Artikel III-200: Recht van initiatief

III-199
Artikel III-200
III-201
  • 1. 
    Iedere lidstaat, de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, of de minister met de steun van de Europese Commissie, kan de Raad ieder vraagstuk in verband met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid voorleggen en hem voorstellen respectievelijk initiatieven voorleggen.
  • 2. 
    In gevallen waarin snelle besluitvorming is vereist, roept de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, hetzij eigener beweging, hetzij op verzoek van een lidstaat, binnen achtenveertig uur of, in geval van absolute noodzaak, op kortere termijn de Raad in buitengewone zitting bijeen.

1.

Ontwikkeling artikel

2003
  • 1. 
    Iedere lidstaat of de minister van Buitenlandse Zaken, alleen of samen met de Commissie, kan de Raad ieder vraagstuk in verband met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid voorleggen en bij de Raad voorstellen indienen.
  • 2. 
    In gevallen waarin snelle besluitvorming is vereist, roept de minister van Buitenlandse Zaken, hetzij eigener beweging, hetzij op verzoek van een lidstaat binnen achtenveertig uur of, in geval van absolute noodzaak, op kortere termijn een buitengewone zitting van de Raad bijeen.

2.

Commentaar

  • 1. 
    Dit lid omschrijft het recht van initiatief op het gebied van het GBVB. De tekst volgt de structuur van artikel 22 VEU. Het huidige verdrag voorziet in het initiatiefrecht van de lidstaten. Het initiatiefrecht van de Commissie is ook geregeld, maar dat van de hoge vertegenwoordiger niet; artikel 22 VEU begint als volgt: "Iedere lidstaat of de minister van Buitenlandse Zaken kan de Raad ieder vraagstuk in verband met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid voorleggen en bij de Raad voorstellen indienen". De nieuwe tekst stelt voor om de lidstaten en de minister van Buitenlandse Zaken initiatiefrecht te geven; de minister kan het initiatiefrecht alleen of samen met de Commissie uitoefenen.
  • 2. 
    Hier is artikel 22, lid 2, VEU overgenomen, dat beoogt de procedures in noodsituaties te versoepelen. "Het voorzitterschap" is vervangen door "de minister van Buitenlandse Zaken", om rekening te houden met het feit dat de minister de Raad Extern Optreden zal voorzitten, een voorstel dat in de Conventie op ruime steun kon rekenen.
2003
  • 1. 
    Iedere lidstaat, de minister van Buitenlandse Zaken, of de minister met de steun van de Commissie, kan de Raad ieder vraagstuk in verband met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid voorleggen en bij de Raad voorstellen indienen.
  • 2. 
    In gevallen waarin snelle besluitvorming is vereist, roept de minister van Buitenlandse Zaken, hetzij eigener beweging, hetzij op verzoek van een lidstaat, binnen achtenveertig uur of, in geval van absolute noodzaak, op kortere termijn een buitengewone zitting van de Raad bijeen.
2003
  • 1. 
    Iedere lidstaat, de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, of de minister met de steun van de Europese Commissie, kan de Raad van Ministers ieder vraagstuk in verband met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid voorleggen en hem voorstellen doen.
  • 2. 
    In gevallen waarin snelle besluitvorming is vereist, roept de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, hetzij eigener beweging, hetzij op verzoek van een lidstaat, binnen achtenveertig uur of, in geval van absolute noodzaak, op kortere termijn de Raad van Ministers in buitengewone zitting bijeen.
2003
  • 1. 
    Iedere lidstaat, de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, of de minister met de steun van de Europese Commissie, kan de Raad ieder vraagstuk in verband met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid voorleggen en hem voorstellen respectievelijk initiatieven voorleggen.
  • 2. 
    In gevallen waarin snelle besluitvorming is vereist, roept de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, hetzij eigener beweging, hetzij op verzoek van een lidstaat, binnen achtenveertig uur of, in geval van absolute noodzaak, op kortere termijn de Raad in buitengewone zitting bijeen.
2004
  • 1. 
    Iedere lidstaat, de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, of de minister met de steun van de Commissie, kan ieder vraagstuk in verband met het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid aan de Raad voorleggen en hem voorstellen respectievelijk initiatieven voorleggen.
  • 2. 
    In gevallen waarin snelle besluitvorming is vereist, roept de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een lidstaat, binnen achtenveertig uur of, in geval van absolute noodzaak, op kortere termijn de Raad in buitengewone zitting bijeen.