

2021

2022

2023    2024    2025

EMU-saldo

 

13,9

  • 56,3
  • 44,9
  • 31,6
  • 22,1    - 20,1    - 17,5

BBP

 

810

783

822

849

874    899    924

EMU-saldo (in procenten bbp)

 

1,7

  • 7,2
  • 5,5
  • 3,7
  • 2,5    - 2,2    - 1,9

7 EMU-SCHULD

Tabel 71 geeft het financieringssaldo van het Rijk. Het financieringssaldo is het bedrag dat het Rijk op kasbasis in een jaar tekort komt of over heeft. Het financieringssaldo is daarmee dus ook het bedrag dat in een jaar extra moet worden geleend of, bij een overschot, waarmee schulden kunnen worden afgelost. Waar het EMU-saldo een begrip op transactiebasis is, is het financieringssaldo op kasbasis. Dat betekent dat naast de belastingontvangsten en de uitgaven op de begrotingen er nog een aantal correcties moet worden toegepast. Ten eerste zijn de belastingen zoals die meetellen voor het EMU-saldo berekend op transactiebasis. Om tot de belastingen op kasbasis te komen moet het kas-transverschil hier dus vanaf worden getrokken. Hetzelfde geldt voor posten op de rijksbegroting die niet op kasbasis zijn. Allereerst is dat de rente op de staatsschuld: deze staan in de rijksbegroting op transactiebasis, terwijl voor het financieringssaldo alleen de kasuitgaven meetellen. Daarnaast wordt geld storten in (of opnemen uit) een begrotingsreserve op de begroting gezet als uitgave of ontvangst, terwijl het geld niet daadwerkelijk de schatkist verlaat of binnenkomt.

 

Tabel 7.1 Financieringssaldo Rijksoverheid

(in miljoenen euro, - is kasuitgave / kastekort)

2019

2020

2021

2022

2023

2024    2025

Belastinginkomsten (kasbasis)

193.216

167.943

189.488

191.754

202.126

208.160    215.571

Netto begrotingsgefinancierde uitgaven

  • 181.852    -

234.588

  • 226.188
  • 220.279
  • 225.276
  • 229.298    - 233.877

Af: kas-transverschil rentelasten

  • 871
  • 880
  • 910
  • 760
  • 1.490
  • 730    - 610

Mutatie begrotingsreserves

1.610

642

  • 539

50

  • 400
  • 350    50

Mutatie derdenrekeningen

435

0

0

0

0

00

Overbruggingskrediet Fortis/ABN Amro

0

100

250

0

0

00

Financieringssaldo Rijksoverheid

12.537

  • 66.783
  • 37.899
  • 29.235
  • 25.040
  • 22.218    - 18.865
 

Het financieringssaldo werkt één op één door in de staatsschuld. Voor een financieringstekort moet immers geleend worden, terwijl een overschot gebruikt kan worden om schulden af te lossen. Tabel 72 geeft de opbouw van de EMU-schuld weer. De EMU-schuld betreft de hele collectieve sector, dus ook het tekort van decentrale overheden en agentschappen heeft

 

invloed op de EMU-schuld.

     

Tabel 7.2 Opbouw EMU-schuld collectieve sector

(in miljoenen euro, - kasover-    2019

schot)

2020

2021

2022

2023

2024

2025 bron

EMU-schuld begin jaar    405.504

394.630

462.729

501.999

532.638

559.133

582.840

Financieringssaldo    - 12.537

Rijksoverheid

66.783

37.899

29.235

25.040

22.218

18.865 Tabel 7.1

EMU-saldo decentrale    1.621

overheden

1.316

1.371

1.404

1.456

1.489

1.532 Tabel 6.4

EMU-saldo rest centrale    - 237

overheid

0

0

0

0

0

0

Schatkistbankieren    - 900

decentrale overheden

0

0

0

0

0

0

Overig    1.179

0

0

0

0

0

0

EMU-schuld einde jaar    394.630

462.729

501.999

532.638

559.133

582.840

603.237

EMU-schuldquote (in    48,6

procenten bbp)

59,1

61,1

62,7

64,0

64,9

65,3

Tabel 73 bevat de ontwikkeling van de EMU-schuldquote (de EMU-schuld in verhouding tot het bbp). Behalve het begrotingstekort of -overschot heeft ook de ontwikkeling van het bbp zelf invloed op de schuldquote, dit is weergegeven als het noemereffect.

Tabel 7.3 Opbouw EMU-schuldquote

 

(in procenten bbp)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

EMU-schuldquote begin jaar

52,4

48,6

59,1

61,1

62,7

64,0

64,9

Noemereffect bbp

  • 2,5

1,8

  • 2,8
  • 2,0
  • 1,8
  • 1,7
  • 1,8

Financieringssaldo Rijksoverheid

  • 1,5

8,5

4,6

3,4

2,9

2,5

2,0

EMU-saldo decentrale overheden

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

EMU-saldo rest centrale overheid

  • 0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Schatkistbankieren decentrale overheden

  • 0,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Overig

0,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

EMU-schuldquote einde jaar

48,6

59,1

61,1

62,7

64,0

64,9

65,3

De EMU-schuld komt in 2021 naar verwachting uit op 60,1 procent van het bbp. Voor de toename van de schuld zijn verschillende oorzaken, die in tabel 74 verder zijn uitgesplitst.

 

Tabel 7.4 Horizontale toelichting EMU-schuld

(+ is toename schuld)

Miljarden euro

Procenten bbp

EMU-schuld ultimo 2020

462,7

59,1%

Noemereffect

 
  • 2,8%

EMU-saldo

44,9

5,5%

Renteontvangsten derivaten

  • 1,4
  • 0,2%

Schatkistbankieren

  • 2,9
  • 0,3%

Aan- en verkoop staatsdeelnemeingen

0,7

0,1%

Studieleningen

2,1

0,3%

Kastransverschil belastingen

  • 8,3
  • 1,0%

Overige kastransverschillen

4,0

0,5%

Overige financiële transacties

0,0

0,0%

EMU-schuld ultimo 2021

502,0

61,1%

De schuld is, sinds de Miljoenennota 2020 bijgesteld. De verwachte schuld ultimo 2020 is gestegen naar 59,3 procent van het bbp. De schuldver-wachting ultimo 2021 is 60,1 procent bbp.

 

Tabel 7.5 Verticale toelichting EMU-schuld

(in procenten bbp)

2020

2021

2022

2023

 

2024

2025

EMU-schuld Miljoenennota

2020

47,7%

46,9%

46,4%

46,2%

 

46,0%

 

Noemereffect

3,1%

2,0%

1,7%

1,7%

 

1,7%

 

Doorwerking lagere schuld t-1

  • 0,3%

8,0%

11,8%

14,2%

 

15,7%

 

EMU-saldo

7,4%

5,1%

3,3%

1,9%

 

1,5%

 

Renteontvangsten en vroegtijdige beëindiging derivaten

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

 

0,0%

 

Aan- en verkoop staatsdeelnemingen

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

 

0,0%

 

Coronagerelateerde leningen

0,2%

0,0%

0,0%

0,0%

 

0,0%

 

Kastransverschil belastingen

1,1%

  • 0,7%
  • 0,2%

0,1%

 

0,1%

 

Kastransactieverschillen

  • 0,5%

0,1%

0,0%

0,0%

 

0,0%

 

Overige financiële transacties

0,5%

  • 0,4%
  • 0,1%

0,0%

 
  • 0,1%
 

EMU-schuld Miljoenennota

2021

59,1%

61,1%

62,7%

64,0%

 

64,9%

65,3%

 

Tabel 76 bevat een overzicht van de gerealiseerde EMU-schuld vanaf 2005

 

en de verwachte EMU-schuld tot en met het jaar 2025, zowel miljarden euro als in procenten van het bbp.

uitgedrukt in

 

Tabel 7.6 Historisch overzicht EMU-schuld

(in miljarden euro)

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

EMU-schuld

274

264

266

354

355

379

401

BBP

551

585

619

647

625

639

650

EMU-schuld (in procenten bbp)

49,8

45,2

43,0

54,7

56,8

59,3

61,7

 

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

EMU-schuld

433

447

456

446

439

420

406

BBP

653

660

672

690

708

738

774

EMU-schuld (in procenten bbp)

66,3

67,7

67,9

64,7

61,9

56,9

52,4

 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

EMU-schuld

395

463

502

533

559

583

603

BBP

810

783

822

849

874

899

924

EMU-schuld (in procenten bbp)

48,7

59,1

61,1

62,7

64,0

64,9

65,3

8 OVERHEIDSBALANS

Inleiding

Nederland kent een lange traditie van het in kaart brengen van het vermogen van de Staat. Kort na de Tweede Wereldoorlog begon minister van financiën Lieftinck met het samenstellen van de balans van de (rechtspersoon) Staat der Nederlanden. De directe aanleiding was de wens om inzicht te krijgen in hoe de Staat er financieel voor stond na de Tweede Wereldoorlog. Deze staatsbalans presenteerde voor de meeste jaren een negatief vermogen. De staatsbalans gaf namelijk een onvolledig beeld van de positie van de overheid.

In 2013 besloot het kabinet om over te stappen van de publicatie van een staatsbalans naar de publicatie van een overheidsbalans. Aan deze overstap lagen meerdere overwegingen ten grondslag. Een belangrijke overweging was om aan te sluiten bij de reikwijdte van het EMU-saldo en de EMU-schuld. De reikwijdte van saldo en schuld is de gehele overheid (genera! government) en omvat naast het Rijk ook de sociale fondsen, de lokale overheden en overheidsinstellingen. Daarmee laat de overheidsbalans een vollediger beeld zien van de financiële positie van de (rijks)overheid. Immers, de rijksoverheid gaat ook schulden aan, waarbij de bezittingen die daaruit voortvloeien voor een groot gedeelte elders in de collectieve sector neerslaan. Dit kan bijvoorbeeld bij decentrale overheden, zelfstandige bestuursorganen of scholen zijn.

Wat is een overheidsbalans?

De onderstaande overheidsbalans geeft inzicht in het totaal van bezittingen, schulden en het vermogen van de centrale overheid, decentrale overheden en de sociale-verzekeringsinstellingen als geheel. De activa (bezittingen) bestaan uit financiële activa, zoals uitgezette leningen, en niet-financiële activa, zoals wegen en gebouwen. De passivazijde van de balans bestaat uit de schulden en het vermogen van de overheid.

De overheidsbalans is een momentopname van het netto-vermogen van de overheid op een specifieke datum. Het netto-vermogen is het saldo van de bezittingen en schulden van de overheid. Voorwaardelijke verplichtingen en rechten maken geen onderdeel uit van de balans. Daarmee ontbreken dus toekomstige belastingopbrengsten en AOW-verplichtingen op de overheidsbalans. De houdbaarheidsstudies van het CPB houden daarentegen wel rekening met dergelijke toekomstige posten. Bij deze studies maakt het CPB gebruik van een aantal posten van de overheids-balans.

Overheidsbalans 2016-2019

Tabel 4 omvat de overheidsbalans van de jaren 2016 tot en met 2019. Het vermogen van de overheid is het saldo van activa en schulden. Bij een positief vermogen zijn de bezittingen groter dan de schulden. Voor de gehele periode 2016-2019 neemt het vermogensoverschot jaarlijks toe. Het vermogen bedraagt ultimo 2019 een positief bedrag van 246 miljard euro. Dit is een toename met ruim 20 miljard euro ten opzichte van 2018. Na de tabel volgt een korte toelichting op de verschillende posten op de overheids-balans.

Tabel 3 Overheidsbalans 2016-2019

 

Bedragen in miljoenen euro's

2016

2017

2018

2019

Activa

731 981

719 426

735.907

752.236

Niet-financiële activa

482 316

473 564

490.180

494.346

Vaste activa

408 604

418 318

432.344

446.615

Voorraden

2 016

2 108

2.016

2.067

Olie- en gasreserves

38 244

17 546

18.652

7.705

Grond

33 452

35 592

37.168

37.959

Financiële activa

249 665

245 862

245.727

257.890

Aandelen en overige deelnemingen

100 904

99 670

100.229

109.635

Leningen

56 480

57 528

59.048

60.192

Handelskredieten en transitorische posten

56 235

54 997

56.286

55.772

Schuldbewijzen

8 184

7 335

8.432

7.228

Chartaal geld en deposito's

12 311

14 577

13.915

16.086

Financiële derivaten

15 551

11 755

7.817

8.977

Passiva

731 981

719 426

735.907

752.236

Financiële passiva

549 908

523 111

511.063

506.063

Schuldbewijzen

405 214

386 405

377.588

373.110

Leningen

92 875

85 478

80.601

82.471

Handelskredieten en transitorische posten

47 916

49 252

51.264

48.791

Deposito's

3 901

1 974

1.608

1.689

Vermogenssaldo

182 073

196 315

224.844

246.173

Bron: Centraal Bureau voor Statistiek (2020)

Toelichting posten overheidsbalans

In de Miljoenennota van 202013 is een uitgebreide toelichting op de overheidsbalans gepubliceerd. Daarin worden het belang van de overheidsbalans en de methodiek nader toegelicht, en is bij wijze van een eenmalige pilot tevens een staatsbalans opgenomen. Hieronder volgt een korte toelichting op de activa en de passiva van de overheidsbalans.

Activa (bezittingen)

De activa zijn onder te verdelen in niet-financiële activa en financiële activa. De niet-financiële activa omvatten onder meer gebouwen, grond en minerale reserves. De financiële activa bestaan uit alle financiële bezittingen van de overheid, zoals aandelen in ondernemingen en leningen aan financiële instellingen.

De niet-financiële activa zijn met circa 4 miljard euro in waarde toegenomen. Onderliggend nam de waarde van de vaste activa met circa 14 miljard euro toe en nam de waarde van de olie- en gasreserves met circa 10 miljard euro af. Deze daling hangt met name samen met het besluit om de gaswinning is Groningen in stappen af te bouwen. De waarde van grond is in 2019 opnieuw in waarde toegenomen, maar de stijging is beperkter dan in voorgaande jaren.

De financiële activa zijn met circa 12 miljard euro toegenomen. Deze toename is met 9 miljard euro geconcentreerd bij niet-beursgenoteerde ondernemingen. Hier ligt voornamelijk een stijging van de waarde van de deelneming in DNB aan ten grondslag.

Passiva (schulden)

De passiva bevatten de schulden van de overheid die in het verleden zijn opgebouwd. De overheid gaat deze schulden onder meer aan ter financiering van tekorten.

Tussen 2016 en 2019 zijn de verschillende soorten financiële passiva in waarde afgenomen, waarbij enkel de leningen en deposito's tussen 2018 en 2019 zijn gestegen. De afname in 2019 is met 5 miljard euro kleiner dan het EMU-overschot, voornamelijk vanwege prijsmutaties op schuldpapier. Ook zijn de uitgezette leningen in 2019 met 1,1 miljard euro toegenomen.

9 FISCALE REGELINGEN

9.1 Inleiding

Deze bijlage geeft een overzicht van het budgettaire belang van fiscale regelingen die de belastingopbrengst verminderen.14 Het betreft verschillende soorten regelingen, zoals aftrekposten, vrijstellingen, heffingskortingen en verlaagde tarieven.

Het monitoren van fiscale regelingen is van belang voor transparante Rijksfinanciën. De regelingen kosten immers geld in de vorm van lagere belastingontvangsten. In de hieronder gepresenteerde tabellen wordt inzichtelijk wat de omvang van de verschillende regelingen is en hoe deze zich ontwikkelt. Ook het evalueren van fiscale regelingen is essentieel om het beleid te kunnen verbeteren. Deze bijlage besteedt aandacht aan de evaluaties die afgelopen jaar zijn uitgevoerd en de evaluaties die gepland staan voor komende jaren. Dit jaar is het budgettaire belang van de vrijstelling in box 3 voor nettopensioen en nettolijfrente, de vrijstelling overdrachtsbelasting voor starters, de liquidatieverliesregeling in de vpb en de BPM-vrijstelling voor bestelauto's van ondernemers toegevoegd aan het overzicht. De regeling accijnsvrijstellingen voor diplomaten is in kwalitatieve zin toegevoegd.

De bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen» geeft een beschrijving van iedere regeling, de doelstelling, het ministerie dat verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waarop de regeling betrekking heeft, een verwijzing naar de meest recente evaluatie, het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie en de ramingsgrond. In die bijlage staat ook een tabel met de uitsplitsing van de ontwikkeling van het budgettaire belang tussen 2017 en 2021 en de bijstelling ten opzichte van de benchmark. De benchmark is de raming voor het basisjaar 2017 ten tijde van de start van dit kabinet en is de basis voor de beoordeling van de budgettaire ontwikkeling van de regelingen. Enkele fiscale regelingen die verplicht zijn op basis van Europese wet- en regelgeving of een budgettair belang van minder dan € 5 miljoen hebben, worden niet in deze bijlage vermeld, maar worden wel benoemd in de toelichtende bijlage.

In de volgende paragraaf worden de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van fiscale regelingen samengevat. Het budgettaire overzicht is opgenomen in paragraaf 9.3. De twee daaropvolgende paragrafen maken inzichtelijk welke factoren bijdragen aan opvallende ontwikkelingen in het budgettaire belang. Paragraaf 9.4 gaat in op de budgettaire effecten van de beleidsmaatregelen die in het pakket Belastingplan 2021 worden aange-kondigd en andere maatregelen die zijn genomen sinds de vorige Miljoenennota. Paragraaf 9.5 presenteert de benchmarktoets en gaat in op de belangrijkste endogene ontwikkelingen en (technische) bijstellingen van het budgettaire belang. Tot slot schenkt paragraaf 9.6 aandacht aan de evaluaties in het fiscale domein die sinds de Miljoenennota 2020 zijn afgerond en de evaluaties die gepland staan voor de periode 2020-2023.

9.2 Samenvatting

Over het algemeen is sprake van een beheerste groei van de budgettaire omvang van fiscale regelingen tussen 2016 en 2021. Dit jaar zijn van veel regelingen (met name in de inkomstenbelasting) realisatiecijfers bekend voor 2018 op basis van aangiftegegevens. Slechts bij enkele regelingen is er naar verwachting tussen 2017 en 2021 een sterke endogene (niet-beleids-matige) ontwikkeling van het belang. Dit betreft met name de regelingen voor nulemissievoertuigen, de middelingsregeling, de verminderingen in de verhuurderheffing, en de salderingsregeling voor zonnepanelen in de energiebelasting.

Enkele beleidsmaatregelen op het terrein van de fiscale regelingen met een substantieel budgettair effect zijn de afschaffing (met overgangsrecht) per 2021 van het verlaagd energiebelastingtarief voor lokaal opgewekte duurzame energie (de postcoderoosregeling), de verdere versobering van de innovatiebox en de zelfstandigenaftrek, de verhoging van het heffingsvrij vermogen in box 3 en de introductie van een vrijstelling in de overdrachtsbelasting voor starters die een woning kopen.

Tot slot is afgelopen jaar een doorlichting van de evaluaties van fiscale regelingen tussen 2010 en 2018 naar de Kamer gestuurd, in het kader van de Operatie Inzicht in Kwaliteit. De conclusie hieruit is dat in de toekomst meer strategisch een evaluatieagenda zal worden gehanteerd waarbij de evaluatiecapaciteit gericht wordt ingezet voor grondige evaluaties van bepaalde fiscale regelingen en andere onderzoeken die voorzien in de bestaande kennisbehoefte.

Het coronavirus heeft effect op het budgettaire belang van een aantal fiscale regelingen, dat (vaak tijdelijk) sterk afneemt. Dit geldt met name bij fiscale regelingen die betrekking hebben op consumptie in bepaalde sectoren, zoals bij de btw en de BPM. Binnen het verlaagde tarief van de btw wordt vooral de logiesverstrekking en personenvervoer (Verlaagd tarief overig) en de evenementenbranche (Verlaagd tarief culturele goederen en diensten) geraakt. Corona heeft tevens grote impact op ondernemersregelingen, zoals de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Daarnaast kan gedacht worden aan de 30%-regeling, omdat minder expats naar Nederland komen. In het algemeen geldt dat bij de ramingen is uitgegaan van een gedeeltelijk herstel van de economie in 2021, in lijn met de vooruitzichten van het CPB.

9.3 Overzicht van het budgettaire belang van fiscale regelingen

Tabel 9.3.1 geeft inzicht in het budgettaire belang van fiscale regelingen van 2016 tot en met 2021. De laatste kolom geeft de gemiddelde jaarlijkse procentuele groei weer tussen 2016 en 2021. De groei kan zowel het gevolg zijn van beleidsmaatregelen als van endogene ontwikkelingen. Endogene ontwikkelingen zijn de ontwikkelingen die niet het directe gevolg zijn van beleidsmaatregelen, maar van andere factoren die het gebruik van een regeling beïnvloeden, zoals de economische ontwikkeling.

Tabel 9.3.1 Fiscale regelingen 2016-2021, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1

 
 

2016

2017

2018

2019

2020

Gemiddeld % 2021 groei '16-'212

Persoonsgebonden aftrek

Aftrek voor scholingsuitgaven (studiekosten)

217

233

246

248

253

262

3,9%

Giftenaftrek inkomstenbelasting

357

421

445

440

435

439

4,2%

2016

2017

2018

2019

2020

Gemiddeld % 2021 groei '16-'212

 

Aftrek specifieke zorgkosten

266

274

283

266

261

257

  • - 
    0,7%

Aftrek uitgaven monumentenpanden

66

75

87

-

-

-

n.v.t.

Onderhoudsverplichtingen aftrek

320

322

308

294

268

252

  • 4,7%

Belaste ontvangen alimentatie

Inkomensvoorzieningen

  • 199
  • 201
  • 193
  • - 
    184
  • - 
    180
  • - 
    179
  • 2,1%

Pensioen niet-belaste premie

17.270

17.743

18.227

19.116

19.554

20.307

3,3%

Pensioen belaste uitkering

  • - 
    11.988
  • - 
    12.453
  • - 
    12.878
  • - 
    12.485
  • - 
    12.665
  • - 
    12.673

1,1%

Pensioen vrijstelling box 3

7.124

7.209

7.122

7.232

7.434

7.803

1,8%

Lijfrente premieaftrek

503

549

571

600

611

634

4,8%

Lijfrente belaste uitkering

  • 361
  • - 
    395
  • 413
  • - 
    401
  • - 
    406
  • - 
    407

2,4%

Lijfrente vrijstelling box 3

214

229

229

232

239

250

3,2%

Nettopensioen en nettolijfrente

2

4

5

6

6

8

27,3%

FOR aftrek

168

190

195

197

202

211

4,7%

FOR belaste afneming

  • 101
  • 112
  • - 
    115
  • - 
    114
  • - 
    115
  • - 
    118

3,2%

Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek

510

525

507

518

518

523

0,5%

Arbeidsongeschiktheidsverzekering belaste uitkering

  • - 
    400
  • - 
    402
  • - 
    385
  • - 
    383
  • - 
    388
  • - 
    391
  • 0,5%

Reisaftrek OV

8

9

9

8

4

7

  • 3,5%

Middelingsregeling3

(Eigen) woning

84

87

111

127

165

180

16,5%

Hypotheekrenteaftrek

12.544

11.770

10.838

10.023

9.278

8.752

  • 6,9%

Aftrek financieringskosten eigen woning

216

218

208

193

181

174

  • 4,2%

Aftrek periodieke betalingen erfpacht, opstal en beklemming

29

30

30

30

30

30

0,9%

Aftrek rente en kosten van geldleningen over restschuld vervreemde eigen woning

27

26

21

20

19

18

  • 8,2%

Eigenwoningforfait

  • 3.139
  • 3.346
  • 3.281
  • - 
    3.405
  • - 
    3.463
  • - 
    3.401

1,6%

Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

561

634

638

652

674

678

3,9%

Schenk- en erfbelasting Eenmalige vrijstelling eigen woning

37

188

188

188

188

188

38,4%

OVB Verlaagd tarief woning niet-starters4

2.062

2.454

2.737

2.715

2.738

1.899

  • 1,6%

OVB Vrijstelling woning starters

Verlaging lastendruk op inkomsten uit vermogen

-

-

-

-

-

1.552

n.v.t.

Vermindering verhuurderheffing3

16

47

76

177

264

421

92,3%

Kamerverhuurvrijstelling

11

11

11

10

10

10

  • 1,6%

Vrijstelling rechten op bepaalde kapitaalsuitkeringen, waaronder KEW, box 3

978

978

869

869

797

814

  • 3,6%

Vrijstelling rechten op kapitaalsuitkering bij overlijden box 3

24

25

23

24

24

25

0,7%

Vrijstelling groen beleggen box 3

46

45

40

45

44

50

1,6%

Heffingskorting groen beleggen box 3

28

27

27

29

30

31

2,1%

Heffingvrij vermogen box 3

1.580

1.182

935

916

853

1.256

  • 4,5%

Fiscale faciliteiten Natuurschoonwet

Verlaging lastendruk in de winstsfeer

35

37

37

37

37

37

1,2%

Zelfstandigenaftrek

1.652

1.769

1.869

1.888

1.758

1.657

0,1%

Extra zelfstandigenaftrek starters

95

99

107

108

103

102

1,5%

Meewerkaftrek

8

8

8

8

7

8

  • 0,7%

Stakingsaftrek

15

16

17

16

14

14

  • 1,0%

Aftrek speur- en ontwikkelingswerk

6

6

6

6

6

5

  • 2,0%

Willekeurige afschrijving starters

8

8

8

8

7

7

  • 2,2%

Doorschuiving stakingswinst

252

264

274

278

283

295

3,2%

Doorschuifregelingen inkomen uit aanmerkelijk belang box 2

100

102

104

106

114

119

3,5%

Mkb-winstvrijstelling

1.688

1.864

1.981

2.045

1.750

1.867

2,0%

Terbeschikkingstellingsvrijstelling

19

18

20

19

18

18

  • 1,4%

Innovatiebox

1.318

1.513

1.502

1.344

831

696

  • 12,0%

Liquidatieverliesregeling

513

585

599

613

627

624

4,0%

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

362

410

418

431

377

382

1,1%

Energie-investeringsaftrek (EIA)

144

135

160

127

147

149

0,7%

Milieu-investeringsaftrek (MIA)

108

114

139

126

124

114

1,1%

 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

groei '16-'212

VAMIL

20

27

19

20

25

25

4,6%

Tonnageregeling winst uit zeescheepvaart

120

120

120

119

117

115

  • 0,9%

Landbouwvrijstelling in de winstsfeer

1.293

974

877

789

682

614

  • 13,8%

Bosbouwvrijstelling

3

1

2

2

2

2

  • 4,2%

Vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer

7

7

8

8

11

10

8,0%

OVB Vrijstelling cultuurgrond

114

118

123

128

133

184

10,1%

OVB Vrijstelling bedrijfsoverdracht in familiesfeer

16

16

16

16

17

22

6,7%

Schenk- en erfbelasting Bedrijfsopvolgingsfaciliteit

487

449

459

459

459

459

  • 1,2%

Schenk- en erfbelasting Faciliteiten ANBI's

207

211

215

219

223

228

1,9%

Giftenaftrek vennootschapsbelasting

Loonbelasting

6

7

6

7

7

7

2,4%

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk WBSO

1.208

1.182

1.074

1.182

1.281

1.438

3,5%

Verlaagd gebruikelijk loon voor dga's van startups

-

25

23

23

21

21

  • 4,6%

30%-regeling

850

968

1.056

1.062

895

586

  • 7,2%

Afdrachtvermindering zeevaart

112

108

108

109

109

109

  • 0,5%

Vrijstelling uitkering wegens 25- of 40-jarig dienstverband

Heffingskortingen

115

119

122

122

124

128

2,0%

Algemene heffingskorting

19.704

19.389

19.583

21.400

23.329

24.240

4,2%

Arbeidskorting

17.276

18.564

19.170

18.943

20.845

23.012

5,9%

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

1.932

2.004

2.066

1.842

1.775

1.661

  • 3,0%

Jonggehandicaptenkorting

178

178

178

180

182

183

0,6%

Alleenstaande ouderenkorting

516

484

460

439

461

453

  • 2,6%

Ouderenkorting

Energiebelasting

2.756

3.008

3.286

3.761

3.912

4.117

8,4%

Verlaagd tarief glastuinbouw

125

127

116

114

126

126

0,0%

Teruggaaf kerkgebouwen en non-profit

25

29

30

34

36

34

6,3%

Teruggaaf energie-intensieve industrie

5

6

8

8

8

9

13,4%

Verlaagd tarief lokaal opgewekte duurzame energie

0

1

2

4

7

7

75,1%

Salderingsregeling

122

156

216

253

303

332

22,2%

Vrijstellingen voor energie-intensieve processen

44

87

91

101

120

140

26,0%

Belastingvermindering per aansluiting

Omzetbelasting

2.492

2.441

2.443

2.133

3.485

3.693

8,2%

Verlaagd tarief voedingsmiddelen en water

7.491

7.819

8.378

6.822

6.568

6.813

  • 1,9%

Verlaagd tarief geneesmiddelen en hulpmiddelen

1.532

1.554

1.678

1.397

1.537

1.506

  • 0,3%

Verlaagd tarief culturele goederen en diensten

978

1.017

1.217

984

719

870

  • 2,3%

Verlaagd tarief arbeidsintensieve diensten

923

964

997

849

807

847

  • 1,7%

Verlaagd tarief overig

1.918

2.055

2.182

1.821

1.275

1.657

  • 2,9%

Kleineondernemersregeling

152

159

177

194

206

219

7,6%

Auto

             

BPM Vrijstelling nulemissievoertuigen

3

4

10

23

14

19

48,8%

MRB Vrijstelling nulemissievoertuigen

8

12

19

39

78

103

67,2%

IB/LB Korting op de bijtelling voor nulemissieauto's

60

84

149

281

380

412

47,0%

IB/LB Korting op de bijtelling voor zuinige auto's (overgangsrecht)

723

510

374

88

-

-

n.v.t.

BPM Teruggaaf taxi's en openbaar vervoer

54

90

74

136

-

-

n.v.t.

MRB Vrijstelling taxi's en openbaar vervoer

46

48

50

53

53

55

3,6%

BPM Teruggaaf diverse voertuigen

15

13

15

14

10

11

  • 6,3%

MRB Vrijstelling diverse voertuigen

25

25

27

26

27

28

2,0%

BPM Vrijstelling bestelauto ondernemers

694

757

837

838

592

680

  • 0,4%

MRB Verlaagd tarief bestelauto ondernemers

801

826

873

924

959

993

4,4%

MRB Verlaagd tarief bestelauto gehandicapten

15

15

15

15

16

16

1,7%

MRB Vrijstelling motorrijtuigen ouder dan 40 jaar

51

58

64

69

74

78

8,9%

MRB Overgangsregeling motorrijtuigen vanaf bouwjaar 1988

22

19

17

15

13

12

  • 11,4%

MRB Kwarttarieven

133

141

152

161

143

127

  • 0,9%

MRB Halftarief plug-in hybride auto's

32

37

38

35

35

35

1,8%

 

2016

2017

2018

2019

2020

Gemiddeld % 2021 groei '16-'212

Assurantiebelasting

Vrijstelling Brede Weersverzekering

       

5

6    n.v.t.

1    [-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

2    Als de regeling nog niet bestond in 2016 of het budgettair belang van 2016 is niet bekend, is de gemiddelde jaarlijkse groei gegeven vanaf het jaar dat de regeling bestaat.

3    Budgettair belang middelingsregeling en vermindering verhuurderheffing is op kasbasis.

4    Tot en met 2020 ook starters

De interpretatie van de gepresenteerde cijfers vergt aandacht. De recht gedrukte cijfers zijn schattingen van het budgettaire belang die gebaseerd zijn op concreet bronmateriaal over het gebruik van een regeling. Meestal betreft dit realisatiecijfers die volgen uit de aangiftegegevens van de Belastingdienst. Deze cijfers geven in redelijke mate een definitieve inschatting van het budgettaire belang. De cursieve cijfers zijn ramingen. Hierbij is (nog) geen (volledige) informatie beschikbaar voor dat jaar en is op basis van trendramingen of aannames het budgettaire belang bepaald. Over de klein-schaligheidsinvesteringsaftrek zijn bijvoorbeeld tot en met 2017 aangiftegegevens beschikbaar, waarmee het budgettaire belang kan worden geschat - deze cijfers staan recht gedrukt. De groei van het gebruik van de regeling na 2017 wordt verondersteld gelijk te zijn aan de groei van de investeringen in vaste activa en op basis van deze aanname worden de ramingen voor de jaren vanaf 2018 gemaakt - deze cijfers staan cursief.

De informatiebasis, ook wel ramingsgrond, verschilt van post tot post en staat per regeling vermeld in de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen». In het ene uiterste volgt het budgettaire belang direct uit de aangiften (zoals de afdrachtverminderingen voor de loonbelasting), in het andere uiterste is er geen kwantitatieve informatie over het feitelijke gebruik, omdat het gebruik niet hoeft te worden aangegeven (zoals bijvoorbeeld de doorschuifregeling voor stakingswinst) en ook cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en andere gegevensbronnen weinig aanknopingspunten bieden voor een benadering van het budgettaire belang. Tussen deze twee uitersten zitten regelingen waarvan het budgettaire belang is berekend op basis van rekenregels, zoals bijvoorbeeld de aftrekposten in de inkomstenbelasting. De aftrekpost blijkt uit de belastingaangiften en het budgettaire belang wordt berekend door de belastingheffing met en zonder de aftrekpost met elkaar te vergelijken. Deze rekenregel impliceert dat voor elke aftrekpost wordt aangenomen dat die aftrekpost de laatste is. Doordat belastingplichtigen meerdere aftrekposten kunnen hebben, is met deze wijze van berekenen het budgettaire belang van de aftrekposten feitelijk niet optelbaar.15 Er wordt ook op gewezen dat het hier vermelde budgettaire belang niet hetzelfde is als de opbrengst in het geval dat een regeling wordt afgeschaft. Het budgettaire belang geldt voor het feitelijke gebruik en houdt geen rekening met gedragseffecten als de regeling zou worden afgeschaft. Ook kan bij afschaffing sprake zijn van samenhang met andere regelingen.

9.4 Beleidsmaatregelen

Tabel 9.4.1 bevat een overzicht van de beleidsmaatregelen die betrekking hebben op de hiervoor gepresenteerde fiscale regelingen, zoals besloten sinds de vorige Miljoenennota. Voor een inhoudelijke uitleg van de maatregelen wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij de betreffende wetsvoorstellen.

 

Tabel 9.4.1 Fiscale beleidsmaatregelen, budgettair belang op transactiebasis in vaste prijzen (x € miljoen)1

 

2021

2022

structureel

Pakket Belastingplan 2021

Differentiatie overdrachtsbelasting starters

460

475

628

Verhoging heffingvrij vermogen box 3

  • 107
  • 116
  • 124

Zelfstandigenaftrek

33

66

526

Verhogen effectief tarief innovatiebox naar 9%

146

146

146

WBSO

157

0

0

Algemene heffingskorting

  • 189
  • 189
  • 189

Arbeidskorting

  • 338

182

182

IACK

33

11

11

Ouderenkorting

  • 99
  • 99
  • 99

Vervangen postcoderoosregeling

2

5

20

Verlengen verlaagd tarief openbare laadpalen

  • 4
  • 5

0

Wet beperking liquidatie- en stakingsverliesregeling Aanpassen liquidatieverliesregeling

15

30

205

1 [+] = opbrengst, het budgettaire belang van de regeling neemt af; [-]

  • derving,

het budgettaire

belang van de

regeling neemt toe.

De differentiatie in de overdrachtsbelasting met betrekking tot starters behoeft nadere toelichting. Tot en met 2020 bestaat een onderscheid in het overdrachtsbelastingtarief tussen woningen (2%) en niet-woningen (6%). In 2021 worden drie wijzigingen doorgevoerd in de tariefstelling van de overdrachtsbelasting:

  • • 
    De toepassing van het verlaagde tarief wordt beperkt, waarbij het gebruik van de koper relevant wordt: het algemene tarief gaat gelden voor niet-woningen en woningen die door de koper niet als hoofdverblijf worden gebruikt ('beleggers') en 2% voor woningen die wel door de koper als hoofdverblijf wordt gebruikt. De effectieve verhoging van het tarief voor 'beleggers' levert € 400 miljoen op.
  • • 
    Een eenmalige vrijstelling wordt geïntroduceerd voor meerderjarigen die jonger zijn dan 35 jaar en de woning als hoofdverblijf gaan gebruiken ('starters'). Dit betekent effectief dat deze 'starters' 0% in plaats van 2% belasting gaan betalen. Dit kost € 388 miljoen.
  • • 
    Het algemene tarief wordt verhoogd van 6% naar 8%. Dit levert

€ 449 miljoen op, waarvan € 249 bij de bestaande groep die onder het algemene tarief valt en € 200 miljoen bij de groep 'beleggers', die vanaf 2021 ook onder dit tarief vallen.

Per saldo leveren de maatregelen € 460 miljoen op. Dit bedrag staat in tabel 9.4.1 hierboven en in de budgettaire tabel van het Belastingplan 2021.

Het overzicht van de fiscale regelingen in deze bijlage bevat de regeling voor het verlaagde overdrachtsbelastingtarief. Het budgettaire belang van deze regeling wijzigt op een aantal punten als gevolg van de maatregelen:

  • • 
    Door de toetsing op gebruik als hoofdverblijf, verdwijnen de 'beleggers' uit de grondslag van deze fiscale regeling. Hierdoor wordt het budgettaire belang van de fiscale regeling € 400 miljoen lager.
  • • 
    De 'starters' verdwijnen uit de grondslag van deze fiscale regeling (zie hierna). Hierdoor wordt het budgettaire belang van deze fiscale regeling € 776 miljoen lager. Dit bedrag is het dubbele van de kosten van het verlagen van het tarief voor starters naar 0% (€ 388 miljoen). Die maatregel gaat immers over een tariefsverschil van 2% (2%-0%), terwijl het budgettaire belang gaat over een tariefsverschil van 4% (6%-2%).
  • • 
    Het resterende budgettaire belang van het verlaagde tarief

(€ 1.266 miljoen) wordt 50% hoger doordat het algemene tarief naar 8% wordt verhoogd. Daardoor stijgt het tariefsverschil (tussen het algemene tarief en het verlaagde tarief) van 4% naar 6%. Dit betekent een stijging van het budgettaire belang van € 633 miljoen.

Per saldo daalt het budgettaire belang van deze fiscale regeling beleidsmatig met € 543 miljoen. Dit bedrag staat ook in de tabel met de uitsplitsing van de ontwikkeling van het budgettaire belang, in de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen».

Voor de vrijstelling voor 'starters' is een nieuwe fiscale regeling in het overzicht in deze bijlage opgenomen. Zoals hierboven genoemd, verdwijnt deze grondslag uit de regeling voor het verlaagde tarief, waar de starters tot en met 2020 ook deel van uitmaken. De nieuwe fiscale regeling representeert het verschil tussen 0% en 8% overdrachtsbelasting. Dit tariefsverschil is vier keer zo groot als de feitelijke tariefsverlaging die in Belastingplan 2021 voor de starters wordt doorgevoerd (2% naar 0%). Het budgettaire belang bedraagt dus vier keer zo veel als de geraamde € 388 miljoen in het Belastingplan 2021, namelijk € 1.552 miljoen.

De maatregel Vervangen postcoderoosregeling (PCR) geeft de opbrengst weer van het afschaffen van de PCR per 1 januari 2021, zoals dit in het Belastingplan 2021 is ingeboekt (namelijk € 2 mln in 2021). Het budgettaire belang van de PCR, te weten een belang van € 7 mln in 2021, ligt hoger. Dit verschil wordt veroorzaakt doordat in het budgettaire belang van de PCR alle bestaande projecten vanaf 2014 die uiterlijk op 31 december 2020 zijn aangewezen, zijn meegenomen. Oftewel, dit ziet op bestaande projecten die de komende jaren onder het overgangsrecht gaan vallen. De opbrengst van het afschaffen van de PCR aan de inkomstenkant heeft daarentegen alleen betrekking op nieuwe projecten die vanaf 2021 worden afgesloten en die onder de subsidieregeling gaan vallen.

Naast de regelingspecifieke maatregelen hebben ook enkele algemene tariefsmaatregelen invloed op het budgettaire belang van fiscale regelingen. Het effect van specifieke en algemene beleidsmaatregelen op het budgettaire belang in 2018 tot en met 2021 is terug te vinden in de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen».

9.5 Benchmarktoets en opvallende ontwikkelingen

Tabel 9.5.1 biedt inzicht in een aantal opvallende (endogene) ontwikkelingen in de ramingen van fiscale regelingen. De tabel presenteert de raming van het budgettaire belang dat voor 2017 werd geraamd bij de start van dit kabinet in de Miljoenennota 2018 (de benchmark). Vervolgens wordt de bijstelling van de raming voor 2017 vermeld. Deze bijstelling werkt door in de raming voor de kabinetsjaren. Vervolgens wordt de absolute endogene groei en de gemiddelde procentuele endogene groei per jaar tussen 2017 en 2021 gegeven. De tabel bevat alleen de fiscale regelingen waarbij de geraamde endogene ontwikkeling in die periode gemiddeld (absoluut) groter dan 8% per jaar is en/of de bijstelling voor 2017 (absoluut) groter dan 8% is. Bijstellingen en ontwikkelingen kleiner dan € 5 miljoen zijn buiten beschouwing gelaten, evenals bijstellingen die zien op het verschil tussen realisatie en budget van een regeling.

9.5.1 Toelichting mutatie ten opzichte van benchmark 2017 (x € miljoen)1

 
 

Benchmark

2017

Bijstelling

2017

Bijstelling in %

Endogeen

2018-2021

Endogeen in % per jaar

Persoonsgebonden aftrek

Aftrek voor scholingsuitgaven (studiekosten)

212

21

9,9%

50

5,0%

Giftenaftrek inkomstenbelasting

362

59

16,4%

64

3,6%

Inkomensvoorzieningen

FOR aftrek

160

30

18,5%

31

3,9%

FOR belaste afneming

  • 101
  • 11

10,6%

  • 14

2,9%

Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek

574

  • 50
  • - 
    8,7%

25

1,2%

Arbeidsongeschiktheidsverzekering belaste uitkering

  • 460

58

  • - 
    12,7%
  • 10

0,6%

Middelingsregeling

86

1

1,2%

93

19,9%

(Eigen) woning

Hypotheekrenteaftrek

10.648

1.123

10,5%

  • 1.915
  • - 
    4,3%

Aftrek financieringskosten eigen woning

280

  • 62
  • - 
    22,1%
  • 49
  • - 
    6,1%

Verlaging lastendruk op inkomsten uit vermogen

Vermindering verhuurderheffing

23

24

104,3%

182

48,5%

Verlaging lastendruk in de winstsfeer

Extra zelfstandigenaftrek starters

108

  • 9
  • - 
    8,2%

17

4,0%

Mkb-winstvrijstelling

1.635

229

14,0%

225

2,9%

Innovatiebox

1.687

  • 174
  • - 
    10,3%
  • 5
  • - 
    0,1%

Landbouwvrijstelling in de winstsfeer

1.109

  • 135
  • - 
    12,2%
  • 332
  • - 
    9,9%

Schenk- en erfbelasting Bedrijfsopvolgingsfaciliteit

383

66

17,2%

10

0,6%

Energiebelasting

Salderingsregeling

120

36

30,1%

151

18,5%

Vrijstellingen voor energie-intensieve processen

71

16

22,5%

4

1,3%

Omzetbelasting

Verlaagd tarief geneesmiddelen en hulpmiddelen

1.830

  • 276
  • - 
    15,1%

343

5,1%

Verlaagd tarief culturele goederen en diensten

1.568

  • 551
  • - 
    35,2%

69

1,6%

Verlaagd tarief arbeidsintensieve diensten

660

304

46,1%

95

2,4%

Verlaagd tarief overig

1.877

178

9,5%

61

0,7%

Kleineondernemersregeling

160

  • 1
  • - 
    0,4%

60

8,3%

Auto

BPM Vrijstelling nulemissievoertuigen

4

0

10,8%

18

52,6%

MRB Vrijstelling nulemissievoertuigen

12

0

0,0%

91

72,0%

IB/LB Korting op de bijtelling voor nulemissieauto's

86

  • 2
  • - 
    2,3%

349

50,7%

IB/LB Korting op de bijtelling voor zuinige auto's (overgangsrecht)

529

  • 19
  • - 
    3,6%
  • 305
  • - 
    20,3%

BPM Teruggaaf taxi's en openbaar vervoer

51

39

78,1%

60

13,7%

MRB Vrijstelling motorrijtuigen ouder dan 40 jaar

58

0

0,0%

25

9,2%

1 [-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

De ontwikkeling van het budgettaire belang van een regeling wordt afgezet tegen de aan het begin van de kabinetsperiode verwachte stand. Hierbij ligt de nadruk op de endogene ontwikkeling en niet op de ontwikkelingen die volgen uit beleidsmaatregelen. Hieronder wordt een aantal posten waarbij er een aanwijsbare oorzaak is voor de opvallende ontwikkeling, nader toegelicht.

Middelingsregeling

Het budgettaire belang van de middelingsregeling varieerde jarenlang tussen € 80 en € 90 miljoen, maar loopt sinds 2018 fors op. In 2019 is dit bedrag (op kasbasis) opgelopen tot € 127 miljoen en in het eerste half jaar van 2020 is wederom een forse stijging zichtbaar. Naar verwachting bedraagt het budgettaire beslag in 2020 € 165 miljoen en stijgt dit in 2021 door tot € 180 miljoen.

Uit een nadere analyse blijkt dat niet zozeer het aantal middelingsverzoeken oploopt, maar vooral het gemiddelde bedrag per middelingsverzoek. Dit was in 2016 nog circa € 1600, maar in 2019 al circa € 2800 (+75%). Uit de evaluatie van deze regeling bleek onder andere dat het budgettaire beslag van deze regeling vier keer zo groot zou kunnen zijn bij volledige benutting. Het is dus waarschijnlijk dat burgers die recht hebben op een hoog midde-lingsbedrag, de afgelopen jaren vaker de regeling ook daadwerkelijk benut hebben. Ter illustratie: in 2015 ontvingen nog circa 10.000 mensen een bedrag groter dan € 2.500, in 2019 waren dit er 18.000. Het aantal bedragen lager dan € 2.500 is in die periode juist gedaald van 46.000 naar 27000.

Vermindering verhuurderheffing

De heffingsverminderingen worden pas na realisatie definitief toegekend. Hierdoor zijn de kosten van de oude heffingsverminderingen op kasbasis in de eerste jaren vanaf invoering in 2014 gering en gemiddeld veel lager dan ingeboekt. Vanaf 2018 zijn de kosten juist gemiddeld veel hoger dan ingeboekt. Dit verklaart de hoge endogene groei over de jaren 2018-2021.

Landbouwvrijstelling in de winstsfeer

Reguliere waardestijgingen van landbouwgrond (WEVAB) zijn vrijgesteld van inkomstenbelasting door de landbouwvrijstelling. Door veel gebruik van herwaardering van gronden naar de WEVAB-waarde was er tot en met 2015 sprake van een hoog budgettair belang. Cijfers over 2016 en 2017 laten een aanzienlijke daling van het budgettaire belang zien, vermoedelijk omdat de bulk aan herwaarderingen achter de rug is. Voorlopige cijfers over 2018 suggereren dat die trend doorzet. Aangenomen wordt dat het budgettaire belang na 2017 met 10% per jaar daalt. Na enkele jaren zal een nieuw min of meer structureel niveau van het budgettaire belang zijn bereikt.

Energiebelasting

De budgettaire omvang van de salderingsregeling in de energiebelasting blijft net als voorgaande jaren hard groeien. Het budgettaire belang van de regeling stijgt doordat op basis van de prognose uit de Klimaat- en Energieverkenning 2019 blijkt dat jaarlijks meer zonne-energie wordt opgewekt door kleinverbruikers. In het Klimaatakkoord is aangekondigd om de salderingsregeling vanaf 2023 fiscaal te gaan begrenzen, wat een drukkend effect zal hebben op de ontwikkeling van het budgettaire belang van de regeling in de toekomst.

Ook het budgettaire belang van het verlaagd tarief lokaal opgewekte duurzame energie kent een forse endogene ontwikkeling. Uit de Lokale Energiemonitor 2018 van HIER opgewekt blijkt namelijk dat het aantal nieuwe postcoderoosprojecten jaarlijks toeneemt. Verder schat onderzoeksbureau AS I-SEARCH in haar publicatie 'Verkenning toekomstpotentieel burger-energiebeweging 2030' in dat het toekomstpotentieel van collectieve zonprojecten groot is, waardoor het de verwachting is dat de groei van het aantal postcoderoosprojecten zich de komende jaren verder zal voortzetten. Vanaf 2021 kunnen coöperaties subsidie aanvragen voor een zonne-energieproject of een kleinschalig windenergieproject en vervalt de huidige fiscale regeling. Alleen voor de op 31 december 2020 bestaande leden van aangewezen coöperaties die deelnemen aan de postcoderoosre-geling blijft het verlaagde energiebelastingtarief van toepassing gedurende 15 jaren na het tijdstip waarop de coöperatie werd aangewezen door de Belastingdienst (overgangsrecht).

Auto

Door de opkomst van elektrisch rijden in Nederland, loopt het budgettaire belang van de fiscale regelingen op dit gebied ten opzichte van 2017 elk jaar op. In 2019 zijn met name aan het einde van het jaar nog veel elektrische auto's verkocht in anticipatie op de beperking van de korting op de bijtelling en de aanscherping van de maximale catalogusprijs (de "cap") voor de korting op de bijtelling voor elektrische auto's per 2020. Dit werkt voor de bijtelling door in de jaren na 2019 doordat auto's gemiddeld circa vier jaar in de bijtelling zitten. Voor zuinige auto's is de korting op de bijtelling afgeschaft per 2016 met overgangsrecht, waardoor het budgettaire belang geleidelijk afneemt. De teruggaaf van bpm voor taxi's en openbaar vervoer kende een uitschieter naar boven in 2017 door met name de verkoop van bestelauto's op aardgas die een hoge bpm hebben. Het budgettaire belang is weer terugzakt naar een lager niveau in 2018 dan in 2017, maar is nog wel hoger dan in 2016. De teruggaafregeling bpm voor taxi's is afgeschaft per 2020. De teruggaafregeling bpm voor taxi's wordt gerespecteerd voor voertuigen die vóór 2020 gekocht zijn, waardoor met name in 2019 extra aankopen (anticipatie-effecten) hebben plaatsgevonden. Door corona worden in 2020 minder nieuwe auto's verkocht, dat geldt ook voor elektrische auto's en bestelauto's. Hierdoor loopt het budgettair belang van de bpm-posten in 2020 terug. In 2021 wordt een licht herstel verwacht van het aantal nieuwverkopen.

9.6 Evaluaties

In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de voltooide evaluaties naar doelmatigheid en doeltreffendheid van regelingen in het fiscale domein sinds de Miljoenennota 2020. Op hoofdlijnen wordt aandacht geschonken aan de conclusies en eventuele beleidsconsequenties die het kabinet heeft getrokken op basis van de uitgevoerde evaluaties. Verder komt de evalua-tieprogrammering voor de periode 2020-2023 aan bod.

Gerealiseerde evaluaties sinds de Miljoenennota 2020 In december 2019 is de evaluatie van de fiscale eigenwoningregeling aangeboden aan de Tweede Kamer.16 Onderzoeksbureau SEO heeft onderzoek gedaan naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de eigenwoningregeling en onderzoeksbureau Panteia naar de complexiteit van de regeling. SEO geeft ten aanzien van de doeltreffendheid en doelmatigheid aan: «Er zijn aanwijzingen dat de eigenwoningregeling als geheel (de hypotheekrenteaftrek en het eigenwoningforfait) bijdraagt aan het eigen-woningbezit. Als ook de negatieve neveneffecten (hoge kosten, hogere huizenprijzen, lagere welvaart, meer schuldopbouw) worden beschouwd moet echter worden geconcludeerd dat de regeling ondoelmatig is. Van de maatregelen na 2001 zijn vooral de fiscale aflossingseis en de tarief-maatregel effectief en doelmatig in het beperken van deze neveneffecten. Effectiviteit en doelmatigheid van de bijleenregeling in het ontmoedigen van schuldopbouw is onzeker. De aftrek geen of geringe eigenwoningschuld (Hillen) is waarschijnlijk niet effectief en ondoelmatig in termen van het bevorderen van schuldaflossing.» SEO concludeert dat de richting van het beleid sinds 2001 overwegend is geweest de doelmatigheid van de regeling als geheel te vergroten door neveneffecten van de bestaande renteaftrek zoals schuldopbouw te beperken en door de budgettaire derving te drukken. Daarbij geldt dat een relatief groot aantal ongelijksoortige maatregelen genomen is die de complexiteit van de fiscale behandeling van de eigen woning behoorlijk hebben vergroot. SEO geeft ook aan dat het geheel aan maatregelen volgens diverse deskundigen vooralsnog niet tot een consistent en helder eindbeeld voor de fiscale behandeling van de eigen woning leidt. Als mogelijke eindbeelden zijn daarbij genoemd defiscali-sering van de eigen woning of het verplaatsen van de eigen woning naar box 3.

Panteia concludeert ten aanzien van de complexiteit van de eigenwoning-regeling: «Op basis van de geconstateerde knelpunten en de daarmee samenhangende gevolgen voor een juiste toepassing van de eigenwoning-regeling komen wij tot de conclusie dat de huidige eigenwoningregeling te complex is, waardoor een juiste toepassing in sterke mate belemmerd wordt. Daarmee is de huidige eigenwoningregeling niet goed houdbaar, controleerbaar, uitvoerbaar en handhaafbaar.» Panteia beveelt aan om de fiscale eigenwoningregeling ingrijpend te herzien, of de eigen woning volledig uit de fiscale regelgeving te halen. De aanbeveling ziet op het doen van nader onderzoek naar een fundamentele herziening van de fiscale eigenwoningregeling zoals het verplaatsen van de eigen woning naar box 3, het opnemen in een aparte regeling (box 4) of defiscalis iering van de eigen woning. Panteia geeft verder aan dat het raadzaam is om bij de vormgeving van een vervangende regeling voor de huidige fiscale eigenwoningregeling of vervangende regels niet opnieuw gegevens te introduceren die belastingplichtigen langdurig moeten bewaren. Panteia beveelt voorts aan om in de periode tot een eventuele herziening zowel op het niveau van deelrege-lingen als de gehele regeling geen rigoureuze wetswijzigingen of reparatiemaatregelen door te voeren. Dit aangezien veel deelregelingen met elkaar samenhangen waardoor wijziging van een deelregeling veelal ook tot aanpassing van andere deelregelingen moet leiden. Verder omdat dergelijke wijzigingen vermoedelijk tot meer complexiteit leiden mede als gevolg van nieuw overgangsrecht en noodzakelijke compensatiemaatregelen.

In maart 2020 heeft de Staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst de evaluatie Assurantiebelasting aan de Tweede Kamer aangeboden.17 Hierbij is door onderzoeksbureau Dialogic met name onderzoek gedaan naar de in de jaren 2011 en 2013 doorgevoerde tariefsverhogingen en de vrijstellingen voor schadeverzekeringen in de assurantiebelasting. Beide onderdelen zijn op doeltreffendheid en doelmatigheid onderzocht. Het assurantiebelastingtarief is per 1 maart 2011 verhoogd van 7,5% naar 9,7% en per 1 januari 2013 verder verhoogd van 9,7% naar 21%. Dialogic concludeert daarbij dat de tariefsverhogingen hebben gezorgd voor de gewenste toename van de belastingopbrengsten tegen zo min mogelijke kosten en ongewenste neveneffecten, oftewel dat deze doeltreffend en doelmatig zijn gebleken. Verder is onderzoek gedaan naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de vrijstellingen voor schadeverzekeringen, zijnde de vrijstellingen voor luchtvaart-, scheepvaart-, transporten exportkredietverzekeringen. Hierbij is onderzocht in hoeverre de vrijstellingen bijdragen aan het realiseren van de achterliggende beleidsdoelen. De vrijstellingen voor luchtvaart, scheepvaart- en transportverzekeringen hebben onder meer als doel om een verstoring van internationale concurrentieverhoudingen te voorkomen. De vrijstellingen dragen volgens Dialogic bij aan deze beleidsdoelstelling. Alleen voor de vrijstelling voor transportverzekeringen geldt dat het deel van de vrijstelling dat ziet op binnenlands transport door Dialogic als minder doeltreffend wordt bestempeld. Dit gezien het feit dat meerdere andere landen geen vergelijkbare vrijstelling voor binnenlands transport kennen, maar alleen voor grensoverschrijdend transport. De vrijstelling voor exportkredietverzekeringen wordt door Dialogic als zeer doeltreffend bestempeld. Deze vrijstelling heeft tot doel het beschermen van de internationale concurrentiepositie van Nederlandse exporteurs. Zonder deze vrijstelling zou een specifieke set projecten van Nederlandse exporteurs verloren gaan aan buitenlandse concurrenten, omdat de hogere tarieven zouden leiden tot hogere prijzen en dus een concurrentienadeel voor de Nederlandse exporteurs. Verder heeft Dialogic ingeschat dat alle vrijstellingen (zeer) waarschijnlijk doelmatig uitwerken, omdat afschaffing ervan gepaard zou gaan met (behoorlijke) gedragseffecten. En dat het alleen voor de vrijstelling voor transportverzekeringen onzeker is of deze als doelmatig kan worden beschouwd in verband met het tevens vrijstellen van binnenlands transport. In de evaluatie is gepoogd om het budgettaire belang van de vrijstellingen voor schadeverzekeringen te benaderen, echter biedt de kwaliteit van de beschikbare data onvoldoende houvast voor het structureel monitoren van de regelingen in deze bijlage van de Miljoenennota.

In april 2020 is de evaluatie van de vrijstelling en de heffingskorting in box 3 voor groen beleggen (Regeling groenprojecten) naar de Kamer gestuurd. 18 De onderzoekers concluderen dat de Regeling groenprojecten in de evaluatieperiode 2010 en 2017 doeltreffend is en het beoogde mechanisme werkt. De Regeling groenprojecten grijpt specifiek in op het knelpunt rond financiering van groene projecten. De regeling past goed bij het kabinetsbeleid om de markt voor groene financiering te bevorderen. De regeling draagt bij aan expertise bij banken en beleggingsinstellingen over financiering van groene projecten. Het kabinet onderkent het belang van de Regeling en deelt de conclusie dat de Regeling doeltreffend en doelmatig werkt. Het kabinet zal de Regeling Groenprojecten voortzetten. Gemiddeld waren er 551 groene projecten per jaar, met een toegekend projectvermogen van gemiddeld € 755 miljoen. In het overgrote deel van de gevallen wordt een groene lening gecombineerd met een witte lening voor de onderdelen van de investering die niet in aanmerking komen voor een groenverklaring. De Regeling bewerkstelligt volgens de onderzoekers dat groenfondsen meer duurzame en innovatieve projecten financieren dan zonder de Regeling. Voor een relatief beperkt deel van de projecten (12-24%) zou een groenfonds de financiering ook hebben verstrekt zonder deelname aan de Regeling. Doordat de Regeling groenprojecten is opgezet als marktin-strument en aansluit bij het kredietverleningsproces van groenfondsen worden de lasten voor ondernemers en financiers verminderd. Dit draagt bij aan een efficiënte uitvoering van de Regeling. De onderzoekers tonen aan dat de in geld uitgedrukte milieuwinst groter is dan de maatschappelijke kosten. Voor € 1 die door de overheid wordt uitgegeven aan de Regeling groenprojecten wordt voor € 29 - € 34 gedurende één jaar gefinancierd aan innovatieve duurzame projecten die zonder de Regeling niet hadden plaatsgevonden. Per uitgegeven € 1 start ongeveer € 6 - € 7 aan nieuwe groene financiering voor projecten die zonder de Regeling niet hadden plaatsgevonden. In lijn met de aanbevelingen uit de evaluatie zal het kabinet zich

18 Kamerstukken II 2019-2020, 30 196, nr. 709 inzetten om de projectcategorieën meer aan te laten sluiten bij de meest actuele milieuproblemen. Het kabinet streeft daarbij binnen de Regeling de financiële ruimte meer te gebruiken voor innovatieve projecten die de transitie naar een circulaire economie versnellen. Om meer inzicht te krijgen in de maatschappelijke baten van de Regeling, neemt het kabinet de aanbeveling over om onderzoek te doen naar aanpassing van de maatstaven voor het bepalen van de milieuwinst. Het kabinet zal ook bezien hoe het proces van actualisering kan worden verkort.

In mei 2020 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Kamer gerapporteerd over de Verhuurderheffing.18 Onderdeel van deze rapportage was het eindrapport ‘Evaluatie heffingsverminderingen verhuurderheffing', wat de resultaten bevat van een evaluatieonderzoek naar de heffingsverminderingen in de verhuurderheffing, uitgevoerd in 2019 door onderzoeksbureaus SEO Economisch Onderzoek en Ecorys. Deze bureaus hebben onderzoek gedaan naar de heffingsverminderingen die in 2014 dan wel 2017 zijn ingevoerd en waarvan de aanvraagprocedure op 1 juli 2018 is gesloten vanwege uitputting van het budget. SEO en Ecorys concluderen het volgende: «Verhuurders hebben ruim gebruik gemaakt van de heffingsverminderingen, meer dan bij invoering werd voorzien. Hieruit blijkt dat de heffingsverminderingen voorzien in een behoefte. De kwantitatieve analyse in de evaluatie van de heffingsverminderingen heeft geen direct causaal verband tussen de heffingsverminderingen als geheel en (de stijging van) investeringen aangetoond, waarmee geen bewijs is gevonden dat de heffingsverminderingen die zijn aangevraagd in de periode 2014-2016 als geheel doelmatig zijn. Voor de heffingsverminderingen voor nieuwbouw en transformatie afzonderlijk zijn er wel aanwijzingen dat deze in een bepaald jaar leiden tot een hogere investeringsratio in het daaropvolgende jaar. Dit is een aanwijzing dat zij dan waarschijnlijk wel doeltreffend zijn geweest, met een vertraagd effect van 1 jaar. Waar doelmatigheid van de heffingsvermindering niet bewezen is, zijn er wel signalen uit gesprekken met de sector dat de heffingsverminderingen een goed middel zijn om te sturen op resultaten. Door de heffingsverminderingen zijn de huren van nieuwe huurwoningen verlaagd naar een huur onder de aftop-pingsgrens van de huurtoeslag, de kwaliteit van de woning verbeterd en zijn projecten versneld om de woning eerder te realiseren.»

In september 2020 is de evaluatie van de vrijstelling voor nettopensioen en nettolijfrente aangeboden aan de Tweede Kamer.19 Door deze vrijstelling kan over inkomen boven de inkomensgrens van € 110.111 (bedrag 2020) pensioen worden opgebouwd zonder dat de opgebouwde aanspraken in rendementsheffing in box 3 worden betrokken. De vrijstelling is in 2015 ingevoerd toen het pensioengevende salaris waarover de omkeerregel wordt toegepast (premie onbelast, uitkering belast), werd beperkt tot maximaal de genoemde inkomensgrens. Uit de evaluatie blijkt dat van de potentiële doelgroep van 200.000 mensen circa 35.000 mensen (17%) deelnemen aan een nettoregeling. Dit betreft vooral nettopensioen, van nettolijfrente wordt nauwelijks gebruik gemaakt. Voor deelname blijkt vooral van belang of het nettopensioen als opt-in (actieve keuze nodig om deel te nemen) of als opt-out (deelname is automatisch geregeld en actieve keuze is nodig om niet deel te nemen) wordt aangeboden. In het laatste geval blijkt de deelnamegraad veel hoger te liggen. Het budgettaire belang van de vrijstelling ligt momenteel bij circa € 5 miljoen. Door verdere aangroei van pensioenopbouw zal het budgettaire belang groeien tot circa € 25 miljoen. In de evaluatie wordt geconcludeerd dat de vrijstelling doeltreffend is omdat deze bijdraagt aan het aanbieden en gebruik maken van het nettopensioen. Voorts wordt geconcludeerd dat de vrijstelling voldoende doelmatig is, hoewel er aanzienlijke uitvoeringskosten zijn. Daarbij wordt aangegeven dat het belang van de vrijstelling breder is dan alleen de realisatie van het fiscale voordeel, namelijk het belang van het toegankelijk maken van het nettopensioen. In de evaluatie wordt een aantal knelpunten aangegeven en aanbevelingen gedaan om die op te lossen. Een deel van de knelpunten is niet meer relevant in het nieuwe fiscale kader na de voorgenomen pensioenhervorming, of dient breder bekeken te worden in het geheel van de fiscale behandeling van pensioenen. In het bijzonder speelt bij kleine nettopensioenen het knelpunt dat door de hoge uitvoeringskosten en het ontbreken van automatische waardeoverdracht de afkoopmogelijkheden als te beperkt worden ervaren. Het verruimen van de afkoopmogelijkheden van kleine nettopensioenen zal daarom in de komende tijd verder onderzocht worden.

In juli 2020 is de evaluatiedoorlichting van de fiscale regelingen naar de Tweede Kamer gestuurd.20 Het rapport biedt inzicht in de toegevoegde waarde van het evalueren van fiscale regelingen. De werkgroep heeft aan de hand van de 31 evaluaties van fiscale regelingen tussen 2010 en 2018 geïnventariseerd welke informatie de evaluaties opleveren en wat hiermee wordt gedaan in de beleidsvorming. De meeste evaluaties pogen de doeltreffendheid en doelmatigheid vast te stellen, maar onder andere door gebrek aan data en variatie kunnen vaak alleen voorzichtige conclusies worden getrokken. De oorspronkelijke gemaakte keuze voor een fiscale regeling als instrument om het gewenste doel te bereiken, wordt zelden tegen het licht gehouden in de evaluaties. Aanbevelingen in onderzoeksrapporten ontbreken mede daardoor vaak of blijven tamelijk veilig, waardoor de toegevoegde waarde niet groot is. De kabinetsreacties gaan soms verder dan de aanbevelingen, maar doen in andere gevallen juist weinig met de bevindingen. In de onderzoeksperiode zijn slechts enkele regelingen fundamenteel gewijzigd naar aanleiding van een evaluatie. In het rapport wordt aanbevolen om in de evaluatieprogrammering prioriteit te geven aan kwaliteit boven kwantiteit. Door de grote verscheidenheid van de fiscale regelingen, wordt afgeraden om een uniforme periodiciteit vast te leggen voor het evalueren van fiscale regelingen. Om te zorgen dat de evaluaties meer toegevoegde waarde hebben, dient meer aandacht te worden besteed aan de instrumentkeus en moet waar mogelijk eerder worden begonnen met dataverzameling, zodat de effecten van regelingen beter kunnen worden vastgesteld. Evaluaties met heldere conclusies kunnen, zo is de hoop, nog meer als basis dienen voor de politieke beleidsvorming.

Evaluatieprogrammering 2020-2023

Hieronder wordt een overzicht gegeven van de evaluaties van fiscale regelingen die gepland staan voor de periode 2020-2023. Deze programmering is erop gericht om met een gerichte inzet van de beschikbare capaciteit relevante evaluaties af te leveren die voorzien in de informatiebehoefte van het parlement. Dit jaar is rijksbreed een eerste aanzet gemaakt voor een Strategische Evaluatieagenda (SEA), die in de begrotingen van de verschillende ministeries is terug te vinden. Hiermee wordt de focus van het ex-post evalueren en verantwoorden van begrotingsartikelen middels de beleidsdoorlichtingen verbreed naar een onderbouwde en strategische programmering van onderzoek en evaluatie gedurende de gehele beleidscyclus. De evaluaties van fiscale regelingen zijn ook onderdeel van deze SEA.

Voor evaluaties van fiscale regelingen zijn het Ministerie van Financiën en het betreffende vakdepartement beide verantwoordelijk. Als de invalshoek het (bredere) beleidsterrein van het departement is, ligt het voor de hand dat het vakdepartement het voortouw neemt. Als de invalshoek de fiscale wetgeving is, ligt het voor de hand dat het Ministerie van Financiën het voortouw neemt. Beide hebben een eigen verantwoordelijkheid en dus inbreng in de evaluatie.

In de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen» bij deze Miljoenennota is per regeling aangegeven wanneer de volgende evaluatie gepland staat.

 

Tabel 9.6.1. Evaluatieprogrammering 2020-2023

Evaluaties per departement

Begrotingsartikel

2020

2021

2022

2023

Binnenlandse Zaken en

Koninkrijksrelaties

Eenmalige vrijstelling schenk- en erfbelasting t.b.v. de eigen woning

(met FIN)

3: Woningmarkt

 

X

   

Financiën

Fiscale regelingen overdrachtsbelasting

1: Belastingen

X

     

Eenmalige vrijstelling schenk- en erfbelasting t.b.v. de eigen woning (met BZK)

1: Belastingen

 

X

   

Fiscale regelingen BPM en MRB (met lenW)

1: Belastingen

 

X

   

Fiscale regelingen energiebelasting (met EZK en LNV

1: Belastingen

 

X

   

VPB vrijgestelde en fiscale beleggingsinstelling

1: Belastingen

 

X

   

Bankenbelasting

1: Belastingen

 

X

   

Fiscale regelingen ondernemerschap (met EZK)

1: Belastingen

   

X

 

Reisaftrek OV (met lenW)

1: Belastingen

   

X

 

Btw verlaagd tarief fysieke en digitale uitgaven (met OCW)

1: Belastingen

   

X

 

Tussenevaluatie Klimaatakkoord (mobiliteit) (met lenW en FIN)

     

X

 

Infrastructuur en Waterstaat

Fiscale regelingen BPM en MRB (met

FIN)

4: Wegen en verkeersveiligheid

 

X

   

Fiscale regelingen zeeschepen

18: Scheepvaart en Havens

X

     

Reisaftrek OV (met FIN)

16: Openbaar vervoer en Spoor

   

X

 

Tussenevaluatie Klimaatakkoord (mobiliteit) (met lenW en FIN)

     

X

 

MIA en Vamil

21: Duurzaamheid

     

X

Economische Zaken en Klimaat

Start-upregelingen

2: Bedrijvenbeleid

 

X

   

Fiscale regelingen energiebelasting (met FIN en LNV)

4: Een doelmatige en duurzame energievoorziening

 

X

   

Fiscale regelingen bedrijfsopvolging1

2: Bedrijvenbeleid

 

X

   

Fiscale regelingen ondernemerschap (met FIN)

2: Bedrijvenbeleid

   

X

 

Evaluaties per departement

Begrotingsartikel    2020

2021

2022

2023

Tussenevaluatie Klimaatakkoord (mobiliteit) (met lenWen FIN)

   

X

 

EIA

4: Een doelmatige en duurzame energievoorziening

   

X

Innovatiebox

2: Bedrijvenbeleid

   

X

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Arbeidskorting en

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

1: Arbeidsmarkt

 

X

 

Landbouw, Natuur en

Voedselkwaliteit

Fiscale regelingen energiebelasting (met FIN en EZK)

21: Land- en tuinbouw

X

   

Landbouwvrijstelling

21: Land- en tuinbouw

 

X

 

Assurantiebelasting vrijstelling Brede Weersverzekering

21: Land- en tuinbouw

   

X

1 Zodra genoeg data beschikbaar is.

10 TOELICHTING OP DE FISCALE REGELINGEN

10.1 Inleiding

In deze bijlage worden de fiscale regelingen nader toegelicht. Voor elke regeling bevat de toelichting een korte beschrijving, de doelstelling, de ramingsgrond, het ministerie dat verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waar de regeling betrekking op heeft en informatie over de laatst uitgevoerde en/of geplande beleidsevaluatie. Daarnaast zijn cijfers opgenomen over de verwachte ontwikkeling van het budgettaire belang van fiscale regelingen tussen 2017 en 2021.

Het overzicht van fiscale regelingen in deze bijlage is uitgebreider dan in de bijlage «Fiscale regelingen». Naast de regelingen die daar vermeld staan, bevat deze bijlage ruim twintig regelingen die in het verleden ook in die bijlage stonden, maar niet meer structureel worden gekwantificeerd, vanwege het beperkte beleidsmatige of budgettaire belang. Deze regelingen zijn verplicht op basis van Europese wet- en regelgeving of hebben een budgettair belang van kleiner dan € 5 miljoen.

Het departement dat bij elke regeling vermeld staat, is het departement dat verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waar de regeling betrekking op heeft. De Staatsecretaris van Financiën en de bewindspersonen van het betreffende departement dragen ieder verantwoordelijkheid voor de regeling en de evaluatie daarvan, vanuit de invalshoek van hun eigen beleidsterrein. Het Ministerie van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wetgeving, de uitvoering van het fiscale beleid en de budgettaire verantwoording. Conform de rijksbegrotingsvoorschriften wordt het budgettaire belang van de fiscale regelingen ook extracomptabel op de departementa