Cotonou-overeenkomst

Met dank overgenomen van Europa Nu.

De Overeenkomst van Cotonou is een verdrag uit 2000 tussen de Europese Unie en minder ontwikkelde landen in Afrika ten zuiden van de Sahara, het Caribische gebied en de Stille Oceaan: de zogeheten ACS-landen i. Cotonou heeft tot doel de armoede terug te dringen en bij te dragen aan vrede, veiligheid en democratisering in de ACS-landen. De overeenkomst betreft ontwikkelingshulp, handelsbetrekkingen en politieke samenwerking.

Speerpunten in Cotonou zijn armoedebestrijding en de integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie. De armoedebestrijding richt zich in het bijzonder op onderwijs, gezondheidzorg en jeugdbeleid. Voor versterking van de positie van de ACS-landen in de wereldeconomie staat het stimuleren van de handel centraal.

Daarvoor moeten de handelsvoorwaarden voor de ACS-landen met betrekking tot hun toegang tot de Europese markt wel worden aangepast aan de geldende internationale regels (o.a. met die van de WTO i). Vandaar dat parallel aan Cotonou de Europese Unie bezig is met het sluiten van economische partnerschapsovereenkomsten met elk van de ACS-landen.

De voorloper van de Overeenkomst van Cotonou is de Overeenkomst van Lomé i. Die overeenkomst werd getekend door de toenmalige negen leden van de Europese Gemeenschap i en de ACS-landen op 1 februari 1975 in de hoofdstad van Togo, Lomé. Het was een akkoord over een handelsregeling, een regeling over de exportinkomsten van de ACS-landen en een financiële en technische regeling tussen beide partijen.

De directe hulp van de Europese Unie moet aan bepaalde voorwaarden voldoen om de effectiviteit van die hulp te garanderen. De verantwoordelijkheid om aan die voorwaarden te voldoen ligt vooral bij de ACS-landen zelf. Ze moeten corruptie tegengaan. Dit betekent dat ACS-landen niet alleen het misbruik van EU-gelden moeten aanpakken, maar ook tegen corruptie als breder maatschappelijk fenomeen moeten optreden. De aanpak daarvan past in een bredere ontwikkeling die moet leiden tot verbetering van het investeringsklimaat, de ontwikkeling van de private sector, en de decentralisering van overheidstaken. Behalve op overheden is Cotonou ook nadrukkelijk gericht op de participatie van maatschappelijke organisaties en particulieren.

Daarnaast zijn in het kader van Cotonou afspraken gemaakt over conflictpreventie en hulp bij vredesopbouw, duurzaam omgaan met natuurlijke hulpbronnen, terrorismebestrijding, verdere maatregelen ter verbetering van de kwaliteit van het openbaar bestuur en het Internationaal Strafhof i. In het geval van schendingen van de mensenrechten zijn er bepalingen dat 'passende maatregelen' genomen kunnen worden om een land onder druk te zetten. Deze mogelijkheid is bijvoorbeeld in 2001 bij onrust in Fiji en Ivoorkust toegepast.

Het budget in het kader van Cotonou voor de periode 2008-2013 bedroeg 22,7 miljard euro. Het geld werd uitgegeven via het Europees Ontwikkelingsfonds i, en nog 2 miljard euro door de Europese Investeringsbank i. Voor de periode 2014-2020 is het budget vastgesteld op 31,6 miljard euro. Daar bovenop maakt de Europese Investeringsbank nog maximaal 2,5 miljard euro vrij voor leningen.

De Overeenkomst van Cotonou is de laatste in een serie verdragen tussen de ACS-landen en de Europese Unie. Het begon in 1964 met een verdrag gesloten in Yaoundé. Dit verdrag werd gevolgd door Lomé I, II, III en IV. Sinds Lomé IV zijn mensenrechten in het verdrag opgenomen. Cotonou is getekend in 2000 en in werking getreden in mei 2003. De Overeenkomst heeft een looptijd van 20 jaar. Iedere vijf jaar kan de Overeenkomst herzien worden. In 2005 gebeurde dat voor het eerst en in 2010 werd een verdrag gesloten over een tweede wijziging. In 2015 vond er geen herziening plaats.

Bijna alle landen van sub-Sahara Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan hebben Cotonou getekend. Opvallende uitzondering is Cuba, dat om politieke redenen weigert toe te treden tot het verdrag.