Memorie van toelichting - Algemene bepalingen betreffende de toekenning, het beheer en het gebruik van het burgerservicenummer (Wet algemene bepalingen burgerservicenummer)

Deze memorie van toelichting i is onder nr. 3 toegevoegd aan wetsvoorstel 30312 - Wet algemene bepalingen burgerservicenummer i.

1.

Kerngegevens

Officiële titel Algemene bepalingen betreffende de toekenning, het beheer en het gebruik van het burgerservicenummer (Wet algemene bepalingen burgerservicenummer); Memorie van toelichting  
Document­datum 22-09-2005
Publicatie­datum 12-03-2009
Nummer KST89822
Kenmerk 30312, nr. 3
Van Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties (BVK)
Originele document in PDF

2.

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2005–2006

30 312

Algemene bepalingen betreffende de toekenning, het beheer en het gebruik van het burgerservicenummer (Wet algemene bepalingen burgerservicenummer)

Nr. 3

MEMORIE VAN TOELICHTING

Inhoudsopgave

 

1

Inleiding

2

7

Gevolgen voor de administratieve lasten

16

1.1

Verwerking advies College bescherming persoons-

 

7.1

Potentiële nieuwe administratieve lasten veroorzaakt

 
 

gegevens (Cbp)

4

 

door de invoering van hetburgerservicenummer

16

1.2

Verwerking zienswijze Vereniging Nederlandse

 

7.2

Potentiële reductie van administratieve lasten door het

 
 

Gemeenten (VNG)

5

 

gebruik van hetburgerservicenummer

18

1.3

Het advies van het Adviescollege toetsing administra-

       
 

tieve lasten

6

8

De bescherming van persoonsgegevens

20

     

8.1

Inleiding

20

2

Achtergrond

7

8.2 8.3

Koppelen meten zonder persoonsnummer

Toets op doelbinding, zorgvuldigheid en minimaal

21

3

Relatie met het Programma Andere Overheid

8

 

verzamelen

21

     

8.4

Burgerservicenummer en transparantie: de Landkaart

23

4

Uitgangspunten voor persoonsnummers

8

8.5

Voorwaarden voor hetgebruik van hetburgerservice-

 

4.1

Waarom persoonsnummers?

8

 

nummer

23

4.2

Informatieloosheid

9

     

4.3

Rechtenvrij

9

9

Relatie met fraudebestrijding

26

4.4

Uniciteit

10

     

4.5

Persoonsgebonden

10

10

Toezicht en rechtsbescherming

27

4.6

Noodzakelijk gebruik

10

     
     

11

Implementatie

28

5

Het BSN-stelsel

10

11.1

Schonen en omzetten van het sociaal-fiscaalnummer in hetburgerservicenummer

28

6

De voorzieningen van het BSN-stelsel

13

11.2

Invoering in sectoren

29

6.1

Aanmaken, distribueren, toekennen en beheren van het

       
 

burgerservicenummer

13

12

Financiële aspecten

29

6.2

Ondersteuning van het gebruik

13

     

6.3

Sectorale persoonsnummers en het burgerservicenummer

14

13

Niet-ingezetenen

30

6.4

Sectorale berichtenvoorzieningen

16

14

Artikelsgewijze toelichting

31

6.5

Verantwoordelijkheidsverdeling in het BSN-stelsel

16

     
  • 1. 
    Inleiding

Het optreden van de overheid moet daadkrachtiger, doelmatiger en tegelijkertijd klantgerichter en beter controleerbaar worden, zonder onnodige bureaucratie en administratieve lasten. De mate waarin deze uitgangspunten kunnen worden nageleefd, wordt mede bepaald door de mate waarin de overheid haar gegevenshuishouding op orde heeft. Binnen de gegevenshuishouding van de overheid spelen persoonsnummers een spilfunctie: persoonsnummers dienen om persoonsgebonden gegevens eenduidig te identificeren. De bestaande beleidskaders voor het gebruik van persoonsnummers dateren van 19881en zijn sinds 19942 nietmeer aanmerkelijk gewijzigd. De maatschappelijke en technologische ontwikkelingen hebben sindsdien nietstilgestaan: hetgebruik van ICT heefteen grote vluchtgenomen en daarmee ook hetgebruik van persoonsgegevens. De handelingen met betrekking tot persoonsgegevens zijn door ICT eenvoudiger, gemakkelijker en effectiever geworden. De vernieuwingen die daardoor mogelijk zijn geworden, zoals de invoering van klantgerichte dienstverlening, eenmalige gegevensverstrekking, reductie van de administratieve lasten, koppeling van gegevens voor opsporing en handhaving en bestrijding van identiteitsfraude vormen de belangrijkste redenen voor actualisering van het persoonsnummerbeleid. De kern van deze actualisering bestaat uit de introductie van het burgerservicenummer (BSN) voor de klantcontacten tussen burger en overheid waarbij het gebruik van een persoonsnummer nodig is ten behoeve van eenduidige identificatie en registratie van personen en voor de gegevensuitwisseling tussen overheidsorganisaties onderling.

1  Nota Persoonsinformatiebeleid in de openbare sector, Kamerstukken II 1988/1989, 21 182, nr. 1.

2  Invoering van de wetGBA.

3  Met«overheidsorgaan» wordthet(ruime) begrip «bestuursorgaan» van artikel 1:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht aangeduid. Zie ook de toelichting bij artikel 1.

4  Hetsociaal-fiscaalnummer is gegroeid vanuitzijn oorspronkelijke functie als fiscaal nummer naar een nummer datook in de sociale sector wordtgebruikten bij tal van andere overheidstaken in uiteenlopende sectoren. Zie onder meer hetBesluitgebruik sofi-nummer Wbp en de regelgeving in verband metde invoering van een persoonsgebonden nummer in hetonderwijs. Het wordtgebruiktdoor de grote meerderheid van bestuursorganen, door onder meer alle werkgevers, hetbankwezen en alle scholen voor de verplichtingen die deze organisaties hebben voor hetleveren van informatie aan bestuursorganen.

Dit wetsvoorstel introduceert een algemeen persoonsnummer voor gebruik door overheidsorganen3 en daartoe aangewezen andere organisaties. Dit algemene persoonsnummer treedt in de plaats van het bestaande sociaal-fiscaalnummer. Methetwetsvoorstel wordtbewerkstelligd:

  • 1. 
    Een passende juridische vormgeving van hetburgerservicenummer als algemeen persoonsnummer binnen hetpublieke domein. Momenteel is het sociaal-fiscaalnummer de facto4 een algemeen persoonsnummer maar is hetnietals zodanig juridisch vorm gegeven. Die situatie wordt gecorrigeerd.
  • 2. 
    Expliciete regulering van aanmaken, distribueren, toekennen en beheren van hetnieuwe nummer hetgeen voor hetsociaal-fiscaalnummer ontbreekt.
  • 3. 
    Passende ondersteuning bij hetgebruik van hetnummer waaronder voorzieningen om onder meer het nummer te verifiëren, hetgeen eveneens voor het bestaande sociaal-fiscaalnummer ontbreekt.
  • 4. 
    Bewerkstelligen van vertrouwen in rechtmatig gebruik van het nummer door onder meer vormgeven van de transparantie van het gebruik van hetnummer door middel van een «Landkaart» en een aanspreekpuntin de vorm van een functionaris voor de gegevensbescherming. Ook hiervoor geldtdatdeze voorzieningen voor het bestaande sociaal-fiscaalnummer ontbreken.

Hetvoorstel van wetbeoogtalgemeneregels te stellen omtrent het burgerservicenummer. Dithoudtin de eerste plaats in, dathetwetsvoor-stel geen gedetailleerde regeling bevat van alle aspecten van het gebruik van het burgerservicenummer, maar uitsluitend de kaders aangeeft waarbinnen hetburgerservicenummer gebruiktmag of moetworden. Daar-naastbevathetwetsvoorstel bepalingen die betrekking hebben op het burgerservicenummer en de voorzieningen die nodig zijn voor hetstelsel van burgerservicenummers. Op de gegevensverwerkingen waarbij het burgerservicenummer als hulpmiddel wordtgebruikt, zijn de bepalingen van de Wetbescherming persoonsgegevens of, in voorkomende gevallen, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens of een

andere bijzondere wetvan toepassing. De voorzieningen die nodig zijn voor hetaanmaken, toekennen en beheren van burgerservicenummers zijn zodanig technisch van aard, datop hetniveau van een wetin formele zin ten aanzien van deze voorzieningen slechts enkele algemene bepalingen kunnen worden opgenomen. Aanvullend daarop bevathetwets-voorstel grondslagen om (nadere) regels te stellen over de technische en administratieve inrichting en werking en de beveiliging van deze voorzieningen.

Hetwetsvoorstel regeltdatalle overheidsorganen hetnummer mogen gebruiken bij hetverwerken van persoonsgegevens in hetkader van hun publieke taak, zonder datdaarvoor nadere regelgeving vereistis. Voor het gebruik buiten de kring van overheidsorganen blijft een specifieke wettelijke grondslag nodig.

Hetwetsvoorstel reguleertnietde gegevensverwerkingen in hetkader waarvan hetburgerservicenummer als hulpmiddel wordtgebruikt. Die gegevensverwerkingen dienen aan de daarop betrekking hebbende eisen, zoals onder meer vastgelegd in de Wbp, te voldoen. Het wetsvoorstel geeftvoor watbetrefthetgebruik van hetburgerservicenummer slechts de grondslag voor overheidsorganen om hetburgerservicenummer bij zo’n elders gereguleerde gegevensverwerking te gebruiken. Het burgerservicenummer introduceert geen nieuwe bedreigingen voor de persoonlijke levenssfeer anders dan dathetnummer door alle overheidsorganisaties kan worden gebruikt. Het is veeleer een in alle opzichten verbeterde uitvoering van het wijdverspreide sociaal-fiscaalnummer.

Hetwetsvoorstel biedtenerzijds de mogelijkheid om hetburgerservice-nummer bij gegevensverwerkingen te benutten, maar laat daarnaast ruimte over voor het gebruik van andere persoonsnummers, zoals in het advies Van Thijn werd aanbevolen.

In verband metde invoering van hetburgerservicenummer is aanpassing van een relatief groot aantal wetten noodzakelijk. In het algemeen gaat het hierbij om vervanging van hetbegrip «sociaal-fiscaalnummer» door «burgerservicenummer». Vanwege de hoeveelheid aanpassingen worden deze ondergebrachtin een afzonderlijke aanpassingswet.

Hetwetsvoorstel gaatnietin op hetmogelijke gebruik van hetburgerser-vicenummer door niet-overheidsorganisaties. Het burgerservicenummer is geen algemeen persoonsnummer buiten het publieke domein. Deze keuze is ingegeven door de overweging dathetordentelijke gebruik van persoonsnummers door metname de overheid nu goed moetworden geregeld. De problematiek met betrekking tot het gebruik van persoonsnummers door bijvoorbeeld hetbedrijfsleven, is van andere aard dan de introductie van een algemeen persoonsnummer voor de overheid. In het wetsvoorstel wordt aan deze problematiek daarom bewust geen aandacht geschonken. Het wetsvoorstel werpt overigens geen nieuwe belemmeringen op voor hetgebruik van persoonsnummers door bijvoorbeeld het bedrijfsleven. Hetwetsvoorstel maakthetmogelijk datbij of krachtens (sector)wethetgebruik van hetBSN door organisaties buiten de overheid wordtgeregeld.

In hoofdstuk 1 van het voorstel van wet zijn enige begripsomschrijvingen opgenomen, alsmede enkele bepalingen die hetnummer zelf betreffen, zoals de informatieloosheid van het nummer (artikel 2). In hoofdstuk 2 worden regels gesteld betreffende de centrale componenten die noodzakelijk zijn om burgerservicenummers aan te maken, toe te kennen en te beheren (de beheervoorziening).

Hetderde hoofdstuk regelthetaanmaken en hettoekennen van burgerservicenummers. Wie kenthetnummer toe, en aan welke categorieën van personen wordteen burgerservicenummer toegekend? Algemene regels omtrenthetgebruik van hetburgerservicenummer en de beheervoorziening zijn opgenomen in hoofdstuk 4.

Hoofdstuk 5 van het wetsvoorstel bevat enige specifiek op het BSN-stelsel gerichte bepalingen betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, toezicht en controle, aanvullend op hetgeen hierover reeds in en krachtens de Wetbescherming persoonsgegevens en de Wetgemeen-telijke basisadministratie persoonsgegevens is geregeld. Hoofdstuk 6 bevat onder meer een overgangsbepaling, op grond waarvan reeds toegekende sociaal-fiscale nummers op hetmomentvan inwerkingtreding van deze wet van rechtswege worden «omgezet» in burgerservicenummers.

Het algemeen deel van deze memorie van toelichting zelf is als volgt opgebouwd. Eerstwordtingegaan op de achtergronden van hetpersoons-nummerbeleid in Nederland en wordtde relatie gelegd methet Programma Andere Overheid. De inhoudelijke uitgangspunten voor persoonsnummers komen vervolgens aan de orde: waarom persoonsnummers noodzakelijk zijn, de informatieloosheid van persoonsnummers, hetfeitdataan persoonsnummers geen rechtop voorzieningen kan worden ontleend, de uniciteit van het persoonsnummer, persoonsgebondenheid en hetnoodzakelijke gebruik. Daarna wordthetBSN-stelsel geschetst. In die schets wordt aandacht besteed aan de personen die een burgerservicenummer krijgen, hetgebruik van hetburgerservicenummer door organisaties, de (technische) voorzieningen die nodig zijn voor het burgerservicenummer en de relatie tussen het burgerservicenummer en identiteitsdocumenten. Ten slotte worden administratieve lasten, bescherming van de persoonlijke levenssfeer, fraudebestrijding, toezicht en rechtsbescherming, implementatie en financiering behandeld.

Over dit wetsvoorstel is advies1 gevraagd aan hetCollege Bescherming Persoonsgegevens (Cbp) en aan de Adviescommissie toetsing administratieve lasten (Actal). Aan de VNG is haar zienswijze1 op het wetsvoorstel gevraagd.

1.1 Verwerking advies College bescherming persoonsgegevens (Cbp)

In zijn conclusies stelthetCbp dathetbelang van hetwetsvoorstel wordt onderschreven. Het in te voeren stelsel kan bijdragen aan vergroting van de doelmatigheid van de administraties van de overheid en enige aanpalende sectoren en aan de dienstverlening aan de burger. Het Cbp vraagt aandachtvoor inachtneming van hetbelang datde Europese privacy-richtlijn 95/46/EG i beoogt te beschermen, namelijk een zorgvuldige omgang metpersoonsgegevens. Voorzover hetde uitgifte van het burgerservicenummer en hetbeheer van hetburgerservicenummer betreft, concludeerthetCbp dathetwetsvoorstel duidelijke bepalingen bevat.

Over hetgebruik van hetburgerservicenummer merkthetCbp op dathet ontwerp wetsvoorstel, zoals dat voor advies aan het College werd voorgelegd, een nog onvoldoende uitgewerkt normenkader bevat. Die conclusie wordtingegeven door hetfeitdatde invoering van hetBSN-stelsel als gevolg van de in het wetsvoorstel gemaakte keuzes neerkomt op de invoering van een algemeen persoonsnummer. Op basis van artikel 8, zevende lid, van de hiervoor genoemde richtlijn, moeten lidstaten voorwaarden vaststellen waaronder een nationaal identificatienummer of enig ander identificatiemiddel mag worden gebruikt. Op deze voorwaarden,

1 Ter inzage gelegd bij hetCentraal Informatiepunt Tweede Kamer.

waaronder hetnormenkader datnaar de mening van hetCbp in het

ontwerp voorstel nog niet in voldoende mate is uitgewerkt, wordt ingegaan in hoofdstuk 8. Daarbij is gebruik gemaakt van de voorbeelden die hetCbp aanvoertin de Algemene wetinzake rijksbelastingen en de (inmiddels ingetrokken) Organisatiewet sociale verzekeringen.

HetCbp achthetvoorts noodzakelijk om in de memorie van toelichting meer aandacht te schenken aan de criteria die zullen worden gehanteerd om de gebruikers die geen overheidsorganen zijn, toe te laten tot het stelsel. Om daarin te voorzien, is onder meer de definitie aangescherpt van gebruikers die geen overheidsorgaan zijn. De wijziging impliceertdat voor de regelgeving op basis waarvan niet-overheidsorganen de status van gebruikers kunnen krijgen, altijd een advies van het Cbp noodzakelijk is. Voorts zijn de bepalingen betreffende het gebruik van de voorzieningen van het BSN-stelsel aangescherpt. Verderstrekkende criteria betreffende de toelating van gebruikers tot het BSN-stelsel worden echter niet gegeven. In ditopzichtbrengthetonderhavige wetsvoorstel geen verandering in de huidige situatie, waarin immers ook geen algemene criteria gelden, behoudens die in de Wbp, voor hetgebruik van persoonsnummers door niet-overheidsorganisaties.

1.2 Verwerking zienswijze Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG)

De reactie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), die is afgestemd met de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVvB), betreft in de eerste plaats het ontbreken van een dekkingsvoorstel voor de kosten voor implementatie en beheer van uitgifte van het burgerservicenummer. De VNG merktdaarbij op datde uitoefening van taken rond het burgerservicenummer onder medebewind vallen en daarom onder artikel 108 van de Gemeentewet. Hieraan is in hoofdstuk 12 van de memorie van toelichting afzonderlijk aandacht besteed, waarmee invulling wordt gegeven aan het bedoelde artikel van de Gemeentewet en aan artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet.

Het tweede deel van de reactie van de VNG betreft de onzekerheid die de VNG heeft over de uitvoerbaarheid vanaf de beoogde ingangsdatum van (1) hetdeel van hetwetsvoorstel datin bepaalde gevallen een verplichting inhoudttothetgebruik van hetburgerservicenummer bij publieke dienstverlening en (2) hetdeel van hetwetsvoorstel datde (geclausuleerde) verplichting inhoudtom hetburgerservicenummer te gebruiken in de gegevensuitwisseling tussen gebruikers. De VNG merkt op dat zij het principe nadrukkelijk ondersteunt, maar een nadere inventarisatie noodzakelijk acht naar de uitvoerbaarheid vanaf de beoogde ingangsdatum. De genoemde inventarisatie is zeker wenselijk en zal in samenspraak met de VNG en NVvB ter hand worden genomen. Het resultaat ervan zal mede bepalend zijn voor het tijdstip waarop de betrokken artikelen in werking treden. Voorshands wordtechter nietafgeweken van hetstreven om het burgerservicenummer op 1 januari 2006 in te voeren, zoals in de brief van 14 mei 20041 aan de Tweede Kamer is medegedeeld. Paragraaf 11.2 van deze toelichting bevat nadere informatie over de wijze waarop de invoering plaats kan gaan vinden. Overigens werpt het wetsvoorstel geen belemmeringen op voor hetgebruik van hetA-nummer, zoals datthans in en krachtens de wet GBA is geregeld.

De VNG spreekt ten slotte haar zorgen uit over een aantal onderwerpen dat gerelateerd is aan de voorziene registratie van niet-ingezetenen. Aan de memorie van toelichting is een afzonderlijk hoofdstuk toegevoegd over deze registratie, waarbij aandacht wordt geschonken aan de onderwerpen die de VNG noemt.

Kamerstukken II 2003/04, 29 362, nr. 15.

1.3. Het advies van het Adviescollege toetsing administratieve lasten

Het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal) is op

20 december 2004 om advies gevraagd omtrent het wetsvoorstel. Het

college heeftop 26 mei 2005 geadviseerd.

Actal concludeertdatals gevolg van de invoering van hetburgerservice-nummer de administratieve lasten voor het bedrijfsleven dalen met ongeveer € 1,3 miljoen per jaar en voor de burgers metongeveer 680 0001 uren per jaar. Hetcollege constateertdatde eenmalige lasten voor burgers en bedrijven niet substantieel zijn. Door gebruik te maken van het bestaande sociaal-fiscaalnummer zijn hoge eenmalige administratieve lasten voorkomen.

Actal adviseert de departementen om bestaande identificerende nummers te vervangen door hetburgerservicenummer en op zo kortmogelijke termijn hun regelgeving aan te passen.

Het vervangen van bestaande identificerende nummers door het burgerservicenummer geschiedt in een afzonderlijk regelgevingstraject. Het streven is er op gericht om nog dit jaar een aanpassingswetsvoorstel BSN bij de Tweede Kamer in te dienen.

Hetcollege adviseertvoorts om hetgebruik van hetburgerservice-nummer in alle communicatie-uitingen van en naar overheidsorganisaties te verplichten.

De strekking van het wetsvoorstel is het regelen van het verplichte gebruik van het burgerservicenummer in contacten tussen overheid en burger, tussen overheidsorganen onderling en – in daartoe aangewezen gevallen – tussen overheidsorganen en andere organisaties. Het wetsvoorstel legt in datverband verplichtingen op om van hetburgerservicenummer gebruik te maken (artikel 11) en kentde burger hetrechttoe om geen ander persoonsnummer te verstrekken dan het burgerservicenummer (artikel 13). Het verplichte gebruik van burgerservicenummers in alle communicatie-uitingen van en naar overheidsorganisaties dient geen duidelijk doel en reikt ver buiten de strekking van het wetsvoorstel.

1  Het definitieve getal is 1 135 000 uur.

2  Metde GBA-LRD wordtgedoeld op de in het BesluitGBA geregelde landelijk raadpleegbare deelverzameling. Deze LRD is een technisch hulpmiddel om de verstrekkingen uit de GBA doelmatig te laten verlopen. Op dit moment bevatde LRD nietalle gegevens over een persoon die in de GBA zijn vastgelegd. Het is de bedoeling om de LRD te vervangen door een verstrekkingsvoorziening die wel alle GBA-gegevens bevat.

Actal meentdathetburgerservicenummer gekoppeld is aan de zogenaamde LRD-gegevensset. Hetcollege adviseertom de gegevensset, gekoppeld aan hetburgerservicenummer, zo snel mogelijk uitte breiden. Daarnaastadviseerthetcollege om te onderzoeken metwelke gegevens hetburgerservicenummer verder aangevuld kan worden. Hetburgerservicenummer is niet«gekoppeld» aan een bepaalde gegevensset. Het burgerservicenummer is een technisch hulpmiddel, om de uitwisseling van gegevens over een persoon correct en doelmatig te laten verlopen. Welke gegevens metbehulp van hetburgerservice-nummer overgebrachtmogen of moeten worden, hangtaf van de context waarin die gegevensoverdracht plaatsvindt. Zo wordt bijvoorbeeld de systematische verstrekking van gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) neergelegd in autorisatie-besluiten. De daarin geregelde gegevensverstrekking zal in de toekomst geschieden metbehulp van hetburgerservicenummer. Indien de in het autorisatiebesluitneergelegde gegevenssetruimer is dan de setdie nu aanwezig is in de GBA-LRD, zal ook die ruimere setmetbehulp van het burgerservicenummer worden uitgewisseld2.

Tot slot adviseert Actal om duidelijk te stellen welke organisaties in staat worden gesteld om het burgerservicenummer te gebruiken, het college adviseert voorts duidelijk te stellen onder welke voorwaarden (niet-) overheden hetburgerservicenummer mogen toepassen.

Overheidsorganen kunnen bij hetverwerken van persoonsgegevens in het kader van hun publieke taak gebruik maken van het burgerservicenummer (artikel 10). Niet-overheidsorganen kunnen het burgerservicenummer gebruiken voor zover hierin wettelijk is voorzien (zie bijvoorbeeld de omschrijving van hetbegrip gebruiker in artikel 1). Hiervoor is reeds de aanpassingswetburgerservicenummer genoemd. In die wetzal het gebruik van hetburgerservicenummer door verschillende niet-overheids-organen worden geregeld. Daarbij wordt de huidige situatie gecontinueerd waarin daartoe aangewezen instanties buiten de overheid van het sociaal-fiscaalnummer gebruik kunnen maken. Indien op enig momentde noodzaak ontstaat dat nog andere organisaties buiten de overheid het burgerservicenummer voor bepaalde taken moeten gaan gebruiken, zal ditbij of krachtens wetworden voorgeschreven. De gevraagde duidelijkheid is op deze wijze (in formele regelgeving) verzekerd.

  • 2. 
    Achtergrond

In een aantal regelingen wordthetgebruik van persoonsnummers geregeld. Voorbeelden daarvan zijn de WetGBA, die hetgebruik van het A-nummer regelt, de Wet betreffende het gebruik van een persoonsgebonden nummer in hetonderwijs en hetBesluitgebruik sofi-nummer Wbp, waarmee hetgebruik van hetsociaal-fiscaalnummer nader wordt geregeld. De bestaande situatie verhindert het gebruik van een bepaald nummer in een bepaalde situatie niet, maar bevordert het efficiënt werken metpersoonsgegevens evenmin. Ditwetsvoorstel bevorderthetgebruik van één identificerend persoonsnummer en vereenvoudigt daarbij het beheer van persoonsgegevens in registraties.

In november 2002 heeftde regering hetadvies «Persoonsnummerbeleid in het kader van identiteitsmanagement» van de interdepartementale commissie onder leiding van de heer Van Thijn1 aan de Tweede Kamer toegezonden. Bij die gelegenheid heeftde regering gemeld hetadvies Van Thijn te onderschrijven en uit te gaan werken in een implementatievoorstel. Deze voorstellen betroffen de invoering van een burgerservicenummer voor de ingezetenen van Nederland die staan ingeschreven in de GBA, en het mogelijk laten blijven van sectorspecifieke nummers in speciale situaties (bijvoorbeeld in de justitiële sector). Voor de vertaling tussen burgerservicenummer en sectornummer zou de sector een voorziening moeten treffen. Om de uitgifte, de toekenning en het beheer van het burgerservicenummer gestalte te geven zou een beheervoorziening moeten worden ingericht. Ten behoeve van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer werd in de voorstellen een Nationale Vertrouwensfunctie voorzien waarmee invulling gegeven werd gegeven aan de privacy-aspecten. Kernbegrippen daarbij zijn transparantie, beveiliging, informatieloosheid en ontkoppeld koppelen2.

1  Kamerstukken II 2002/03, 28 600 VII, nr. 21.

2  Onder ontkoppeld koppelen wordt verstaan hetraadplegen van gegevens, zoals het geboortejaar, en daaruitalleen datgegevens-elementvastte leggen datechtnoodzakelijk is, bijvoorbeeld of iemand ouder dan 65 jaar is, in plaats van het «volledige» gegeven, in hetvoorbeeld de leeftijd, vastte leggen.

Voordatde regering overging tothetdaadwerkelijk uitvoeren van de voorstellen, achtte ze het wenselijk na te gaan wat daarvan de financiële en organisatorische consequenties zouden zijn. Daarmee is begin 2003 gestart. Op een aantal onderdelen is het advies Van Thijn nader ingevuld. Datbetrof vooral de wijze waarop in hetkader van hetBSN-stelsel omgegaan moestworden metniet-ingezetenen. De regering kiestervoor om ook categorieën van niet-ingezetenen die meervoudige contacten hebben metde overheid en goed geïdentificeerd worden, een burgerservicenummer te kunnen geven. Daarmee vallen deze niet-ingezetenen op termijn binnen het nieuwe stelsel. Een consequentie is wel dat voor een afdoende registratie van de groepen niet-ingezetenen een nieuw te creëren registratie nodig is. Zie hierover ook hoofdstuk 13.

1  Kamerstukken II 2003/2004, 29 362, nr. 15.

2  Kamerstukken II 2003/2004, 34 765, nr. 1.

De regering heeftop 14 mei 20041 de Tweede Kamer geïnformeerd over de invoering van hetburgerservicenummer. Gelijktijdig heeftde regering hetvoornemen bekend gemaaktom hetburgerservicenummer ook in de zorg toe te gaan passen.

  • 3. 
    Relatie met het programma andere overheid

De regering heeft haar voornemens om te komen tot een andere werkwijze van de overheid uiteengezetin hetProgramma Andere Overheid2. De voornemens die specifiek betrekking hebben op het gebruik van informatietechnologie, zijn nader uitgewerkt in de notitie «Op weg naar de elektronische overheid», die in het voorjaar van 2004 aan de Tweede Kamer is gezonden3.

De realisatie van het burgerservicenummer is een van de bouwstenen waarmee de regering de elektronische overheid vorm gaat geven. Het burgerservicenummer stroomlijntnietalleen de gegevenshuishouding van de overheid zelf maar hetscheptook de randvoorwaarden voor een efficiënte gegevensuitwisseling tussen de burger en de overheid en tussen hetbedrijfsleven en de overheid. In hetbijzonder is hetburgerser-vicenummer van belang voor:

  • a. 
    De realisatie van het stelsel van basisregistraties. Het burgerservicenummer vormtimmers voor een bredere groep van organisaties dan in de huidige situatie het geval is, de sleutel tot de persoonsgegevens in de GBA. Daarnaastleidtde realisatie van hetburgerservicenummer er toe dat ook de opbouw van een basisregistratie van niet-ingezetenen ter hand moet worden genomen, waarmee een sluitend stelsel van basisregistraties van natuurlijke personen ontstaat.
  • b. 
    Het stapsgewijs bewerkstelligen van de eenmalige gegevensverstrekking. Hetburgerservicenummer gaatimmers de sleutel vormen tot persoonsgegevens in praktisch alle registraties met persoonsgegevens van de overheid. Daardoor ontstaat de mogelijkheid om gegevens die bij de overheid bekend zijn opnieuw te gebruiken voor een andere overheidstaak, voorzover dat is toegestaan.
  • c. 
    Het gebruik van de authenticatievoorziening DigiD die de burger in staat stelt om elektronische diensten af te nemen van de overheid. Door hetburgerservicenummer zal hetin de toekomstnietmeer nodig zijn om bij hetgebruik van DigiD mettwee verschillende persoonsnummers (hetsociaal-fiscaalnummer en hetA-nummer) te werken.
  • 4. 
    Uitgangspunten voor persoonsnummers

Met het onderhavige wetsvoorstel wordt beoogd om een sluitend stelsel van persoonsnummers te realiseren. Methetwoord sluitend wordt bedoeld dathetstelsel zodanig is ontworpen datde persoonsnummers de hulpmiddelen vormen waarvoor ze bedoeld zijn, namelijk om hetbeheer van persoonsgegevens in diverse administraties en registraties te vereenvoudigen. Daarnaast mogen in een sluitend stelsel geen oneigenlijke rollen aan persoonsnummers worden gehecht.

4.1 Waarompersoonsnummers?

Voor de Nederlandse contextis van belang dathetnummeren van persoonsgegevens zijn begin kentbij de invoering van de bevolkingsadministratie. Het persoonsnummer was daarbij een administratief hulpmiddel dateen rol had bij hetrelatief eenvoudig opzoeken van de gegevens van een persoon. De bevolkingsadministratie zelf had bredere doelstellingen. Zij stelde de overheid in staat om op systematische wijze belasting te heffen en diensten van haar onderdanen (zoals de dienst-

Kamerstukken II 2003/2004, 26 387, nr. 23.          plicht) te effectueren. Het administratieve hulpmiddel droeg aan deze

doelstellingen uiteraard bij, zij het op een indirecte wijze. In de (toenmalige) relatie tussen overheid en burger, was het persoonsnummer vooral een hulpmiddel voor de administratieve processen van de overheid.

Metde opkomstvan geautomatiseerde systemen neemthetbelang van nummers toe. Dat heeft primair een aantal technologische redenen en het heeft een aantal belangrijke gevolgen. In de eerste plaats worden nummers van belang omdatze hetmogelijk maken een individuele groep van bij elkaar horende gegevens te kunnen onderscheiden van alle andere groepen van bij elkaar horende gegevens. In de tweede plaats vormden nummers in de beginperiode van de inzet van computers bij uitstek het middel om groepen van bij elkaar horende gegevens terug te kunnen vinden. En in de derde plaats maakten nummers het eenvoudiger om een groep van gegevens te koppelen aan een bepaalde persoon. Het gebruik van persoonsnummers is inmiddels breed ingevoerd.

4.2  Informatieloosheid

Persoonsnummers dienen om meerdere redenen geen informatie te bevatten. De eerste reden is dat nummers die informatie bevatten over de persoon in kwestie, zoals het geslacht of geboortedatum, uitnodigen tot hetgebruik van deze informatie. Ook worden alleen al door hetgebruik-maken van hetnummer persoonsgegevens kenbaar gemaaktzonder dat daarvoor een duidelijke reden bestaat. De tweede reden is dat nummers die informatie bevatten niet efficiënt zijn in het gebruik, omdat ze ertoe toe leiden datde nummers langer worden dan striktnoodzakelijk. Een nummer waarin bijvoorbeeld de geboortedatum van een persoon is opgenomen, beperkthetaantal beschikbare mogelijkheden. Deze inefficiëntie leidttotlangere nummers en vergrootdaardoor de kans op fouten bij het invoeren van de nummers.

4.3  Rechtenvrij

Een persoonsnummer heeftbetrekking op wie iemand is, nietop watde betreffende persoon mag. Aan het burgerservicenummer kunnen geen rechten worden ontleend. Wanneer een nummer alleen aan bepaalde personen of in bepaalde omstandigheden wordt toegekend, dan ontstaat impliciet de situatie dat aan het nummer rechten ontleend lijken te kunnen worden. Datkan totgevolg hebben dater oneigenlijk gebruik («handel») in de nummers optreedt. Het burgerservicenummer geeft als nummer nergens rechtop, waardoor hetgeen nutheeftom erin te handelen. Dat wordtgerealiseerd door geen voorwaarden te verbinden aan het toekennen van een burgerservicenummer aan een persoon behalve de strikt noodzakelijke voorwaarde van een goede identiteitsvaststelling. In het BSN-stelsel kan dan ook alleen ná vaststelling van iemands identiteit vastgesteld worden of iemand ergens rechtop heeftof een dienstmag afnemen. Hetburgerservicenummer zorgter voor datde gegevens die betrekking hebben op een bepaalde persoon eenvoudiger en met grote mate van betrouwbaarheid kunnen worden opgezocht in geautomatiseerde systemen. De Nederlandse overheid is er dus bij gebaatdatzoveel mogelijk personen die een relatie met die overheid hebben een uniek burgerservicenummer krijgen toegekend.

De enige echte voorwaarde voor het toekennen van een burgerservicenummer is datde persoon respectievelijk hetoverheidsorgaan het nummer moetkunnen gebruiken om hetterugvinden van eerder vastgelegde informatie over hem of haar door een overheidsorgaan te ondersteunen. Aangezien het bij deze informatie veelal gaat om informatie waaraan rechtsgevolgen zijn verbonden, is zowel het terugzoeken ervan als ook het initieel vastleggen ervan een situatie waarbij een goede identi-

ficatie van de persoon van grootbelang is. Hetburgerservicenummer moetdaarom alleen worden toegekend aan personen die een meervoudige relatie met de Nederlandse overheid hebben en waarvan de identiteit deugdelijk kan worden vastgesteld.

4.4  Uniciteit

Wanneer een nummer wordttoegekend aan meerdere personen dan zijn de gegevens van deze personen onder hetzelfde nummer terug te vinden en is het onduidelijk welke gegevens feitelijk betrekking hebben op de persoon die zich methetnummer meldt. Elk nummer moetdus maar één keer worden toegekend. Andersom is hetnietraadzaam wanneer een situatie ontstaat waarin een persoon over meerdere nummers zou beschikken. Datimpliceertimmers datde gegevens van de persoon onder verschillende nummers opgeslagen zullen worden en daardoor nietmeer metelkaar in verband te brengen zijn.

4.5  Persoonsgebonden

Wanneer een persoon gebruik maaktvan een nummer datnietbij hem of haar behoort, ontstaan onwenselijke situaties. De persoon in kwestie kan trachten rechten te verwerven die op naam van een andere persoon staan, zo kan hij gebruik maken van hetverzekerd zijn van een andere persoon of hij kan proberen een overtreding op de andere persoon af te wentelen. Om ditte voorkomen is hetgebruik van hetburgerservicenummer alleen toegestaan wanneer er sprake is van een goede controle van de identiteit van de persoon in kwestie. De vaststelling van iemands identiteit kan niet gebeuren uitsluitend door het overleggen van het nummer. Wel is het denkbaar dathetnummer hethulpmiddel is waarmee gegevens worden ontsloten die bij de controle van de identiteit een rol kunnen spelen.

4.6  Noodzakelijk gebruik

Persoonsnummers moeten alleen gebruiktworden wanneer datnodig is. Als een overheidsorgaan een dienstkan leveren zonder dathetnodig is om gegevens van de persoon vast te leggen of te raadplegen, dan is het niet nodig om een persoonsnummer bij deze transactie te betrekken. Een voorbeeld van hetleveren van een dienstwaarbij hetgebruik van het burgerservicenummer nietnodig is, vormthetverstrekken van informatie via Postbus 51 of het leveren van brochures. Ook wanneer bij zo’n dienst betaling vereistzou zijn, dan impliceertdatnietdatde persoon zijn burgerservicenummer kenbaar maakt. Door deze situaties duidelijk te onderscheiden van de situaties waarbij de rechten en/of plichten van een persoon ten opzichte van de overheid in het geding zijn, wordt vermeden dat er situaties ontstaan waarbij de persoon om zijn nummer wordt gevraagd maar waarbij er geen (directe) aanleiding is om de relatie tussen nummer en persoon te verifiëren. Dat zou immers kunnen impliceren dat het overleggen van een identiteitsdocument bij het aanvragen van brochures nodig is. Hetis echter wel mogelijk dateen organisatie het burgerservicenummer vermeldtin haar correspondentie metde burger.

  • 5. 
    Het BSN-stelsel

HetBSN-stelsel omvatvoorzieningen die nodig zijn om nummers aan te maken die als burgerservicenummer kunnen worden toegekend, om deze nummers te beheren en het gebruik ervan te ondersteunen. Daarnaast omvathetBSN-stelsel regels die de relatie metandere persoonsnummers betreffen.

Als nummeris hetburgerservicenummer gelijk aan hetsociaal-fiscaalnummer, datwil zeggen dathetook uitnegen cijfers bestaaten dat hetvoldoetaan de elfproef1. Daarmee wordtbewerkstelligd datorganisaties die momenteel het sociaal-fiscaalnummer gebruiken weinig of geen aanpassingen in hun systemen en werkwijze hoeven door te voeren. Het burgerservicenummer onderscheidtzich van hetsociaal-fiscaalnummer alleen voor wathetbereik ervan betreften de wijze waarop wettelijk is vastgelegd watmetbehulp van hetburgerservicenummer mag gebeuren. Het toekomstige bereik van het burgerservicenummer, oftewel de populatie, bestaat uit alle ingezetenen en uit niet-ingezetenen die goed identificeerbaar zijn en een meervoudige relatie met de overheid hebben. Daartoe kunnen onder meer gaan behoren Nederlanders die langdurig in het buitenland verblijven, asielzoekers die in een vervolgprocedure zitten en ingezetenen van landen van de Europese Unie die tijdelijk wegens werkzaamheden in Nederland verblijven.

De voorzieningenvan het BSN-stelsel bestaan uit een nummergenerator die de nummers produceerten een nummerregister waarin de nummers worden opgeslagen samen met enige administratieve gegevens (zoals «datum aanmaak», «uitgegeven aan toekennende instantie ...») betreffende hetnummer. Voor hettoekennen van een burgerservicenummer aan een burger zijn er procedures en voorzieningen om nummers te distribueren naar de toekennende instanties. Voor de verificatie van een burgerservicenummer, datwil zeggen om na te gaan of een bepaald nummer daadwerkelijk een burgerservicenummer is, kunnen gebruikers van hetburgerservicenummer hetnummerregister raadplegen. Het BSN-stelsel faciliteert het ophalen van een aantal persoonsgegevens uit de GBA en in de toekomst uit de registratie van niet-ingezetenen die een burgerservicenummer hebben. De voorzieningen die ditmogelijk maken, maken deel uitvan de beheervoorziening. Deze voorzieningen van het BSN-stelsel staan niet op zich. Ze werken in samenhang met bestaande voorzieningen, in hetbijzonder metde voorzieningen die de GBA biedt voor hetkunnen raadplegen van persoonsgegevens van ingezetenen. De voorzieningen worden nader beschreven in hoofdstuk 6 van deze toelichting.

1 Elfproef:

  • BSN bestaatuit8 of 9 cijfers (bij 8 cijfers voorloopnul toevoegen). Hetmeestrechtse cijfer is het controlegetal; vermenigvuldig het meestlinkse cijfer van hetnummer met9;
  • vermenigvuldig hetcijfer daarnaastmet8, hetcijfer daarnaastmet7, enzovoorts, tothet achtste cijfer met 2 is vermenigvuldigd;
  • tel de uitkomsten van de vermenigvuldigingen bij elkaar op;
  • deel deze som door 11;
  • het restgetal, indien niet 10, is gelijk aan het controlecijfer.

Deze wetregeltdatalle overheidsorganen van hetburgerservicenummer gebruik kunnen maken voor het uitvoeren van hun publiekrechtelijke taak. Daarnaastkunnen bij of krachtens de wetgevallen worden geregeld waarin ook anderen dan overheidsorganen van hetburgerservicenummer gebruik dienen te maken. Beide categorieën worden in dit wetsvoorstel aangeduid als gebruiker. Bij de tweede categorie van gebruikers kan gedachtworden aan zorgaanbieders, onderwijsinstellingen, pensioenfondsen maar ook aan werkgevers bij hetverstrekken van salarisinformatie aan de Belastingdienst. Een gebruiker in de zin van het onderhavige wetsvoorstel mag bij het uitwisselen van persoonsgegevens met een andere gebruiker geen ander persoonsnummer dan hetburgerser-vicenummer hanteren als identificerend nummer, tenzij bij of krachtens de wethetgebruik van een ander persoonsnummer is voorgeschreven. Een gebruiker mag voor de communicatie met een persoon aan wie een burgerservicenummer is toegekend, geen ander persoonsnummer vragen dan hetburgerservicenummer. Hetgebruik door andere organisaties dan die welke onder hetbegrip «gebruiker» vallen, valtbuiten de reikwijdte van dit wetsvoorstel.

Hetis mogelijk dateen gebruiker intern een ander persoonsnummer hanteert dan het burgerservicenummer. In die situatie moet de betrokken gebruiker ervoor zorgen datheteigen nummer gerelateerd kan worden aan hetburgerservicenummer. Datkan bijvoorbeeld in de vorm van een koppeltabel. Daarmee wordt bewerkstelligd dat persoonsgegevens bij de

ene organisatie steeds eenvoudig raadpleegbaar zijn door een andere organisatie, ook al wordt intern een van het burgerservicenummer afwijkend nummer gehanteerd. Uiteraard moet de raadpleging wel zijn toegestaan. In hoofdstuk 8 wordt nader ingegaan op de rol die het BSN-stelsel kan spelen bij gegevensuitwisseling en op de waarborgen methetoog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Over dit laatste wordt hier reeds hetvolgende opgemerkt.

Methetoog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer omvat hetBSN-stelsel voorzieningen en spelregels die er voor zorgen dater vertrouwen bestaat in de wijze waarop de overheid met persoonsgegevens omgaat. Het vertrouwen wordt bevorderd door consequente toepassing van transparantie van wat de overheid heeft aan persoonsgegevens en wat zij daar mee doet. Deze transparantie wordt vormgegeven door een «Landkaart», waarop wordt vermeld welke categorieën van persoonsgegevens gebruikers hebben en welke zij onderling uitwisselen. Naast transparantie worden er maatregelen getroffen voor de beveiliging van persoonsgegevens op technisch en organisatorisch gebied en de informatieloosheid van persoonsnummers.

Momenteel wordthetsociaal-fiscaalnummer op hetpaspoort, de Nederlandse identiteitskaart en het rijbewijs vermeld. Het is de bedoeling van de regering dathetburgerservicenummer op alle door Nederlandse autoriteiten uitgegeven identiteitsdocumenten zal worden vermeld met inbegrip van de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Daarmee wordt het gebruik van het burgerservicenummer en de controle op de relatie tussen burgerservicenummer en de burger vereenvoudigd.

In de huidige situatie bestaan er mechanismen en regels die ervoor zorgdragen datde persoonlijke levenssfeer wordtbeschermd. Hetis van belang ervoor zorg te dragen dat de bestaande balans tussen enerzijds verbeteringen in de efficiëntie en andere voordelen van het BSN en anderzijds de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in ieder geval niet verslechterten waar mogelijk verbetertzodater minder risico’s worden gelopen. Voor wat de sectoren belastingen en sociale zekerheid betreft, is de huidige situatie dat in deze sectoren vrijwel steeds het sociaalfiscaalnummer wordtgebruiktwanneer persoonsgegevens worden vastgelegd of uitgewisseld. Er wordt in deze sectoren dus nu met één persoonsnummer gewerkten datzal ook in de toekomsthetgeval zijn. In deze twee sectoren verandert er derhalve niets op het gebied van het kunnen koppelen van gegevens en gegevensbestanden. Wat wel veran-dertis de kwaliteitvan hetpersoonsnummer. De invoering van hetBSN gaat gepaard met schoningsactiviteiten die ertoe dienen dat aan een persoon slechts één nummer is toegekend en dat een nummer slechts aan één enkele persoon is toegekend. Daarmee verminderthetrisico aanzienlijk datde gegevens die bij een bepaalde persoon horen, verbonden worden aan hetnummer van een ander persoon. Voor watbetreftde sector politie is de situatie dat de politie net als andere sectoren op dit momentde gevolgen van hetBSN-stelsel onderzoekten zich voorbereidt op invoering van het BSN. In de sector politie wordt momenteel in bepaalde situaties gebruik gemaakt van het sociaal-fiscaalnummer bij gegevensuitwisselingen. Daarvoor komt het BSN straks in de plaats. Voor wathetopvragen door de politie van gegevens bij andere organisaties betreft, veranderter door hetBSN niets, metdien verstande dathetin bepaalde gevallen eenvoudiger zal kunnen zijn om die gegevens op te vragen omdatmeer overheidsorganisaties van hetBSN gebruik zullen maken. Het wetsvoorstel brengt dus ook in deze sector geen verandering in de balans metzich mee.

1 Voorbeelden van de status zijn: «aangemaakt», «beschikbaar gesteld», «toegekend»

  • 6. 
    De voorzieningen van het BSN-stelsel

De werking van hetBSN-stelsel kan alleen worden beschreven in samenhang metandere voorzieningen. Datbetreftin hetbijzonder de basisregistraties voor persoonsgegevens, de registraties van identiteitsdocumenten, andere registraties waarin het burgerservicenummer is opgenomen en voorzieningen die binnen sectoren en organisaties aanwezig zijn om methetburgerservicenummer te werken. HetBSN-stelsel bestaat uit twee groepen van voorzieningen. De eerste groep wordt gevormd door voorzieningen die het nummer zelf betreffen. De tweede groep van voorzieningen ondersteunthetgebruik van hetburgerservice-nummer. De volgende twee paragrafen beschrijven deze voorzieningen. Daarna wordt ingegaan op de plaats van sectorale persoonsnummers en de koppeling methetburgerservicenummer, op de sectorale berichten-voorzieningen (SBV’s) en op de verantwoordelijkheden voor het BSN-stelsel.

6.1  Aanmaken, distribueren, toekennen en beheren van het burgerservicenummer

De eerste stap in de levenscyclus van een burgerservicenummer bestaat uithetaanmaken van een nummer van de juiste lengte (negen cijfers) dat voldoet aan de zogeheten elfproef. De nummers worden vastgelegd in een nummerregister onder meer om te voorkomen dat er dubbele nummers ontstaan. Vanuit het nummerregister worden de nummers gedistribueerd aan de instanties die bevoegd zijn om het nummer als burgerservicenummer toe te kennen. In het nummerregister wordt bijgehouden aan welke instantie het nummer is gedistribueerd. De voorziening die hetnummer aanmaakt, distribueerten beheertis de beheervoorzie-ning. De verantwoordelijkheid voor de beheervoorziening ligt bij de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties.

Wanneer een nummer als burgerservicenummer aan een persoon wordt toegekend, wordt dit vastgelegd. Er zijn twee registraties waarin deze vastlegging kan plaatsvinden. De eerste is de GBA en de tweede is de nog te realiseren registratie van niet-ingezetenen. Bij het toekennen van nummers aan personen, wordtgebruik gemaaktvan de procedures die gelden voor de opname van personen in de GBA en van de procedures die gaan gelden voor de registratie van niet-ingezetenen. Deze laatste procedures zullen zo worden opgezetdatze rechtdoen aan de vereisten van identiteitsvaststelling op een gelijkwaardig niveau zoals dat voor de GBA van toepassing is. Om ervoor te zorgen dat er geen overlappingen bestaan tussen de GBA en de registratie van niet-ingezetenen, worden procedures ontworpen die ervoor zorgen dat een persoon slechts staat geregistreerd in één van beide registraties.

Na hetaanmaken van een nummer, dienthetnummer beheerd te worden. Hetbeheer bestaatin ieder geval uithetpermanentvasthouden van het nummer en een aantal administratieve gegevens over het nummer in het nummerregister. Hetbeheer omvatook hetwijzigen van de status van een nummer1. Via de beheervoorziening kunnen gebruikers geconstateerde fouten met betrekking tot het burgerservicenummer terugmelden.

6.2  Ondersteuning van het gebruik

Hetgebruik van hetburgerservicenummer kenteen aantal verschijningsvormen. In de eerste plaats dient het burgerservicenummer voor opname in een registratie van een organisatie, zodat de gegevens van een persoon doeltreffend zijn terug te vinden. In de tweede plaats is het burgerservice-

e.d.                                                              nummer een hulpmiddel bij hetophalen of raadplegen van algemene

persoonsgegevens zoals die in de GBA en de toekomstige registratie van niet-ingezetenen zijn vastgelegd. In de derde plaats is het burgerservicenummer een hulpmiddel bij hetraadplegen van gegevens die in andere registraties zijn opgeslagen, bijvoorbeeld op het gebied van inkomens of opgebouwde verzekeringsrechten.

Om dit gebruik mogelijk te maken, zal de relatie tussen een burgerservicenummer en degene die aangeeftdathetbewuste nummer op hem of haar betrekking heeft, eenduidig moeten worden vastgesteld. Dit wetsvoorstel voorzietin hetvastleggen van hetvereiste datde relatie tussen persoon en nummer eenduidig vastgesteld moet worden. De precieze wijze waarop in concrete situaties deze vaststelling dient plaats te vinden, kan voor de verschillende sectoren op onderdelen verschillen en wordt in sectorale wetgeving vastgelegd. Voor het vaststellen van de relatie tussen een burgerservicenummer en een persoon, biedthetBSN-stelsel de aanvullende mogelijkheid om de status van een identiteitsdocument vast te stellen.

In die gevallen waarbij hetburgerservicenummer van een persoon niet bekend is, maar de identiteit van de persoon wel eenduidig kan worden vastgesteld, maakt de beheervoorziening van het burgerservicenummer hettechnisch mogelijk dathetburgerservicenummer van de persoon wordt opgezocht in de persoonsregistraties. Daarvoor moeten een aantal persoonsgegevens van de persoon beschikbaar zijn waarmee vervolgens in de registraties wordt gezocht. Dit onderdeel van het BSN-stelsel is nodig ook al wordthetburgerservicenummer op alle Nederlandse identiteitsdocumenten vermeld. Het kan immers voorkomen dat een persoon geen Nederlands identiteitsdocument bij zich heeft maar zijn identiteit wel op een andere manier kan aantonen1. Ook kan hetburger-servicenummer een rol spelen bij diensten die schriftelijk kunnen worden aangevraagd.

Het onderhavige wetsvoorstel en het BSN-stelsel verzorgen slechts een deel van de hiervoor genoemde ondersteuning, zie de artikelen 3, 14, 15 en 17. Gebruikers kunnen metbehulp van de beheervoorziening inlichtingen inwinnen uit het nummerregister, de GBA, de toekomstige registratie voor niet-ingezetenen of een van de registraties van identiteitsdocumenten. Het onderhavige wetsvoorstel maakt dit mogelijk.

Verder maakthetBSN-stelsel hettechnisch mogelijk dataan de hand van hetburgerservicenummer gegevens anders dan voor verificatiedoeleinden worden opgezocht of geraadpleegd in (persoons)registraties waarin hetburgerservicenummer is opgenomen. In hetbijzonder geldtdit voor de (toekomstige) authentieke registraties van persoonsgegevens. Daarvoor moeten gebruikers wel geautoriseerd zijn voor de betreffende (persoons)registratie. Het onderhavige wetsvoorstel voorziet hier niet in omdat zo’n raadpleging een gegevensuitwisseling betreft die in beginsel los staatvan hetburgerservicenummer (hetburgerservicenummer is slechts een hulpmiddel).

6.3 Sectorale persoonsnummers en het burgerservicenummer

HetBSN-stelsel sluithetgebruik van andere persoonsnummers nietuit. Hetstelsel is wel zo geconstrueerd dathetgebruik van andere persoonsnummers het BSN-stelsel niet verstoort. Er zijn in aanvulling op het burgerservicenummer, twee categorieën van andere persoonsnummers te onderscheiden, te weten aanvullende nummers en sectornummers. Aanvullende nummers zijn bedoeld voor personen die geen burgerser-1 Voorbeelden zijn kinderen jonger dan 14 jaar vicenummer hebben. Sectorale nummers zijn bedoeld voor iedereen in en grensarbeiders.                                          een bepaalde sector ongeacht of iemand een burgerservicenummer heeft.

De aanvullende nummers worden toegekend aan personen die om een bepaalde reden geen burgerservicenummer kunnen krijgen. Deze aanvullende nummers zijn onder meer nodig voor hetheffen van belastingen in de situatie waarin de Belastingdienst wel in staat is om te benoemen van welke persoon betaling van belasting wordtvereistmaar nietin de gelegenheid is om de identiteit vast te stellen op het niveau van betrouwbaarheid zoals datbij de GBA plaatsvindt. Datis bijvoorbeeld hetgeval met bepaalde categorieën personen die in het buitenland verblijven en over onroerende zaken belasting dienen af te dragen. Om ervoor te zorgen dat hetmogelijk blijftdatdeze nummers bestaan, zijn de volgende voorzieningen getroffen. Door de nummergenerator worden op verzoek van de Belastingdienstnummers geproduceerd die niette onderscheiden zijn van hetburgerservicenummer omdatze ook uitnegen cijfers bestaan en voldoen aan de «elfproef». Deze nummers worden aan de Belastingdienst geleverd om door deze dienst te worden toegekend aan personen die geen burgerservicenummer hebben maar wel contacthebben metde Belastingdienst. In het nummerregister wordt bij deze nummers aangetekend dat ze ter beschikking zijn gesteld aan de Belastingdienst om als sociaal-fiscaalnummer te worden toegekend. Hiermee wordt gerealiseerd dat(a) de systemen van de Belastingdienstslechts metéén soortnummer hoeven te werken, (b) deze specifieke nummers door raadpleging van het nummerregister onderscheiden kunnen worden van burgerservicenummers en (c) een bestaand sociaal-fiscaalnummer dat door de Belastingdienst al is uitgegeven aan een persoon die niet in de GBA is opgenomen of die niet in de registratie van niet-ingezetenen zal worden opgenomen, gehandhaafd kan worden.

Het bestaan van deze aanvullende nummers voor de Belastingdienst leidt ertoe dat het BSN-stelsel nog enige extra voorzieningen kent. In de eerste plaats gaathetdaarbij om de reikwijdte van de mechanismen waarmee nagegaan wordtof een persoon een burgerservicenummer heeftof een sociaal-fiscaalnummer. Vanwege hetaanvullende nummer van de Belastingdienst zal het naspeuren door de toekennende instanties van de desbetreffende nummers niet alleen in de GBA en in de toekomstige registratie van niet-ingezetenen maar ook in het relatiebeheer bestand van de Belastingdienst moeten gebeuren. In de tweede plaats moet het aanvullende nummer kunnen worden omgezetin een burgerservicenummer wanneer de betrokken persoon wordt ingeschreven in de GBA of wanneer de betrokken persoon geregistreerd wordt in de registratie van niet-ingezetenen. Dat gebeurt uiteraard pas nadat de identiteitsvaststelling volgens de procedures van de GBA respectievelijk de toekomstige registratie van niet-ingezetenen heeft plaatsgevonden.

De tweede categorie van andere persoonsnummers dan het burgerservicenummer, betreft de zogeheten sectornummers. In het advies Van Thijn wordtaanbevolen de mogelijkheid open te houden om persoonsnummers in een sector te introduceren die niet gelijk zijn aan het burgerservicenummer. Ditadvies wordtgevolgd. In hetgeval van een sectornummer bestaat echter nog steeds de noodzaak om te voorzien in een koppeling tussen het sectornummer en het burgerservicenummer van een persoon om sectoroverstijgende gegevensuitwisseling mogelijk te maken en omdatde burger nietkan worden verplichtom een ander persoonsnummer dan het burgerservicenummer te verstrekken. De sector die een eigen sectornummer invoert of handhaaft, dient daarom een vertaling mogelijk te maken tussen het sectornummer en het burgerservicenummer. Deze vertaling kan de vorm aannemen van een koppeltabel.

6.4  Sectorale berichtenvoorzieningen

Hetaantal organisaties dathetburgerservicenummer gaathanteren is bijzonder groot. In een aantal sectoren zijn daarom sectorale berichten-voorzieningen in ontwikkeling die ertoe bijdragen dat niet elke individuele organisatie een aansluiting op de beheervoorziening hoeft te verzorgen. De lasten verbonden met aansluiting op de beheervoorziening zijn niet verwaarloosbaar. Hetgaatdaarbij om hetrealiseren van netwerkverbindingen, de beveiliging daarvan, de autorisatiemechanismen en tal van organisatorische zaken. Het kan daarom voor een sector efficiënt zijn om gebruik te maken van een eigen informatie infrastructuur waarin bijvoorbeeld de autorisatie van gebruikende organisaties is geregeld zoals datin die sector ook al om andere redenen moetgebeuren.

Het BSN-stelsel onderkent daarom sectorale berichtenvoorzieningen die als knooppunt in de berichtenuitwisseling gaan functioneren. Deze voorzieningen moeten aan bepaalde voorwaarden voldoen. Het initiatief voor het instellen van een sectorale berichtenvoorzieningen ligt bij de voor die sector verantwoordelijke Minister. Tot de taak van een sectorale berichten-voorziening behoorthetvaststellen van hetfeitof een organisatie die zich meldt, daadwerkelijk een gebruiker is waarvoor deze berichtenvoorziening bestemd is. Een sectorale berichtenvoorziening is een gebruiker in de zin van dit wetsvoorstel.

6.5  Verantwoordelijkheidsverdeling in het BSN-stelsel

Hetburgerservicenummer kan in alle sectoren van de Nederlandse overheid worden gebruikt. De verantwoordelijkheid voor het gebruik van het burgerservicenummer ligtbij degene die voor de desbetreffende gegevensverwerking verantwoordelijk is. De centrale voorzieningen van het BSN-stelsel vallen echter onder de verantwoordelijkheid van de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties. Dat betekent dat de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties verantwoordelijk is voor het aanmaken en registreren van burgerservicenummers en voor de beheervoorziening. Voor hetop een correcte wijze toekennen van burgerservicenummers aan ingezetenen is het college van burgemeester en wethouders verantwoordelijk. De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties is verder verantwoordelijk voor hetfunctioneren van hetBSN-stelsel als geheel.

  • 7. 
    Gevolgen voor de administratieve lasten

Heteffectvan hetburgerservicenummer op administratieve lasten valt uiteen in twee onderdelen. Het eerste onderdeel betreft de vraag of de invoering van hetburgerservicenummer zelf leidttotnieuwe administratieve lasten. Het tweede onderdeel betreft de vraag of het gebruik van het burgerservicenummer leidt tot een beperking van administratieve lasten.

7.1 Potentiële nieuwe administratieve lasten veroorzaakt door de invoering van hetburgerservicenummer

De realisatie van de centrale voorzieningen voor het burgerservicenummer veroorzaaktextra inspanningen van de overheid, in hetbijzonder van de meest betrokken departementen, die hun informatiesystemen en hun procedures moeten aanpassen. Hierdoor worden geen nieuwe administratieve lasten voor burgers en bedrijven veroorzaakt. Pas op het momentdathetburgerservicenummer daadwerkelijk wordtingevoerd in een bepaald domein van overheidsactiviteiten, kan er sprake zijn van een (tijdelijke) last die veroorzaakt wordt door de omzetting van bestaande nummers naar het burgerservicenummer. Er zijn vier situaties te onder-

scheiden waarin voor organisaties die het burgerservicenummer gebruiken mogelijk tijdelijke omzettingslasten kunnen optreden:

  • 1. 
    Organisaties die nu al het sociaal-fiscaalnummerhanteren, ondervinden minimale tijdelijke lasten. Omdat het burgerservicenummer immers als nummer gelijk is aan hetbestaande sociaal-fiscaalnummer, kan worden volstaan methetveranderen van de omschrijving «sociaal-fiscaalnummer» in «burgerservicenummer» op formulieren en op andere media.
  • 2. 
    In de gevallen waarin organisaties een aanvullendnummergebruiken voor personen die geen sociaal-fiscaalnummer bezitten, is een eenmalige omzetting van het bij die personen behorend nummer naar het burgerservicenummer noodzakelijk. Hetgaathierbij naar schatting hoogstens om tien procent van het klantenbestand van organisaties.
  • 3. 
    In de gevallen datorganisaties een eigennummerhanteerden voor personen datongelijk is aan hetsociaal-fiscaalnummer, is er eveneens sprake van een eenmalige omzetting naar het burgerservicenummer. Hierbij gaathetdan wel om hetgehele relatiebestand van zo’n organisatie.
  • 4. 
    Verder kunnen er organisaties zijn die nu en in de toekomst intern een eigen nummerhanteren. In dat geval zal er een koppeltabel moeten worden opgebouwd om de transformatie van het eigen nummer naar het burgerservicenummer en omgekeerd te kunnen uitvoeren. Voorts zullen deze organisaties deze koppeltabel (permanent) moeten beheren, datwil zeggen datnieuw toegekende nummers gekoppeld moeten worden aan hetburgerservicenummer en dathetkoppel-bestand beschikbaar moet zijn om de gegevensuitwisseling met andere organisaties die het burgerservicenummer wel hanteren, mogelijk te maken.

De lasten genoemd onder het eerste punt zijn minimaal van omvang, zeker wanneer de omzetting in de gebruikelijke onderhoudscyclus van de betrokken informatiesystemen wordt meegenomen. Voor de lasten genoemd onder hettweede toten methetvierde puntgeldtdatze merendeels het karakter van een eenmalige omzetting hebben, die vergeleken zou moeten worden met de lasten die in de huidige situatie optreden wanneer gegevensuitwisseling nodig is. Ook daarbij is het immers nodig om een (tijdelijke) omzetting te verzorgen. Alleen in het theoretische geval dateen overheidsorganisatie haar gegevens over burgers nooitzou (hoeven te) delen met die van andere overheidsorganisaties, is er sprake van additionele lasten.

Daarmee resteert een beschouwing van de lasten die gepaard gaan aan hetonderhouden van een koppeltabel (hetopbouwen van een koppeltabel is immers vergelijkbaar metheteenmalig omzetten van nummers). Bij het delen van informatie zonder dezelfde nummers, zijn a priori twee werkwijzen mogelijk. De eerste werkwijze bestaatuithetvooraf aan elkaar relateren van de informatie door een koppeltabel. De andere werkwijze bestaateruitdathetrelateren pas plaatsvindtop hetmomentdatinfor-matie gedeeld moet worden. Naarmate de frequentie en de volledigheid van het delen van informatie toeneemt, wordt het (permanent) onderhouden van een koppeltabel efficiënter dan het steeds weer relateren van informatie. In het algemeen is een koppeltabel vrijwel steeds efficiënter dan eenmalig relateren.

In hetvoorgaande zijn alleadministratieve lasten in ogenschouw genomen, ongeacht de actor waarop ze betrekking hebben. Over het algemeen zijn hetoverheidsorganisaties waarop de beschreven mogelijke lasten zullen drukken. De implementatie van het burgerservicenummer door de verschillende delen van de overheid, kan potentieel administra-

tieve lasten genereren voor het bedrijfsleven en voor de burger. De administratieve lasten die mogelijk voor bedrijven zouden kunnen optreden, hebben dan betrekking op de gegevensopslag en de uitwisseling van gegevens met de overheid. In de meeste gevallen, zoals bij informatiestromen naar de fiscus en bij de sociale verzekeringen, is daarbij al sprake van verplichtgebruik van hetsociaal-fiscaalnummer. De lasten vallen dus in de hiervoor benoemde eerste categorie. Voorzover er verder bij het bedrijfsleven aanvullende of sectorale nummers gebruiktworden, ligthet in de rede datdeze beheerd zullen worden door hetoverheidsorgaan waarmee de gegevensuitwisseling plaatsvindt. Additionele lasten voor het bedrijfsleven, anders dan een volledig automatisch uit te voeren conversieslag, zijn er dus niet.

Ten slotte zou de implementatie van het burgerservicenummer administratieve lasten kunnen veroorzaken voor de burger. In sommige situaties gebruiken overheidsorganen immers andere nummers voor haar correspondentie met de burger. De feitelijke eenmalige administratieve last bij omzetting van bijvoorbeeld een correspondentienummer naar het burgerservicenummer, is voor de burger minimaal te noemen. Op termijn vereenvoudigtde invoering van hetburgerservicenummer de situatie voor de burger omdatdeze in de toekomstslechts metéén nummer te maken gaatkrijgen.

7.2 Potentiële reductie van administratieve lasten door het gebruik van hetburgerservicenummer

Het burgerservicenummer zelf reduceert de administratieve lasten niet. Reductie treedtpas op wanneer hetburgerservicenummer wordtinge-voerd en actief wordt gebruikt door organisaties. De reductie is het sterkst wanneer hetburgerservicenummer wordtingevoerd en er gebruik van wordtgemaaktin combinatie metde andere bouwstenen die in de beleidsnotitie «Op weg naar de elektronische overheid» worden genoemd. Om diteffectte illustreren, worden in hetvolgende een aantal casus geschetst waarin de reductie inzichtelijk wordt gemaakt.

  • 1. 
    Hetburgerservicenummer kan dienen als koppelgegeven wanneer organisaties metelkaar gegevens uitwisselen. Ditis hetmeestvoor de hand liggende effectvan hetburgerservicenummer. Hetsteltorganisa-ties in staat om gegevens over personen te raadplegen die een andere organisatie heeft verzameld, uiteraard alleen als die raadpleging is toegestaan, en wel zonder moeizaam vergelijken van namen en andere identificerende gegevens.
  • 2. 
    Hetburgerservicenummer kan gebruiktworden om de persoonsgegevens zoals deze in de basisregistraties voor personen worden bijgehouden, actueel te houden of met relatief weinig inspanning actueel te maken door gebruik te maken van de basisregistraties van personen. In het Programma Stroomlijning Basisregistraties wordt gewerkt aan de situatie waarin organisaties zelf geen persoonsgegevens meer hoeven te verzamelen en bij te houden. Voor de burger en hetbedrijfsleven betekentditdatze minder vaak hun gegevens zoals naam, adres, woonplaats etc. aan overheidsorganen hoeven aan te leveren.
  • 3. 
    Hetburgerservicenummer is een hulpmiddel om hetbeginsel van eenmalige gegevensverstrekking in te vullen. Toepassing van dit beginsel houdtin datgegevens die een keer door de burger of door bedrijven zijn aangeleverd, nietnog een keer door de burger hoeven te worden verstrekt. Met andere woorden, gegevens worden uit een stelsel van basisregistraties gehaald en de burger of het bedrijf hoeft deze zelf nietopnieuw aan te leveren.
  • 4. 
    Hetburgerservicenummer kan gebruiktworden om elektronisch trans-

acties metde overheid uitte voeren. Door hetburgerservicenummer te koppelen aan DigiD1, kan de burger zich op een betrouwbare manier elektronisch kenbaar maken aan de overheid. Daardoor worden gewone transacties vervangen door elektronische, ontstaat de mogelijkheid van dienstverlening ook buiten de gebruikelijke openingstijden en zonder wachtrijen. Voorwaarde voor deze toepassing van het burgerservicenummer is realisatie van DigiD.

Deze vier voorbeelden van reductie van administratieve lasten, hebben in verschillende mate betrekking op de burger, het bedrijfsleven en de overheid zelf. In de eerste casus zijn hetoverheidsorganen die van hetgebruik van hetburgerservicenummer hetmeeste profijthebben. Zij kunnen hun informatie immers efficiënter uitwisselen. In het verlengde daarvan kan het voorkomen dat burgers minder vaak informatie hoeven te verstrekken. In de tweede casus zijn hetnaastoverheidsorganen ook de burgers die baathebben bij hetburgerservicenummer omdathetopbouwen van diverse persoonsregistraties tot het verleden gaat behoren. Bij de derde casus komtook hetbedrijfsleven aan bod. Doordatmeer bestaande registraties worden uitgebouwd tot basisregistraties, en doordat deze basisregistraties ook informatie bevatten die afkomstig is van het bedrijfsleven (zoals bouwtekeningen), zal de behoefte om bepaalde gegevens bij het bedrijfsleven vaker dan eenmaal op te vragen, verminderen. In de vierde casus zijn hetweer de overheid en de burger die hetmeestbaatzullen hebben.

Voor alle voorbeelden geldtdater ook nu al veel mogelijk is metbehulp van hetsociaal-fiscaalnummer. De meerwaarde van hetburgerservice-nummer ligtenerzijds in de uitbreiding van de personen die een burgerservicenummer krijgen ten opzichte van de personen die nu een sociaalfiscaalnummer bezitten. Anderzijds ligt de meerwaarde van het burgerservicenummer in de opname ervan in veel meer registraties van de overheid en voorzover er registraties over blijven met een «eigen» nummer, het bestaan van koppeltabellen waarmee automatisch de vertaling van een sectornummer naar het burgerservicenummer en omgekeerd plaats kan vinden.

De voordelen van hetburgerservicenummer strekken zich uitover de burgers en grote delen van hetbedrijfsleven. Hetburgerservicenummer raaktalle burgers in de contacten metoverheidsorganen die nu niethet sociaal-fiscaalnummer gebruiken of die hetsociaal-fiscaalnummer wel gebruiken maar hetnietvoor de communicatie metde overheid kunnen benutten. Dat is onder meer het geval bij registraties op het gebied van verkeer en vervoer, bij communicatie tussen de burger en onderwijsinstellingen en in de zorg. Het aantal contacten tussen de overheid en de burger waarbij hetburgerservicenummer een rol kan gaan spelen, bedraagtvoor alle bezitters van een rijbewijs samen in de orde van grootte van 600 000 op jaarbasis. De ruim 3,5 miljoen studerenden hebben minimaal eenmaal per jaar een administratief contact met de overheid.

Hetburgerservicenummer raaktverder aan alle bedrijven die op de een of andere manier betrokken zijn bij de uitvoering van regelingen van de overheid die betrekking hebben op individuele burgers. Dat betreft bijvoorbeeld de meer dan achtduizend2 organisaties in de onderwijssector en de meer dan vijfendertigduizend organisaties in de zorgsector. Deze organisaties kunnen in staat worden gesteld om het burgerservicenummer te gaan gebruiken ter facilitering van hun diensten aan burgers en voor het afhandelen van allerlei formaliteiten op het gebied van declaraties en vergoedingen.

1  Zie hoofdstuk 3.

2  Cijfers ontleend aan het CBS.

Om een beeld te verkrijgen van de omvang van de reductie van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven en de burger is een tweetal onderzoeken uitgevoerd. Het eerste van deze onderzoeken richtte zich op de reductie van administratieve lasten voor het bedrijfsleven. Conclusie van ditonderzoek was, datde invoering van hetburgerservicenummer leidt tot een (bescheiden) jaarlijkse reductie van deze administratieve lasten, die vanaf 2008 oploopttot€ 1,3 miljoen voor hetbedrijfsleven. Het tweede onderzoek had betrekking op heteffectvan hetburgerservice-nummer op de administratieve lasten voor de burger. Deze reductie loopt op tot circa 1 135 000 uur op jaarbasis voor de burger. De invoering van hetburgerservicenummer is nietvan invloed op de kosten die de burger maaktvoor hetvoldoen aan informatieverplichtingen. De burger hoeft voor de invoering van hetburgerservicenummer geen eenmalige lasten op te brengen. Zo hoeftde burger, na invoering van hetburgerservice-nummer, nietnaar hetloketvan een dienstverlener om zijn identiteitte laten verifiëren.

Zowel voor de reductie van administratieve lasten voor bedrijven als voor die voor burgers, geldtdathethierbij gaatom potentieel te behalen reducties. Deze reducties worden pas gerealiseerd wanneer organisaties hetburgerservicenummer daadwerkelijk gaan gebruiken.

  • 8. 
    De bescherming van persoonsgegevens

8.1 Inleiding

De invoering van hetburgerservicenummer laatde verhoudingen in de verantwoordelijkheden bij het uitwisselen van persoonsgegevens intact. De sectorale wet- en regelgeving, waarmee het gebruik van het burgerservicenummer in bijvoorbeeld hetfiscale domein, de zorg, hetonderwijs en de sociale zekerheid zal worden geregeld, speelthierbij dus een essentiële rol. Op de gegevensverwerkingen waarbij hetburgerservicenummer wordtgebruiktzijn de formele en materiële bepalingen van de Wbp en van bijzondere wetten zoals de Wet GBA onverkort van toepassing. Het burgerservicenummer en hetBSN-stelsel brengen daarin geen verandering. Het onderhavige wetsvoorstel is een wet als bedoeld in artikel 24, eerste lid, Wbp. In het wetsvoorstel wordt voor het gebruik van het burgerservicenummer als persoonsnummer een wettelijk kader gecreëerd.

Wel is hetzo datde introductie van hetburgerservicenummer de technische barrières vermindertvoor hetuitwisselen en hetmeervoudig gebruik van persoonsgegevens. Heteffectvan hetwegvallen van deze technische barrières brengt de realisatie van eenmalige gegevensverstrekking door de burger dichterbij. Hetburgerservicenummer is, zoals in hethoofdstuk over administratieve lasten wordt uiteengezet, niet de enige bouwsteen. Met name de totstandkoming van het stelsel van basisregistraties maakt, in combinatie metde invoering van hetburgerservicenummer, hetmeer-voudig gebruik van persoonsgegevens door overheidsorganisaties beter mogelijk.

In de volgende paragraaf wordtnagegaan watheteffectvan een algemeen persoonsnummer is op hetkoppelen van gegevens. Daarna worden hetburgerservicenummer, hetnummerregister en hetgebruik van de voorzieningen van hetBSN-stelsel bekeken vanuitde beginselen van doelbinding, zorgvuldigheid en minimaal verzamelen. Vervolgens wordt de transparantie van het burgerservicenummer toegelicht. Het hoofdstuk wordtafgesloten meteen overzichtvan de voorwaarden die verbonden zijn aan hetgebruik van hetburgerservicenummer.

8.2  Koppelen meten zonder persoonsnummer

Gebruik van persoonsgegevens die al eerder of door een andere organisatie zijn vastgelegd, noodzaakt tot de een of andere vorm van koppeling van gegevens die bij eenzelfde persoon behoren. De meestideale vorm van koppeling is die waarbij de te koppelen gegevens eenzelfde identificerend nummer bevatten. Het burgerservicenummer is zo’n nummer. Er zijn echter andere manieren om gegevens te koppelen. Een daarvan wordt in hetvolgende voorbeeld besproken.

Een gebruiker (bijvoorbeeld een pensioenfonds) verzoektde GBA om NAW-gegevens van een cliënt, omdat de GBA daarvoor de aangewezen registratie persoonsgegevens is. De huidige praktijk is dat beide organisaties een eigen nummer hanteren. Indien beide organisaties het burgerservicenummer hanteren zal de uitwisseling van gegevens efficiënter en met minder fouten plaats kunnen vinden. Letwel, hetis dus nietnoodzakelijk hiervoor hetburgerservicenummer te gebruiken. Hetburgerservice-nummer is in deze situatie een handig hulpmiddel. Het koppelen van gegevens metbehulp van hetburgerservicenummer levertbetrouw-baarder informatie op dan koppelen zonder eenzelfde nummer. Bovendien zorgthetkoppelen van gegevens metbehulp van één nummer ervoor dat de organisaties die gegevens uitwisselen minder andere persoonsgegevens hoeven uit te wisselen om zekerheid te verkrijgen dat ze met dezelfde persoon van doen hebben. Metbehulp van één persoonsnummer is hetin theorie ook mogelijk om gerichtpersoonsinformatie bij de diverse organisaties op te vragen. Dat maakt het toepassen van technieken als «ontkoppeld koppelen1» mogelijk.

8.3  Toets op doelbinding, zorgvuldigheid en minimaal verzamelen

Het burgerservicenummer zelf is het eerste voorwerp van toetsing. Een persoonsnummer wordtimmers als persoonsgegeven beschouwd, zoals verwoord in de memorie van toelichting betreffende de Wbp (kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, blz. 127). Het burgerservicenummer bevat geen informatie die betrekking heeft op een persoon, aan het nummer kunnen geen rechten worden ontleend, het moet uniek aan een persoon zijn toegekend en hetmoetvoldoen aan hetcriterium van noodzakelijk gebruik.

  • 1. 
    Doelbinding Noodzakelijk gebruik van hetburgerservicenummer impliceertdathet burgerservicenummer alleen gebruiktwordtin die situaties waarin het gebruik van een persoonsnummer noodzakelijk is voor de betrokken handeling of dienst van de gebruikende organisaties. In de situatie waarin een gebruiker geen persoonsgegevens van de burger hoeft vast te leggen voor de uit te voeren handeling of dienst, is er geen sprake van een toegestane gegevensverwerking en is dus ook het gebruik van hetburgerservicenummer niettoegestaan.
  • 2. 
    Zorgvuldigheid De aard van een persoonsnummer is dathetuniek aan een persoon wordttoegekend. Hetnummerregister houdtbij welke nummers zijn toegekend. Om te verzekeren dat het proces van toekenning goed doorlopen wordt, dient er controle te zijn. Hiertoe zijn technische controles voorzien onder meer voor de juiste werking van het nummerregister. De goede werking van de controle wordt continu bewaaktdoor de functionaris gegevensbescherming. Hetgeheel van procedures wordtdaarnaastgetoetstin een driejaarlijks onderzoek van de beheervoorziening. In de situatie waarin een zwaarwegend vermoeden bestaatdateen nummer meervoudig is toegekend, kan het

Zie voetnoot 1, blz. 7.                                          mechanisme van het«markeren» van een burgerservicenummer in het

nummerregister worden gebruikt. Door «markering» zien gebruikers dathetnummer in kwestie nietgeschiktis voor hetraadplegen en vastleggen van persoonsgegevens. Uniciteit van het burgerservicenummer impliceertdathetBSN-stelsel zo is opgebouwd dathetniet mogelijk is dateen persoon meerdere nummers krijgtof heeft. Alle personen die een burgerservicenummer krijgen, zijn slechts eenmaal opgenomen in de GBA (of in de te vormen registratie voor niet-ingezetenen). De procedures voor de opname van personen in deze registraties moeten goed op elkaar zijn afgestemd. Indien meerdere nummers aan één persoon zijn toegekend kan het mechanisme van hetmarkeren van nummers in hetnummerregister worden gebruikt. 3. Minimaal verzamelen

Hetburgerservicenummer bevatgeen informatie over de persoon op wie hetnummer betrekking heeft(zie paragraaf 4.2). Verwerking van hetburgerservicenummer en de opname van hetburgerservice-nummer leidtop zichzelf dan ook niettoteen feitelijke vergroting van hetaantal persoonsgegevens datorganisaties opslaan en verwerken.

Hettweede objectvan toetsing vormthetnummerregister:

  • 1. 
    Doelbinding Alle gegevens die worden opgenomen in hetnummerregister zijn noodzakelijk voor hetaanmaken, distribueren en beheren van de nummers en worden ook alleen daarvoor gebruikt.
  • 2. 
    Zorgvuldigheid De plicht van de overheidsorganen om de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties alle relevante informatie te verstrekken die nodig is voor hetbijhouden van hetnummerregister, de functionaris voor de gegevensbescherming en het periodieke onderzoek naar de naleving van de procedures, bewaken de zorgvuldigheid.
  • 3. 
    Minimaal verzamelen Hetnummerregister bevatnaasthetburgerservicenummer geen persoonsgegevens.

Ook de verschillende mogelijkheden totgebruik van hetBSN-stelsel dragen bij aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en in het bijzonder aan de zorgvuldigheid waarmee methetburgerservicenummer wordtomgegaan:

  • 1. 
    HetBSN-stelsel maakthetmogelijk datnummers geverifieerd worden. Verifiëren levertinformatie over hetfeitof hetburgerservicenummer is toegekend en of het burgerservicenummer is gemarkeerd. Verifiëren draagtbij aan de vereiste zorgvuldigheid.
  • 2. 
    HetBSN-stelsel faciliteerthetverifiëren van hetburgerservicenummer zelf en de bijbehorende persoonsgegevens uitde GBA en uitde registratie van niet-ingezetenen. Hiervoor wordt de wettelijk verankerde autorisatiestructuur van de GBA gebruikt. Voor de registratie van niet-ingezetenen wordt een gelijkwaardige autorisatiestructuur ontworpen. Hierdoor verandert er niets met betrekking tot de raadpleging van de GBA.
  • 3. 
    HetBSN-stelsel faciliteerthetverifiëren van de geldigheid van identiteitsdocumenten, in het bijzonder van het paspoort, de Nederlandse identiteitskaart en het rijbewijs. Bij deze verificatie worden geen persoonsgegevens gebruiktmaar wordthetdocumentnummer gebruikt. Ook deze verificatie draagt bij aan de zorgvuldigheid waarmee gebruikers omgaan metpersoonsgegevens.

De voorzieningen van het BSN-stelsel moeten uiteraard alleen gebruikt worden door organisaties die daartoe bevoegd zijn, dat wil zeggen door gebruikers in de zin van dit wetsvoorstel.

Er dientdaarom voor te worden gezorgd datalleen organisaties die daartoe bevoegd zijn, de voorzieningen van het BSN-stelsel kunnen gebruiken. Het BSN-stelsel is alleen toegankelijk voor overheidsorganen en voor andere organisaties in het kader van de uitvoering van een wettelijke verplichting. In de praktijk betekentditdatelke keer datde voorzieningen van het BSN-stelsel worden gebruikt, authenticatie van de organisatie plaats dient te vinden. Mede om de naleving van de procedures en processen met betrekking tot het authenticeren te bewaken, kent de beheervoorziening een functionaris voor de gegevensbescherming.

Bij sommige sectoren treedt de situatie op dat het aantal gebruikende organisaties dusdanig groot is dat authenticatie een omvangrijke aangelegenheid is wanneer deze door de beheervoorziening zou worden uitgevoerd. In die gevallen kan bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van de Minister die het aangaat, een sectorale berichtenvoor-ziening worden ingesteld die de authenticatie verzorgt. Ook in deze situatie is verzekerd dat alleen gebruikers de voorzieningen van het BSN-stelsel kunnen gebruiken.

8.4  Burgerservicenummer en transparantie: de Landkaart

Onderdeel van de invoering van hetburgerservicenummer vormthet realiseren van de zogeheten Landkaart. De Landkaart is een voorziening in de vorm van een website waarop informatie staat door welke overheids-gebruiker, welke (categorieën van) persoonsgegevens worden vastgelegd en welke (categorieën van) persoonsgegevens worden uitgewisseld met andere gebruikers waaronder begrepen gebruikers die geen overheidsorgaan zijn. De Landkaartbiedtgeen inzichtin de persoonsgegevens van individuele burgers, maar maakt inzichtelijk welke categorieën van gegevens organisaties volgens de wet mogen vastleggen en uitwisselen en welke wettelijke grondslag daarvoor bestaat. Hiermee wordt bereikt dat burgers systematisch inzicht krijgen in hoe de overheid haar burgers registreert.

8.5  Voorwaarden voor hetgebruik van hetburgerservicenummer

Een persoonsnummer vormteen hulpmiddel bij gegevensverwerking. Gegevensverwerkingen zijn toegestaan onder de voorwaarden die algemene regelgeving, zoals de Wbp en specifieke regelgeving, zoals de wet GBA, daaraan stelt. Door het Cbp is geadviseerd om meer aandacht te schenken aan de voorwaarden die voor hetgebruik van hetburgerservice-nummer gelden. Hieraan wordtin hetnavolgende invulling gegeven.

Hetgebruik van hetburgerservicenummer is alleen toegestaan bij een gegevensverwerking, indien de gegevensverwerking zelf is toegestaan. Daarbij dienteen gebruiker van hetburgerservicenummer zich ervan te vergewissen dathetburgerservicenummer hoortbij degene waarop het geachtwordtbetrekking te hebben. Daarnaastis er een aantal voorwaarden datbetrekking heeftop hetnummer zelf. Datbetreftonder meer het aanmaken, distribueren, toekennen en beheren van de burgerservicenummers. Dit wetsvoorstel stelt daarvoor de voorwaarden in de hoofdstukken 2 en 3. Hetsteltook de voorwaarden die gelden voor hetgebruik van de voorzieningen van hetBSN-stelsel, zoals hetkunnen verifiëren van een burgerservicenummer en hetverifiëren van de geldigheid van een identiteitsdocument (zie hoofdstuk 4). Voor de goede orde wordt op de voorwaarden voor hetgebruik van hetburgerservicenummer in gegevensverwerkingen in de volgende twee alinea’s uitgebreider ingegaan.

Eén voorbeeld van gegevensverwerking vormthetaanleggen van registraties. Het is de registratie zelf die persoonsgegevens bevat die kunnen

raken aan de persoonlijke levenssfeer. Hetgebruik van hetburgerservice-nummer is – uiteraard – slechts toegestaan wanneer het om een registratie gaat die zelf is toegestaan. In de context van een registratie waarin persoonsgegevens worden opgeslagen, is hetburgerservicenummer een hulpmiddel om gegevens goed te kunnen opslaan, te bewerken en terug te zoeken. Aangezien het burgerservicenummer geen informatie bevat, is het niet mogelijk om er informatie aan te ontlenen die de persoonlijke levenssfeer kan raken. Hetburgerservicenummer is daarmee te beschouwen als een administratief hulpmiddel waarvan het toegestane gebruik in een registratie samenvalt met het toegestaan zijn van de registratie zelf.

Een ander voorbeeld van gegevensverwerking, vormthetuitwisselen van gegevens tussen registraties. Centraal hierbij staat de vraag of de gegevensuitwisseling zelf is toegestaan. Wanneer dat het geval is, dan is hetburgerservicenummer een hulpmiddel om deze uitwisseling efficiënt te laten verlopen. Het gebruik van het – informatieloze – burgerservicenummer bij gegevensuitwisseling is dus alleen toegestaan wanneer de gegevensuitwisseling zelf is toegestaan. Het spreekt voor zich dat het toegestaan zijn van zo’n gegevensuitwisseling wordt bepaald door de bestaande regelgeving op het gebied van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Overigens wordtdoor middel van de (expliciete) voorwaarde die aan gebruikers wordtgesteld om in bepaalde gevallen bij deze gegevensuitwisseling het burgerservicenummer te gebruiken, het risico datgegevens foutief aan elkaar worden gekoppeld minder groot dan wanneer hetalgemene persoonsnummer nietzou worden gebruikt. Datkan in voorkomende gevallen ervoor zorgen datminder vaak navraag bij de burger moetworden gedaan naar de juistheid van bepaalde gegevens en betekent derhalve een positieve impuls voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Andere voorwaarden die op verschillende plaatsen in het wetsvoorstel aan de orde komen, zijn:

  • 1. 
    Hetgebruik is nietvrijblijvend. Gebruikers in de zin van hetwetsvoor-stel moeten het burgerservicenummer gebruiken in hun communicatie metde burger voorzover zij daarbij een persoonsnummer verlangen. Voorts moeten gebruikers het burgerservicenummer gebruiken wanneer zij metelkaar gegevens uitwisselen over burgers en daarbij een persoonsnummer hanteren, tenzij voor die gegevensuitwisseling bij of krachtens de wet een ander persoonsnummer is voorgeschreven. Uiteraard gelden vorenstaande verplichtingen niet als het een burger betreft aan wie geen BSN is toegekend.
  • 2. 
    Overheidsorganen moeten opgeven voor welke gegevensverwerkingen hetburgerservicenummer wordtgebruiktom hetgebruik van hetburgerservicenummer transparantte maken metbehulp van de zogeheten Landkaart.
  • 3. 
    Overheidsorganen moeten de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties alle informatie verschaffen die voor het bijhouden van hetnummerregister van belang is.

Hetadvies van hetCbp geeftaan datdoor hetinvoeren van een «ombudsfunctie» voor het burgerservicenummer, meer vertrouwen in het gebruik van hetburgerservicenummer kan worden bewerkstelligd. In een afzonderlijk onderzoek is nagegaan op welke wijze hieraan invulling kan worden gegeven. Datkan hetbestdoor de functionaris voor de gegevensbescherming van de beheervoorziening die op grond van artikel 19 is benoemd, te laten functioneren als aanspraakpunt voorzover dit nodig is in verband met bestaand intern en extern klachtrecht en de voorzieningen die reeds op grond van de Wbp bestaan. Voor wat betreft meldingen betreffende identiteitsfraude en identiteitsdiefstal heeft de functionaris gegevensbescherming een faciliterende rol, gezien de bestaande verant-

woordelijkheid van hetOpenbaar Ministerie. Voor watbetreftdathet behoorlijk en in overeenstemming met de wettelijke voorschriften handelen staatvoorop datde burger zich wendttotde verantwoordelijke voor de gegevensverwerking in kwestie. De functionaris voor de gegevensbescherming zou hierbij een faciliterende rol kunnen vervullen bijvoorbeeld ten aanzien van het bewaken van de doorlooptijd en het vermijden van doorverwijsproblemen.

Op de inhoudelijke gronden die in de vorige alinea staan beschreven, is er afgezien van het introduceren van een afzonderlijk centraal aanspreekpunt voor het BSN-stelsel. De te beleggen taken passen goed bij de rol van de functionaris voor de gegevensbescherming van de beheervoorziening en zullen daarbij worden ondergebracht. Daarnaast kan de burger uiteraard een beroep doen op de bestaande voorzieningen voor intern en extern klachtrechtop hetgebied van de desbetreffende gegevensverwerking.

HetCbp noemtin hetadvies voorts dathetwenselijk is om een toetsingskader in het leven te roepen en om het instrumentarium van beleid en richtlijnen expliciet in te zetten. Ook dat zou de normering ten goede komen. Een toetsingskader is een handvat voor betrokkenen bij het BSN-stelsel voor de goede uitvoering van de wet- en regelgeving en tevens een hulpmiddel voor degenen die daarop toezicht uitoefenen zoals de functionaris gegevensbescherming en hetCbp. Daarmee wordt(dus) een nadere uitwerking en operationalisering gegeven van de voorwaarden die hiervoor aan de orde kwamen. Daarnaastis hetmogelijk dat het toetsingskader een toelichting bevat op de algemene regels die in de Wbp zijn vastgelegd ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer en datheteen richtsnoer biedtvoor de beveiliging van informatie. Hettoet-singskader zal mede van belang zijn voor hetformuleren van de eisen waaraan gebruikers moeten voldoen om van de voorzieningen van het BSN-stelsel gebruik te kunnen maken (vergelijk artikel 16, dat de grondslag bevat voor de «aansluitvoorwaarden» waaraan gebruikers moeten voldoen). Aan het opstellen van het toetsingskader wordt bij de ontwikkeling van hetBSN-stelsel in samenwerking methetCbp ruim aandacht besteed. Naar de mening van hetkabinetis hetechter nietnodig om het toetsingskader als hier bedoeld een wettelijke verankering te geven. Dezelfde opvatting heefthetkabinetmetbetrekking tothetverankeren van «beleid en richtlijnen». Daarvoor geldtoverigens datmetname de uitkomsten van de onderzoeken bedoeld in artikel 21 bepalend zullen zijn voor de mate waarin dit instrument nodig zal blijken te zijn.

Ten slotte merkthetCbp op dataandachtwenselijk is voor hetcreëren van de equivalenten op sectoraal en lokaal niveau van de zogeheten vier vertrouwensfuncties, te weten Landkaart, ombudsfunctie, toetsingskader en beleid en richtlijnen. Voor watde Landkaartbetreft, voorziethetwets-voorstel in een alles omvattende Landkaart. Een mogelijke sectorale verdieping van de Landkaartis op basis van hetwetsvoorstel mogelijk. Sectorale ombudsfuncties, bijvoorbeeld in de vorm van functionarissen gegevensbescherming voor sectorale berichtenvoorzieningen, kunnen een belangrijke aanvulling betekenen op de functionaris gegevensbescherming zoals deze in het wetsvoorstel is opgenomen. Ook aanvullende sectorale toetsingskaders kunnen voor bepaalde sectoren een toegevoegde waarde hebben. Bij het opstellen van invoeringsplannen per sector onder de verantwoordelijkheid van de betrokken bewindspersoon, zal hier aandachtaan worden geschonken. Voor wathetinstrument «beleid en richtlijnen» betreft, wordt verwezen naar hetgeen hiervoor over ditonderwerp werd vermeld.

  • 9. 
    Relatie met fraudebestrijding

De invoering van hetburgerservicenummer vergrootde mogelijkheden tot effectieve fraudebestrijding, doordat (1) gebruikers eenvoudiger persoonsgegevens kunnen uitwisselen, (2) hulpmiddelen voor controle van identiteitsdocumenten verder worden ontsloten, (3) gebruikers kunnen nagaan of een bepaald BSN bij een bepaalde persoon hoorten welk BSN bij een bepaalde persoon hoorten (4) permanente procedures voor controle en schoning van nummers worden gecreëerd.

Ad 1. Doordatpersoonsgegevens eenvoudiger uitte wisselen zijn, kan het misbruik van voorzieningen en het foutief opgeven van informatie sneller en effectiever worden vastgesteld.

Ad 2. HetBSN-stelsel maakthetmogelijk datde gebruikers individueel maar vooral ook via een sectorale berichtenvoorziening de mogelijkheid hebben om de geldigheid van identiteitsdocumenten te verifiëren. Deze mogelijkheid bestond al eerder, maar de toegang ertoe wordt in het BSN-stelsel aanzienlijk vereenvoudigd.

Ad 3. HetBSN-stelsel maakthetmogelijk datop basis van enige algemene persoonsgegevens wordtopgezochtwelk BSN aan die persoon is toegekend en omgekeerd welke algemene persoonsgegevens betrekking hebben op de persoon waaraan een bepaald BSN is toegekend.

Ad 4. De voorzieningen van het BSN-stelsel omvatten de mogelijkheid om effectief te signaleren of een persoon meermaals in de persoonsregistraties voorkomt, of een persoon meerdere nummers heeft en of een nummer aan meerdere personen is toegekend.

Fraude bij de toekenning van diensten of uitkeringen kan door introductie van hetburgerservicenummer eenvoudiger worden tegengegaan. In veel gevallen is hetook op ditmomental mogelijk datmetbehulp van het sociaal-fiscaalnummer en met behulp van de GBA administratieve controles kunnen worden uitgevoerd op de aanvragen of opgaven die bij toekennende instanties binnenkomen. Lang niet alle gewenste koppelingen van registraties en controles komen echter eenvoudig tot stand. Doordathetburgerservicenummer over een breder domein van instellingen zal worden gebruikten doordathetnummer als sleutel zal fungeren om in stappen te komen tot eenmalige gegevensverstrekking, zal diteenvoudiger worden.

Doordatbij de toekenning van een burgerservicenummer, op hetmoment van inschrijving in de GBA, zorgvuldige procedures voor de identificatie worden gevolgd, sluitde overheid «aan de voorkant» van hetstelsel veel risico’s van fraude uit.

Op hetmomentvan invoering van hetBSN-stelsel zullen de bestaande sociaal-fiscale nummers in de GBA worden omgezetin burgerservicenummers. Om de kwaliteit van de burgerservicenummers te waarborgen vanaf hetmomentvan invoering, wordtreeds in 2005 een schoningsope-ratie uitgevoerd. Zie hierover hoofdstuk 11, paragraaf 11.1.

Om de kwaliteitvan de gegevens in de GBA te bewaken kentde WetGBA al verplichte, periodieke onderzoeken. Deze onderzoeken zijn uiteraard ook voor hetBSN-stelsel waardevol. In aanvulling op de periodieke GBA-onderzoeken zijn in het wetsvoorstel algemene bepalingen BSN eveneens verplichtingen tot het houden van een periodiek onderzoek opgenomen, en wel met betrekking tot de beheervoorziening (waarvan

o.a. het nummerregister deel uitmaakt) en de sectorale berichten-voorzieningen.

Aan gebruikers van hetburgerservicenummer worden via de beheer-voorziening verificatiemogelijkheden aangeboden. Hierdoor kan bijvoorbeeld automatisch on lineworden gecontroleerd of een burgerservicenummer bij een persoon hoortdan wel of de persoon al een burgerservicenummer heeft. Ook kan on lineeen getoond identiteitsdocument worden geverifieerd.

Door de bovengenoemde maatregelen zullen de fraudemogelijkheden met de introductie van het BSN-stelsel verder afnemen.

  • 10. 
    Toezicht en rechtsbescherming

Als alle procedures bij hettoekennen en hetgebruik van hetburgerser-vicenummer zijn doorlopen en de burger of een gebruiker constateert dat er toch iets mis is, dan kan de burger of gebruiker daarvoor bij verscheidene organisaties terecht. Als de burger of een gebruiker constateert dat meerdere burgerservicenummers aan één persoon zijn toegekend of dat één burgerservicenummer is toegekend aan meerdere personen, dan kan hij zich wenden tot de verantwoordelijke voor de registratie waar de persoon die hetbetreftis ingeschreven. Wanneer een probleem betrekking heeftop hetnummer zelf en nietop een gegevensverwerking methet nummer, dan zal de hiervoor bedoelde verantwoordelijke contact opnemen metde beheervoorziening.

Hetis mogelijk datde melding ertoe leidtdateen burgerservicenummer gemarkeerd wordt. Ditburgerservicenummer wordtdan als hetware buiten werking gesteld. Aan de betreffende persoon zal mogelijk een nieuw burgerservicenummer worden toegekend, volgens de bestaande procedures bij hettoekennen van een burgerservicenummer. De beheer-voorziening draagter tevens zorg voor datwordtuitgezochtwaar de fout bij het meervoudig toekennen van een burgerservicenummer is ontstaan en meldtdatbij de betrokken organisatie(s). In hetgeval dateen overheidsorgaan de foutheeftgemaaktwaardoor een persoon een nieuw burgerservicenummer moetworden toegekend, dan ligthetvoor de hand dat wanneer het burgerservicenummer op een identiteitsdocument wordt vermeld en ditdocumentzou moeten worden vervangen, hetbetrokken overheidsorgaan de kosten van een nieuw identiteitsdocument aan de persoon in kwestie dient te vergoeden.

In de situatie dat een persoon van mening is dat hij ten onrechte geen burgerservicenummer toegekend krijgt, dan gaat het feitelijk om de vraag of hij al dan nietdientte worden ingeschreven in een gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (of in de toekomstige registratie van niet-ingezetenen). De persoon in kwestie zal dan naar de verantwoordelijke voor de betrokken registratie worden doorverwezen.

Hetis mogelijk dateen persoon constateertdater bij één of meerdere administraties die gebruik maken van zijn burgerservicenummer, iets mis is of lijkt te zijn met de wijze waarop hij bij die administratie staat geregistreerd. De burger zal dan bij deze administraties terecht kunnen.

Het toekennen van een burgerservicenummer aan een burger is een feitelijke handeling. Ditimpliceertechter nietdattegen (de gevolgen van) het al dan nietcorrecttoekennen van een burgerservicenummer geen rechtsbescherming bestaat. De toekenning van het burgerservicenummer aan een burger op grond van het onderhavige wetsvoorstel behoort gepaard te gaan methetopnemen van datburgerservicenummer in de gemeente-

lijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA). Met betrekking tot het niet(of nietcorrect) opnemen van gegevens in de GBA geldtdatdeze handeling gelijkgesteld is meteen besluitin de zin van de Algemene wet bestuursrecht (artikel 83 Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens). Hetniet(of nietcorrect) toekennen van hetburgerservice-nummer aan een persoon resulteertin hetniet(of nietcorrect) opnemen van hetburgerservicenummer in de GBA. Indien hetburgerservice-nummer is opgenomen in een andere registratie dan de GBA, biedt artikel 45 van de Wetbescherming persoonsgegevens overigens eenzelfde gelijkstelling. Ten slotte wordt opgemerkt dat ten aanzien van de (toekomstige) toekenning van een burgerservicenummer aan personen die niet in een GBA zijn ingeschreven, afzonderlijke wetgeving is voorzien (zie hoofdstuk 13 van de memorie van toelichting, betreffende de registratie van niet-ingezetenen). Die wetgeving zal een grondslag bevatten voor de bedoelde gelijkstelling, voor zover het die categorie van personen betreft.

  • 11. 
    Implementatie

De invoering van hetburgerservicenummer houdtin dat, naasthetvast-stellen van de wet- en regelgeving, de voorzieningen van het BSN-stelsel in technische en organisatorische zin gerealiseerd moeten zijn, de controle en omzetting van de bestaande sociaal-fiscale nummers moeten zijn uitgevoerd en dathetburgerservicenummer in de verschillende sectoren moet zijn ingevoerd. De realisatie van de BSN-voorzieningen en de daarmee gepaard gaande wijzigingen in de diverse betrokken organisaties en informatiesystemen zijn in 2004 gestart en zullen, inclusief uitgebreide testen en schaduwdraaien, eind 2005 gereed zijn.

11.1 Schonen en omzetten van het sociaal-fiscaalnummer in het burgerservicenummer

De eerste burgerservicenummers worden op hetomslagmoment«toege-kend» door een deel van de bestaande sociaal-fiscale nummers om te zetten in burgerservicenummers (artikel 22). Deze omzetting betreft alle personen die zijn ingeschreven in de GBA en een sociaal-fiscaalnummer hebben. Bij deze omzetting blijft het nummer als zodanig intact maar verandert de naam en de juridische status ervan. Voordat deze actie wordt doorgevoerd dientechter eersthetbestand van sociaal-fiscale nummers van de ingeschrevenen in de GBA te worden gecontroleerd en geschoond. Hernieuwde identiteitsvaststelling hoeft niet plaats te vinden, omdat deze al bij de opname in de GBA is gebeurd. Wel moetzeker zijn dater geen dubbele sociaal-fiscale nummers zijn toegekend. De hiertoe strekkende schoningsoperatie is in het kader van de invoering van de Landelijk Raadpleegbare Deelverzameling van de GBA in 2004 afgerond. Een tweede schoningsoperatie is nodig om na te gaan of er personen zijn die meer dan één sociaal-fiscaalnummer hebben. Deze operatie wordt gestart zodra de voorzieningen van hetBSN-stelsel die het«matchen» van persoonsgegevens mede mogelijk maken, gerealiseerd zijn.

De tweede stap betreft de niet-ingeschrevenen die een burgerservicenummer gaan krijgen. Deze personen komen terecht in de registratie voor niet-ingezetenen. Deze registratie moet zijn gevuld, alvorens het BSN-stelsel ook voor personen die niet in de GBA zijn ingeschreven kan functioneren. Voorzover de niet-ingeschrevenen die een burgerservicenummer krijgen reeds een sociaal-fiscaalnummer hebben, zijn dezelfde schonings-operaties als hiervoor beschreven nodig. Aan de resterende personen in de doelgroep van hetburgerservicenummer zal hetburgerservicenummer worden toegekend op hetmomentdatdeze personen in de registratie voor niet-ingezetenen worden opgenomen.

De derde stap betreft de personen die geen burgerservicenummer krijgen, maar die nu wel een sociaal-fiscaalnummer hebben. De nummers van deze personen hebben een relatie methetBSN-stelsel, omdatze ook uit negen cijfers bestaan en voldoen aan de zogenaamde elfproef. Door opname van deze nummers in hetnummerregister wordtvoorkomen dat deze nummers worden aangezien voor een burgerservicenummer. Ook worden op deze nummers de schoningsoperaties toegepast zoals hiervoor beschreven.

Voor het schonen en omzetten van het sociaal-fiscaalnummer in het burgerservicenummer en voor hetvullen van hetnummerregister wordt gebruik gemaakt van de bestaande gegevensverzamelingen, te weten de landelijk raadpleegbare deelverzameling van de GBA en hetbestand Beheer van Relaties van de Belastingdienst. Daarmee wordt vermeden dat alle gemeenten bij de schoningsoperatie worden betrokken.

11.2 Invoering in sectoren

De invoering van hetburgerservicenummer in de verschillende sectoren kan op verschillende manieren plaatsvinden, afhankelijk van het gebruik van persoonsnummers op dit moment. Voor organisaties buiten de overheid, die nu al hetsociaal-fiscaalnummer gebruiken, bestaatde eerste stap eruitdatdoor wetgeving hetgebruik van hetburgerservicenummer mogelijk wordtgemaakt, metandere woorden datde organisatie een gebruiker in de zin van het onderhavige wetsvoorstel wordt. De tweede stap bestaateruitdatgebruikers zich aanmelden om van de voorzieningen van het BSN-stelsel gebruik te maken. Het tempo waarin organisaties dit doen, wordtbepaald door de betrokken organisatie zelf methetoog op de kosten die organisaties moeten maken voor de technische realisatie van de aansluiting. Met behulp van het BSN-stelsel kunnen de organisaties hun bestanden schonen wanneer dat nodig is.

Naastindividuele aansluiting op hetBSN-stelsel, is hetmogelijk datorganisaties in een sector zich (collectief) aansluiten door middel van een sectorale berichtenvoorziening. Dat is vooral van belang wanneer in die sector veel organisaties gebruikers van het burgerservicenummer zullen gaan worden. Voor de zorgsector wordtgewerktaan hetopzetten van zo’n sectorale berichtenvoorziening.

Sectoren die nog geen gebruik maken van het sociaal-fiscaalnummer, zullen bovendien hun informatiesystemen en de bijbehorende procedures moeten aanpassen zodathetburgerservicenummer daarin een plaats krijgt. Daarbij zal hetnodig zijn datde bestaande persoonsgegevens voorzien worden van hetburgerservicenummer van de persoon waarop de gegevens betrekking hebben. Deze operatie wordt onder meer ondersteund door de voorzieningen van het BSN-stelsel die het mogelijk maken dathetburgerservicenummer van een persoon wordtopgezochtaan de hand van een aantal persoonsidentificerende gegevens.

  • 12. 
    Financiële aspecten

De eenmalige kosten van invoering van het burgerservicenummer worden voor hetovergrote deel gedragen uitde rijksbegroting. Ditbetreftin het bijzonder het tot stand brengen van de centrale voorzieningen ter ondersteuning van enerzijds uitgifte, raadpleging en beheer van de nummers en van anderzijds het vertrouwen in het stelsel. De meest betrokken departementen hebben over de periode 2004–2006 toezeggingen gedaan tot een maximum van de geraamde invoeringskosten van 15 miljoen euro. Een aantal van de nieuwe voorzieningen vervangen reeds bestaande procedures en hulpmiddelen, zoals het berichtenverkeer dat thans tussen de

Belastingdienst en de GBA bestaat om een sociaal-fiscaalnummer in de persoonslijst van nieuwe ingezetenen op te kunnen nemen. De kosten die overheidsorganisaties moeten maken voor het tot stand brengen van de hiervoor genoemde centrale voorzieningen, zullen bekostigd worden uit de door de departementen toegezegde financiële middelen, uiteraard voorzover in de bekostiging daarvan nietreeds uitanderen hoofde is voorzien.

Omzettingen in administraties van andere organisaties die het burgerservicenummer moeten gaan gebruiken zijn in bovengenoemd totaalbedrag niet meegenomen. Deze kosten zijn per organisatie beperkt van omvang en kunnen vrij snel worden terugverdiend door slimmer gebruik te maken van elders reeds geregistreerde persoonsgegevens met behulp van het burgerservicenummer (uitzondering hierop vormen naar verwachting enkele uitvoeringsorganisaties in de sociale zekerheid). Deze eenmalige kosten komen derhalve ten laste van de uitvoeringsorganisaties en de gemeenten zelf.

De exploitatiekosten voor de beheervoorziening en de andere centrale voorzieningen vloeien voort uit de beschikbaarstelling en registratie van toekenning van burgerservicenummers en uit de verificatievragen van de gebruikers en het daarmee samenhangende berichtenverkeer. Naar schatting zal dit, afhankelijk van de intensiteit van het gebruik, een bedrag van 1,5 tot2 miljoen euro op jaarbasis metzich meebrengen. Een beperktdeel van deze exploitatiekosten vervangt overigens de kosten van op dit moment al bestaande activiteiten. Financiering van de exploitatiekosten voor hetBSN als basisvoorziening zal vanaf 2007 gedektworden door een eenmalig generieke verrekenmethode voor de kosten van de ELO-basis-voorzieningen over de overheidsorganen. Deze generieke verrekenmethode ten behoeve van de structurele overheveling zal nog worden ontwikkeld. In het voorjaar van 2006 zal de definitieve besluitvorming, inclusief de budgettaire verwerking over de overheidsorganen volgen. Ook zal daarbij worden bezien op welke wijze mogelijkheden bestaan de financiering van de GBA en de LRD in deze generieke verrekenmethode in te passen, zodat exploitatiegevolgen voor het agentschap BPR tot een minimum kunnen worden beperkt.

In hetbijzonder voor de gemeenten geldtdatde huidige werkwijze met betrekking tot het huidige sociaal-fiscaalnummer vervangen zal worden door een nieuwe werkwijze voor het toekennen en vastleggen van het burgerservicenummer. Naar verwachting zijn de meerkosten hiervan minimaal.

  • 13. 
    Niet-ingezetenen

In de brief van 14 mei 2004 aan de Tweede Kamer1 werd aangekondigd dat er een (authentieke) registratie voor niet-ingezetenen zou worden gerealiseerd, onder verantwoordelijkheid van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. De consequentie daarvan voor het onderhavige wetsvoorstel was dat de toekenning van het burgerservicenummer aan een niet-ingezetene onder verantwoordelijkheid van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie zou vallen.

Om te komen tot de realisatie van de registratie niet-ingezetenen, is in 2004 een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd door het Ministerie van Justitie. Onderdeel van het haalbaarheidsonderzoek vormde een analyse van de verschillende groepen van niet-ingezetenen en van de procedures die momenteel bestaan om deze groepen te registreren. Op basis van het onderzoek is de oorspronkelijke vormgeving van de registratie niet-

Kamerstukken II 2003/04, 29 362, nr. 15.             ingezetenen heroverwogen. De conclusies van het haalbaarheidsonder-

zoek vormen het startpunt voor de definitieve bestuurlijk-organisatorische en juridische vormgeving om de relevante groepen niet-ingezetenen te registreren en om ze een burgerservicenummer toe te kennen. De benodigde technische en organisatorische voorzieningen zullen begin 2006 gereed komen. Ook zal de benodigde wetgeving worden voorbereid. Daarbij wordt tevens de opname van de betrokken niet-ingezetenen in het BSN-stelsel geregeld.

  • 14. 
    Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

In artikel 1 zijn definities opgenomen van een aantal begrippen die in dit wetsvoorstel en de daarop berustende bepalingen worden gehanteerd. Behalve dathiermee hetformuleren van wettelijke bepalingen eenvoudiger wordtgemaakt, vergrootdittevens de leesbaarheid van hetwets-voorstel. Verreweg hetbelangrijkste begrip datin hetonderhavige artikel wordtgedefinieerd, is hetbegrip «gebruiker». Aan gebruikers wordteen aantal bevoegdheden toegekend en verplichtingen opgelegd. Als zodanig vervultditbegrip in hetwetsvoorstel dan ook een centrale rol.

Onder «gebruiker» worden in de eerste plaats begrepen de organen, personen en colleges, bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Algemene wetbestuursrecht(Awb). Deze categorie gebruikers wordtin hetvoorstel van wetaangeduid als «overheidsorganen». Hetbegrip «overheidsorgaan», in de betekenis van het ruime begrip bestuursorgaan uit artikel 1:1 eerste lid, van de Awb, wordt gehanteerd om te kunnen aangeven dat hetburgerservicenummer bestemd is voor gebruik door de gehele overheid, metinbegrip van de personen en instellingen, die op grond van het tweede lid van artikel 1:1 van de Awb niet als bestuursorganen worden aangemerkt. Hetbegrip «overheidsorgaan» wordtin dezelfde betekenis gebruiktin de Archiefwet1995 (artikel 1, onder b, van de Archiefwet1995).

Behalve overheidsorganen als hiervoor omschreven, worden onder gebruiker mede begrepen niet-overheidsorganen (natuurlijke personen en rechtspersonen), voor zover zij werkzaamheden verrichten waarbij het gebruik van hetburgerservicenummer bij of krachtens de wetis voorgeschreven. Gebruiker in deze zin is uitsluitend degene op wie de bedoelde wettelijke verplichting rust. Voorts zijn deze niet-overheidsorganen geen gebruiker in de zin van dit wetsvoorstel, voor zover zij andere werkzaamheden verrichten dan die, waarop de verplichting tot gebruik van het burgerservicenummer betrekking heeft. De keuze om de omschrijving van deze categorie gebruikers te beperken tot degenen, aan wie bij of krachtens de wet een verplichting is opgelegd tot gebruik van het burgerservicenummer, hangtsamen metde contextwaarin hetbegrip gebruiker voorkomtin hetwetsvoorstel. Hetgaatdaarbij metname om de toegang tot de faciliteiten van het BSN-stelsel, en hetgeen met die toegang samenhangt. Die toegang is beperkt tot (enerzijds) overheidsorganen en (anderzijds) anderen dan overheidsorganen, die verplichtzijn hetburgerservice-nummer te gebruiken. Hierbij speelt onder meer de beheersbaarheid van hetstelsel een rol. In hetonderhavige voorstel van wetwordthetbegrip «gebruiker» derhalve voornamelijk gebruiktin de contextvan de faciliteiten die aan de hier bedoelde gebruikers ter beschikking staan ten behoeve van de verificatie van burgerservicenummers. Voor de toepassing van deze bepalingen kan in hetmidden blijven of daarnaastpersonen of organisaties voorkomen, die nietverplicht(maar wel bevoegd) zijn een persoonsnummer, zoals hetburgerservicenummer, te gebruiken.

Dat op de eerste plaats overheidsorganen als gebruiker worden aange-merktvloeitvoortuitde achtergrond van hetwetsvoorstel: een instru-

mentarium ontwikkelen om de informatie-uitwisseling tussen burger en overheid en tussen overheden onderling efficiënter te laten verlopen. Dit betekentdatoverheidsorganen bij hetverwerken van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak gebruik mogen maken van hetburgerservicenummer datis toegekend aan degene op wie de persoonsgegevens betrekking hebben. Voor niet-overheidsorganen (art. 1, aanhef en onder d, onderdeel 2°) geldt deze bevoegdheid alleen voor zover datbij of krachtens (een andere) wetis geregeld. Door deze formulering wordtmede verzekerd dathetCollege bescherming persoonsgegevens in staat wordt gesteld te adviseren omtrent de grondslag voor een uitbreiding van de kring van gebruikers als bedoeld in onderdeel 2°.

«Gebruik» van hetburgerservicenummer dientoverigens ruim te worden opgevat. Ook de bestuursorganen die belast zijn met de toekenning van burgerservicenummers zijn daarom uitdien hoofde gebruikers als bedoeld in dit wetsvoorstel.

Artikel 2

In paragraaf 4.2 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting is hetbelang van hetfeitdathetburgerservicenummer geen informatie bevatover de persoon aan wie hetis toegekend, belicht.

Artikel 3

Van de beheervoorziening (zie hoofdstuk 6 van deze memorie van toelichting) maaktonder meer deel uiteen nummergenerator metbehulp waarvan nummers worden aangemaakt en ter beschikking gesteld, die als burgerservicenummer kunnen worden toegekend. Daarnaast maken van de beheervoorziening deel uiteen zogenoemd nummerregister alsmede een voorziening die de gebruikers in staat stelt dit nummerregister te raadplegen. Voorts kunnen via de beheervoorziening aan een aantal (andere) registraties verificatievragen worden gesteld, die verband houden methetburgerservicenummer. Op deze wijze kan worden nagegaan of aan een bepaalde persoon reeds een burgerservicenummer is toegekend, dan wel aan welke persoon een bepaald burgerservicenummer is toegekend, en of hetdocumentwaarmee een persoon zich identificeert, kan worden aangemerkt als een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1°, 2° of 4°, van de Wet op de identificatieplicht. Met de zinsnede «de daartoe bestemde registraties» wordt derhalve gedoeld op de GBA, de (toekomstige) registratie van niet-ingezetenen en de verschillende registraties betreffende identiteitsdocumenten, zoals het basisregister reisdocumenten en het rijbewijzen-register. Over de inrichting, de instandhouding, de beveiliging en de werking van de beheervoorziening zullen bij lagere regelgeving nadere regels worden gesteld.

Artikel 4

Een belangrijke componentvan hetBSN-stelsel is hetnummerregister. Naasthetregistreren van de door hetnummerregister aangemaakte en ter beschikking gestelde nummers heeft het nummerregister tot doel verificatie van nummers mogelijk te maken (bestaat het nummer, is het nummer toegekend en zo ja, door wie?). Daartoe bevat het nummer-register, naast een opsomming van de nummers, ook enige administratieve gegevens (statusinformatie) betreffende alle aangemaakte nummers, zoals:

  • a. 
    wanneer hetnummer is aangemaakt;
  • b. 
    of, en zo ja aan wie en wanneer, hetnummer beschikbaar is gesteld;
  • c. 
    of, en zo ja, door wie en wanneer, hetnummer is toegekend;
  • d. 
    of, en zo ja door wie en wanneer, hetnummer is gemarkeerd; Hetnummerregister bevatgeen gegevens over de persoon aan wie het nummer is toegekend. Welke administratieve gegevens uiteindelijk in het nummerregister worden opgenomen zal bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald. Bij of krachtens deze maatregel zal tevens het opnemen, wijzigen en verwijderen van deze administratieve gegevens worden geregeld.

Artikel 5

Voor de bijhouding van het nummerregister is de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties in belangrijke mate afhankelijk van anderen. Zo kan uitsluitend hetbestuursorgaan datbelastis methet toekennen van burgerservicenummers hem voorzien van relevante informatie betreffende de toekenning, die voor het bijhouden van het nummer-register van belang is. Over de wijze waarop deze informatie wordt verstrekt, bijvoorbeeld in de vorm van gestandaardiseerde berichten, kunnen nadere regels worden gesteld.

Artikel 6

Behalve informatie met betrekking tot het toekennen van burgerservicenummers kan ook andere informatie van belang zijn voor het bijhouden van hetnummerregister. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedachtaan de constatering door een gebruiker dat een nummer tweemaal is toegekend. In hetnummerregister kunnen nummers dan worden gemarkeerd. Daarom is in dit artikel de mogelijkheid opgenomen om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur overheidsorganen te verplichten de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties de inlichtingen te verschaffen die voor de bijhouding van het nummerregister van belang zijn.

Artikel 7

De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties is belast methetaanmaken en beschikbaar stellen van nummers, die als burgerservicenummer kunnen worden toegekend door de daartoe aangewezen bestuursorganen. In paragraaf 6.3 van deze memorie van toelichting is aangegeven, datde door de nummergenerator van de beheervoorziening aangemaakte nummers ook aan de Belastingdienst beschikbaar kunnen worden gesteld en vervolgens als aanvullend nummer door de Belasting-dienstkunnen worden toegekend aan personen die wel voor een sociaalfiscaalnummer maar nietvoor een burgerservicenummer in aanmerking komen. Artikel 7 heeft, teneinde «nummervervuiling» te voorkomen, mede betrekking op deze nummers.

Artikel 8

Hetburgerservicenummer is bedoeldvoor personen die meer dan eens contact hebben met de Nederlandse overheid en waarvan de identiteit op deugdelijke wijze kan worden vastgesteld (zie paragraaf 4.3 van deze memorie van toelichting). Zo geschiedt het toekennen van een burgerservicenummer aan ingezetenen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente bij hun inschrijving in de GBA (eerste lid). Hetbehoeftimmers geen betoog dateen ieder die in een Nederlandse gemeente woonachtig is uiteenlopende contacten met de Nederlandse overheid onderhoudt. Bovendien geldt als voorwaarde voor inschrijving in de GBA, dat de identiteit van betrokkene aan de hand van identiteitsdocumenten kan worden vastgesteld. Inschrijving in de GBA vindt plaats naar aanleiding van het opmaken van een akte van geboorte door de

ambtenaar van de burgerlijke stand of naar aanleiding van de vestiging van een persoon in Nederland. Artikel 19e, zevende en achtste lid, van Boek 1 van hetBurgerlijk Wetboek bepaaltdatde ambtenaar van de burgerlijke stand bij wie de aangifte van geboorte wordt gedaan, de identiteit van de aangever vaststelt aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. De ambtenaar van de burgerlijke stand kan daarnaast een verklaring verlangen van de arts, de verloskundige of de hulpverlener die bij de geboorte aanwezig was. Ook indien de inschrijving in de GBA geschiedtnaar aanleiding van de vestiging van een persoon in Nederland, vindt deugdelijke vaststelling van de identiteit van de betrokkene plaats. Zie hieromtrent onder meer de artikelen 29, derde lid, 65, 70 en 77 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

De toekenning van een burgerservicenummer bij inschrijving in de GBA geschiedtonmiddellijk na de aanleg of actualisering van de persoonslijst van de betrokkene, dus voordat over die aanleg of actualisering gegevensverstrekking uit de GBA plaatsvindt.

Is aan de betrokkene reeds een burgerservicenummer toegekend, dan wordtnietopnieuw een burgerservicenummer toegekend. Deze toekenning kan immers al hebben plaatsgevonden door het college van burgemeester en wethouders van een vorige gemeente van inschrijving (bijvoorbeeld bij een intergemeentelijke verhuizing). Als aan de betrokkene geen burgerservicenummer was toegekend, maar wel een sociaalfiscaalnummer (door de Belastingdienst), dan behoudt de ingeschrevene datnummer (tweede lid). Hetnummer krijgtin ditgeval alleen een andere naam (burgerservicenummer); het«getal» blijfthetzelfde. Datis zowel voor de ingeschrevene als voor gebruikers van hetburgerservicenummer gemakkelijker dan toekenning van een geheel nieuw nummer.

Hettoekennen van een burgerservicenummer dientzorgvuldig te geschieden; fouten kunnen immers grote gevolgen hebben. Daarom bepaalthetderde lid, naar analogie van artikel 50, derde lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dat het college van burgemeester en wethouders er zorg voor draagt dat een burgerservicenummer foutloos en slechts éénmaal wordt toegekend. De beheer-voorziening biedt diverse faciliteiten ter ondersteuning van het college van burgemeester en wethouders bij de toekenning. Het vierde lid bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders bij de toekenning gebruik dient te maken van deze faciliteiten.

Artikel 9

Toekenning van een burgerservicenummer dient de betrokkene te worden medegedeeld onder vermelding van hetnummer dathem is toegekend. Hetligtvoor de hand om – als hetde toekenning bij inschrijving in de GBA betreft – de mededeling van toekenning van een burgerservicenummer te combineren metde toezending van hetafschriftvan diens persoonslijst aan de ingezetene (artikel 78, eerste lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens). Om die combinatie mogelijk te maken is de maximumtermijn voor de mededeling van de toekenning gelijkgesteld aan de maximumtermijn voor toezending van het afschrift van de persoonslijst. Door middel van hetinzagerechtin de GBA en het rechtop afschriftvan gegevens uitde GBA, alsmede door de voorzieningen die het GBA-stelsel en het BSN-stelsel kennen voor de informatievoorziening aan gebruikers van hetBSN, is gewaarborgd dathetBSN zo nodig direct na toekenning kan worden gebruikt.

Artikel 10

Teneinde overheidsorganen de mogelijkheid te bieden in het kader van de uitvoering van hun publiekrechtelijke taken bij het verwerken van persoonsgegevens waar mogelijk gebruik te maken van het burgerservicenummer, is in hetonderhavige artikel een algemene bevoegdheid daartoe opgenomen. Bij het gebruikmaken van deze bevoegdheid neemt hetoverheidsorgaan vanzelfsprekend hetbepaalde bij of krachtens hoofdstuk 4 in acht. Voor wat betreft de overige als «gebruiker» gekwalificeerde instellingen en personen is de grondslag voor het gebruik van het burgerservicenummer te herleiden uit de wettelijke bepaling die hen tot «gebruiker» maakt(zie de begripsomschrijving van «gebruiker», artikel 1, onderdeel d, onder 2°).

Artikel 11

Hetonderhavige artikel legt(alle) gebruikers de verplichting op om bij het onderling uitwisselen van persoonsgegevens geen ander persoonsnummer als middel om de desbetreffende persoonsgegevens in verband te brengen met een persoon aan wie een burgerservicenummer is toegekend te gebruiken dan hetburgerservicenummer. Ditbetekentdatin het gegevensverkeer tussen gebruikers onderling in beginsel uitsluitend het burgerservicenummer als persoonsnummer wordtgebruikt. Deze verplichting geldt uiteraard niet als aan de betrokken persoon geen BSN is toegekend. Om evenwel de mogelijkheid open te houden in bijzondere gevallen hetgebruik van een ander persoonsnummer voor te schrijven, is in hettweede lid bepaald datdeze verplichting nietgeldtvoor zover ten behoeve van de desbetreffende gegevensverwerking bij of krachtens de wethetgebruik van een ander persoonsnummer is voorgeschreven. Ook in ditgeval geldtechter datde burger aan wie een burgerservicenummer is toegekend, nietkan worden verplichteen ander persoonsnummer te gebruiken in zijn contacten met een gebruiker als bedoeld in deze wet (artikel 13). Artikel 11 betreft uitsluitend het uitwisselen van persoonsgegevens tussen gebruikers. Gebruikers die geen overheidsorganen zijn, kunnen in verschillende hoedanigheden gegevens metelkaar uitwisselen. Hetkan gaan om een gegevensuitwisseling in hetkader van de werkzaamheden waarbij hetgebruik van hetburgerservicenummer bij of krachtens de wetis voorgeschreven. Heteerste lid van artikel 11 doeltop die situatie. Het heeft dus niet betrekking op de situatie waarin gebruikers, nietzijnde overheidsorganen, gegevens uitwisselen zonder dater verband bestaatmetde hiervoor bedoelde werkzaamheden.

Artikel 12

Bij hetverwerken van persoonsgegevens mag de gebruiker er nietklakke-loos van uitgaan dathetburgerservicenummer dathij daarbij als hulpmiddel gebruikt, betrekking heeft op de juiste persoon. Daarom is in dit artikel bepaald datde gebruiker, bij hetverwerken van persoonsgegevens waarbij een burgerservicenummer wordtgebruikt, zich ervan moetverge-wissen dathetdesbetreffende burgerservicenummer betrekking heeftop de persoon wiens persoonsgegevens hij verwerkt. Hetis van grootbelang datvan hetburgerservicenummer geen misbruik wordtgemaakt. Een vorm van controle op het bij elkaar horen van burgerservicenummer en persoon is daartoe dan ook nodig. Deze controle kan op uiteenlopende manieren worden vormgegeven. Een manier bestaateruitdateen dienstverlener die een burger uit voorafgaande contacten kent, bij een nieuw contact de burger herkent. De term «vergewissen» kan in zo’n situatie worden opgevatals heteenduidig herkennen van een persoon metinbe-grip van hetherinneren van de naam van de persoon en mogelijk andere gegevens zodat de andere gegevens die op de situatie van de betreffende

burger betrekking hebben, raadpleegbaar zijn. Afhankelijk van de aard van de dienstverlening, kan zo’n herkenning afdoende zijn (bijvoorbeeld in het onderwijs) of onvoldoende zijn (bijvoorbeeld bij hettoekennen van een uitkering). In een aantal gevallen zal de vergewisplicht samenvallen met een, elders geregelde, plichttotidentificatie meteen documentals bedoeld in artikel 1 van de WID. Niet alle in artikel 12 bedoelde gegevensverwerkingen vinden plaats in situaties waarin rechtstreeks contact bestaatmetde desbetreffende burger. Bij zulke «back office» gegevensverwerkingen kan het in bepaalde gevallen toereikend zijn om te verifiëren dat de bron of bronnen van de verwerkte gegevens voldoende betrouwbaar zijn, bijvoorbeeld omdataan de bron een grondige verificatie heeft plaatsgevonden. Met andere woorden, het zullen steeds de omstandigheden van het geval zijn die bepalen of een meer strikte en formele dan wel een meer informele invulling van de «vergewisplicht» aan de orde is.

De vergewisplichtwordtondersteund door hetburgerservicenummer-stelsel, doordat aan de beheervoorziening langs elektronische weg de vraag kan worden gesteld of aan een bepaalde persoon een burgerservicenummer is toegekend en zo ja welk burgerservicenummer aan die persoon is toegekend. Op deze wijze kan het burgerservicenummer van een bepaalde persoon worden nagetrokken. Aan de beheervoorziening kan voorts de vraag worden gesteld op welke persoon een bepaald burgerservicenummer betrekking heeft. Daarmee kan gecontroleerd worden of hetburgerservicenummer dateen persoon opgeeft, inderdaad betrekking heeft op de persoon in kwestie, onder meer door vergelijking van de gegevens op een (Nederlands of buitenlands) identiteitsdocument. De manieren van vergewissen berusten dus niet op de vermelding van het burgerservicenummer op een identiteitsdocument, maar zijn toepasbaar op alle personen die een burgerservicenummer krijgen toegekend. Wel is het voornemen op alle door Nederlandse autoriteiten afgegeven identiteitsdocumenten het burgerservicenummer van de houder te vermelden (mits aan hem een burgerservicenummer is toegekend). Ten aanzien van hetsociaal-fiscaalnummer is ditthans reeds hetgeval bij paspoorten, Nederlandse identiteitskaarten en rijbewijzen.

Artikel 13

Een van de uitgangspunten van het BSN-stelsel is, dat de burger zo min mogelijk geconfronteerd moetworden metverschillende persoonsnummers van uiteenlopende instanties die een publieke taak uitvoeren. Om die doelstelling te realiseren is in dit artikel vastgelegd dat een burger aan wie een burgerservicenummer is toegekend nietkan worden verplichtom bij hetverstrekken van persoonsgegevens aan een gebruiker een ander persoonsnummer te verstrekken dan diens burgerservicenummer. Dit geldt eveneens voor diens wettelijke vertegenwoordiger, die in dat geval kan volstaan methetverstrekken van hetburgerservicenummer datis toegekend aan degene die hij vertegenwoordigt.

Artikel 14

Overeenkomstig het advies van het Cbp wordt, in de artikelen 14 en 15, een aantal aspecten van de toegang van gebruikers tot (de voorzieningen van) het BSN-stelsel gereguleerd. Artikel 14 heeft betrekking op het verstrekken van gegevens uithetnummerregister. Hetnummerregister bevat uitsluitend (administratieve) gegevens betreffende het nummer zelf (zie de toelichting bij artikel 4), en bevat derhalve op zichzelf geen gegevens die privacy-gevoelig zouden kunnen zijn. Daarom kan ten aanzien van de verstrekking van gegevens uithetnummerregister worden volstaan metde bepaling dataan (alle) gebruikers de inlichtingen uithet nummerregister worden verstrekt die zij nodig hebben in verband met het

gebruik van hetburgerservicenummer. Opgemerktwordtdateen niet-overheidsorgaan slechts gebruiker is, en dus slechts verificatievragen kan stellen, voor zover hij werkzaamheden verrichtwaarbij hetgebruik van het burgerservicenummer bij of krachtens de wet aan hem is voorgeschreven (artikel 1, onderdeel c, onder 2°). Zie voorts de toelichting bij de artikelen 3, 4 en 17.

Artikel 15

De beheervoorziening ondersteunt gebruikers voorts bij het verifiëren van gegevens die betrekking hebben op het burgerservicenummer, de persoon aan wie hetnummer is toegekend en de vraag of hetdocument, met behulp waarvan een persoon zich identificeert, een document is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1°, 2° of 4°, van de Wet op de identificatieplicht (zie ook artikel 3 en de toelichting op dat artikel). Artikel 15 bevatde grondslag voor hetverstrekken van gegevens aan gebruikers in verband met de beantwoording van de bedoelde verificatievragen. Aan iedere gebruiker staat de verificatievraag open die gericht is op de verificatie van de geldigheid van een in verband met artikel 12 overgelegd identiteitsdocument. Opgemerkt wordt dat een niet-overheidsorgaan slechts gebruiker is, en dus slechts verificatievragen kan stellen, voor zover hij werkzaamheden verrichtwaarbij hetgebruik van hetburgerser-vicenummer bij of krachtens de wet aan hem is voorgeschreven (artikel 1, onderdeel c, onder 2°).

Voor wat betreft de overige verificatievragen staat de toegang uit privacy-overwegingen voor niet-overheidsorganen slechts open voor zover aan hen bij of krachtens (sectorale) wet een verplichting is opgelegd of een bevoegdheid is verleend zulke verificatievragen te stellen. Hetvierde lid bevathetcomplementvan de verplichting tothetstellen van verificatievragen, zijnde de verplichting tot het verstrekken van de inlichtingen die nodig zijn ter beantwoording van die verificatievragen. Zie voorts de toelichting bij de artikelen 3, 14 en 17.

Artikel 16

Het eerste lid bevat de grondslag om nadere regels te stellen met betrekking tot de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de gebruikers, bedoeld in de artikelen 14 en 15, door de beheervoorziening worden gefa-ciliteerd bij het stellen van verificatievragen aan het nummerregister en de in artikel 3, eerste lid, onder d, bedoelde registraties (GBA, toekomstig register van niet-ingezetenen en registraties betreffende identiteitsdocumenten). Op grond van het eerste lid kunnen onder meer eisen worden gesteld aan de technische voorzieningen waarmee de bedoelde gebruikers kunnen aansluiten op de beheervoorziening. In de algemene maatregel van bestuur wordt ook vastgelegd welke persoonsgegevens in verband met deze verificatie aan gebruikers worden verstrekt (tweede lid).

Artikel 17

Dit artikel biedt de grondslag om sectorale berichtenvoorzieningen in te stellen, die als intermediair fungeren voor een bepaalde categorie (of bepaalde categorieën) van gebruikers bij het verifiëren van gegevens betreffende burgerservicenummers. Door de toegang tot de faciliteiten die de beheervoorziening biedt sectoraal te reguleren (zoals bijvoorbeeld het voornemen is met betrekking tot de zorgsector), wordt voorkomen dat vele duizenden gebruikers rechtstreeks verbonden moeten worden met de beheervoorziening en dat de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties (casu quo de verantwoordelijke voor de registratie waarin het antwoord op de verificatievraag is te vinden) in staat moet zijn om de bevoegdheid van al die gebruikers te controleren. Een sectorale

berichtenvoorziening kan die controle overnemen en de gegevensuitwisseling bundelen. Instelling van een sectorale berichtenvoorziening geschiedt bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van de minister die voor de desbetreffende sector verantwoordelijk is. Degene die bij de algemene maatregel van bestuur is aangewezen als de verantwoordelijke voor de sectorale berichtenvoorziening is gebruiker in de zin van ditwetsvoorstel en heeftin verband metzijn taak rechtop gegevensverstrekking uit het nummerregister en de registraties, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder d (vierde lid). De krachtens artikel 16 gestelde regels gelden derhalve mede voor sectorale berichtenvoorzieningen.

Artikel 18

Een van de uitgangspunten bij de invoering van het BSN-stelsel is transparantie. Teneinde de transparantie voor de burger te bevorderen, zal door middel van interneteen algemeen overzichtbeschikbaar worden gesteld van de werking van het BSN-stelsel en van de gegevensuitwisselingen, waarbij hetburgerservicenummer wordtgebruikt(de zogenoemde «landkaart»). Desgevraagd wordt deze landkaart, of een samenvatting daarvan, ook aan de burger toegezonden. Om de samenstelling van de landkaart mogelijk te maken, is de medewerking van gebruikers noodzakelijk. Hetis in ditverband echter nietnoodzakelijk of doelmatig om aan alle individuele gebruikers een informatieverplichting op te leggen. Voor gebruik van het burgerservicenummer buiten de kring van de overheid is steeds een wettelijke grondslag vereist en zulk gebruik zal doorgaans ten dienste staan van gegevensuitwisseling met de overheid. Daarom kan worden volstaan methetopleggen van een verplichting tot het verstrekken van informatie die van belang is voor de landkaart aan overheidsorganen. Hetderde lid biedtde mogelijkheid om voor te schrijven dat de benodigde informatie op een bepaalde (elektronische) wijze wordtaangeleverd.

Artikel 19

Artikel 62 van de Wetbescherming persoonsgegevens geeftde (facultatieve) grondslag voor het benoemen van een functionaris voor de gegevensbescherming (FG). Omdateen FG die toezietop de verwerking van persoonsgegevens in hetkader van de beheervoorziening een belangrijke rol kan spelen bij de bewaking van de kwaliteit en de transparantie van het BSN-stelsel, legt artikel 19 de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties de verplichting op om een FG te benoemen. Deze FG kan uiteraard slechts toezien op de gegevensverwerkingen, voor zover deze onder de verantwoordelijkheid van de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties vallen. Omdat de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties verantwoordelijk is voor de centrale componenten van het BSN-stelsel (ondergebracht in de beheervoorziening), zal hettoezichtdatde FG uitoefentin de praktijk de goede werking van hetBSN-stelsel als geheel bevorderen. In verband met die centrale positie van de FG ligthetvoor de hand datdeze daarnaastals centraal aanspreekpunt kan fungeren met betrekking tot vragen en klachten die de werking van het BSN-stelsel raken. De nadere regeling van taken en bevoegdheden van de FG vindt plaats op grond van de artikelen 62 toten met64 van de Wetbescherming persoonsgegevens.

Artikel 20

Vanuitzijn verantwoordelijkheid voor hetBSN-stelsel zietde Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties er op toe dat burgerservicenummers niet tweemaal worden uitgegeven en dat uitsluitend burgerservicenummers worden toegekend, die door hem aan de toeken-

nende bestuursorganen ter beschikking zijn gesteld. Het nummerregister, met inbegrip van de terugmeldingen die door de toekennende organen en (andere) gebruikers in verband metde bijhouding van hetnummer-register aan de minister worden gedaan, verschaffen hem daartoe de nodige informatie. Aanvullend hierop is de minister bevoegd inlichtingen te verlangen van de organen die burgerservicenummers toekennen. Indien bij de toekenning van een burgerservicenummer een fout is gemaakt, is hetvan belang dater één orgaan is datbepaaltop welke wijze de ontstane situatie wordt rechtgezet. Aan de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties is daarom de bevoegdheid toegekend om in verband hiermee aanwijzingen gegeven. Indien bijvoorbeeld aan twee personen in verschillende gemeenten hetzelfde burgerservicenummer blijkt te zijn toegekend, kan de minister, gebruik makend van deze bevoegdheid, burgemeester en wethouders van beide gemeenten opdragen aan beide personen een nieuw burgerservicenummer toe te kennen. De aanwijzing kan overigens gerichtzijn tothetcollege van een andere gemeente dan die, welke hetburgerservicenummer heefttoege-kend. Ditis bijvoorbeeld hetgeval, indien de burger sinds de toekenning naar een andere gemeente is verhuisd.

Artikel 21

In artikel 21, eerste lid, is de verplichting opgenomen om periodiek (eens per drie jaar) een onderzoek te laten uitvoeren naar de inrichting, de werking en de beveiliging van de beheervoorziening. Hetderde lid bevat een vergelijkbare verplichting ten aanzien van de sectorale berichten-voorzieningen. Vanuit de verantwoordelijkheid van de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties voor het BSN-stelsel als geheel en de werking van de centrale componenten van het BSN-stelsel in hetbijzonder is een dergelijk periodiek onderzoek een onmisbaar instrument.

Artikel 22

Hetsociaal-fiscaalnummer, datis vermeld op de in de GBA opgenomen persoonslijst, wordtvanaf hetovergangsmomentbeschouwd als burgerservicenummer. Aangezien ditnummer reeds bij de burger bekend is, behoefthetniet(nogmaals) aan hem te worden medegedeeld. Artikel 9 is daarom nietvan toepassing. Wel zal de invoering van hetburgerser-vicenummer gepaard gaan meteen voorlichtingscampagne, zodat iedereen op de hoogte wordt gesteld van de overgang van sociaalfiscaalnummer naar burgerservicenummer.

Hettweede lid van artikel 22 voorzietin hetopnemen van gegevens over sociaal-fiscale nummers in hetnummerregister. In paragraaf 11.1 van deze memorie van toelichting is de reden van deze opneming toegelicht.

Artikel 23

Hetis nietuitgesloten datop hetmomentvan invoering van het burgerservicenummer een of meer onderdelen van hetBSN-stelsel, die op zichzelf nietnoodzakelijk zijn voor de invoering van hetburgerservice-nummer, nog nietfunctioneren. Metname is hetmogelijk datnog nietalle gebruikers in staat zijn om hun gegevensuitwisselingen uitsluitend met behulp van het burgerservicenummer te laten plaatsvinden (artikel 11, eerste lid). Sommige (overheids)organisaties zullen meer tijd nodig hebben voor hetoverschakelen op hetburgerservicenummer dan andere. Gewaarborgd moetzijn, datverplichtingen totgebruik van hetburgerser-vicenummer slechts worden opgelegd, indien deze voor de betrokken gebruikers uitvoerbaar zijn. In verband hiermee is in artikel 23 van het wetsvoorstel vastgelegd dat de artikelen of onderdelen daarvan op

verschillende tijdstippen in werking kunnen treden, waarbij onderscheid gemaaktkan worden tussen categorieën van gebruikers. Ditimpliceertdat ten aanzien van de aanvang van de bedoelde verplichtingen zonodig onderscheid gemaaktkan worden naar sector.

De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, A. Pechtold

 
 
 

3.

Meer informatie

 

4.

EU Monitor

Met de EU Monitor volgt u alle Europese dossiers die voor u van belang zijn, op de voet. De monitor signaleert de recent aan deze dossiers toegevoegde documenten en de vergaderingen waarin ze aan de orde komen. U ziet in één oogopslag van elk lopend voorstel de stand van zaken. Via e-mail-alerts en de nieuwsbrieffunctie zijn u en uw relaties altijd onmiddellijk op de hoogte.

De EU Monitor is ook beschikbaar in het Engels.

Als u meer wilt weten over de EU Monitor, bekijk dan de uitgebreide beschrijving op www.pdc.nl of neem contact met ons op via info@eumonitor.eu.